CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

WENR-rapport 623951

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Raadsinformatiebrief regio Foodvalley inzake RPLG19.595 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Landbouw in 2050 in Regio Foodvalley Verkenning ten behoeve van de uitwerking van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied

Edo Gies, Twan Cals, Hans Kros, Jan Cees Voogd

Landbouw in 2050 in Regio Foodvalley

Verkenning ten behoeve van de uitwerking van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied

Edo Gies, Twan Cals, Hans Kros, Jan Cees Voogd

Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Environmental Research, in opdracht van Regio Foodvalley.

Wageningen Environmental Research Wageningen, oktober 2025

Gereviewd door: Jaap van Os, Senior Onderzoeker Landbouw en ruimtegebruik Akkoord voor publicatie: Bertram de Rooij, teamleider team Regionale Ontwikkeling en Ruimtegebruik

Rapport 3456 ISSN 1566-7197

Gies, Edo, Twan Cals, Hans Kros, Jan Cees Voogd 2025. Landbouw in 2050 in Regio Foodvalley. Verkenning ten behoeve van de uitwerking van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 3456. 50 blz.; 6 fig.; 11 tab.; 21 ref. Op basis van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied van Regio Foodvalley is in deze studie doorgerekend in hoeverre de regionale doelen met betrekking tot leefomgeving, natuur, klimaat en water bereikt kunnen worden en welke kansen en mogelijkheden er zijn voor behoud en ontwikkeling van de landbouwsector. Dit is uitgewerkt door in beeld te brengen wat de primaire landbouw al sinds 2018 en 2019 (tot 2023) heeft bereikt en wat er op basis van autonome ontwikkeling en het vigerende beleid naar verwachting in 2030 bereikt kan worden. Aanvullend hierop is een aantal generieke en gebiedsspecifieke maatregelen beoordeeld, die aansluiten bij de ruimtelijke strategie van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied op milieueffecten. Met behulp van modelberekeningen en gegevens over de landbouw en het agrarisch landgebruik in Regio Foodvalley zijn de emissies uit de landbouw berekend.

Het resultaat van de analyse geeft inzicht in het handelingsperspectief en doelbereik voor de landbouw in Regio Foodvalley ten behoeve van de onderbouwing van de uitwerking van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied en daarin te maken beleidskeuzes. Trefwoorden: Regio Foodvalley, Regionaal Perspectief Landelijk Gebied, landbouw, stikstof, ammoniakemissie, stikstofdepositie, waterkwaliteit, klimaat, broeikasgasemissie, maatregelen, regionale doelen

Dit rapport is gratis te downloaden van https://doi.org/10.18174/698894 of op www.wur.nl/environmentalresearch (ga naar ‘Wageningen Environmental Research’ in de grijze balk onderaan). Wageningen Environmental Research verstrekt geen gedrukte exemplaren van rapporten. 2025 Wageningen Environmental Research (instituut binnen de rechtspersoon Stichting Wageningen Research), Postbus 47, 6700 AA Wageningen, T 0317 48 07 00, www.wur.nl/environmental-research. Wageningen Environmental Research is onderdeel van Wageningen University & Research. • Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking van deze uitgave is toegestaan mits met duidelijke bronvermelding. • Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking is niet toegestaan voor commerciële doeleinden en/of geldelijk gewin. • Overname, verveelvoudiging of openbaarmaking is niet toegestaan voor die gedeelten van deze uitgave waarvan duidelijk is dat de auteursrechten liggen bij derden en/of zijn voorbehouden. Wageningen Environmental Research aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Wageningen Environmental Research werkt met een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem volgens ISO 9001 en een milieumanagementsysteem dat voldoet aan de norm ISO 14001. Daarnaast geeft Wageningen Environmental Research via ISO 26000 invulling aan haar maatschappelijke verantwoordelijkheid.

Wageningen Environmental Research Rapport 3456 | ISSN 1566-7197 Foto omslag: Shutterstock

Inhoud

Verantwoording

5

Samenvatting

7

1

2

Inleiding

11

1.1

Aanleiding

11

1.2

Doel en onderzoeksvragen

11

1.3

Leeswijzer

12

Huidige situatie en autonome ontwikkeling primaire landbouw

13

2.1

Huidige situatie

13

2.2

Ontwikkeling bedrijven en landbouwareaal

16

2.2.1 Trendmatige afname aantal bedrijven

16

2.2.2 Prognose aantal stoppers

16

2.2.3 Trendmatige afname landbouwareaal

17

Ontwikkeling landbouwemissies

17

2.3.1 Huidige situatie en aannames autonome ontwikkeling tot 2030

17

2.3.2 Ammoniakemissies in 2018, 2022 en 2030

20

2.3.3 Methaan- en lachgasemissies in 2018, 2022 en 2030

22

2.3.4 Uit- en afspoeling nutriënten naar grond- en oppervlaktewater

23

2.3

3

Landbouw in toekomstbeeld Regionaal Perspectief Landelijk Gebied Foodvalley

25

3.1

Regionaal Perspectief Landelijk Gebied in het kort

25

3.1.1 Regionale ambitie

25

3.1.2 Gestelde milieudoelen voor landbouw

25

Uitwerking landbouwmaatregelen op basis van het Regionaal Perspectief

25

3.2.1 Doorgerekende landbouwmaatregelen

25

3.2.2 Ammoniakemissies na aanvullend regionaal maatregelpakket

29

3.2.3 Effect van het aanvullend regionaal pakket op de stikstofdepositie

31

3.2.4 Methaan- en lachgasemissies na aanvullend regionaal maatregelpakket

32

3.2.5 Doelbereik na aanvullende regionale maatregelpakketten

34

3.2

4

Mogelijk toekomstbeeld landbouw in 2035-2050

35

5

Discussie, conclusies en aanbevelingen

37

5.1

Discussie

37

5.1.1 Uitvoering en effectiviteit van de maatregelen

37

5.1.2 Onzekerheden en beperkingen in modellen en uitgangspunten

37

5.1.3 Impact van maatregelen

38

5.1.4 Integrale sturing

38

5.2

Belangrijkste inzichten

38

5.3

Aanbevelingen

40

Literatuur

42

Bijlage 1

Achtergrondinformatie INITIATOR

44

Bijlage 2

Modeluitwerking, aannames en uitgangspunten

48

Verantwoording

Rapport: 3456 Projectnummer: 5200048458

Wageningen Environmental Research (WENR) hecht grote waarde aan de kwaliteit van zijn eindproducten. Een review van de rapporten op wetenschappelijke kwaliteit door een referent maakt standaard onderdeel uit van ons kwaliteitsbeleid.

Akkoord referent die het rapport heeft beoordeeld, functie:

Senior onderzoeker Landbouw en Ruimte

naam:

Jaap van Os

datum:

3 september 2025

Akkoord teamleider voor de inhoud, naam:

Bertram de Rooij

datum:

16 oktober 2025

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

|5

6 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

Samenvatting

Regio Foodvalley heeft een langjarig perspectief voor het landelijk gebied opgesteld: het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied (RPLG). Een perspectief dat gericht is op een vitaal platteland in een leefbare omgeving met meer nieuw te bouwen woningen in een gezonde en groene leefomgeving, met aandacht voor mobiliteit en bereikbaarheid, en rekening houdend met de behoefte aan duurzame voedselproductie en goede natuurbeleving. Het regionaal perspectief schetst de ambities, keuzes en acties die daarvoor nodig zijn. Er worden doelen op het gebied van water, natuur, klimaat en gezonde leefomgeving gesteld en er wordt een eerste ruimtelijke uitwerking geschetst van hoe het mogelijke landschap er in 2050 uit kan zien op basis van historie, fysieke kenmerken, huidig gebruik en toekomstige ontwikkelingen. Wageningen Environmental Research (WENR) heeft in opdracht van Regio Foodvalley op basis van de eerste schetsen van de ruimtelijke uitwerking in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied uitgewerkt in hoeverre met de gewenste doorontwikkeling van de landbouw de doelen met betrekking tot natuur, klimaat en water bereikt kunnen worden en hoe de landbouwsector er dan in 2050 uit kan zien.

Daarvoor is in beeld gebracht wat de primaire landbouw al sinds 2018 en 2019 (tot 2023) heeft bereikt qua vermindering van landbouwemissies en wat er op basis van de autonome ontwikkeling in de landbouw en het vigerende beleid in 2030 naar verwachting nog bereikt kan worden. Aanvullend hierop zijn enkele generieke en gebiedsspecifieke maatregelen – die aansluiten bij de ruimtelijke strategie van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied – op effecten beoordeeld. Met behulp van modelberekeningen en gegevens over de landbouw en het agrarisch landgebruik in Regio Foodvalley zijn de emissies uit de landbouw berekend. Het resultaat van de analyse geeft inzicht in het handelingsperspectief en doelbereik voor de landbouw in Regio Foodvalley ten behoeve van de onderbouwing van de uitwerking van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied en daarin te maken beleidskeuzes. Huidige landbouw en ontwikkelingen Regio Foodvalley heeft een sterk ontwikkeld agrocomplex. Volgens de statistieken uit 2020 gaat het om een bruto toegevoegde waarde van 1,69 miljard euro. De primaire landbouw in Regio Foodvalley draagt hier voor ca. 15% aan bij. Regio Foodvalley is een veehouderijgebied. Ongeveer 90% van de agrarische bedrijven in Regio Foodvalley is een veehouderij.

Deze veehouderijen gebruiken 91% van het landbouwareaal en dragen voor 96% bij aan de totale toegevoegde waarde van de primaire agrarische sector in de regio. Er komen relatief veel vleeskalver-, pluimvee- en varkensbedrijven voor en de melkveehouderij (relatief vaak gecombineerd met varkens- of pluimveehouderij) is ook nadrukkelijk aanwezig in de regio. De akkerbouwbedrijven produceren met name voedergewassen voor de veehouderij. In de afgelopen decennia heeft een behoorlijke verandering in aantal bedrijven, landbouwareaal en dieraantallen in de Regio Foodvalley plaatsgevonden. Het aantal agrarische bedrijven is sinds 2000 gehalveerd en de afname van landbouwareaal bedraagt 16%. In deze periode is de melkveestapel met ruim 30% gekrompen, terwijl er landelijk een lichte groei heeft plaatsgevonden, maar het aantal vleeskalveren in de regio is daarentegen met ruim 40% gestegen. Het aantal varkens is gehalveerd en in de pluimveesector is het aantal dieren redelijk gelijk gebleven. Ontwikkeling landbouwemissies In de gemeente Ede en de gemeente Barneveld komen de meest veehouderijbedrijven voor. Zij zijn samen verantwoordelijk voor ruim twee derde van zowel de ammoniakemissie als methaan- en lachgasemissies uit de gehele landbouw in Regio Foodvalley.

In de periode tussen 2019 en 2023 heeft er in Regio Foodvalley een daling van gemiddeld 16% van de ammoniakemissie uit de landbouw plaatsgevonden. De daling van de methaan- en lachgasemissies uit de landbouw bedraagt gemiddeld 8% tussen 2019 en 2023. De emissieramingen voor 2030 zijn gebaseerd op de autonome ontwikkeling en het vigerend beleid, zoals is uitgewerkt in de landelijke Klimaat- en Energieverkenning 2024. De ramingen laten een verdere daling zien van de landbouwemissies. De ammoniakemissie zal naar verwachting in 2030 ten opzichte van 2019

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

|7

gemiddeld 39% lager zijn voor Regio Foodvalley (23%-punt meer in vergelijking met de afname tussen 2019 en 2023). Dit is het gevolg van met name de verdere verduurzaming van stallen, een kleinere veestapel (als gevolg van opkoopregelingen, afroming van dierrechten en excretieplafonds voor stikstof en fosfaat) en de lagere bemesting (maximaal 170 kg N/ha uit dierlijke mest en korting op de totale stikstofgebruiksnorm). Als gevolg van deze maatregelen zullen de methaan- en lachgasemissies naar verwachting in 2030 26% lager zijn dan in 2019 (18%-punt meer in vergelijking met de afname tussen 2019-2022). Door in Regio Foodvalley – aanvullend op de autonome ontwikkeling en het vigerende beleid – in te zetten op een versnelde verduurzaming van de stallen, waarbij uiteindelijk alle dieren in een emissiearme stal staan (die voldoet aan de maximale emissienormen voor nieuwe stallen volgens Besluit activiteiten leefomgeving) en tevens in te zetten op een efficiëntere toediening van dierlijke mest (door netter of onder gunstige omstandigheden mest uit te rijden of toepassen van precisiebemesting), zal de ammoniakemissie verder afnemen. Naar verwachting is daarmee in Regio Foodvalley 48% minder ammoniakemissie ten opzichte van 2019 mogelijk.

Op de methaan- en lachgasemissies hebben deze maatregelen geen effect, tenzij de stalinnovaties die worden ingezet ook dagverse mest direct afvoeren en behandelen. Als naast deze aanvullende generieke maatregelen ook nog gebiedsspecifieke maatregelen genomen worden die een scenario kunnen zijn voor de ruimtelijke uitwerking in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied, zoals lagere dierlijke mestgift, geen gebruik van kunstmest en meer beweiding rondom de Natura 2000gebieden, de woonkernen en beekdalen en daarnaast buiten deze gebieden een verdergaande ammoniak- en methaanemissiereductie plaatsvindt op melkveebedrijven met meer dan 100 melkkoeien, dan nemen de landbouwemissies verder af: de ammoniakemissie met gemiddeld 2%-punt en de methaan- en lachgasemissies met gemiddeld 1%-punt. Gemiddeld genomen zijn de emissiereducties als gevolg van de gebiedsspecifieke maatregelen gering ten opzichte van de generieke maatregelen in de regio, maar lokaal kunnen ze wel een grote bijdrage leveren aan de vermindering van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in de randzones van de Natura 2000-gebieden, de KRW-doelen in de beekdalen en kwaliteit van de leefomgeving rondom de woonkernen. Met een halvering van de ammoniakemissie wordt de richtinggevende doelstelling van 46-55% reductie ten opzichte van 2018 uit het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied bereikt.

De doelstelling zoals opgenomen in het recentere Uitvoeringsplan Stikstof voor Regio Foodvalley (restemissie van 2 kton NH3) wordt echter nog niet gerealiseerd. De restemissie na het nemen van alle doorgerekende maatregelen bedraagt 2,6 kton NH3. Het doelbereik van de reductie van de broeikasgasemissies (32% reductie) wordt met de te verwachten 27% reductie in 2030 nog niet gehaald. In het kader van de Kaderrichtlijn Water is te verwachten dat er voor uitspoeling van stikstof naar het oppervlaktewater vanuit landbouwgronden gemiddeld genomen geen restopgave meer is na het uitvoeren van de maatregelen in de derogatiebeschikking. Voor fosfor is er nog wel een restopgave vanuit landbouwgronden, met name vanwege de fosfaatophoping in de bodem. Toekomstbeeld landbouw In de toekomst blijft veehouderij de belangrijkste landbouwsector in Regio Foodvalley. Het aantal agrarische bedrijven in Regio Foodvalley zal wel afnemen. Van de huidige ruim 1.600 bedrijven zullen er in 2035 en 2050 respectievelijk ca. 1.200 en 9.00 bedrijven over zijn. Door de hoge gronddruk in de regio zal het landbouwareaal ook blijven afnemen.

Om binnen de milieugebruiksruimte te komen waarmee de landbouw zijn bijdrage zal leveren aan de doelen voor water, klimaat en natuur, zullen de bedrijven technische en managementmaatregelen moeten nemen in de stallen en bij toepassen van dierlijke en kunstmest op de landbouwgronden. De veestapel zal naar verwachting ten opzichte van de huidige situatie 10 tot 30% kleiner zijn. Gezien de ruimtelijke strategie in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied zullen er verschillende ontwikkelingsrichtingen voor de landbouwbedrijven ontstaan. In 2050 zal ongeveer een derde van de bedrijven op een kwart tot de helft van het landbouwareaal in Foodvalley zich meer richten op grondgebruik dat dienstbaar is aan biodiversiteit rondom Natura 2000-gebieden en beekdalen of verbrede en gemeenschapslandbouw rondom de woonkernen. Twee derde van de bedrijven actief op de helft tot driekwart van het landbouwareaal blijft productie-gedreven en nemen technische en managementmaatregelen om de emissies tot op het gewenste niveau te reduceren.

8 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

Discussie en aanbevelingen Hoewel de doelen voor landbouw in zicht komen met de maatregelen, zijn er wel aspecten waar rekening mee gehouden moet worden bij de verdere uitwerking ervan: • De effectiviteit van de maatregel is sterk afhankelijk van de implementatiegraad van de maatregel en of deze in de praktijk ook daadwerkelijk goed werkt en wordt toegepast. Bij een lagere implementatiegraad of niet goed werkende maatregelen komt doelbereik verder weg te staan. Implementatie van maatregelen heeft in de praktijk nog met grote uitdagingen te stellen, zoals de huidige implementatie en effectiviteit van emissiearme stallen en de uitvoering van de derogatiebeschikking. Er zijn overigens meer maatregelen denkbaar dan de maatregelen die in deze verkenning zijn onderzocht en ook kunnen bestaande maatregelen scherper worden toegepast. Een blijvende en voortvarende sturing en inzet op implementatie van de maatregelen zal nodig zijn om tot doelbereik te komen. • Om tot uitvoer van de maatregelen te komen, zijn een beleidsmatige aanpak, borging en monitoring van de maatregelen nodig.

Regio Foodvalley kan daarin het voortouw nemen en samen met de provincie Gelderland, provincie Utrecht, Rijk, waterschappen en gemeenten afspreken waar de verantwoordelijkheden liggen, hoe het beleid en de maatregelen geïmplementeerd en geborgd worden en hoe de voortgang van maatregelen en emissies gemonitord worden. • De maatregelen in de gehanteerde scenario’s zijn omvangrijk en zullen een grote impact hebben op alle onderdelen van de agrarische bedrijfsvoering. Het leidt naar verwachting ook tot aanzienlijke inkomensverliezen als de agrarische bedrijven dit zelf moeten bekostigen. Markt- en overheidssteun is nodig om de verduurzaming van de landbouw te faciliteren. De veelheid van combinaties van bedrijven, opgaven, ontwikkelrichtingen, maatregelen en beleidsinstrumenten laat zien dat ‘oplossingen’ niet triviaal en eenvoudig zijn en verdere uitwerking behoeven. Regio Foodvalley en de verschillende overheden kunnen samen met de landbouwsectoren werken aan het mogelijk maken/ondersteunen van de uitvoering van maatregelen. Denk daarbij aan doelsturing, bedrijfs- en ruimtelijke arrangementen en ondersteunende beleidsinstrumenten gericht op grond- en landinrichting, op samenwerking tussen bedrijven om kringlopen meer te sluiten (bijvoorbeeld veehouderij en akkerbouw) en gebiedsspecifiek RO- en milieubeleid.

• De uitwerking van het Regionale Perspectief Landelijk Gebied vraagt om een integrale gebiedsgerichte aanpak. Binnen Regio Foodvalley verschillen de opgaven nogal per deelgebied, afhankelijk van de landbouwstructuur en de ruimtelijke strategie in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied. Daarnaast vraagt doelbereik in sommige gevallen, vooral bij waterkwaliteit, lokaal maatwerk. Voor een verdere uitwerking van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied is het belangrijk dat de concrete uitwerking van de maatregelen dan ook plaatsvindt in een gebiedsgerichte aanpak waarin de verschillende opgaven geïntegreerd opgepakt kunnen worden. Daarbij is het dan ook goed om meer gebieds- en bedrijfsspecifieke informatie, modellen en kennis toe te passen dan in deze studie is gedaan.

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

|9

10 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Regio Foodvalley bestaat uit acht gemeenten (Barneveld, Ede, Nijkerk, Rhenen, Renswoude, Scherpenzeel, Veenendaal en Wageningen) die samen met overheden, bedrijven en kennisinstellingen werken aan het behoud van hun positie als topregio op het gebied van AgriFood. De regio heeft – naast veel agrarische bedrijven – ook veel natuur, en de opgaven in het landelijk gebied op het gebied van klimaat, natuur en water zijn groot. Regio Foodvalley heeft daarom in 2024 een langjarig perspectief voor het landelijk gebied opgesteld: het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied (RPLG)1. Dit perspectief is gericht op een vitaal platteland in een leefbare omgeving, met meer nieuw te bouwen woningen in een gezonde en groene leefomgeving, aandacht voor mobiliteit en bereikbaarheid, en rekening houdend met de behoefte aan duurzame voedselproductie en goede natuurbeleving. Het regionaal perspectief schetst de ambities, keuzes en acties die daarvoor nodig zijn. In het regionaal perspectief wordt ook een eerste ruimtelijke uitwerking gegeven van de doelen en hoe het mogelijke landschap, op basis van historie, fysieke kenmerken, huidig gebruik en toekomstige ontwikkelingen, er in 2050 uit kan zien.

Landbouw is daarin nog steeds een belangrijk onderdeel en richt zich, afhankelijk van het landschap, op een verdere ontwikkeling richting een circulaire of natuurinclusieve bedrijfsvoering, met ruimte voor verbreding van activiteiten.

1.2

Doel en onderzoeksvragen

Regio Foodvalley heeft aan Wageningen Environmental Research (WENR) gevraagd om op basis van eerste schetsen inzicht te geven in hoeverre de gewenste doorontwikkeling van de landbouw in de ruimtelijke uitwerking bijdraagt aan het behalen van de regionale doelen voor natuur, klimaat en water, en welke kansen en mogelijkheden er zijn voor behoud en ontwikkeling van de landbouwsector. De vraagstelling is specifiek gericht op de opgaven voor de landbouw en bouwt voort op eerder werk dat WENR in 2023 heeft uitgevoerd (niet gepubliceerde notitie van 15 december 2023), hetgeen onderdeel is geworden van deze rapportage. Onderzoeksvragen zijn: 1.

Hoe ziet de huidige landbouw eruit in Regio Foodvalley?

2.

Welke ruimte is er voor landbouw, gegeven de ontwikkelrichtingen uit het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied, in 2030-2050?

3.

Met welke (bedrijfstechnische) maatregelen, gegeven de verschillende ontwikkelrichtingen, kan de landbouw de, naar de regio vertaalde, landelijke doelen op het gebied van natuur, water en bodem, klimaat en een gezonde leefomgeving bereiken?

4.

Welke (beleids)keuzes kunnen overheden maken om de doelen te behalen?

Het resultaat van de analyse moet het handelingsperspectief en het doelbereik voor de landbouw in Regio Foodvalley inzichtelijk maken, ter onderbouwing van de uitwerking van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied en de daarin te maken beleidskeuzes.

1

https://www.regiofoodvalley.nl/fileadmin/regiofoodvalley.nl/documenten/2024/Regionaal_Perspectief_Landelijk_Gebied_Foodvalle y_-_Deel_A.pdf

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

| 11

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en autonome ontwikkeling van de primaire landbouw in Regio Foodvalley. Het gaat om een beschrijving van het aantal bedrijven, de dieraantallen, het landbouwareaal en de landbouwemissies in het verleden, het heden en een doorkijk naar de toekomst. • Hoofdstuk 3 beschrijft de maatregelen in de doorgerekende scenario’s. Dit betreft maatregelen die specifiek voor Regio Foodvalley zijn samengesteld op basis van de ruimtelijke strategie in het Regionaal Programma Landelijk Gebied. Daarbij is het effect op de landbouwemissies doorgerekend en is het doelbereik beoordeeld. • Hoofdstuk 4 geeft, aan de hand van de regionale ontwikkelingen in de landbouw (H2) en de aanvullende landbouwmaatregelen (H3), een beeld van hoe de landbouw er in de toekomst in Regio Foodvalley uit kan zien. • Hoofdstuk 5 bevat een synthese met de belangrijkste discussiepunten, conclusies en aanbevelingen.

12 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling primaire landbouw

2.1

Huidige situatie

De agrifoodsector is van groot economisch belang voor Regio Foodvalley, waarin acht gemeenten (Barneveld, Ede, Nijkerk, Rhenen, Renswoude, Scherpenzeel, Veenendaal en Wageningen) samenwerken op dit gebied. Op 1 januari 2024 is de gemeente Putten aangesloten bij de programma’s Landbouw & Vitaal Platteland en Voeding & Gezondheid van Regio Foodvalley. Deze studie is daarom, voor zover mogelijk, voor negen gemeenten uitgewerkt. Daar waar resultaten voor Regio Foodvalley uit eerdere studies worden gebruikt, is de gemeente Putten niet inbegrepen. Dit wordt dan ook bij deze resultaten vermeld. In 2020 omvatte het agrocomplex van Regio Foodvalley (exclusief gemeente Putten) een bruto toegevoegde waarde (TGW) van 1,69 miljard euro. Dit is 12,9% van de totale bruto TGW van Regio Foodvalley. Landelijk is dit 7,2%. In Regio Foodvalley is binnen het agrocomplex de toelevering en verwerking de grootste deelsector (40,1%), gevolgd door de groothandel (36,1%). Tussen 2016 en 2020 heeft de bruto TGW van het agrocomplex in Regio Foodvalley zich sterker ontwikkeld dan in de rest van Nederland. In deze periode nam de bruto TGW van het agrocomplex in Regio Foodvalley toe met 18%, landelijk met 4%. Dit ligt ook ver boven de groei van de totale economie (4%) in Regio Foodvalley (Agrifoodmonitor Regio Foodvalley, 2022).

Ten opzichte van andere agrocomplexen in Regio Rivierenland, Agrifood Capital in Noordoost Brabant, Regio Venlo en Flevoland ligt het aandeel van de TGW van het agrofoodcomplex in Regio Foodvalley in mindere mate bij de primaire landbouwsector, en meer bij groothandel, onderzoek en onderwijs (Agricola, 2019). Tegelijkertijd kenmerkt Regio Foodvalley zich wel als een regio met een hoge economische activiteit in de primaire landbouw (zie figuur 2.1). In 2020 maakte de primaire sector voor bijna 15% deel uit van de toegevoegde waarde van het agrocomplex (Agricola, 2019).

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

| 13

Figuur 2.1

De ruimtelijke verdeling van de standaardopbrengsten (SO) in de primaire land- en tuinbouw in

2023. De SO-norm is een gestandaardiseerde opbrengst (in euro) per ha of per dier die met een gewas of diercategorie gemiddeld op jaarbasis wordt behaald. Opbrengsten uit bedrijfstoeslagen, subsidies en multifunctionele activiteiten zijn niet in de norm meegenomen (Bron: agrimatie.nl, Wageningen Social & Economic Research).

De primaire landbouwsector is de grootste ruimtegebruiker in de negen gemeenten in Regio Foodvalley en is daarmee gezichtsbepalend in de regio. De veehouderij is daarbinnen de grootste bedrijfstak in Regio Foodvalley. Van de ruim 1.600 agrarische bedrijven die in 2024 volgens de CBS-Landbouwtelling zijn geregistreerd, zijn bijna 1.500 bedrijven veehouderijen (90%). Deze gebruiken 91% van het landbouwareaal en dragen voor 96% bij aan de standaardverdiencapaciteit (toegevoegde waarde) in de primaire agrarische sector in de regio. In vergelijking met de rest van Nederland komen er relatief veel vleeskalver-, pluimvee- en varkensbedrijven voor. De melkveehouderij is ook nadrukkelijk aanwezig in de regio en een deel van de veehouderijbedrijven bestaat uit veeteeltcombinaties. De akkerbouwbedrijven, die nagenoeg de resterende 9% van het landbouwareaal in het gebied gebruiken, produceren met name voedergewassen voor de veehouderij. Volgens het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland (peiljaar 2022) is ruim 33.000 ha, oftewel 42% van het totale areaal van de negen gemeenten (ca. 78.000 ha), in gebruik als landbouwgrond. De geregistreerde agrarische bedrijven in Regio Foodvalley hebben in 2024 bijna 26.000 ha landbouwgrond in gebruik. Deze grond ligt grotendeels in de regio, maar kan ook daarbuiten liggen.

Evenzo kunnen bedrijven van buiten de regio grond in gebruik hebben in Regio Foodvalley. Dit bij de geregistreerde bedrijven behorende landbouwareaal is beduidend kleiner dan de ruim 33.000 ha landbouwgrond volgens het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland. Gies et al. (2020) beschrijven dat dit verschil wordt verklaard doordat een deel van deze landbouwgrond bestaat uit bebouwing, erven, tuinen e.d. in agrarisch gebied, en uit landbouwgrond die in particulier of hobbymatig gebruik is. Venema et al. (2022) hebben een analyse uitgevoerd naar de landbouwstructuur in Regio Foodvalley (incl. de gemeenten Bunschoten, Leusden, Putten en Woudenberg). Zij concludeerden op basis van statistieken uit 2020 het volgende: • Er komen relatief veel kleine bedrijven voor: ruim 60% van de bedrijven valt qua standaardverdiencapaciteit (SVC) in de categorie ‘zeer klein’ of ‘klein’ (landelijk ruim 50%), en 16% van de bedrijven in de categorie ‘groot’ of ‘zeer groot’; landelijk is dit ruim een kwart.

14 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

• Het aantal dieren per bedrijf is in de meeste sectoren lager dan het landelijk gemiddelde. Een uitzondering is de vleeskalverhouderij. • 80% van de arbeidskrachten betreft gezinsarbeid. • 10% van de bedrijven is biologisch, wat veel hoger is dan het landelijk gemiddelde. 7% van de totale cultuurgrond is biologisch (landelijk 4%). De pluimveehouderij kent het grootste aantal biologische bedrijven. Ook in de varkenshouderij en melkveehouderij zijn er relatief veel bedrijven met een biologisch keurmerk. • Verbredingsactiviteiten nemen toe en betreffen nu vooral natuurbeheer, huisverkoop, stalling en loonwerk. • Er komen relatief meer jonge ondernemers voor dan landelijk, maar de opvolging blijft nu achter. Op de melkvee- en pluimveebedrijven ligt het opvolgingspercentage het hoogst. De bedrijfstypen ‘overige graasdieren-, varkens- en akkerbouw’ kennen een relatief grote groep bedrijven waarvan de ondernemer ouder is dan 51 jaar en waar geen potentiële opvolger is. • Er zijn daarnaast ook veel potentiële stoppers boven de 55 jaar, die een achtste deel van de cultuurgrond in de regio beheren. In tabel 2.1 staan de cijfers met betrekking tot het aantal bedrijven, het landbouwareaal en het aantal dieren tot en met peiljaar 2024 weergegeven.

In de afgelopen decennia heeft een behoorlijke verandering plaatsgevonden in het aantal bedrijven, het areaal en de dieraantallen in Regio Foodvalley, en deze wijkt vaak af van het landelijk gemiddelde. Sinds 2000: • Is het aantal bedrijven bijna gehalveerd: dit volgt de landelijke trend. • Bedraagt de afname van het landbouwareaal 16%; dit is daarmee het dubbele van de landelijke afname. Verhoudingsgewijs is het areaal voor veevoer (grasland en groenvoedergewassen) in 2024 2 procentpunt lager (90% van het landbouwareaal) dan in 2000 (92%). • Is de melkveestapel met ruim 30% gekrompen, terwijl er landelijk een lichte groei heeft plaatsgevonden. Het bijbehorende jongvee is in die periode gehalveerd. • Is het aantal vleeskalveren met ruim 40% gestegen in de regio. Deze toename is relatief groter dan de gemiddelde toename op landelijk niveau. Sinds 2020 is er wel sprake van een lichte afname. • Is het aantal melkgeiten, een kleine diercategorie in 2000, enorm gestegen. De groei in de regio is relatief groter dan het landelijk gemiddelde. • Is het aantal varkens gehalveerd in de regio. De daling is relatief groter dan het landelijk gemiddelde. • Is het aantal leghennen vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde met 10% afgenomen, met name in het laatste jaar.

• Schommelt het aantal vleeskuikens sterk door de jaren heen, maar is sinds 2000 wel substantieel gestegen, alhoewel sinds 2018 geen grote veranderingen meer plaatsvinden.

Tabel 2.1 Overzicht kengetallen primaire agrarische sector in Regio Foodvalley (incl. gemeente Putten) voor peiljaar 2000, 2010, 2018, 2020, 2022 en 2024) en ontwikkeling tussen peiljaar 2000 en 2024 voor zowel Regio Foodvalley als Nederland (Bron: CBS Statline, bewerkt door WENR). Regio Foodvalley

Trend 2000-2024

2000

2010

2018

2020

2022

2024 Regio FV Nederland

Aantal bedrijven

3.245

2.423

1.857

1.765

1.692

1.650

-49%

-48%

Agrarisch grondgebruik (ha)

30.697

30.497

26.712

26.178

25.901

25.738

-16%

-8%

• Grasland

21.923

21.641

19.477

18.963

18.634

18.640

-15%

• Groenvoedergewassen

6.217

7.114

5.248

4.879

4.686

4.617

-26%

• Akkerbouw

2.287

1.478

1.740

2.042

2.287

2.177

-5%

Vleeskalveren (* 1000 dieren)

217

258

309

325

313

308

42%

Melk- en kalfkoeien (* 1000 dieren)

34

29

28

25

24

23

-31%

3%

Jongvee melkveehouderij (*1000 dieren)

32

25

19

16

16

16

-52%

-27%

Melkgeiten (*1000 dieren)

4

16

35

41

38

37

+790%

384%

Fokvarkens (*1000 dieren)

62

47

40

37

32

30

-52%

-38%

Vleesvarkens (*1000 dieren)

440

373

297

252

241

209

-52%

-26%

Leghennen (*1000 dieren)

7.510

7.934

8.796

7.324

7.693

6.764

-10%

-8%

Vleeskuikens (*1000 dieren)

825

619

1.246

1.430

1.586

1.298

+57%

-21%

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

29%

| 15

2.2

Ontwikkeling bedrijven en landbouwareaal

2.2.1

Trendmatige afname aantal bedrijven

Wanneer we de historische ontwikkeling beschouwen, blijkt schaalvergroting vrijwel een ‘ijzeren constante’ in de landbouwgeschiedenis (Jongeneel, 2022). Zowel in Nederland als in Regio Foodvalley is sprake van een gestage afname van het aantal agrarische bedrijven. Figuur 2.2 laat de afname van bedrijven zien in de periode 2000-2021. Deze trend verloopt redelijk gelijkmatig. De grootste afwijking vindt plaats in 2015-2016 als gevolg van een administratieve herdefiniëring van agrarische bedrijven (bedrijven moesten zich toen verplicht inschrijven bij de Kamer van Koophandel). Gemiddeld is het aantal bedrijven in Regio Foodvalley in de afgelopen twee decennia met 2,3% per jaar gedaald. Indien deze ijzeren constante doorzet, resteren in 2035 naar verwachting circa 1.300 en in 2050 circa 900 agrarische bedrijven.

Figuur 2.2

Historische en toekomstige ontwikkeling (op basis van de historische trendmatige afname) van

het aantal agrarische bedrijven Regio Foodvalley, inclusief Putten (Bron: CBS statline en eigen bewerking WENR).

2.2.2

Prognose aantal stoppers

In 2020 zijn in de CBS-Landbouwtelling vragen opgenomen over de opvolgingssituatie op agrarische bedrijven. De leeftijd van het bedrijfshoofd, in combinatie met de aanwezigheid of afwezigheid van een opvolger, wordt veelal gebruikt als indicator voor het aantal bedrijven dat op termijn zal stoppen. In Regio Foodvalley hadden van de ruim 1.750 bedrijven in 2020 circa 900 bedrijven (ruim 50%) een bedrijfshoofd ouder dan 55 jaar. Van deze 900 bedrijven hadden naar schatting 540 tot 610 bedrijven geen opvolger. Dit betekent dat ruim een derde van het huidige aantal bedrijven wordt geleid door een bedrijfshoofd ouder dan 55 jaar zonder opvolger. In absolute aantallen betreft dit met name melkvee-, vleeskalver-, overige rundvee-, varkens- en akkerbouwbedrijven, die daarmee de grootste groep potentiële stoppers vormen. Voor de komende 10 tot 15 jaar wordt verwacht dat deze bedrijven hun activiteiten zullen beëindigen. Indien dit scenario zich voltrekt, resteren in 2035 naar schatting circa 1.150 bedrijven, waarmee het aantal bedrijven iets lager uitvalt dan de prognose in figuur 2.2. Daarnaast zal naar verwachting het aantal

16 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

bedrijven verder afnemen door ingrijpende maatregelen van het Rijk, zoals de vrijwillige en gerichte opkoop van bedrijven om natuur-, water- en klimaatdoelen te realiseren.

2.2.3

Trendmatige afname landbouwareaal

Figuur 2.3 toont de ontwikkeling van het areaal landbouwgrond in Regio Foodvalley. Het betreft hier grond die in gebruik is bij agrarische bedrijven die in de regio zijn gevestigd. Deze grond kan echter (deels) buiten de regio liggen. Omgekeerd zijn er ook bedrijven van buiten Regio Foodvalley die landbouwgrond binnen de regio in gebruik hebben.

Figuur 2.3

Historische en toekomstige ontwikkeling (op basis van de historische trendmatige afname) van

het areaal dat gebruikt wordt door agrarische bedrijven Regio Foodvalley, inclusief Putten (Bron: CBS statline en eigen bewerking WENR).

De afname van het areaal landbouwgrond vertoont, evenals de afname van bedrijven, een regelmatige daling, met uitzondering van de jaren 2009 en 2010. Gemiddeld bedraagt deze daling circa 0,73% per jaar. Gies et al. (2020) constateren dat deze afname aanzienlijk sterker is dan het landelijk gemiddelde van 0,4% per jaar. Indien deze trend wordt doorgetrokken, zal tot 2035 naar schatting 850 tot 3.000 hectare uit landbouwproductie worden genomen, oplopend tot circa 2.300 tot 6.750 hectare in 2050.

2.3

Ontwikkeling landbouwemissies

2.3.1

Huidige situatie en aannames autonome ontwikkeling tot 2030

In deze studie wordt gewerkt met meerdere referentiejaren (2018 en 2019), de actuele situatie (2022 en 2023) en een prognose voor 2030, gebaseerd op autonome ontwikkeling en vigerend beleid. Tot voor kort hanteerde het Rijk 2018 als referentiejaar voor de reductieopgave van stikstofemissies, een keuze die ook is overgenomen in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied van Regio Foodvalley. In het recent gepresenteerde startpakket ‘Nederland van het slot’ is dit aangepast naar peiljaar 20192. Voor de reductie

2

https://open.overheid.nl/documenten/bb701504-9dca-454f-bbea-39cffe2d8dfd/file

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

| 17

van broeikasgasemissies geldt eveneens 2019 als referentiejaar. Om te voorkomen dat doelstellingen wijzigen door verschuivingen in referentiejaren of reductieopgaven, kan het zinvol zijn deze uit te drukken in een emissieplafond, restemissie of normconcentratie voor het betreffende doeljaar. De milieuemissies in de basisjaren 2018, 2019, 2022 en 2023 zijn gebaseerd op de feitelijke situatie in die jaren, berekend met de landelijke methodieken INITIATOR en NEMA (zie bijlage 1 voor een uitgebreide beschrijving). Deze waarden komen overeen met de registraties in de landelijke emissiedatabase. De prognose voor 2030 is opgesteld conform de methodiek van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), waarin het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) jaarlijks de verwachte emissies van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen rapporteert. Binnen deze systematiek worden de emissies voor de landbouwsector geraamd voor de periode 2025-2035, met een doorkijk naar 2040 (KEV 2024; Cals et al., 2024). De resultaten van KEV 2024 zijn op nationale schaal berekend, rekening houdend met de uitgangspunten zoals beschreven in het tekstkader hieronder. Voor deze studie werken we met de ramingen voor 2030. KEV 2024 geeft ook ramingen voor 2035 en 2040. Voor deze jaren wordt de reductie doorgezet op basis van de beleidsmaatregelen in het vigerende beleid.

De verwachting is dat zowel tussen 2030 en 2035 als tussen 2035 en 2040 de emissie met 5% verder afneemt op landelijk niveau (zie Cals et al., 2024). De gemiddelde nationale cijfers zijn vervolgens ruimtelijk toegewezen op basis van de huidige verdeling van landbouwactiviteiten volgens statistische gegevens. Dit betekent dat de effecten van maatregelen landelijk worden gespreid en niet specifiek worden toegerekend aan de locaties waar de maatregelen daadwerkelijk plaatsvinden, aangezien deze locaties nog niet bekend zijn. Een uitzondering vormen de effecten van de beëindigingsregelingen. Voor de LBV- en LBV-plusregelingen is locatie-specifiek gerekend, op basis van een lijst met aanmelders van 1 mei 2024 (de LBV-plusregeling stond open tot 20 december 2024). Op basis van deze uitgangspunten zijn inschattingen gemaakt (zie PBL en TNO, 2024). Voor Regio Foodvalley zijn deze inschattingen vergeleken met gegevens die door de gemeenten binnen de regio zijn aangeleverd.

18 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

Uitgangspunten ramingen 2030 (naar Cals et al. (2024)) De ramingen in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) zijn gebaseerd op de meest waarschijnlijke ontwikkelingen in de landbouw, in combinatie met de effecten van vastgesteld en voorgenomen beleid. Onder autonome ontwikkelingen vallen onder meer de stijgende melkproductie per koe en de daarmee samenhangende toename van de forfaitaire fosfaatexcretie per koe, de trendmatige afname van het landbouwareaal, meer emissiearme stalsystemen; hogere opbrengsten per hectare snijmaïs; een toename van de methaanemissie per koe en een afname van het eiwitgehalte in het rantsoen. Tot het vastgestelde beleid behoren onder andere de landelijke beëindigingsregelingen (zoals LBV en LBV-plus) en de nieuwe derogatiebeschikking (gefaseerde afbouw en uiteindelijk vervallen van derogatie). Op basis van deze uitgangspunten verwacht KEV 2024 landelijk een aanzienlijke krimp van de rundveestapel tussen 2022 en 2030: een daling van het aantal melkkoeien met 17% en van het aantal vleeskalveren met 16%. Deze afname wordt verklaard door de beëindigingsregelingen, het afromen van fosfaatrechten bij verhandeling, de stijging van de melkproductie per koe en een extra krimp van circa 11% als gevolg van het vervallen van derogatie.

Ook de varkens- en pluimveestapel neemt sterk af, respectievelijk met 21% en 12-17%, door de opkoopregelingen en het afromen van varkens- en pluimveerechten bij verhandeling. Voor overige diersoorten wordt uitgegaan van een gelijkblijvend aantal dieren. Het landbouwareaal neemt naar verwachting landelijk met 3% af tussen 2022 en 2030. Daarnaast wordt aangenomen dat 5-10% van het grasland zal worden omgezet naar bouwland als gevolg van het vervallen van derogatie. De bemesting met dierlijke mest neemt af door de beperking tot maximaal 170 kg N/ha en de verplichting van bemestingsvrije randen van 5, 3 of 1 meter langs waterlopen. Het gebruik van stikstofkunstmest neemt naar verwachting met 6% toe, omdat het wegvallen van dierlijke mest deels wordt gecompenseerd door kunstmesttoepassing. Dit gebeurt ondanks de 20% korting op de stikstofgebruiksruimte in nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden) en grondwaterbeschermingsgebieden. Verder wordt verondersteld dat het aandeel emissiearme stallen toeneemt, conform de eisen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal; voorheen Besluit emissiearme huisvestingssystemen landbouwhuisdieren, Beh) en dat deze stallen in 2030 in de praktijk beter presteren dan op dit moment het geval is. Voor melkvee wordt aangenomen dat in 2030 30% van de stallen emissiearm is.

Daarbij wordt verondersteld dat stallen die tot en met 2025 zijn gebouwd, 25% van de beoogde effectiviteit realiseren, en stallen die daarna worden gebouwd 50% van de beoogde effectiviteit. In de emissieberekeningen voor de huidige situatie wordt uitgegaan van een effectiviteit van 0% voor emissiearme melkveestallen. Voor vleeskalveren wordt aangenomen dat 18% van de dieren in een stal met luchtwasser verblijft, 8% in een emissiearm stalsysteem en 74% in een traditionele stal. Bij varkens wordt verwacht dat in 2030 alle dieren in emissiearme stalsystemen worden gehuisvest. Voor pluimvee geldt dat het merendeel van de dieren naar emissiearme systemen overgaat (met name drogen van mest en frequent verwijderen daarvan). Een klein deel van de pluimveestapel op kleine bedrijven die niet onder het Bal vallen, blijft in 2030 in traditionele stallen gehuisvest.

Tabel 2.2 geeft de resultaten weer in termen van het verwachte aantal op te kopen bedrijven en de verwachte krimp van de veestapel. Hierbij valt op dat KEV 2024 uitgaat van een grotere groep aanmelders (alle aanmelders op een bepaald moment) dan voor Regio Foodvalley wordt aangenomen op basis van gemeentelijke gegevens, waarin een deel van de aanmelders de regelingen niet voortzet. Dit leidt tot hogere percentages krimp van de veestapel in KEV 2024. Over de verschillende diercategorieën is de dekking van de bedrijven over het algemeen goed. Uitzonderingen zijn de rundveecategorieën A2, A3, A6 en A7, evenals de geiten- en schapencategorieën. Voor deze categorieën wordt in KEV 2024 geen reductie toegekend, omdat zij niet direct onder de uitkoopregelingen vallen.

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

| 19

Tabel 2.2

Geraamde krimp van veestapel per diercategorie als gevolg van de LBV en LBV-plus volgens de

gemeentelijke cijfers uit Regio Foodvalley en volgens de KEV 2024. Diercategorie

Reductie dieraantallen Foodvalley

Aantal bedrijven LBV/LBV-plus

KEV2024

Foodvalley

KEV2024

Rundvee A1 Melkvee

2,8%

5,4%

10

21

A2 Zoogkoeien

1,3%

0,0%

4

0

A3 Vrouwelijk rundvee < 2 jaar

2,6%

0,0%

19

0

A4 Vleeskalveren

13,7%

21,9%

64

109

A6 Vleesstieren en vleesvee 8-24 maand

2,2%

0,0%

7

0

A7 Overig rundvee > 2 jaar

0,2%

0,0%

1

0

B1 Schapen ouder dan 1 jaar, incl. lam

1,1%

0,0%

13

0

B2 Opfokschapen van 7-12 maanden

0,4%

0,0%

5

0

B3 Schaaplammeren 0-7 maanden

0,9%

0,0%

6

0

C1 Geiten > 1 jaar

0,1%

0,0%

6

0

C2 Opfokgeiten 3-12 maand

0,0%

0,0%

0

0

C3 Geitlammen 0-2 maand

0,1%

0,0%

1

0

D11 Biggen opfok

11,4%

34,9%

8

19

D12 Kraamzeugen

10,6%

28,3%

6

17

D13 Guste- en drachtige zeugen

15,0%

28,7%

8

20

D2 Dekberen

6,6%

42,6%

3

10

D3 Vleesvarkens en opfokvarkens

16,3%

24,1%

32

68

E1 Opfok leghennen

16,4%

9,8%

7

6

E2 Leghennen

4,2%

9,1%

20

36

E3 Opfok ouderdieren vleeskuikens

0,0%

0,0%

0

0

E4 Ouderdieren vleeskuikens

2,1%

10,1%

1

6

E5 Vleeskuikens

0,0%

2,0%

0

3

F1 Kalkoenen

0,0%

0,0%

0

0

G1 Eenden

0,0%

0,0%

0

0

Schapen en geiten

Varkens

Pluimvee

2.3.2

Ammoniakemissies in 2018, 2022 en 2030

Tabel 2.3 toont de aan landbouw gerelateerde ammoniakemissies, inclusief emissies uit stallen en mestopslag, alsook uit beweiding en toediening van mest op gras- en bouwland. De gegevens zijn weergegeven voor de basisjaren 2018, 2019, 2022 en 2023, evenals een raming voor 2030 op basis van autonome ontwikkeling en vigerend beleid. De emissies zijn uitgesplitst per gemeente en voor Regio Foodvalley in totaal. Samen zijn de landbouwactiviteiten in de gemeenten Ede en Barneveld verantwoordelijk voor ruim twee derde van de totale ammoniakemissie in de regio. In Regio Foodvalley vertoont de ammoniakemissie een dalende trend. Tussen 2019 en 2023 is in de regio gemiddeld een daling van 16% vastgesteld. Ten opzichte van het referentiejaar 2018 is de reductie nog groter. In de gemeenten Putten en Veenendaal lagen de reducties iets boven het regionale gemiddelde (respectievelijk 27% en 24%), terwijl in Scherpenzeel de daling beperkt bleef tot 5%. In de raming voor 2030, waarin de effecten van landelijke opkoopregelingen, meer en beter werkende emissiearme stallen en de derogatiebeschikking zijn meegenomen, wordt een verdere afname van de ammoniakemissie verwacht. De gemiddelde reductie ten opzichte van 2019 bedraagt dan circa 39% voor Regio Foodvalley.

20 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

Tabel 2.3

De ammoniakemissie uit alle landbouwbronnen per gemeente, in kton NH3 per jaar, voor 2018,

2019, 2022, 2023 en raming 2030 (op basis van Klimaat- en Energieverkenning 2024), aandeel in Regio Foodvalley in 2023 en het relatieve verschil tussen 2019-2023 en 2019-2030. Gemeenten 2018

2019

Abs. kton NH3/jaar 2022

2023

2030

Aandeel in Foodvalley (2023)

Ontwikkeling

Barneveld

1,66

1,58

1,41

1,31

0,97

32%

-17%

-39%

Ede

1,95

1,83

1,59

1,64

1,16

36%

-10%

-37%

Nijkerk

0,39

0,41

0,33

0,31

0,24

7%

-24%

-41%

Putten

0,65

0,60

0,48

0,44

0,34

11%

-27%

-43%

Scherpenzeel

0,18

0,19

0,17

0,18

0,12

4%

-5%

-37%

Wageningen

0,05

0,04

0,04

0,04

0,04

1%

0%

0%

Renswoude

0,26

0,27

0,23

0,23

0,15

5%

-15%

-44%

Rhenen

0,16

0,14

0,14

0,14

0,10

3%

0%

-29%

Veenendaal

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0%

0%

0%

Foodvalley

5,32

5,08

4,39

4,29

3,11

100%

-16%

-39%

2019-2023 2019-2030

Tabel 2.4 geeft de aan landbouw gerelateerde ammoniakemissies per bron weer, waaronder emissies uit stallen en mestopslag, en emissies bij beweiding en toediening van mest op gras- en bouwland. De gegevens zijn beschikbaar voor de basisjaren 2018, 2019, 2022 en 2023, evenals een raming voor 2030 op basis van autonome ontwikkeling en vigerend beleid. In 2023 bedroeg de totale ammoniakemissie uit landbouw in Regio Foodvalley 4,29 kton NH₃, waarvan 82% afkomstig was uit stal- en opslagemissies en 18% uit emissies door beweiding en mesttoediening. Deze verdeling wijkt sterk af van het landelijk gemiddelde, waar de verhouding 55% respectievelijk 45% is. De grootste bijdrage aan de totale ammoniakemissie komt van stallen met pluimvee (35%) en vleeskalveren (22%). De toediening van dierlijke mest, met name runder- en varkensmest, is goed voor 12% van de totale emissie, terwijl overige veldemissies – zoals toediening van kunstmest, beweiding en verwerking van gewasresten – samen circa 5% van de ammoniakemissies in Regio Foodvalley vormen. Tussen 2019 en 2023 daalde de ammoniakemissie van 5,08 kton NH₃ tot 4,29 kton NH₃, wat neerkomt op een daling van 16%. Zowel relatief als absoluut werd de grootste afname gerealiseerd bij de stal- en opslagemissies.

Voor 2030 wordt, op basis van de ramingen, verwacht dat de stal- en opslagemissies ten opzichte van 2018 met 39% zullen afnemen, voornamelijk door de inzet van emissiearme stalsystemen en een kleinere veestapel (reductie circa 40%). De veldemissies zullen naar verwachting met 26% afnemen, voornamelijk als gevolg van de derogatiebeschikking en een vermindering van het landbouwareaal.

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

| 21

Tabel 2.4

De ammoniakemissie uit landbouw per bron, in kton NH3 per jaar, voor 2018, 2019, 2022, 2023

en raming 2030 (op basis van Klimaat- en Energieverkenning 2024), aandeel in Regio Foodvalley in 2023 en het relatieve verschil tussen 2019-2023 en 2019-2030. Landbouwbron

Abs. kton NH3/jaar

Aandeel in Ontwikkeling Foodvalley (2023) 2019-2023 2019-2030

2018

2019

2022

2023

2030

NH3-stal- en opslagemissie

4,49

4,31

3,69

3,52

2,56

82%

-18%

-40%

Rundvee

1,94

1,82

1,56

1,40

1,2

33%

-23%

-34%

• Melkvee incl. jongvee

0,42

0,41

0,36

0,37

0,3

9%

-10%

-27%

• Vleeskalveren

1,41

1,31

1,11

0,93

0,81

22%

-29%

-38%

• Overig rundvee

0,11

0,10

0,09

0,09

0,09

2%

-10%

-10%

Varkens

0,76

0,70

0,57

0,49

0,26

11%

-30%

-63%

Pluimvee

1,65

1,64

1,44

1,50

0,98

35%

-9%

-40%

Overige dieren

0,13

0,13

0,12

0,14

0,13

3%

8%

0%

NH3-veldemissie

0,84

0,76

0,71

0,76

0,55

18%

3%

-26%

Toediening dierlijke mest

0,61

0,51

0,49

0,52

0,35

12%

2%

-31%

Toediening kunstmest

0,14

0,14

0,14

0,15

0,12

4%

7%

-14%

Beweiding

0,03

0,03

0,03

0,02

0,02

0%

-33%

-33%

Overige organische producten

0,01

0,01

0,01

0,01

0,01

0%

0%

0%

Gewasresten

0,04

0,04

0,04

0,04

0,04

1%

0%

0%

Gewasafrijping

0,02

0,02

0,02

0,02

0,02

0%

0%

0%

Ammoniakemissie totaal

5,32

5,08

4,39

4,29

3,11

100%

-16%

-39%

2.3.3

Methaan- en lachgasemissies in 2018, 2022 en 2030

Tabel 2.5 geeft de aan landbouw gerelateerde methaan- (CH₄) en lachgasemissies (N₂O) weer, afkomstig uit stallen en mestopslag, en bij beweiding en toediening van mest op gras- en bouwland. De gegevens zijn beschikbaar voor de basisjaren 2018, 2019, 2022 en 2023, evenals een raming voor 2030 op basis van autonome ontwikkeling en vigerend beleid. De emissies zijn uitgedrukt in CO₂-equivalenten, zodat methaanen lachgasemissies kunnen worden opgeteld. Net als bij de ammoniakemissies dragen bedrijven in de gemeenten Barneveld en Ede het grootste aandeel bij, gezamenlijk goed voor 68% van de totale methaan- en lachgasemissie in Regio Foodvalley. In 2023 is een lichte daling van gemiddeld 8% ten opzichte van 2019 waargenomen, met name als gevolg van een lagere methaanemissie vanuit de mestopslag. Voor 2030 wordt een grotere reductie verwacht, met circa 26% minder emissies ten opzichte van 2019. Deze daling wordt voornamelijk veroorzaakt door een afname van de methaanemissie als gevolg van een kleinere veestapel (melkvee en vleeskalveren), wat leidt tot minder pensfermentatie en een lagere hoeveelheid mest in stallen en opslag. Methaanemissies door pensfermentatie vormen bijna 60% van de totale methaan- en lachgasemissie uit de landbouw (zie tabel 2.6).

22 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

Tabel 2.5

De methaan- en lachgasemissie uit landbouwbronnen per gemeente, in kton CO2-equivalenten

per jaar, voor 2018, 2019, 2022, 2023 en raming 2030, aandeel in Regio Foodvalley in 2023 en het relatieve verschil tussen 2019-2023 en 2019-2030. Gemeenten

Abs. kton CO2-eq/jaar 2018

2019

20192023

2023

Aandeel in Ontwikkeling Foodvalley (2023) 2019-2023 2019-2030

2030

Barneveld

169

171

162

160

126

31%

-6%

-26%

Ede

211

209

200

194

159

37%

-7%

-24%

Nijkerk

46

45

40

39

31

7%

-14%

-30%

Putten

63

65

61

60

47

12%

-7%

-27%

Scherpenzeel

11

11

10

10

8

2%

-6%

-26%

Wageningen

6

5

5

5

5

1%

-6%

-8%

Renswoude

32

32

29

27

23

5%

-15%

-26%

Rhenen

22

23

21

22

16

4%

-4%

-28%

Veenendaal

2

2

1

1

1

0%

-25%

-33%

Foodvalley

562

563

529

518

418

100%

-8%

-26%

Tabel 2.6

De methaan- en lachgasemissie uit landbouw per bron, in kton CO2-equivalenten per jaar, voor

2018, 2019, 2022, 2023 en raming 2030, aandeel in Regio Foodvalley in 2023 en het relatieve verschil tussen 2019-2023 en 2019-2030. Landbouwbron

Abs. kton CO2-eq/jaar 2018

2019

2022

2023

Aandeel in Ontwikkeling Foodvalley (2023) 2019-2023 2019-2030

2030

Methaanemissie

470

467

446

425

354

82%

Pensfermentatie

306

306

308

306

248

Mestopslag

164

161

138

120

106

Lachgasemissie

92

96

83

93

63

Stalemissie

19

19

19

19

14

Veldemissie

72

77

63

74

49

562

563

529

518

418

100%

Broeikasgasemissie totaal

2.3.4

-9%

-24%

59%

0%

-19%

23%

-26%

-34%

18%

-3%

-34%

4%

0%

-26%

14%

-4%

-36%

-8%

-26%

Uit- en afspoeling nutriënten naar grond- en oppervlaktewater

In deze studie zijn geen berekeningen gemaakt voor de uit- en afspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater. Hiervoor is een uitgebreider modelinstrumentarium nodig. Recente studies bieden echter wel een indicatie van de huidige situatie en de verwachte situatie in 2030. Schipper et al. (2024) onderzochten het doelbereik van nutriënten in regionale wateren binnen de stroomgebieden van onder andere het Waterschap Vallei en Veluwe, gelegen in Gelderland en Utrecht. Het onderzoek beslaat zowel de huidige situatie als een baselinescenario waarin maatregelen zijn opgenomen die vergelijkbaar zijn met de derogatiebeschikking. Dit baselinescenario is daarom goed te vergelijken met de raming voor 2030 volgens KEV 2024. Naast landbouwmaatregelen zijn in deze studie ook maatregelen van andere bronnen meegenomen die bijdragen aan het bereiken van waterkwaliteitsdoelen. Op basis van de huidige situatie (zomerhalfjaar gemiddeld over 2014-2017) blijft er in de meeste deelstroomgebieden van Regio Foodvalley een opgave voor de landbouw bestaan. Voor fosfor is deze opgave groter dan voor stikstof. Ook waterschappen en gemeenten hebben nog maatregelen nodig om de nutriëntenbelasting te verminderen, bijvoorbeeld vanuit RWZI’s, riooloverstorten en regenwaterriolen. Na het nemen van de maatregelen in het baselinescenario neemt de af- en uitspoeling van nutriënten af.

Voor stikstof varieert deze afname, afhankelijk van het deelstroomgebied, van 10 tot 50% (doorgerekend tot 2027 en 2045 vanwege na-ijleffecten). Voor fosfor geldt een afname van 10 tot 15% ten opzichte van 2018.

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

| 23

Schipper et al. (2024) concluderen dat, mits de landbouw de derogatiebeschikking volledig uitvoert en andere sectoren ook maatregelen nemen, er geen grote restopgave meer is voor stikstof. Voor fosfor blijft echter een restopgave bestaan in Regio Foodvalley als gevolg van nalevering vanuit de bodem waarin fosfaat is opgehoopt.

24 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

3

Landbouw in toekomstbeeld Regionaal Perspectief Landelijk Gebied Foodvalley

3.1

Regionaal Perspectief Landelijk Gebied in het kort

3.1.1

Regionale ambitie

In het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied wordt gesteld dat Regio Foodvalley de ambitie heeft om een toonaangevende voedselregio te zijn binnen een gezond, natuurlijk en sociaal ecosysteem. Klimaatbestendige en versterkte landschappen dragen daarbij bij aan de vrijetijdseconomie en vormen een blijvende basis voor voedselproductie als belangrijke economische pijler. Functies worden steeds vaker gemengd, waardoor harde grenzen in het landschap verzachten. De verbinding tussen stad en buitengebied is sterk: inwoners en consumenten weten waar hun voedsel vandaan komt en zijn zich bewust van de waarden van het landelijk gebied. Regio Foodvalley streeft naar gebiedsontwikkeling die uitgaat van het natuurlijke systeem. Voor de landbouw betekent dit dat agrarische bedrijven maatregelen nemen die bijdragen aan het herstel van dit systeem (Regio Foodvalley, 2024).

3.1.2

Gestelde milieudoelen voor landbouw

Voor natuur, water en klimaat zijn diverse Europese, rijks- en provinciale doelen opgesteld. Met uitzondering voor de doelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW; waterkwaliteit) zijn dit landelijke en provinciale doelen die niet zijn vastgesteld maar richtinggevend zijn en kunnen mogelijk na 2030/2040 ook nog worden aangescherpt. Voor Regio Foodvalley zijn veel van deze doelen nog niet vertaald naar specifieke gebieden binnen de regio. Samen met de provincies Gelderland en Utrecht en Waterschap Vallei en Veluwe wordt gewerkt aan de gebiedsgerichte uitwerking hiervan. In gebiedsprocessen worden de doelen verder toegepast. Daarnaast is nieuw landelijk en regionaal beleid in ontwikkeling, zoals emissiearme stroken langs Natura 2000gebieden, dat nog niet in deze studie is meegenomen. Deze studie richt zich met name op emissies vanuit de landbouw, zoals ammoniakemissie, broeikasgasemissies en uitspoeling naar grond- en oppervlaktewater. In het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied zijn hiervoor de volgende richtinggevende kwalitatieve doelen opgenomen: • Stikstofreductie: een doelstelling van minimaal 46-55% reductie van de ammoniakemissie ten opzichte van 2018.

• Waterkwaliteit (KRW-doelen): o 11% reductie van stikstof en 40% reductie van fosfaat met betrekking tot uit- en afspoeling naar oppervlaktewater; o verlaging van de gemiddelde nitraatconcentratie van 63 mg NO₃/L naar 50 mg NO₃/L in het grondwater. • Broeikasgassen: richtinggevend regionaal doel voor 2030 is een reductie van ca. 32% van methaan- en lachgasemissies.

3.2

Uitwerking landbouwmaatregelen op basis van het Regionaal Perspectief

3.2.1

Doorgerekende landbouwmaatregelen

Om verdere emissiereducties te realiseren, wordt in het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied ingezet op de doelstelling dat alle landbouwbedrijven in Regio Foodvalley in 2035 technische en managementmaatregelen toepassen in zowel de stallen als bij de aanwending van dierlijke mest op landbouwgronden. Afhankelijk van andere omgevingsopgaven worden in verschillende gebieden specifieke accenten in de ontwikkelrichting gehanteerd: • In en rondom Natura 2000-gebieden wordt de harde scheiding tussen natuur en voedselproductie verzacht door landschapsversterking en natuurinclusief grondgebruik.

Wageningen Environmental Research Rapport 3456

| 25

• In de beekdalen wordt de uitspoeling van nutriënten aanzienlijk verminderd, onder andere door maatregelen die afspoeling beperken en de waterafvoer vertragen. • Rondom dorpen en steden worden vergaande emissiereducties in de veehouderij gerealiseerd, in combinatie met een sterke verweving van functies binnen de stad-landverbinding. • In overige gebieden wordt op grotere bedrijven ingezet op een maximale toepassing van best beschikbare technieken. In deze studie zijn twee maatregelenpakketten doorgerekend die aansluiten bij de uitgangspunten van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied. De doorgerekende maatregelen in onderstaande scenario’s zijn geen vastgestelde beleidsmaatregelen, maar dienen uitsluitend ter illustratie van de mogelijke effecten. De scenario’s zijn sequentieel doorgerekend boven op de referentieraming voor 2030 (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1

Schematische weergave van de doorgerekende scenario’s met landbouwmaatregelen voor

Regio Foodvalley.

Scenario 1 omvat de doorrekening van aanvullende generieke maatregelen. Dit houdt in dat de betreffende maatregelen op alle landbouwbedrijven in Regio Foodvalley, voor zover deze relevant en toepasbaar zijn, worden geïmplementeerd en doorgerekend. Scenario 2 betreft de doorrekening van gebiedsgerichte maatregelen. Hierbij worden de maatregelen slechts toegepast op een deelverzameling van landbouwbedrijven in Regio Foodvalley, afhankelijk van hun geografische ligging en de specifieke toepassingsvoorwaarden van de maatregel.

De maatregelenpakketten zijn door de auteurs van dit rapport samengesteld – in overleg met de begeleidingsgroep van Regio Foodvalley – met als doel inzicht te verschaffen in de potentiële milieueffecten en het verwachte doelbereik. Het betreft mogelijke maatregelen die aansluiten bij de ambities van het Regionaal Perspectief Landelijk Gebied, maar die geen formele beleidsstatus hebben en niet zijn getoetst op draagvlak onder de gebiedspartners in Regio Foodvalley. De pakketten vormen bovendien niet noodzakelijkerwijs de optimaalste samenstelling in termen van doelbereik of kosteneffectiviteit. Bij de selectie van maatregelen is geen rekening gehouden met haalbaarheid of kosteneffectiviteit. Daarnaast is geen diepgaande analyse uitgevoerd naar de effecten van de scenario’s en maatregelen op de bedrijfsvoering en de bedrijfseconomische consequenties voor de betrokken agrarische ondernemingen.

26 | Wageningen Environmental Research Rapport 3456

Hieronder worden de maatregelen per scenario beschreven. In bijlage 2 zijn de uitgangspunten en aannames per maatregel weergegeven die in de modelberekeningen zijn gehanteerd. Scenario 1 – Generieke maatregelen Generieke maatregelen worden toegepast op alle bedrijven en gewaspercelen in Regio Foodvalley waar de maatregel relevant is. Maatregel 1.1 Volledige implementatie van emissiearme stallen In de referentieraming voor 2030 wordt uitgegaan van een gedeeltelijke toepassing van emissiearme stallen, waarbij de systemen nog niet optimaal functioneren. In dit scenario wordt verondersteld dat alle dieren worden gehuisvest in stallen die voldoen aan de maximale emissienormen voor ammoniak uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en dat ze in de praktijk functioneren conform de gestelde emissiegrenswaarden. Deze reductie hoeft niet uitsluitend te worden gerealiseerd met erkende staltechnieken: ook managementmaatregelen, zoals het verlagen van het ruw eiwitgehalte in het voer, het toepassen van voer- en mestadditieven of het reduceren van de veestapel, kunnen bijdragen. De keuze voor de te hanteren maatregel ligt bij de ondernemer. Deze maatregel is primair gericht op het reduceren van ammoniakemissies uit stal en opslag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16897087/1