WENR-rapport 623951
Tekst van het document
Afhankelijk van de gekozen techniek of managementaanpak kan ook een reductie optreden van broeikasgasemissies (bijvoorbeeld bij behandeling of vergisting van dagverse mest) en van geur- en fijnstofemissies (bijvoorbeeld met een gecombineerde luchtwasser). Met deze bijkomende effecten is in de berekeningen geen rekening gehouden. Maatregel 1.2 Efficiëntere aanwending van dierlijke mest Bij de huidige bemestingsnormen wordt een efficiënte aanwending van dierlijke mest steeds belangrijker om verliezen van waardevolle nutriënten te beperken en de gewasopbrengst te behouden. Met name op graslanden bestaan nog optimalisatiemogelijkheden. Binnen het onderzoeksprogramma Bemest op z’n Best worden hiervoor oplossingen ontwikkeld. Voor de berekeningen in dit scenario is aangenomen dat de emissiefactor bij toediening van dierlijke mest op grasland kan worden verlaagd van 17 naar 12% van de toegediende TAN (Totaal Ammoniakaal Stikstof) (zie onder meer Gies et al., 2023). Scenario 2 – Gebiedsspecifieke maatregelen De gebiedsspecifieke maatregelen sluiten aan bij de ruimtelijke uitwerking van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied. Hierbij wordt in delen van Regio Foodvalley ingezet op natuur- en omgevingsgerichte landbouw, zoals in en rondom Natura 2000-gebieden, beekdalen en stedelijke kernen, terwijl in andere delen de nadruk ligt op duurzame, productiegerichte landbouw.
De gebiedsgerichte maatregelen voor natuur- en omgevingsgerichte landbouw zijn doorgerekend voor zones: • binnen 100 meter van beekdalen, • binnen 500 meter van Natura 2000-gebieden en • binnen 500 meter van stads- en grotere dorpskernen. Figuur 3.2 geeft deze zones weer in oranje. De gekozen afstanden zijn indicatief en uitsluitend gebruikt als uitgangspunt voor de berekeningen; zij hebben geen formele beleidsstatus. Binnen deze zones bevindt zich ongeveer een derde van alle agrarische bedrijven met hun bedrijfsgebouwen, en ongeveer 10.000-12.000 hectare (50%) van het landbouwareaal in Regio Foodvalley, waarvan 75% grasland en 25% bouwland.
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 27
Figuur 3.2
Indicatieve zonering voor het doorrekenen van de gebiedsgerichte maatregelen.
Voor deze gebieden worden de volgende maatregelen (boven op de generieke maatregelen in scenario 1) doorgerekend: Maatregelen in de zones De landbouw in de zones nemen maatregelen die passen bij een meer natuurinclusieve landbouw, zoals het verminderen van de mestgiften en het vergroten van de weidegang. Maatregel 2.1 Vermindering van de dierlijke mest naar 150 kg N/ha op alle percelen in de zones Voor de categorie ‘extensief’ wordt in diverse studies en subsidieregelingen een maximale totale stikstofgift van 150 kg N/ha gehanteerd (zie o.a. Dijkshoorn-Dekker et al., 2024). In deze maatregel wordt de dierlijke mestgift op alle percelen binnen de geselecteerde zones verlaagd van 170 kg N/ha naar 150 kg N/ha. Maatregel 2.2 Verdubbeling van het aantal weide-uren voor alle melkveebedrijven in de zones Weidegang draagt bij aan verlaging van de ammoniakemissie en sluit aan bij een natuurinclusieve bedrijfsvoering. Voor deze maatregel wordt aangenomen dat het huidige aantal weide-uren op bedrijven die al weiden, wordt verdubbeld: van 1.200 naar 2.400 uur per melkkoe per jaar.
28 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456
Maatregel 2.3 Geen toepassing van kunstmest op alle percelen in de zones In een natuurinclusieve bedrijfsvoering wordt het gebruik van kunstmest gereduceerd, in combinatie met een goed bodembeheer. Deze maatregel houdt in dat op alle percelen binnen de zones geen stikstofkunstmest meer wordt toegepast. De lagere dierlijke mestgift (maatregel 2.1) en het wegvallen van kunstmest worden deels gecompenseerd door stikstoffixatie in kruidenrijk grasland. Maatregelen buiten de zones In de gebieden buiten de eerdergenoemde zones (de witte gebieden in figuur 3.2) nemen grotere melkveebedrijven aanvullende maatregelen om ammoniak- en methaanemissies vanuit stallen verder te reduceren. Hiervoor zijn al erkende stalsystemen beschikbaar op de markt. Maatregel 2.4 Verdere aanscherping emissiefactoren op de grote melkveebedrijven Op melkveebedrijven met meer dan 100 melkkoeien wordt de stalemissienorm aangescherpt tot 4 kg NH₃/dierplaats/jaar. Dit betreft circa 40 bedrijven in Regio Foodvalley. Deze norm is ruim de helft lager dan de maximale emissienorm in het Besluit activiteiten leefomgeving. Een stalsysteem zoals de Lely Sphere voldoet hieraan, met een emissiefactor van 3 kg NH3/dierplaats/jaar.
Daarnaast wordt op deze bedrijven de methaanemissie verder gereduceerd door het afvoeren van dagverse mest naar een geconditioneerde, afgesloten opslagruimte en het toevoegen van Bovaer® aan het rantsoen. De uitgangspunten hiervoor zijn ontleend aan Gies et al. (2023). Deze aanpassingen leiden tot een reductie van circa 15% van de enterische methaanemissie door pensfermentatie en 15% reductie van methaanemissie uit mestopslag. Opmerking: In de ramingen voor 2030 is, op basis van het geldende beleid, reeds rekening gehouden met een afname van de veestapel ten opzichte van 2022: circa 10% minder pluimvee, 20% minder rundvee en 30% minder varkens. In deze studie wordt geen aanvullende krimp van de veestapel doorgerekend. Indien met de genoemde maatregelpakketten het doelbereik niet wordt gerealiseerd, kan verdere reductie van de veestapel alsnog als aanvullende maatregel worden overwogen.
3.2.2
Ammoniakemissies na aanvullend regionaal maatregelpakket
In tabel 3.1 zijn per gemeente de ammoniakemissies uit de landbouw weergegeven voor de referentiejaren, huidige situatie, raming voor 2030, de afzonderlijke generieke maatregelen en het totaalpakket van scenario 1, het totaalpakket van scenario 2 na toepassing van de maatregelen binnen de zonering, en het totaalpakket van scenario 2 inclusief de aangescherpte stalnormering voor melkveebedrijven buiten de zonering. Tevens staan de relatieve reducties weergegeven ten opzichte van de referentiejaren 2018 en 2019. Uit de resultaten blijkt dat de generieke maatregelen in scenario 1 het grootste effect hebben op de ammoniakemissie. Deze daalt van 3,11 kton NH3 in de raming voor 2030 naar 2,69 kton NH3 in scenario 1. De implementatie van emissiearme stallen (maatregel 1.1) levert hierbij de grootste bijdrage, terwijl het effect van efficiënter bemesten (maatregel 1.2) aanzienlijk kleiner is. In totaal leiden beide maatregelen in combinatie met de reeds gerealiseerde reductie en de verwachte reductie tot en met 2030, tot bijna een halvering van de ammoniakemissie ten opzichte van de referentiejaren 2018 en 2019. Het aanvullende effect van de gebiedsspecifieke maatregelen in scenario 2 is beperkter dan dat van de generieke maatregelen. De ammoniakemissie daalt hierbij verder naar 2,61 kton NH3.
Ten opzichte van de referentiejaren geeft dit, aanvullend op de generieke maatregelen, een extra reductie van 2 procentpunt. Binnen deze gebiedsspecifieke maatregelen heeft het afschaffen van kunstmestgebruik binnen de zonering (maatregel 2.3) het grootste effect, gevolgd door de verlaging van de dierlijke mestgift (maatregel 2.1) en de toename van weidegang (maatregel 2.2).
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 29
Tabel 3.1
De ammoniakemissie uit landbouwbronnen per gemeente, in kton NH3 per jaar, voor de
referentiejaren (2018 en 2019), huidige situatie (2022 en 2023), raming voor 2030 en de aanvullende maatregelen in scenario 1 en 2. Daarnaast staat per jaar en maatregel/scenario voor Regio Foodvalley het relatieve verschil met de referentiejaren 2018 en 2019 weergegeven. De scenarionummers verwijzen naar de hierboven genoemde maatregelen. Gemeenten
Referentiejaren
Sc 1: generiek
Sc 2: gebiedsspecifiek
2018
2019
2022
2023
2030
1.1
1.2
1
2.1
2.2
2.3
2zo
2.4
2
Barneveld
1,66
1,58
1,41
1,31
0,97
0,86
0,95
0,84
0,84
0,84
0,83
0,83
0,83
0,82
Ede
1,95
1,83
1,59
1,64
1,16
1,02
1,14
1,00
1,00
1,00
0,99
0,99
1,00
0,98
Nijkerk
0,39
0,41
0,33
0,31
0,24
0,22
0,22
0,2
0,19
0,20
0,19
0,18
0,19
0,18
Putten
0,65
0,60
0,48
0,44
0,34
0,30
0,33
0,29
0,29
0,29
0,28
0,28
0,29
0,28
Scherpenzeel
0,18
0,19
0,17
0,18
0,12
0,11
0,11
0,11
0,11
0,11
0,11
0,11
0,11
0,11
Wageningen
0,05
0,04
0,04
0,04
0,04
0,03
0,03
0,03
0,03
0,03
0,03
0,03
0,03
0,03
Renswoude
0,26
0,27
0,23
0,23
0,15
0,13
0,14
0,13
0,13
0,13
0,12
0,12
0,12
0,12
Rhenen
0,16
0,14
0,14
0,14
0,10
0,09
0,10
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
0,08
Veenendaal
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,00
0,01
0,00
Foodvalley
5,32
5,08
4,39
4,29
3,11
2,77
3,03
2,69
2,68
2,68
2,65
2,63
2,66
2,61
5%
17%
19%
42%
48%
43%
49%
50%
50%
50%
51%
50%
51%
14%
16%
39%
45%
40%
47%
47%
47%
48%
48%
48%
49%
Reductie t.o.v. 2018 2019
1: combinatie van alle aanvullende generieke maatregelen (1.1 en 1.2). 2zo: combinatie van de aanvullende maatregelen in de zonering (2.1, 2.2 en 2.3). 2: combinatie van alle aanvullende gebiedsspecifieke maatregelen (2.1, 2.2, 2.3 en 2.4).
In tabel 3.2 zijn de aan de landbouw gerelateerde ammoniakemissies uitgesplitst naar bron • stallen waar dieren worden gehuisvest en mest wordt opgeslagen, en • emissies bij beweiding en bij de toediening van mest op gras- en bouwland. De emissies zijn weergegeven voor de referentiejaren, huidige situatie, raming voor 2030, de afzonderlijke generieke maatregelen en het totaalpakket van scenario 1, het totaalpakket van scenario 2 na toepassing van de maatregelen binnen de zonering, en het totaalpakket van scenario 2 inclusief de aangescherpte stalnormering voor melkveebedrijven buiten de zonering. Tevens staan de relatieve reducties voor de stalen opslagemissie, en veldemissie weergegeven ten opzichte van de referentiejaren 2018 en 2019. Uit de resultaten blijkt dat in scenario 1 de reductie in stal- en opslagemissies voornamelijk wordt gerealiseerd door de implementatie van emissiearme stallen (maatregel 1.1). Het absolute effect hiervan is het grootst bij melkvee en vleeskalveren. De reductie in veldemissies wordt hoofdzakelijk bereikt door efficiëntere aanwending van dierlijke mest (maatregel 1.2), terwijl de overige veldemissiebronnen nagenoeg onveranderd blijven. In scenario 2 wordt een extra reductie in stal- en opslagemissies gerealiseerd door de aanscherping van de stalemissienormen voor melkveebedrijven (maatregel 2.4).
Bij de veldemissies is het grootste effect zichtbaar bij het gebruik van kunstmest, dat volledig wordt afgeschaft binnen de zonering (maatregel 2.3). De effecten van de overige gebiedsspecifieke maatregelen binnen de zonering, zoals de verlaging van de dierlijke mestgift (maatregel 2.1) en de toename van weidegang (maatregel 2.2), zijn relatief beperkt.
30 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456
Tabel 3.2
De ammoniakemissie uit landbouwbronnen per bron, in kton NH3 per jaar, voor de
referentiejaren (2018 en 2019), huidige situatie (2022 en 2023), raming voor 2030 en de aanvullende maatregelen in scenario 1 en 2. Daarnaast staat per jaar en maatregel/scenario het relatieve verschil voor zowel de stal- en opslagemissie als de veldemissie met de referentiejaren 2018 en 2019 weergegeven. De scenarionummers verwijzen naar de hierboven genoemde maatregelen. Referentiejaren
Sc 1: generiek
2018 2019 2022 2023 2030
1.1
1.2
1
Sc 2: gebiedsspecifiek 2.1
2.2
2.3
2zo
2.4
2
NH3-stal- en opslagemissie
4,49
4,31
3,69
3,52
2,56 2,22
2,56
2,22 2,22
2,22
2,22
2,22
2,20
2,19
rundvee
1,94
1,82
1,56
1,40
1,20
0,93
1,20
0,93
0,93
0,93
0,93
0,93
0,91
0,91
• melkvee
0,42
0,41
0,36
0,37
0,30
0,22
0,30
0,22
0,22
0,22
0,22
0,22
0,20
0,19
• vleeskalveren
1,41
1,31
1,11
0,93
0,81
0,62
0,81
0,62
0,62
0,62
0,62
0,62
0,62
0,62
• ov. rundvee
0,11
0,10
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
0,09
varkens
0,76
0,70
0,57
0,49
0,26
0,23
0,26
0,23
0,23
0,23
0,23
0,23
0,23
0,23
pluimvee
1,65
1,64
1,44
1,50
0,98
0,93
0,98
0,93
0,93
0,93
0,93
0,93
0,93
0,93
overige dieren
0,13
0,13
0,12
0,14
0,13
0,13
0,13
0,13
0,13
0,13
0,13
0,13
0,13
0,13
NH3-veldemissie
0,84
0,76
0,71
0,76
0,55 0,55
0,47
0,47 0,46
0,46
0,43
0,41
0,47
0,41
dierlijke mest
0,61
0,51
0,49
0,52
0,35
0,36
0,27
0,27
0,27
0,27
0,27
0,26
0,27
0,26
kunstmest
0,14
0,14
0,14
0,15
0,12
0,12
0,11
0,11
0,11
0,11
0,07
0,07
0,11
0,07
overige veldemissie*
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
0,08
Foodvalley
5,32
5,08
4,39
4,29
3,11 2,77
3,03
2,69 2,68
2,68
2,65
2,63
2,66
2,61
4%
18%
22%
43%
51%
43%
51%
51%
51%
51%
51%
51%
51%
14%
18%
41%
48%
41%
48%
48%
48%
48%
48%
49%
49%
15%
10%
35%
35%
44%
44%
45%
45%
49%
51%
44%
51%
7%
0%
28%
28%
38%
38%
39%
39%
43%
46%
38%
46%
NH3-stal- en opslagemissie Reductie t.o.v. 2018 2019 NH3-veldemissie Reductie t.o.v. 2018
10%
2019
1: combinatie van alle aanvullende generieke maatregelen (1.1 en 1.2). 2zo: combinatie van de aanvullende maatregelen in de zonering (2.1, 2.2 en 2.3). 2: combinatie van alle aanvullende gebiedsspecifieke maatregelen (2.1, 2.2, 2.3 en 2.4). * overige veldemissie als de som van beweiding, overige organische producten, gewasresten en gewasafrijping.
3.2.3
Effect van het aanvullend regionaal pakket op de stikstofdepositie
Het effect op de stikstofdepositie is in beeld gebracht voor de stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden binnen de begrenzing van Regio Foodvalley (zie figuur 3.3). Het gaat dan om delen van de Rijntakken, Veluwe en Binnenveld en een gewogen gemiddelde over de drie gebieden binnen de grenzen van Regio Foodvalley. In tabel 3.3 is voor de raming 2030 de gemiddelde depositie weergegeven ten gevolge van de landbouwemissies uit Regio Foodvalley zelf, de NH3-emissies vanuit de rest van Nederland en buitenland en de NOx-deposities (uit Regio Foodvalley, Nederland en buitenland). De verandering van de gemiddelde depositie als gevolg van de generieke maatregelen (scenario 1) en daarop aanvullende gebiedsspecifieke maatregelen (scenario 2) staan daarin ook vermeld. Het grootste depositie-effect is te verwachten van de generieke maatregelen. Het effect van de gebiedsspecifieke maatregelen zijn gemiddeld genomen kleiner, maar figuur 3.3 laat zien dat lokaal, met name langs de randen van de Natura 2000-gebieden, de verandering groot kan zijn.
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 31
Tabel 3.3
Stikstofdepositie (in mol stikstof per hectare per jaar) op de stikstofgevoelige delen van de
Natura 2000-gebieden in Regio Foodvalley voor de raming 2030 en de relatieve verandering als gevolg van de landbouwmaatregelen in scenario 1 en 2. Ref2030
Scenario 1
Scenario 2
Foodvalley
overig
Niet-NH3 landbouw
Rijntakken
28
418
668
-4
-5
Veluwe
216
469
711
-30
-33
Binnenveld
213
241
626
-31
-38
Gewogen gemiddelde
215
469
712
-29
-33
Figuur 3.3
Ruimtelijke spreiding van de reductie in stikstofdepositie (in mol stikstof per hectare per jaar)
als gevolg van de landbouwmaatregelen in het generieke scenario 1 (links) en aanvullend hierop de landbouwmaatregelen in het gebiedsgerichte scenario 2 (rechts).
3.2.4
Methaan- en lachgasemissies na aanvullend regionaal maatregelpakket
In tabel 3.4 staan per gemeente de methaan- en lachgasemissies uit de landbouw weergegeven voor de referentiejaren, huidige situatie, raming voor 2030, de afzonderlijke generieke maatregelen en het totaalpakket van scenario 1, het totaalpakket van scenario 2 na toepassing van de maatregelen binnen de zonering, en het totaalpakket van scenario 2 inclusief de aangescherpte maatregelen voor grote melkveebedrijven buiten de zonering. Tevens staan de relatieve reducties weergegeven ten opzichte van de referentiejaren 2018 en 2019. Uit tabel 3.4 volgt dat de methaan- en lachgasemissies als gevolg van de maatregelen in scenario 1 en scenario 2 in beperkte mate afnemen. Het effect is het grootst bij kunstmest, hetgeen niet meer wordt toegepast in de zonering (2.3) en bij de maatregelen op de grotere melkveehouderijbedrijven (2.4). Totaal neemt de methaan- en lachgasemissies in scenario 1 met 26% af ten opzichte van 2018. Dit is geen extra
32 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456
reductie ten opzichte van wat al in de raming voor 2030 wordt verwacht (zie tabel 2.5). In scenario 2 neemt de methaan- en lachgasemissie wel iets verder af, tot 27% reductie ten opzichte van 2018.
Tabel 3.4
De methaan- en lachgasemissie uit landbouwbronnen per gemeente, in kton CO2-equivalenten
per jaar, voor de referentiejaren (2018 en 2019), huidige situatie (2022 en 2023), raming voor 2030 en de aanvullende maatregelen in scenario 1 en 2. Daarnaast staat per jaar en maatregel/scenario het relatieve verschil voor Regio Foodvalley met de referentiejaren 2018 en 2019 weergegeven. De scenarionummers verwijzen naar de hierboven genoemde maatregelen. Referentiejaren Gemeenten
Sc 1: generiek
2018
2019
2022
2023
2030
Barneveld
169
171
162
160
Ede
211
209
200
Nijkerk
46
45
Putten
63
65
Scherpenzeel
11
Wageningen
Sc 2: gebiedsspecifiek
1.1
1.2
1
2.1
2.2
2.3
2zo
2.4
2
126
126
126
126
126
126
126
126
125
124
194
159
159
159
159
158
159
158
158
158
157
40
39
31
31
31
31
31
31
30
30
31
29
61
60
47
47
47
47
47
47
47
47
47
46
11
10
10
8
8
8
8
8
8
8
8
8
8
6
5
5
5
5
5
5
5
5
5
5
5
5
4
Renswoude
32
32
29
27
23
23
23
23
23
24
23
23
23
23
Rhenen
22
23
21
22
16
16
16
16
16
16
16
16
16
16
Veenendaal
2
2
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
Foodvalley
562
563
529
518
418
418
417
417
417
418
413
413
413
409
2018
0%
0%
6%
8%
26%
26%
26%
26%
26%
26%
26%
26%
26%
27%
2019
0%
0%
6%
8%
26%
26%
26%
26%
26%
26%
26%
26%
26%
27%
Reductie t.o.v.
Tabel 3.5
De methaan- en lachgasemissie uit landbouw per bron, in kton CO2-equivalenten per jaar, voor
de referentiejaren (2018 en 2019), huidige situatie (2022 en 2023), raming voor 2030 en de aanvullende maatregelen in scenario 1 en 2. Daarnaast staat per jaar en maatregel/scenario het relatieve verschil voor Regio Foodvalley met de referentiejaren 2018 en 2019 weergegeven. De scenarionummers verwijzen naar de hierboven genoemde maatregelen. Referentiejaren
Sc 1: generiek
Sc 2: gebiedsspecifiek
Emissiebron
2018
2019
2022
2023
2030
1.1
1.2
1
2.1
2.2
2.3
2zo
2.4
2
Methaanemissie
470
467
446
425
354
354
354
354
354
354
354
354
350
350
pensfermentatie
306
306
308
306
248
248
248
248
248
248
248
248
245
245
mestopslag
164
161
138
120
106
106
106
106
106
106
106
106
105
105
Lachgasemissie
92
96
83
93
63
64
63
63
63
64
59
59
63
59
stalemissie
19
19
19
19
14
14
14
14
14
14
14
14
14
14
veldemissie
72
77
63
74
49
49
49
49
48
49
45
45
49
45
Foodvalley
562
563
529
518
418
418
417
417
417
418
413
413
413
409
1%
5%
10%
25%
25%
25%
25%
25%
25%
25%
25%
26%
26%
4%
9%
24%
24%
24%
24%
24%
24%
24%
24%
25%
25%
10%
-1%
32%
30%
32%
32%
32%
30%
36%
36%
32%
36%
14%
3%
34%
33%
34%
34%
34%
33%
39%
39%
34%
39%
Methaanemissie Reductie t.o.v. 2018 2019 Lachgasemissie Reductie t.o.v. 2018 2019
-4%
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 33
3.2.5
Doelbereik na aanvullende regionale maatregelpakketten
Het doelbereik voor stikstofreductie in Regio Foodvalley is met de uitvoering van het vigerende beleid en aanvullende regionale maatregelen in zicht. Het regionale maatregelpakket in combinatie met het vigerende beleid kan leiden tot een reductie van de ammoniakemissie van 49-51% ten opzichte van 2018. Daarmee wordt de richtinggevende doelstelling uit het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied gehaald. De doelstelling zoals opgenomen in het recentere Uitvoeringsplan Stikstof voor Regio Foodvalley (restemissie van 2 kton NH3) wordt echter nog niet gerealiseerd. De berekende restemissie komt uit op 2,6 kton NH3. Grootste resterende emissies zijn pluimvee en vleeskalverstallen met respectievelijk 0,9 en 0,6 kton NH3. Het grootste effect wordt bereikt door de inzet op goed functionerende emissiearme stallen, een zorgvuldige uitvoering van de derogatiebeschikking en beëindigingsregelingen. Extensiever grondgebruik in en rondom Natura 2000-gebieden, beekdalen en woonkernen draagt bovendien bij aan een verdere reductie van de emissies. Hoewel deze extra reductie kleiner is dan het effect van autonome ontwikkeling, het vigerende beleid en de aanvullende generieke maatregelen, zal het effect op stikstofdepositie aan de randen van Natura 2000-gebieden relatief groter zijn. Dit komt doordat depositiereductie voornamelijk op korte afstand van de bron wordt gerealiseerd.
Daarnaast zijn gebiedsgerichte maatregelen noodzakelijk voor andere regionale opgaven, zoals het herstel van natuurlijke systemen rondom de Natura 2000-gebieden3 en het versterken van de verbinding tussen stad en platteland. Om de emissiedoelstelling uit het Uitvoeringsplan Stikstof te halen, zijn meer maatregelen nodig. Te denken valt aan verdergaande emissiearme staltechnieken, zoals scheiden van mest en urine bij de bron en het snel afvoeren naar een geconditioneerde gesloten mestopslag, mestverwerking, afvangen van ammoniak uit de stal, eiwitarmer rantsoen of minder vee. Dergelijke stallen kunnen ook bijdragen aan een beter stalklimaat voor de dieren en veehouders. Voor de reductie van broeikasgasemissies wordt het doelbereik met het vigerende beleid en het regionale maatregelpakket nog niet gehaald. Naar verwachting wordt een maximale reductie van 27% gerealiseerd, terwijl de richtinggevende doelstelling uitgaat van een reductie van 32% van methaan- en lachgasemissies. Verdere reductie kan worden bewerkstelligd via het voerspoor (aanpassing van het rantsoen of voeradditieven), het mestspoor (vergisting of mestadditieven) of door een verdere inkrimping van de veestapel, met name bij melkvee en vleeskalveren. Op langere termijn biedt fokkerij mogelijk aanvullende kansen voor methaanreductie.
Voor de waterkwaliteitsdoelen in het kader van de Kaderrichtlijn Water wordt verwacht dat voor stikstofuitspoeling naar oppervlaktewater gemiddeld geen restopgave meer aanwezig is na uitvoering van de derogatiemaatregelen. Voor fosfor blijft echter een restopgave bestaan, voornamelijk door ophoping van fosfaat in de bodem. Het gaat hierbij om een inschatting op basis van de beschikbare kennis en modelinstrumentarium; gedetailleerde lokale waterkwaliteitsberekeningen ontbreken. Daarom is het belangrijk om lokaal de waterkwaliteit te monitoren en waar nodig aanvullende maatregelen te nemen om resterende knelpunten aan te pakken. Daarnaast is nutriëntenbelasting slechts een van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Vanuit een breder perspectief adviseren Schipper et al. (2024) ook in te zetten op systeemherstel, zoals verbetering van de sponswerking van de bodem, verhoging van het grondwaterpeil, extensivering van detailontwatering en inrichting van beek- en oeverzones voor ecologisch herstel en vergroting van beschaduwing.
3
Rondom en in de Natura 2000-gebieden speelt meer dan alleen stikstofdepositie, die de staat van instandhouding van habitattypen en soorten en de verslechtering van de kwaliteit van habitats (negatief) beïnvloeden, zoals verdroging, versnippering, ontoereikend beheer, invasieve soorten, influx van gewasbeschermingsmiddelen en klimaatverandering (Pouwels et al., 2020; Van Zeijts et al., 2024). Door gebiedsgerichte maatregelen rond de Natura 2000-gebieden kunnen deze drukfactoren beter worden aangepakt.
34 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456
4
Mogelijk toekomstbeeld landbouw in 2035-2050
Op basis van autonome ontwikkeling, vigerend beleid en de lijn uit het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied is een verdergaande inschatting gemaakt van de aard en omvang van de landbouw in 2035 en 2050, rekening houdend met de toekomstige milieugebruiksruimte. Verwachte agrarische bedrijven en grondgebruik • In 2035 zijn naar verwachting ca. 1.200 agrarische bedrijven actief, in 2050 ca. 900 bedrijven. Het aantal kan lager uitvallen bij voortzetting van opkoop of afname van perspectief voor bedrijven. • De bedrijven blijven voornamelijk veehouderijbedrijven, maar er zal een grotere diversiteit in bedrijfsmodellen ontstaan (zie hieronder bij ontwikkelrichtingen). • Het areaal landbouwgrond neemt af tot ca. 24.000 ha in 2035 en tot ca. 21.000 ha in 2050, door hoge gronddruk vanuit verstedelijking, infrastructuur en natuur. Mogelijk kan multifunctioneel gebruik (landbouw en natuur) deze afname deels compenseren. Verwachte ontwikkelingen veestapel, emissies en milieugebruiksruimte • De veestapel krimpt naar verwachting met 10-30% ten opzichte van de huidige situatie door autonome ontwikkeling en vigerend beleid, wat leidt tot afname van ammoniak- en methaanemissies. Ook fijnstof- en geuremissies zullen hierdoor dalen.
• Bedrijven implementeren technische en managementmaatregelen in stallen en bij mesttoepassing, waarmee ze in 2035 binnen de milieugebruiksruimte blijven voor stikstof, broeikasgassen en water. Ontwikkelrichtingen voor de landbouwbedrijven Er kunnen verschillende accenten worden gelegd in de ontwikkelrichtingen, afhankelijk van andere regionale opgaven: Verbinding landbouw-natuur • Gericht op kwetsbare natuurgebieden (Veluwe, Binnenveld, Rijntakken) en kernzones met integraal systeemherstel. • Grondgebruik wordt extensiever, dienstbaar aan biodiversiteit. • Resultaat: lagere emissies, meer ruimte voor biodiversiteit, herstel van kwelstromen en waterretentie. • In beekdalen extensief graslandbeheer met lage bemesting, vermijding van intensieve teelten om uitspoeling van nutriënten en bestrijdingsmiddelen te beperken. Verbinding landbouw-stedelijke omgeving • Rond steden en dorpen focus op verbinding van landbouw met stedelijke functies. • Mogelijkheid voor gemeenschapslandbouw en multifunctionele landbouw. • Emissiereductie gericht op geur en fijnstof om gezondheid van inwoners te beschermen. • Grondgebruik diverser en toegankelijker, productieomvang per bedrijf kan overeind blijven, maar de totale productie in deze zones neemt af. Duurzaam intensiveren • In de overige gebieden blijft de productieomvang op peil binnen de milieugebruiksruimte.
• Ruimte voor schaalvergroting en technische maatregelen (emissiearme stallen, derogatie) voor reductie van emissies. In de gebieden waar ingezet wordt op verbinding tussen landbouw en natuur of landbouw en stedelijke omgeving, is de verwachting dat de totale productieomvang van de landbouw afneemt en is er sprake van extensiever grondgebruik. Overigens blijft er op individueel bedrijfsniveau nog steeds ruimte voor schaalvergroting. Andere functies in deze gebieden kunnen bijdragen aan het verdienmodel voor de blijvers (natuur- en landschapsbeheer en multifunctionele landbouw). Qua omvang gaat het naar verwachting in 2050 om 300-400 bedrijven op ca. 5.000-10.000 ha (25-50%) van het landbouwareaal in Foodvalley. In de
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 35
gebieden waar ingezet wordt op duurzaam intensiveren, blijft de productieomvang op peil. Er is ruimte voor schaalvergroting. Bedrijven nemen technische en managementmaatregelen om de emissies tot op het gewenste niveau te reduceren. Het gaat in 2050 om ca. 500-600 bedrijven op ca. 10.000-15.000 ha. Opmerking: In deze schets zijn nieuwe vormen van landbouw (agroforestry, gewassen voor bouwmaterialen, alternatieve eiwitproductie) nog niet meegenomen. Deze kunnen perspectief bieden voor nieuwe verdienmodellen, mits ze passen binnen bodem- en watersturing en de milieugebruiksruimte.
36 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456
5
Discussie, conclusies en aanbevelingen
5.1
Discussie
5.1.1
Uitvoering en effectiviteit van de maatregelen
In de scenario’s wordt ervan uitgegaan dat de maatregelen op elk bedrijf waar ze van toepassing zijn, daadwerkelijk worden uitgevoerd. Het is echter onbekend in hoeverre bedrijven bereid zijn deze maatregelen te nemen; dit hangt af van de manier waarop ze in beleid worden verankerd en welke mogelijkheden de bedrijven hebben om de maatregel ook hebben. Worden maatregelen verplicht voor alle bedrijven of slechts voor een deel? Wordt gestuurd op normen waaraan bedrijven moeten voldoen, waarbij zij zelf de invulling mogen bepalen, of zijn maatregelen concreet voorgeschreven? Wordt een maatregel alleen gestimuleerd en is deelname vrijwillig of wordt naleving verplicht opgelegd? Passen kapitaalintensieve investeringen in stalen mestbewerkingstechnieken, of maatregelen als bemesting, kruidenrijk grasland en meer beweiding in een duurzame bedrijfsvoering van de bedrijven? Naast de implementatiegraad is er discussie over de effectiviteit van de maatregelen in de praktijk. Niet alle maatregelen werken even goed en sommige zijn nog in ontwikkeling. Diverse onderzoeksprojecten proberen de effectiviteit van maatregelen te kwantificeren, zowel voor ammoniak- en broeikasgasemissies als voor stikstof- en fosforuitspoeling. Het is duidelijk dat bij een lagere implementatiegraad of een beperkte werking van de maatregelen het doel verder weg komt te liggen.
Mogelijk zijn dan aanvullende of andere maatregelen nodig om de doelstellingen te halen. Dit geldt niet alleen voor het regionale aanvullende maatregelpakket, maar ook voor de ramingen die zijn gemaakt op basis van autonome ontwikkelingen en het vigerende beleid richting 2030. Daarnaast kunnen autonome ontwikkelingen in de landbouw in de loop der tijd afwijken van de aannames die zijn gebruikt voor de referentieramingen. Denk bijvoorbeeld aan veranderingen in de mestafzetmarkt, de invoering van dierwaardige veehouderij en grote verschuivingen in landgebruik. Tot slot is een goede uitvoering van het vigerende beleid cruciaal om de verwachte emissiereducties in 2030 daadwerkelijk te realiseren.
5.1.2
Onzekerheden en beperkingen in modellen en uitgangspunten
Er zitten beperkingen aan de mate van gedetailleerdheid van de modellen die in deze studie gebruikt zijn, zowel op het gebied van beschikbare en (ruimtelijke) data en de nauwkeurigheid daarvan, als in de gebruikte procesformuleringen en -aannames in de modellen. Er kan sprake zijn van verschillende soorten onzekerheden: in de data en modellen, bij de effectiviteit van (nieuwe) maatregelen, bij de toepassing in de praktijk en bij het integrale effect van het pakket aan maatregelen. Op lokale schaal is de onzekerheid het grootst. In deze verkenning wordt niet expliciet ingegaan op deze onzekerheden. Bij een verdere beleidsmatige uitwerking van de maatregelen is inzicht in deze onzekerheden zeker gewenst en kan met een gevoeligheidsanalyse bekeken worden wat het effect is op de uitkomst van andere mogelijke aannames en uitgangspunten bij de te nemen maatregelen. In dit rapport zijn de doelen en het doelbereik van de scenario’s weergegeven op gemeente- en regioniveau. Gebiedsprocessen om tot oplossingen te komen, vinden op een lager, lokaal schaalniveau plaats. Daarnaast vraagt doelbereik in sommige gevallen, vooral bij waterkwaliteit, om lokaal maatwerk. In een verdere uitwerking in gebiedsprocessen binnen Regio Foodvalley is het daarom belangrijk ook meer gebieds- en bedrijfsspecifieke informatie, modellen en kennis toe te passen dan in deze studie is gedaan.
Denk daarbij aan lokale metingen (bijvoorbeeld over de waterkwaliteit of emissies uit stallen), gebieds- en bedrijfsmodellen (bijvoorbeeld Kringloopwijzer) en specifieke gebiedskennis bij gemeenten, waterschappen en grondgebruikers.
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 37
5.1.3
Impact van maatregelen
De maatregelen in de gehanteerde scenario’s zijn omvangrijk en zullen een grote impact hebben op alle onderdelen van de agrarische bedrijfsvoering. In deze studie is ervan uitgegaan dat alle maatregelen inpasbaar zijn op de huidige agrarische bedrijven, maar er is niet getoetst of deze combinatie van maatregelen voor de verschillende bedrijfstypen management-technisch haalbaar is. De kosten voor de primaire landbouw en de agrifoodsector zijn evenmin meegenomen in de uitwerking van de maatregelen in de scenario’s. De maatregelen zullen effect hebben op de bedrijfsstructuur en de economische perspectieven van de deelsectoren binnen de landbouw. Jongeneel et al. (2024) en Vissers et al. (2024) laten in nationale studies zien dat de heterogeniteit van bedrijven (klein, groot, intensief, extensief, grondsoort) groot is en in combinatie met de mogelijke bedrijfsontwikkelpaden in sterke mate bepalend is voor de impact van de maatregelen op het bedrijfsinkomen. Via gerichte beleidsinterventies en marktinstrumenten is het inkomensverlies dat gepaard gaat met de transitie naar een duurzame landbouw te mitigeren. Dit kan vervolgens invloed hebben op het handelen van de bedrijven, bijvoorbeeld omschakeling naar een ander bedrijfstype of ander landgebruik, waar in deze studie geen rekening mee is gehouden.
5.1.4
Integrale sturing
De meeste maatregelen moeten op agrarische bedrijven en percelen worden uitgevoerd. In deze studie is niet uitgewerkt hoe deze maatregelen in beleid worden opgenomen of welke instrumenten en middelen worden ingezet. Het is belangrijk om duidelijkheid te hebben over verantwoordelijkheden, implementatie, borging en monitoring, en over samenwerking met de landbouwsectoren. Dit geldt voor zowel de aanvullende generieke en gebiedsspecifieke maatregelen (scenario’s 1 en 2) als voor de uitvoering van vigerend beleid in 2030, zoals emissiearme stallen en de derogatiebeschikking. Het gelijktijdig realiseren van alle landbouwdoelen is complex. Duurzaamheidsmaatregelen worden vaak gestuurd vanuit afzonderlijke beleidsdossiers, waardoor integrale sturing, afwentelrisico’s en neveneffecten veelal ontbreken. Doelsturing wordt gezien als oplossing: boeren krijgen dan de vrijheid om maatregelen te kiezen die passen bij hun bedrijf, terwijl middelsturing voorschrijft welke maatregelen genomen moeten worden. Doelsturing kan effectiever en stimulerender zijn, maar vereist een zorgvuldige, geleidelijke invoering en een mix van middelvoorschriften en doelsturing zolang doelen nog niet volledig haalbaar zijn (PBL, 2024). Bedrijfsarrangementen kunnen bedrijven helpen hun specifieke doelen te halen.
Dit zijn pakketten van maatregelen gekoppeld aan ontwikkel-, omschakel- of stoproutes, met passend ondersteunend instrumentarium. Variatie in arrangementen maakt keuzes mogelijk die passen bij de intensiteit, kapitaal en omgeving van het bedrijf. Hierbij moet rekening worden gehouden met synergie en afwenteling tussen bedrijfs- en gebiedsniveau. Lopende pilots, zoals het Ondernemingsplan Gelderse Vallei4, ondersteunen boeren bij de uitvoering. Doelsturing en bedrijfsarrangementen kunnen gekoppeld worden aan ruimtelijke keuzes voor landbouw en natuur, zoals in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied voor Regio Foodvalley. Gemeenten kunnen via bestemmingen, bouwblokken en maatwerkregels sturen op ontwikkelingsmogelijkheden, beperkingen en extra voorwaarden, bijvoorbeeld voor dierenwelzijn of natuur.
5.2
Belangrijkste inzichten
Huidige landbouw en ontwikkelingen Regio Foodvalley heeft een sterk ontwikkeld agrocomplex. Volgens de statistieken uit 2020 is 12,9% van de totale bruto toegevoegde waarde van Regio Foodvalley toe te schrijven aan het agrocomplex. Landelijk is dit 7,2%. Hoewel het grootste aandeel van de toegevoegde waarde met name bij groothandel, onderzoek en
4
https://www.gelderland.nl/nieuws/pilot-ondernemingsplan-gelderse-vallei-aan-de-slag-met-17-plannen
38 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456
onderwijs ligt, is in Regio Foodvalley de primaire landbouw ook een belangrijke economische activiteit en bedraagt deze circa 15% van de toegevoegde waarde van het agrocomplex. De primaire landbouwsector is de grootste ruimtegebruiker in de negen gemeenten van Regio Foodvalley en is daarmee gezichtsbepalend voor de regio. Veehouderij is de grootste bedrijfstak in Regio Foodvalley. Ongeveer 90% van de agrarische bedrijven is een veehouderij. Deze gebruiken 91% van het landbouwareaal en dragen voor 96% bij aan de standaard verdiencapaciteit (toegevoegde waarde) in de primaire agrarische sector in de regio. Er komen relatief veel vleeskalver-, pluimvee- en varkensbedrijven voor, en de melkveehouderij (al dan niet in combinatie met varkens- of pluimveehouderij) is ook nadrukkelijk aanwezig in de regio. De akkerbouwbedrijven produceren met name voedergewassen voor de veehouderij. In de afgelopen decennia heeft een behoorlijke verandering plaatsgevonden in het aantal bedrijven, areaal en dieraantallen in Regio Foodvalley. Het aantal agrarische bedrijven is sinds 2000 gehalveerd en het landbouwareaal is met 16% afgenomen. De melkveestapel is met ruim 30% gekrompen, terwijl er landelijk een lichte groei heeft plaatsgevonden. Het aantal vleeskalveren is daarentegen met ruim 40% gestegen.
Het aantal varkens is gehalveerd, terwijl in de pluimveesector het aantal dieren, ondanks jaarlijkse schommelingen, over een langere termijn redelijk gelijk is gebleven. Ontwikkeling landbouwemissies De landbouwbedrijven in de gemeente Ede en de gemeente Barneveld zijn samen verantwoordelijk voor ruim twee derde van zowel de ammoniakemissie als de methaan- en lachgasemissies uit landbouw. In de periode tussen 2019 en 2023 was er gemiddeld in Regio Foodvalley een daling van 16% van de ammoniakemissie en 8% van de methaan- en lachgasemissies uit landbouw. De emissieramingen voor 2030, op basis van de autonome ontwikkelingen en het vigerende beleid, laten een verdere emissiedaling zien. De ammoniakemissie zal naar verwachting in 2030 ten opzichte van 2019 gemiddeld 39% lager zijn voor Regio Foodvalley. Voor de methaan- en lachgasemissies is de verwachting dat deze in 2030 26% lager zijn dan in 2019. Dit is het gevolg van met name de inzet op verdere verduurzaming van stallen, de aanhoudende vermindering van de veestapel (als gevolg van opkoopregelingen, afroming van dierrechten en excretieplafonds) en de lagere bemesting (vervallen derogatie en korting op de stikstofgebruiksruimte).
Als in Regio Foodvalley – aanvullend op de autonome ontwikkeling en het vigerende beleid – wordt ingezet op dat alle dieren in een emissiearme stal staan die voldoet aan de maximale emissienormen volgens Bal en er een efficiëntere toediening van dierlijke mest wordt toegepast, zal dit naar verwachting leiden tot een 47% minder ammoniakemissie ten opzichte van 2019 (49% minder ten opzichte van 2018). Voor de vermindering van de methaan- en lachgasemissies heeft deze aanscherping van het generieke beleid geen effect, tenzij de stalinnovaties ook dagverse mest direct afvoeren en behandelen. De methaan- en lachgasemissies in scenario 1 blijven 26% lager ten opzichte van 2019. Als naast deze generieke maatregelen ook nog gebiedsspecifieke maatregelen worden genomen die passen bij de plannen in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied, zoals minder bemesting en meer beweiding in de zones rondom de Natura 2000-gebieden, de woonkernen en beekdalen en verdergaande emissiereductie (gericht op ammoniak- en methaanemissies) op grote melkveebedrijven, neemt de ammoniakemissie nog eens met 2%-punt af. De methaan- en lachgasemissie neemt met 1%-punt verder af.
Gemiddeld zijn deze reducties als gevolg van gebiedsspecifieke maatregelen op het niveau van Regio Foodvalley gering, maar lokaal kunnen ze een grotere bijdrage leveren aan bijvoorbeeld de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in de randzones van de Natura 2000-gebieden en de KRW-doelen in de beekdalen. Met het uitvoeren van het vigerende beleid en het nemen van aanvullende maatregelen in Regio Foodvalley komt de doelstelling voor ammoniakreductie volgens het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied in zicht. De verwachte halvering van de ammoniakemissie komt daarmee ongeveer overeen met de richtinggevende doelstelling van minimaal 46-55% reductie. De doelstelling zoals opgenomen in het recentere Uitvoeringsplan Stikstof voor Regio Foodvalley (restemissie van 2 kton NH3) wordt echter nog niet gerealiseerd (restemissie is nog 2,6 kton NH3).
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 39
Het doelbereik van de reductie van de broeikasgasemissies wordt echter nog niet gehaald. De te verwachten 27% reductie komt nog niet in de buurt van de richtinggevende doelstelling van 32% reductie van de methaan- en lachgasemissies. Voor het doelbereik van de waterkwaliteit in het kader van de Kaderrichtlijn Water is te verwachten dat er gemiddeld genomen geen restopgave meer is voor de uitspoeling van stikstof naar het oppervlaktewater na het uitvoeren van de maatregelen in de derogatiebeschikking. Voor fosfor is er nog wel een restopgave vanuit landbouwgronden, met name vanwege het opgehoopte fosfaat in de bodem. Toekomstbeeld landbouw Veehouderij blijft de belangrijkste landbouwsector in Regio Foodvalley. Het aantal agrarische bedrijven zal afnemen. Van de huidige ruim 1.600 bedrijven zullen er in 2035 ongeveer 1.200 en in 2050 circa 900 bedrijven overblijven. Door de hoge gronddruk in het gebied zal het landbouwareaal ook afnemen. Om binnen de milieugebruiksruimte te blijven en bij te dragen aan de doelen voor water, klimaat en natuur, zullen deze bedrijven technische en managementmaatregelen in de stallen moeten nemen en bij het toepassen van dierlijke en kunstmest op de landbouwgronden. Naast verduurzaming op de bedrijven zelf zal de veestapel ten opzichte van de huidige situatie 10 tot 30% kleiner zijn.
Gezien de opgaven voor het vergroten van de omgevingskwaliteit per gebied en de ruimtelijke strategie in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied, zullen er verschillende ontwikkelingsrichtingen ontstaan. In 2050 zal ongeveer een derde van de bedrijven, actief op 25 tot 50% van het landbouwareaal, zich meer richten op grondgebruik dat dienstbaar is aan biodiversiteit rondom Natura 2000-gebieden en beekdalen en/of op verbrede of gemeenschapslandbouw rondom de woonkernen. De overige twee derde van de bedrijven, actief op 50-75% van het grondgebruik, blijft zich hoofdzakelijk richten op het handhaven van de productieomvang en het toepassen van technische en managementmaatregelen om de emissies tot het gewenste niveau te reduceren.
5.3
Aanbevelingen
Een beleidsmatige aanpak, borging en monitoring van maatregelen nodig De meeste maatregelen moeten op agrarische bedrijven en percelen worden uitgevoerd. Een deel van de maatregelen is al in vigerend beleid opgenomen, maar heeft in de praktijk nog met grote uitdagingen te maken (zoals de implementatie en effectiviteit van emissiearme stallen en de uitvoering van de derogatiebeschikking). Een blijvende en voortvarende inzet op de implementatie van dit vigerende beleid zal nodig zijn om tot doelbereik te komen. Voor een deel van de aanvullende gebiedsgerichte maatregelen, zoals in deze studie zijn doorgerekend, zijn nog geen instrumenten en middelen beschikbaar. Het is belangrijk inzicht te hebben in de wijze waarop maatregelen door het beleid en de landbouwsectoren (kunnen) worden opgepakt en of dit beleid door het Rijk of de provincies moet worden opgesteld. Het zijn overigens nog geen vastgestelde maatregelen; andere maatregelen zijn ook nog mogelijk. Regio Foodvalley kan daarin het voortouw nemen en samen met provincie Gelderland, provincie Utrecht, het Rijk, waterschappen en gemeenten afspreken waar de verantwoordelijkheden liggen en hoe het beleid en de maatregelen geïmplementeerd, geborgd en gemonitord worden. Tevens kunnen zij samen met de landbouwsectoren werken aan het mogelijk maken en ondersteunen van de uitvoering van maatregelen.
Recent is hier met het uitvoeringsplan stikstof Regio Foodvalley van 17 juli 2025 al een eerste invulling aan gegeven onder het motto ‘De boer aan het roer, de regio aan zet’. Markt- en overheidssteun nodig om de verduurzaming van de landbouw te faciliteren De veelheid van combinaties van bedrijven, opgaven, ontwikkelrichtingen, maatregelen en beleidsinstrumenten laat zien dat ‘oplossingen’ niet triviaal of eenvoudig zijn en verdere uitwerking behoeven. Denk daarbij aan doelsturing, bedrijfs- en ruimtelijke arrangementen en ondersteunende beleidsinstrumenten gericht op grond- en landinrichting, op samenwerking tussen bedrijven om kringlopen meer te sluiten (bijvoorbeeld veehouderij en akkerbouw) en gebiedsspecifiek RO- en milieubeleid.
40 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456
Een integrale gebiedsgerichte aanpak nodig voor een concrete uitwerking Dit rapport richt zich op Regio Foodvalley als totaal. Gebiedsprocessen om tot oplossingen te komen vinden op een lager, lokaal schaalniveau plaats. Binnen de regio verschillen de opgaven per deelgebied, afhankelijk van de landbouwstructuur en de ruimtelijke strategie in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied. Daarnaast vraagt doelbereik in sommige gevallen, vooral bij waterkwaliteit, om lokaal maatwerk. Voor een verdere uitwerking van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied is het belangrijk dat de concrete uitwerking plaatsvindt in een gebiedsgerichte aanpak waarin de verschillende opgaven geïntegreerd opgepakt kunnen worden. Dat betekent bijvoorbeeld dat in gebieden zelf kan worden gekeken hoe het grondgebruik rondom kwetsbare natuur en beekdalen geëxtensiveerd kan worden, of hoe voldoende ontwikkelruimte kan worden gecreëerd voor de blijvers die duurzaam willen intensiveren binnen de milieugebruiksruimte. Wageningse trainees zien drie belangrijke voorwaarden voor een succesvol gebiedsproces. Zo moet de overheid heldere langetermijndoelen stellen en de gebiedspartijen de ruimte bieden om die met lokale kennis en creativiteit in te vullen.
Verder moeten de gebiedspartijen gelijk met integrale gesprekken beginnen, zodat hun belangen en uitgangspunten vanaf het begin duidelijk zijn (Beirnaert et al., 2025). Er is inzicht nodig in de ideale omvang en begrenzing van gebieden voor gebiedsprocessen om veranderingen in de landbouw en het nemen van maatregelen op te starten. Voor zo’n gebied is het belangrijk inzicht te hebben in de doelstellingen voor het gebied. Ook inzicht in de kosten van de maatregelen is dan belangrijk. Tevens is onderzoek nodig naar de gebiedsprocessen zelf: wat is de beste aanpak? Momenteel loopt er een Reflexieve monitoring Nationaal Programma Landelijk Gebied waarin partijen leren wat werkt, hoe er samengewerkt kan worden en hoe ingespeeld kan worden op kansen en knelpunten in gebiedsprocessen5.
5
https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/kennisonline-onderzoeksprojecten-lvvn/kennisonline/reflexieve-monitoringnationaal-programma-landelijk-gebied.htm
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 41
Literatuur
Agricola, Herman (2019). Benchmark Voedselregio’s; Vergelijking van het Agrocomplex van Flevoland, regio FoodValley, regio Rivierenland, Agrifood Capital en regio Venlo, Wageningen, Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/474206 Agrifoodmonitor Regio Foodvalley (2022). Onderzoeksrapport Regio Foodvalley, 17 februari 2023. https://www.regiofoodvalley.nl/fileadmin/regiofoodvalley.nl/documenten/2024/Onderzoeksrapport_AgriF oodmonitor_Regio_Foodvalley_2022_-_febr2023.pdf Beirnaert, J., Krijnse Locker, C., Ooms, D., & Vervelde, B. (2025). Integrale gebiedsgerichte aanpak: Ervaringen met gebiedsprocessen in het landelijk gebied. Wageningen University & Research. https://doi.org/10.18174/687489 Cals, T., van Bruggen, C., Huijsmans, J., Vissers, L., Vonk, J., & Velthof, G. (2024). Raming van luchtemissies uit de landbouw in 2030 en 2035, met doorkijk naar 2040: achtergrondrapportage bij de landbouwramingen in het kader van de Klimaat- en energieverkenning 2024 en de emissieramingen luchtverontreinigende stoffen 2025. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3395). Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/683369 De Vries, W., J. Kros, J.C. Voogd en G.H. Ros, 2023. Integrated assessment of agricultural practices on large scale losses of ammonia, greenhouse gases, nutrients and heavy metals to air and water.
Science of The Total Environment 857, 159220. Dijkshoorn-Dekker, Marijke, Co Daatselaar, Raymond Schrijver, Klaas de Jong, Bert Smit, Mark Manshanden, Ralph Pessers, Zoe van Eldik, Judith Westerink (2024). Extensivering melkveehouderij en akkerbouw; Krimp in veestapel, groei in areaal of vermindering bouwplanintensiteit. Wageningen, Wageningen Economic Research, Rapport 2024-042. FLO Legal, 2023. Factsheet aanpassen grondgebruik voor KRW. Versie 2, 19 december 2023. Gies, E., Lesschen, J.-P., Kros, H., & Voogd, J.-C. (2020). Verkenning naar ruimtegebruik landbouw 2050 voor Regio Foodvalley: regionale ruimtelijke uitwerking van WUR-scenariostudie Landbouw in Nederland in 2050. (Wageningen Environmental Research rapport; No. 3042). Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/535582 Gies, Edo, Twan Cals, Piet Groenendijk, Hans Kros, Tia Hermans, Jan Peter Lesschen, Leo Renaud, Gerard Velthof, Jan-Cees Voogd, 2023. Scenariostudie naar doelen en doelrealisatie in het kader van het Nationaal Programma Landelijk Gebied; Een integrale verkenning van regionale water-, klimaat- en stikstofdoelen en maatregelen in de landbouw. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3236) Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/587289.
Jongeneel, R (2022) Notitie WUR Verdienmodel agrarisch ondernemers: Principes en praktijken met de melkveehouderij als illustratie, Wageningen Economic Research, 10 maart 2022. Jongeneel, R., van Asseldonk, M., Daatselaar, C., Greijdanus, A., Helming, J., & Vissers, L., 2024. Uitwerking bedrijfstypen voor duurzame landbouw: melkveehouderij en akkerbouw. (Rapport / Wageningen Economic Research; No. 2024-001). Wageningen Economic Research. https://doi.org/10.18174/644812 Kros, H., J. van Os, J.C. Voogd, P. Groenendijk, C. van Bruggen, R. te Molder en G. Ros, 2019. Ruimtelijke allocatie van mesttoediening en ammoniakemissie: beschrijving mestverdelingsmodule INITIATOR versie 5. Wageningen Environmental Research, Wageningen.
42 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456
Regio Foodvalley, 2024. Regionaal Perspectief Landelijk Gebied. Regio Foodvalley, een koers voor uitvoering. Deel A, 5 april 2024. https://www.regiofoodvalley.nl/fileadmin/regiofoodvalley.nl/documenten/2024/Regionaal_Perspectief_La ndelijk_Gebied_Foodvalley_-_Deel_A.pdf Regio Foodvalley, 2025. Uitvoeringsplan stikstof Regio Foodvalley. De boer aan het roer, de regio aan zet. 17 juli 2025. https://www.regiofoodvalley.nl/fileadmin/regiofoodvalley.nl/documenten/2025/20250717_Uitvoeringspla n_stikstof_Regio_Foodvalley.pdf PBL, 2024. Reflectie PBL op Hoofdlijnenakkoord 2024-2028. Aanbevelingen voor het nieuwe kabinet, 12 juni 2024. Pouwels, R., R. Henkens, A. van Kleunen, G. Bos, R.J. Bijlsma, 2020. Naar een hoger doelbereik van de Vogel- en Habitatrichtlijn in Nederland: Een analyse van de resterende opgave na 2027 voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van alle habitattypen en VHR-soorten (No. 2989). Wageningen Environmental Research. Schipper, P., Hehenkamp, M., Mi-Gegotek, Y., Groenendijk, P., & Renaud, L. (2024). KRW-restopgave nutriënten in Gelderland en oostzijde Utrechtse Heuvelrug: Definitief rapport. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3360). Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/673444 Van Os, J., en J. Kros, 2022. Geografische Informatie Agrarische Bedrijven 2019; Documentatie van het GIAB 2019-bestand.
Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-technical report 223. Van Zeijts, H., L.G.J. van Bussel, W.F.A. van Dijk, S.J. Trienekens, S.W.M. Poppeliers, A.M. Schmidt, ... P.W. Westerhoff, 2024. Monitoring en evaluatie van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering: Syntheserapport. Venema, G., van der Meer, R., & Jager, J. (2022). Landbouwstructuur in regio Foodvalley en gemeenten Bunschoten, Leusden, Putten en Woudenberg, Nota / Wageningen Economic Research; No. 2022-050. Wageningen Economic Research. https://doi.org/10.18174/572701 Vissers, L., van Asseldonk, M., Daatselaar, C., Jager, J., Jongeneel, R., Groot, M., Helming, J., van Horne, P., & Hoste, R., 2024. Uitwerking bedrijfstypen voor duurzame landbouw: Dierlijke en plantaardige sectoren. (Wageningen Economic Research nota; No. 2024-060). Wageningen Economic Research. https://doi.org/10.18174/655123
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 43
Bijlage 1
Achtergrondinformatie INITIATOR
INITIATOR De mestverdeling en ammoniak-, methaan- en lachgasemissies worden berekend met het model INITIATOR (Integrated Nitrogen Impact Assessment Tool on a Regional Scale, De Vries et al., 2023). Dit model berekent alle belangrijke N-, P- en C-fluxen in de landbouw, waaronder de aanvoer van N, P en C in de vorm van kunstmest, dierlijke mest, depositie en N-binding, de N- en P-afvoer door het gewas en de emissies van methaan (CH4), ammoniak (NH3), lachgas (N2O) en stikstofoxiden (NOx) naar de atmosfeer. Daarnaast berekent het model ook de verandering in de voorraad aan bodemkoolstof en de bijbehorende emissie of vastlegging van CO2 uit bodems en de accumulatie en uitspoeling van N, P, basen en zware metalen. De berekeningen worden op regionale en nationale schaal uitgevoerd, met 250m × 250m als basisresolutie. Met INITIATOR wordt de mest over grasland en bouwland verdeeld, rekening houdend met de aanvoer van dierlijke mest (van het eigen bedrijf of via mesttransport) en kunstmest, de wettelijke gebruiksnormen (conform Mestwetgeving), het gewas en de grondsoort. De N- en P-excreties worden berekend door een vermenigvuldiging van het aantal dieren (in verschillende categorieën) met excretiefactoren die aangeven hoeveel N en P in de mest elk dier in een jaar produceert.
De stal- en opslagemissies van gasvormige N-verliezen worden berekend door de N- excretie te vermenigvuldigen met N-emissiefactoren, waarbij rekening wordt gehouden met dier- en staltype. Een mestverdelingsmodule berekent vervolgens het transport van dierlijke mest op gemeenteniveau en de aanvoer van mest en kunstmest naar de bodem. INITIATOR wordt gebruikt voor het berekenen van de ruimtelijke verdeling van mest en ammoniakemissie ten behoeve het ANIMO-/LWKM-model (mestverdeling) en de ruimtelijke verdeling van de ammoniakemissie ten behoeve van de Emissie Registratie (Kros et al., 2019). De NH3-emissies uit stallen en opslagen en vanuit de bodem vormen de input van het AERIUS-model voor de berekening van de N-depositie op zowel landbouwgronden als in Natura 2000-gebieden. Het model maakt gebruik van gedetailleerde ruimtelijke gegevens die grotendeels afkomstig zijn uit beschikbare nationale GIS-datasets, zoals de geografisch expliciete landbouwtellinggegevens, met het aantal dieren per vestiging (GIAB; Van Os en Kros, 2022). Door deze koppeling zijn we in staat om op een hoge ruimtelijke resolutie de N- en P-excretie, stal- en opslagemissies, mest- en kunstmestverdeling en bodememissies te berekenen.
De vereiste data voor de berekening van de mestverdeling en ammoniakemissie op gebiedsniveau zijn onder te verdelen in (i) regionale modelinput data en (ii) modelparameters, die veelal variëren als functie van bodemtype of bodemeigenschappen. Hieronder zijn de verschillende data met hun bronnen genoemd.
44 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456
Percelen Arealen Gewassen Grondsoort (BRP) N-gebruiksnorm P-gebruiksnorm P-status bodem N-gebruiksnorm dierlijke mest/ derogatiestatus (RVO)
Areaal per bedrijf
Mestruimte per bedrijf
Stallen Dieraantallen Staltypen (GIABplus)
Mestproductie per bedrijf N, P
Mestoverschot/ruimte per bedrijf
Excretie-factoren Emissie-factoren (WUM/NEMA)
Export en verwerking (VDM;RVO/CBS)
Mestoverschotten/ ruimtes accumuleren per landbouwdeelgebied
Resterende N en P ruimte
Mesttransport tussen landbouwdeelgebieden
Toedieningstechniek (RVO)
N en P dierlijke mestgiften per perceel
Stalemissies
Gebruik overige organische meststoffen (VZC;RVO/CBS) Toedienings- en beweidingsemissies Emissie-factoren (NEMA)
N en P kunstmestmestgiften per perceel
Kunstmestemissies
Figuur B1.1 Schematische weergave van de wijze waarop de verdeling en transport van dierlijke mest wordt berekend en welke ondersteunende gegevens daarbij worden gebruikt.
Modelinput INITIATOR De input van het model bestaat in grote lijnen uit: • gedetailleerde ruimtelijke gegevens ten aanzien van bodem (bodemtype, C-, N-, P- en metaalgehaltes), hydrologie, landgebruik en gewassen die afkomstig zijn uit beschikbare nationale GIS-datasets: de 1:50.000 bodemkaart en het landgebruik (ANIMO/LWKM voor de ruimtelijke verdeling, CBS voor de absolutie hoeveelheid); • geografisch expliciete landbouwtellinggegevens, met o.a. het aantal dieren per bedrijf, het staltype en de locatie van stallen (GIAB), in het model geaggregeerd tot bedrijfsniveau; • mestverwerking en export (CBS) op postcodeniveau 4 (PC4; voor rundvee-, varkens- en pluimveemest). In het Geografisch Informatiesysteem Agrarische Bedrijven (GIAB: Van Os en Kros, 2022) is informatie over verschillende agrarische grondgebruikfuncties een belangrijke basis om effecten van beleidsmaatregelen te analyseren of om nieuwe ontwerpen te maken. Hierin zijn gegevens opgenomen van landbouwbedrijven die meedoen aan de jaarlijkse landbouwtelling (LBT, onderdeel van de Gecombineerde Opgave; GO) van RVO en bewerkt door het CBS. De gegevens zijn gekoppeld aan de locatie van de hoofdvestiging van het landbouwbedrijf.
Het bestand wordt onder andere gebruikt bij onderzoek naar dierziekten, landbouwstructuuranalyses, effecten van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en bij onderzoek naar emissies van geur, ammoniak en fijnstof.
Wageningen Environmental Research Rapport 3456
| 45
Vanaf emissiejaar 2009 is GIAB verder gedetailleerd tot een versie waarin de dieraantallen van de LBT worden onderverdeeld naar de verschillende bedrijfslocaties van één bedrijf, die veehouderijbedrijven in gebruik hebben binnen de I&R (Identificatie & Registratie van dieren; Regeling identificatie en registratie van dieren). Belangrijke variabelen zijn het bedrijfstype, de bedrijfsomvang, arealen per gewas en aantallen per diergroep. Daarmee is vanaf 2009 is ook de verdeling van dieren over de nevenvestigingen en de ligging daarvan beschikbaar. Vanaf 2015 wordt gebruikgemaakt van de Opgave Huisvesting Veehouderij (OHV), dat in tegenstelling tot de LBT geen momentopname (1 april) betreft, maar een opname op meerdere momenten in het jaar en onderscheid maakt tussen hoofd- en nevenvestiging. Hierdoor wordt een representatiever beeld verkregen over het aantal aanwezige dieren.
De volgende modeldata en -parameters worden meegenomen (niet uitputtend): • Gebruiksnormen ten aanzien van mestgebruik voor N en P (RVO) • Beweidingsduur (LBT) • Mestververwerking (RVO/CBS) • Gebruikte mesttoedieningstechniek (LBT) • Acceptatiegraden voor dierlijke mest door de akkerbouwbedrijven op basis van de huidige vervoersbewijzen dierlijke mest (RVO) • Fosfaatstatus bodem (P-AL/Pw; RVO) • Bedrijven met derogatie (RVO) • Excretiefactoren en de verdeling van de mest over weide- en stalmest: deze zijn afkomstig uit NEMA (Van Bruggen et al., 2023) • Ammoniak-, methaan- en lachgasemissiefactoren, afkomstig uit NEMA (Van Bruggen et al., 2023) Er loopt momenteel veel onderzoek naar actualisering, verfijning en verbetering van de methaan- en lachgasemissiefactoren. Dit onderzoek zal de komende jaren leiden tot een verbetering van de berekening van emissies van ammoniak, methaan en lachgas. Berekening van bedrijfsspecifieke emissiefactoren in INITIATOR INITIATOR maakt gebruik van de emissiefactorenmethodiek uit NEMA6, waarbij de Rav-emissiefactoren7 per dierplaats worden omgerekend in emissiefactoren op basis van de excretie van ammoniakale N (TAN) in een referentiejaar van de Rav-vaststelling. Deze procedure gaat als volgt: • In GIAB is voor iedere stal de door de boer opgegeven Rav-typering bekend.
• Aan de hand van de Rav-tabel van RVO met de NH3-emissie per dierplaats (kg NH3/dp) wordt de betreffende emissie gekoppeld aan het staltype uit GIAB. • De Rav-emissie in kg NH3/dp wordt op basis van de NEMA-berekeningsmethodiek omgerekend naar een NEMA-emissiefactor uitgedrukt in kg NH3-N-emissie per kg TAN. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de benodigde locatiespecifieke informatie, zoals de beweidingsgraad (uit LBT), opslag en TAN (uit NEMA). • Voor een melkveebedrijf met beweiding betekent dit dat voor de stal de bedrijfsspecifieke stalemissiefactor (in kg NH3-N/kg N) wordt berekend uit het quotiënt van de voor bedrijfsspecifieke beweiding gecorrigeerde Rav-emissie van permanent opstallen (kg NH3/dp) en de (TAN-)excretie in de stal (kg NH3-/dier), waarbij tevens rekening wordt gehouden met stalbezetting en omrekening van NH3 naar NH3-N. Effecten van maatregelen op de samenstelling van voer (met name voor melkvee) zijn in de berekeningen opgelegd in termen van reducties op de huidige excreties (zowel voor stikstof als methaan). Er is echter geen excretiemodel toegepast waarin de effecten van veranderingen in arealen en de samenstelling van ruwvoer op stikstof-, fosfaat- en koolstofexcreties zijn doorgerekend.
Vergelijking ammoniakemissie INITIATOR en NEMA In figuur B1.1 zijn de berekende trends in de totale nationale landbouwammoniakemissie voor de periode 2000-2020 berekend met INITIATOR en NEMA. De resultaten laten zien dat de trends redelijk goed met elkaar overeenkomen. Wel is het zo dat met name voor de jaren 2019 en 2020 de stalemissies van INITIATOR wat hoger en de toedieningsemissies wat lager uitvallen dan die van NEMA.