Verslag raadscommissie 14 en 16 december 2021
Tekst van het document
Verslag Raadscommissie Datum vergadering
14 december 2021
Djuma: 547911/547914
Aanwezig
voorzitter:
de heer J. Pronk
secretaris:
Mevrouw E.W.N.A. Scherrenburg- Reijneveld en de heer M.H.T. Jansen
de leden:
ChristenUnie: de heren T. van Roekel, J.H. Verdam en D.J. Vlastuin VVD: de heren A.J. Hoek en E. Mandersloot SGP: de heren H. Don en J. Heijboer Dorpsbelang Renswoude: mevrouw K.J.M. Daalmeijer-Rensen en de heren J.A.M. Dirven, C.E. Eskes, G.W. van Ginkel, P. Robbertsen en J.B. Stutvoet CDA: de heren S. Hardeman en S. Verkerk
tevens aanwezig:
mevrouw P. Doornenbal-van der Vlist (burgemeester), mevrouw M.C. Teunissen-Willemsen (wethouder)en de heer A. Wijs (wethouder) alsmede de heren Bosma, E. Morren en M. Wentzel en mevrouw Sipman (ambtenaren), mevrouw F. van der Ven (ODRU) en mevrouw M. Boer (gemeente Veenendaal)
notulist:
de heer J.B. Kammeraad
1. Opening De voorzitter opent de vergadering en heet de aanwezigen welkom. 2. Vaststelling agenda De agenda wordt ongewijzigd vastgesteld. 3. Vaststelling verslag en besluitenlijst van de openbare vergadering op 16 november 2021 Het verslag en de besluitenlijst worden ongewijzigd vastgesteld. 4. Ingekomen stukken en mededelingen Toezeggingenlijst De heer Don merkt ten aanzien van het rapport dat is toegestuurd over de opbrengst en rendement van windmolens dat het type windmolen waarover in de raad werd gesproken van 19 GW/u niet in het rapport is opgenomen maar dit punt kan van de lijst af. De heer Stutvoet wacht nog op een schriftelijk antwoord op zijn opmerkingen over de lege woning aan de Van Reedeweg. De voorzitter meldt dat deze toezegging op nee wordt gezet. 5. Voorstel inzake krediet t.b.v. de realisatie van 8 tijdelijke wooneenheden Het Binnenveld/Vendelier 6. Voorstel inzake omgevingsaanvraag bouwen 8 tijdelijke wooneenheden Het Binnenveld/Vendelier
Pagina 1 van 34
Wethouder Wijs geeft aan dat een voorstel wordt ingediend ten behoeve van een oplossing voor 2 groepen waarvoor ontzettend veel behoefte is om daar voor huisvesting te zorgen. Dat zijn de jonge starters en de statushouders. Dit jaar moeten nog ongeveer 8 à 9 statushouders worden gevestigd en in onderhavig geval wordt voorzien in 4. Voor het idee van de flexwoningen is een open avond gehouden voor alle inwoners. Die hebben ook een brief gekregen. Er zijn ongeveer 12 inwoners op die avond geweest. De gemeente kreeg veel waardering voor het initiatief maar de discussie ging vooral over hoe zet je het netjes neer. Het moet een beetje in het verlengde zijn van de huidige Vendelier-gebouwen en er moet voldoende ruimte zijn aan de rechterkant zodat mensen met een rollator enzovoort goed naar het dorp kunnen. Er was veel aandacht voor de verdere inrichting en er werden vragen gesteld als hoe wordt op de statushouders gelet. Aangegeven is dat deze statushouders vallen onder de nieuwe Wet inburgering. Er komt een vrij mooi gebouw te staan en het kon de instemming ontvangen van de inwoners. De heer Van Roekel vraagt of dit plan ook voor 15 jaar is bedoeld voor de 2 doelgroepen of dat er ook nog andere zaken mogelijk zijn.
Is het gevraagde krediet in principe toereikend voor de volledige realisatie van de 8 wooneenheden, los van eventuele onvoorziene zaken die er nog komen? Het kosten/batenoverzicht is onduidelijk en daarom is het onduidelijk wat er wordt opgeleverd en wat het gaat kosten. Oorspronkelijk zou het jongerencontract een geldigheid hebben van 3 jaar. Goed is dat dit is verlengd tot 5 jaar want dat biedt de toekomstige bewoners meer ruimte om door te stromen maar is deze verlenging gekomen door de kritiek die de ChristenUnie eerder op de kortere duur van het contract had geleverd? De heer Hoek merkt op dat de doelgroep jongeren hiermee wordt geholpen maar er worden aan hen ook nog andere verplichtingen opgelegd. De vraag is of dat wel in die vorm moet worden gedaan en hoe wordt gecontroleerd dat zij gaan doen wat in het contract is opgenomen? Wat zijn de sancties als er niet aan wordt voldaan? Dit zou wat vrijblijvender moeten zijn om de jongeren tegemoet te komen en om niet zo’n drempel op te werpen. Was er sprake van een onderhandse of een Europese aanbesteding? Op welke criteria is de gekozen partij uit de 3 aanbieders geselecteerd? Wordt hiermee aan de wet- en regelgeving voldaan want de gemeente heeft een kruisje achter haar naam staan als het om aanbestedingen gaat? Er is een onrendabele top die ten laste komt van de reserve van het Woningbedrijf.
Voldoet de reserve daarna nog aan alle criteria zodat er straks nog voldoende in de pot zit? De heer Robbertsen vraagt waarom de gordijnen aan de binnenkant in het kostenoverzicht zijn opgenomen. Is de post van terugkoop na 15 jaar een vast gegeven of een stelpost of kunnen ze te zijner tijd worden verkocht of elders geplaatst? De heer Hardeman vraagt hoeveel gegadigden er al zijn vanuit het dorp gezien alle voorwaarden die eraan zitten en hoe het zit met de sancties. Is dit een project van het Woningbedrijf of van de gemeente? De heer Don stelt voor dat wanneer dit project in de raadsvergadering komt er een gecombineerd voorstel van te maken met agendapunt 6. De voorzitter geeft aan dat dit ter overweging zal worden meegenomen en er mogen nu door de commissieleden ook tegelijk opmerkingen worden gemaakt over de omgevingsaanvraag. De heer Don heeft waardering voor de creativiteit van het plan maar het is spannend hoe dit gaat lopen want met deze aanpak zijn nog geen ervaringen opgedaan.
Zijn er ervaringen in andere gemeenten en kunnen daaruit ideeën worden opgehaald om het hier een succes te maken? Hoe ziet dit plan eruit in vergelijking met andere manieren om statushouders te huisvesten wat betreft de financiële en sociale constructie? Komt dit bijvoorbeeld de integratie ten goede? Hoe wordt dit onder de aandacht van de starters gebracht? Het is goed om van tevoren te schetsen wat de verwachtingen zijn. Wellicht moet een gesprek worden aangegaan met gegadigden hoe zij dit voor zich zien en er dient van tevoren alles aan gedaan te worden om het een succes te maken. Welke afspraken worden er gemaakt en wat wordt van beide partijen verwachten? Hoe en wanneer wordt beoordeeld of het een succes
Pagina 2 van 34
is? Wat gebeurt er als dit toch niet brengt wat ervan verwacht is? Daarom dient over diverse scenario’s van tevoren worden nagedacht. Kan de gemeente een bepaalde selectie toepassen wat betreft de statushouders of ligt dat geheel bij het COA? Er zou bijvoorbeeld aan statushouders kunnen worden gevraagd of ze het fijn vinden om in zo’n project terecht te komen en dan kan beter worden gekozen voor mensen die daar positief over zijn. Wellicht kan worden besproken met het COA of daar mogelijkheden voor zijn. Het is belangrijk om in gesprek te blijven met de omwonenden en om rekening te houden met hun wensen en bedenkingen. Is dit een doorstroomlocatie voor de statushouders of kunnen ze er in principe 15 jaar blijven wonen? Welke termijnen gelden voor hen? De voorzitter wijst erop dat wethouder Wijs over de kredietaanvraag gaat en dat de burgemeester portefeuillehouder is bij agendapunt 6. Wethouder Wijs geeft aan dat het plan voor 15 jaar bedoeld is. Daarna moet het hele Binnenveld worden gerenoveerd waarbij deze woningen uiteindelijk gesloopt zullen worden maar wellicht kan het tegen die tijd slim worden ingebouwd. Tot nu toe is echter de bedoeling dat het daarna wordt gesloopt en dat een heel mooi plan wordt gemaakt voor Het Binnenveld. De 8 wooneenheden zijn niet toereikend voor al 9 statushouders.
Bij de starters gaat het om de motivatie en degene die bij wijze van spreken het mooiste verhaal schrijft scoort het hoogst. Er zal aan betrokkene worden gevraagd hoe die denkt een bijdrage te kunnen leveren aan zo’n soort gemeenschap. Dat wordt ook gevraagd aan de statushouders en daarnaast hoe het met hun taal staat en ze moeten zoeken naar werk. De gemeente kan wel aangeven dat ze alleenstaande statushouders wil huisvesten. Omdat er jongeren komen zullen daar geen oude statushouders komen. Dit wordt gedaan door het COA, Vluchtelingenwerk en de gemeente zelf. Het is een speciaal bouwproject dat in zeer korte tijd kan worden gerealiseerd. Er is een avond geweest in het kader van de woonvisie en daar waren 8 à 9 jongeren. Er zal een melding van het project plaatsvinden in de Heraut en misschien nog wel wat creatiever zodat iedereen daarmee bekend is en zich kan inschrijven. Er is een commissie die toezicht houdt en vanuit de nieuwe wet moet worden gekeken hoe het met de statushouders gaat. Ook aan de jongeren zal dan worden gevraagd hoe het met hen gaat. Het project wordt uitgevoerd door het Woningbedrijf. Dit is niet het eerste project in Nederland. Het bestaat bijvoorbeeld al in Alphen aan den Rijn. Het Woningbedrijf heeft daar bezoeken gebracht en noteerde enthousiaste verhalen.
Tot nu toe ging het bij statushouders altijd om gezinnen en die kregen een woning waarvoor ze huur moesten betalen en dat is nu ook zo. Voor de kosten maakt het dus voor de gemeente niet zoveel uit. Hopelijk zullen de statushouders zo snel integreren in de samenleving mits ze natuurlijk ook werk hebben. Wat betreft de jongeren is er een commissie die bepaalt wat de meest motiverende brief is. De bewoners van de Vendelier worden op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen. Er wordt van uitgegaan dat er bij de jongeren ook sprake is van doorstroming zodat weer aan nieuwe starters de gelegenheid kan worden gegeven om zich daar te huisvesten. In het kader van de gezinshereniging kan het ook zijn dat de statushouders doorstromen naar een andere woning in het dorp of elders. De burgemeester geeft aan dat in Amsterdam 500 woningunits zijn gecombineerd met statushouders en andere jongeren. Op de website nul20 staat een overzicht. Deze units staan ook op het Science Park, vroeger De Uithof in Utrecht, in deze opzet. De gemeente heeft de taakstelling wat betreft de statushouders maar wil ook graag de eigen jongeren helpen. De Renswoudse jongeren krijgen zo de gelegenheid om woonduur op te bouwen zodat zij straks makkelijker doorstromen en langer ingeschreven staan voor een huis waardoor zij straks meer punten hebben opgebouwd om in aanmerking te komen voor een volgende woning.
De combinatie van starters op de woningmarkt en statushouders is dus al vaker te vinden maar er is nog niet heel veel ervaring in het land mee opgedaan. De heer Wentzel zegt dat op de financiële vragen een schriftelijk antwoord zal worden gegeven.
Pagina 3 van 34
De heer Van Roekel constateert een woonruimte van slechts 21 m² met een aansluiting voor een wasmachine. Er is wel sprake van een gezamenlijke ruimte als berging en een gezamenlijke ruimte voor het stallen van fietsen. Kan er wellicht ook een gezamenlijke ruimte komen voor wasmachines? Als dit project succesvol is zal het wellicht kunnen worden doorgetrokken naar andere woonvormen, niet specifiek statushouders. Hoe ervaart de gemeente zo’n project? De heer Hoek vraagt wat er speciaal is geweest aan de aanbesteding en of de gemeente nu alle regels wat betreft het aanbestedingsrecht goed heeft gevolgd zodat de accountant daar geen opmerkingen meer over hoeft te maken. Wat gebeurt er als de jongeren zich niet houden aan de afspraken? Is dan het project mislukt of komt er dan een andere jongere in die wel de motivatie waarmaakt? Wat zijn de wegingsfactoren voor een beoordeling of dit project geslaagd is? Als tijdens de rit wordt ervaren dat het project niet is geslaagd, is er dan de mogelijkheid om de stekker eruit trekken en wat anders te gaan doen? De heer Robbertsen vindt het een mooi plan dat er goed uitziet.
Was tijdens de inloopavond iedereen positief over het straatbeeld en over het project als zodanig? De geluidsisolatie aan de binnenkant van de woonunits ziet er goed uit maar zit dat beneden de normale waarden? Kan de interne akoestiek worden vergeleken met een nieuw woonhuis of een wat ouder huis gelet op het feit dat het tijdelijke woonunits zijn? De heer Don is van mening dat gaandeweg het project de temperatuur er in moet worden gestoken van hoe gaat het nou en dat er van tevoren afspraken over evaluatiemomenten moeten worden gemaakt. Het is niet de bedoeling dat mensen een mooie motivatiebrief schrijven en dat als ze erin zitten denken van mijn missie is geslaagd. Daarom is het goed om van tevoren afspraken te maken over hoe dat vorm moet krijgen. Moet er ook niet een minimum termijn worden gesteld voor jongeren om daar te wonen want als starters die daar 5 jaar wonen met 10 verschillende jongeren te maken krijgen is dat ook niet bevorderlijk voor hun integratie in de samenleving? Wethouder Wijs geeft aan dat het spannend was om het plan op deze wijze te presenteren en hoe de reactie van de bewoners zou zijn. Hopelijk wordt het ook een succesvol project. Niet van tevoren kan worden gezegd wat de succesfactoren zijn. Het is in ieder geval goed om een soort bewonersreglement te hebben waar men zich aan moet houden en waarop mensen kunnen worden aangesproken en waarop niet.
Het kan zijn dat wordt gevraagd om in ieder geval daar een jaar te wonen. Hopelijk hoeft niet de stekker uit het project te worden getrokken. Als blijkt dat het succes tanende is zou spreker daar liever een gesprek aangaan als er wat aan de hand is dan er de stekker uit te trekken. Er zijn 3 partijen volgens een aanbesteding benaderd en alle aanbestedingsregels zijn goed uitgevoerd. De heer Wentzel legt uit dat als volledig nieuw wordt gebouwd er sprake is van nieuwbouweisen en voor een tijdelijke situatie kan een vrijstelling worden gegeven voor een lager niveau. De isolatie-eis kan worden vergeleken met een nieuwbouwwoning die rond 2012 is gebouwd. Het aantal vierkante meters per woningunit is aan de kleine kant maar er is niet gedacht aan veel gemeenschappelijke ruimtes omdat aan de bewoners juist veel privacy wordt gegeven. Dat is het tiny house principe. Burgemeester Doornenbal zegt dat het kan zijn dat een jongere in zo’n unit start en na een jaar een relatie krijgt en wil gaan samenwonen. Dan is het toch geslaagd want dan is zo’n persoon toch geholpen in de 1e fase van de wooncarrière. Voor jongeren die heel graag op deze wijze willen starten geeft het een mooie mogelijkheid.
Als wat betreft de statushouders na verloop van tijd gezinshereniging plaatsvindt is er kans dat zij weer doorstromen maar dan hebben ze alvast wat inschrijfduur opgebouwd waardoor er minder sprake is van verdringing dan wanneer ze direct in een huurwoning worden geplaatst. De heer Hoek zegt dat het natuurlijk prima is als de jongeren weer doorstromen want dan kan een andere jongere weer worden geholpen maar er worden eisen gesteld aan de motivatie van de jongeren die daar willen gaan wonen. Goed moet worden bekeken of daaraan wordt voldaan zoals sociale cohesie en elkaar helpen enzovoort. Dat soort succesfactoren zou je in
Pagina 4 van 34
zo’n project willen zien. Het is zeker een goed plan maar er moet worden gezocht naar objectieve criteria. De heer Don vraagt of goed gehoord is dat er ook acht starters in kunnen komen want statushouders moeten sowieso worden gehuisvest. Worden het straks 4 starters en 4 statushouders of kunnen de verhoudingen anders liggen want dan wordt de fractie minder enthousiast? Een bewonersreglement is een algemeen iets dat voor iedereen geldt maar de starters worden geselecteerd op basis van hun motivatiebrief. Na 3 maanden zou bijvoorbeeld een gesprek kunnen plaatsvinden met een jongere of die in de praktijk brengt wat in de motivatiebrief is voorgespiegeld. Het zou ook een domper zijn voor de statushouders als ze na verloop van tijd zien dat er helemaal geen sprake is van inbreng van de starters. De gemeente moet er voor zorgen dat de verwachtingen van de statushouders niet beschaamd worden. Er dient een inspanning te zijn van de jongere en daarom moet er een soort evaluatie aan worden gekoppeld. De heer Robbertsen zegt dat de gemeente de statushouders moet helpen maar dat geldt ook voor de jongeren. Dit is een project dat samen moet worden gedaan. Het is een pilot en met elkaar moet worden bekeken of het ook lukt.
Wat was de reactie van de inwoners op de inloopavond? De heer Van Roekel vindt het jammer dat zaken als evaluatie en wanneer is het een succes onvoldoende zijn belicht in het raadsvoorstel want daardoor ontstaat juist nu deze discussie. Inderdaad moet het samen met elkaar worden gedaan maar wel met goede randvoorwaarden en daar dient nog over te worden gesproken in het volgende debat om er een goed besluit van te maken. Wethouder Wijs geeft aan dat de bedoeling is 4 starters en 4 statushouders. Zeker in de beginperiode maar misschien wel altijd moeten er evaluatiegesprekken worden georganiseerd. Bekeken moet worden wie dat precies doet. Wellicht dient hiervoor iemand te worden aangetrokken maar het is goed om evaluatiegesprekken te voeren en daar zal aandacht aan besteed worden, bijvoorbeeld aan de hand van de motivatiebrief. Op de inspraakavond is aanvankelijk gesproken over waarom dit plan wordt gedaan. Alle inwoners waren van de Vendelier en daarmee is gesproken over de positionering van het gebouw en of er voldoende toegangsruimte was om via de Vendelier naar de Dorpsstraat te lopen. Verder zijn er nog wat vragen gesteld over het parkeerterrein en over de inrichting. Die vragen zijn schriftelijk gesteld en zijn ook allemaal beantwoord. Tot nu toe is iedereen zeer tevreden over hoe het proces is verlopen maar ook tijdens de bouw zal dit goed worden begeleid.
Burgemeester Doornenbal begrijpt dat er behoefte is aan een opsomming van succesfactoren zodat het meetbaar is wanneer het project een succes is. Wellicht zal voor de volgende raadsvergadering worden gekomen met een overzicht waaraan het college dan denkt en wat ook enigszins meetbaar is waardoor de raad het kan beoordelen. De heer Bosma vult aan dat dat overzicht zal worden geleverd. De woonconsulent van het Woningbedrijf kan prima de evaluatiegesprekken uitvoeren maar dat zal ook in die notitie worden meegenomen. De heer Wentzel meldt dat op de bewonersavond ook vragen zijn gesteld als kan er niet een laag bovenop. Het was vooral een enthousiaste avond. De voorzitter concludeert dat het voorstel bij agendapunt 5 als debatstuk naar de raad gaat. Het voorstel bij agendapunt 6 gaat ook als debatstuk naar de raad. Burgemeester Doornenbal merkt op dat er nog vragen dienen te worden beantwoord ter zake van agendapunt 5 maar bij agendapunt 6 zijn alle schriftelijke vragen beantwoord en zijn daar in deze vergadering geen vragen aan toegevoegd en de vraag is dan of het wel nodig is om dat als debatstuk naar de raad te laten gaan. De heer Don stelt voor om van de agendapunten 5 en 6 één stuk te maken want het heeft weinig zin om het ene voorstel te aanvaarden en het andere niet.
Pagina 5 van 34
Conclusie: De voorzitter concludeert dat agendapunt 5 als debatstuk naar de raad gaat en dat agendapunt 6 als hamerstuk naar de raad gaat. 7. Voorstel inzake ontwerpbestemmingsplan Munnikenweg 155 De heer Verkerk is heel blij dat de heer Van Egdom met het waterschap de visladder heeft gerealiseerd. Het is een mooi plan maar zijn er nog zienswijzen vanuit de omgeving ingediend? Positief is dat dit samen met het waterschap is gebeurd. De heer Mandersloot staat positief tegenover het voorstel maar op 6 juli 2016 heeft het voormalige college aan de heer Van Egdom een brief gezonden met daarin de toezegging dat het perceel in het eerstvolgende bestemmingsplan een bedrijfsbestemming zal krijgen omdat het bedrijf hier al geruime tijd aanwezig bleek te zijn maar moet dit niet door de raad gebeuren en zijn er bij andere projecten in de gemeente meer van dit soort toezeggingen gedaan? De heer Van Ginkel wil graag met de betreffende ondernemer meedenken omdat die deze nieuwbouw nodig heeft om zijn bedrijf voort te zetten. Dorpsbelang Renswoude is in principe niet voor niet-agrarische bedrijven in het buitengebied maar dit bedrijf ligt tegen het industrieterrein van Veenendaal aan en daarom past het hier. Door nieuwbouw en de beplanting verbetert de beeldkwaliteit. De ene woning op het terrein wordt gebruikt voor huisvesting van arbeidsmigranten.
Is dat dan nog wel een bedrijfswoning? De heer Verdam is ook van mening dat het een mooi plan is maar gelet op de brief van 6 juli 2016, zijn er meer van dit soort gevallen waar toezeggingen zijn gedaan die in de toekomst nog voorbij kunnen komen? De heer Heijboer wil ook de verdere groei van het bedrijf niet in de weg staan en stemt in met het raadsvoorstel. Burgemeester Doornenbal zegt dat de groei van dit bedrijf niemand in de weg zit en er zijn mooie mogelijkheden als de vistrap die met het waterschap is opgepakt. De initiatiefnemer heeft de omgeving geïnformeerd. Als de raad instemt met het ontwerpbestemmingsplan wordt het ter inzage gelegd en dat is de gelegenheid voor het indienen van zienswijzen. Op 6 juli 2016 is een principebesluit genomen zoals het toen ging. Als het college nu een principebesluit neemt wordt daar een uiterste houdbaarheidsdatum aan gebonden zodat de volgende colleges daarmee niet worden geconfronteerd. De gemeente wil graag een betrouwbaar bestuur zijn en het voorgaande college heeft gemeend dit besluit te moeten nemen. In de afgelopen periode zijn dit soort toezeggingen niet meer gedaan want de wethouders zijn daar zeer scherp op. Als het college in principe ja zegt op een verzoek wordt er wel bij verteld dat het binnen 1 of 1,5 jaar moet zijn gerealiseerd gelet op de context van het verzoek. Voor nu is niet bekend wat er nog vanuit de kast komt.
Daar wordt niet veel van verwacht maar je weet nooit. Het bestemmingsplan is zo opgesteld dat de 2e bedrijfswoning voor huisvesting van de arbeidsmigranten gebruikt mag worden. Mevrouw Sipman legt uit dat er een koppeling is gelegd naar de 1e bedrijfswoning in die zin dat een derde niet zomaar die huisvesting mag exploiteren. De heer Verkerk vraagt of er nu al mensen zijn in de omgeving die niet met het plan kunnen instemmen gelet op het feit dat de initiatiefnemer omwonenden heeft geïnformeerd. De heer Van Egdom zegt dat hij tot nu toe alleen maar positieve reacties heeft ontvangen. De heer Mandersloot vraagt of nog te achterhalen is of er nog meer toezeggingen uit de kast komen. Wellicht kan er een register worden aangehouden over toezeggingen en welke termijn daaraan is verbonden. De heer Wentzel geeft aan dat vanaf wat er nu gaat lopen dit goed wordt bijgehouden. Vanuit de stukken en de mails van zijn voorganger kan worden geconcludeerd dat er geen verrassingen zijn te verwachten. Principebesluiten worden nu goed bijgehouden en daar
Pagina 6 van 34
worden termijnen aan gesteld. Als zo’n termijn verloopt krijgt de aanvrager een brief dat het dossier wordt gesloten. Burgemeester Doornenbal vult aan dat er soms plannen zijn waar van tevoren van bekend is dat daar jaren overheen gaan maar het kan dus niet zo zijn dat iemand een hele tijd niets doet en na een hele tijd zich ineens beroept op een principebesluit. Dan is het college minder meegaand om daaraan mee te werken. De heer Verkerk vraagt of het nu zo zou kunnen zijn dat in elke bedrijfswoning ook arbeidsmigranten mogen worden gehuisvest. Burgemeester Doornenbal wijst erop dat hier sprake is van een situatie dat het ligt aan de bebouwde kom en bij de kern van Veenendaal. Er zijn geen bedrijven omheen die er last van hebben als deze bestemming wordt vastgelegd. In een andere bekende situatie zit er tegelijk een agrarisch bedrijf naast en als er dan een logiesfunctie aan wordt gekoppeld worden direct de omliggende bedrijven beperkt in hun mogelijkheden. Conclusie: De voorzitter concludeert dat het ontwerpbestemmingsplan ter visie wordt gelegd. 8. Voorstel inzake verzoek wijzigen bestemming Biesbosserweg 19 De heer Verkerk merkt op dat de fractie zakelijk tegen de stukken heeft aangekeken en dat het CDA niet tegen de ombouw tot zorgboerderij van een bed & breakfast of camping is.
Is de gemeente echter wel verstandig bezig om de agrarische bestemming er af te halen en er een maatschappelijke bestemming aan te geven? Voorkomen moet worden dat door één probleem op te lossen er meer problemen bijkomen. Waarom zit het commissievoorstel van 23 maart niet bij de stukken? Hierin staat namelijk dat het om een zorgboerderij gaat en de definitie daarvan is dat is een boerderij waar zorg aangeboden wordt en dat dit agrarisch is gekoppeld. Echter, in de geschetste situatie is helemaal geen sprake van een zorgboerderij want er staat in het voorstel dat de situatie niet meer zo is. De vraag is of het nog wel een zorgboerderij is als er geen agrarische bestemming meer op rust. De gronden die in gebruik zijn bij het bedrijf blijven ongewijzigd volgens het voorstel maar klopt dit wel? Ook staat er dat het om een legale bestaande situatie gaat maar de vraag is of het wel een illegale situatie was want waarom moeten er dan nog dingen vergund worden? De mini-camping is eigenlijk ook gekoppeld aan het agrarische bedrijf. Agrarische bedrijven mogen absoluut niet belemmerd worden door deze ontwikkeling maar omdat de bestemming niet meer agrarisch is wordt er naar de geurbelasting gekeken en niet naar de afstand. Als de agrarische bestemming erop wordt gehouden kan de afstand van 50 m worden aangehouden en dan zijn er geen problemen voor de omgeving.
Biesbosserweg 18 ligt tegenover Biesbosserweg 19. Als dat bedrijf ooit verkocht zou worden aan een agrariër heeft die een geurbelasting van maximaal 17 ou/m3 en zit die gelijk in de knel. Datzelfde geldt voor Biesbosserweg 17. Daar zit nu nog een agrarische bestemming op voor rundvee maar als die de boerderij verkoopt zit die tegelijk aan die geurbelasting vast en dat kan niet de bedoeling zijn. Bij Biesbosserweg 20 is de geurbelasting momenteel 14,7 ou/m3. Als dat bedrijf door maatregelen in de toekomst gaat uitbreiden zou die uitbreiding naar achter plaatsvinden. De kans is groot dat dit bedrijf 25% moet uitbreiden om meer ruimte te creëren voor de varkens. Dan zit dat bedrijf heel snel over 17 ou/m3 heen en dan zit dat bedrijf ook op slot. Daarnaast is het zo dat de geurbelasting zoals omschreven niet hoger is voor Biesbosserweg 21 maar juist voor Biesbosserweg 19. In bijlage 3 wordt op pagina 11, tabel 2, de tabel nog even meegenomen als de huidige geurbelasting daarbij wordt opgeteld. Die is op dit moment van Biesbosserweg 16 4,4 ou/m3 en op Biesbosserweg 20 14,7 ou/m3. Dan wordt gezamenlijk uitgekomen op een geurbelasting van 19,1 ou/m3. Voorts zegt het rapport in de tabel dat het woon- en verblijfsklimaat in de voorgrondbelasting slecht tot zeer slecht is. Klopt dit?
Pagina 7 van 34
Op pagina 20 van het rapport staat een plattegrondtekening van Biesbosserweg 19. Deze tekening is gemaakt door een architect en daar staat in geschreven een stal voor kalveren/ezels. Klopt het dat er kalveren en ezels worden gehouden en om hoeveel gaat het dan? Wat is de reden voor de aanvrager om het niet-agrarisch te houden? Er zijn al lange tijd geen agrarische activiteiten maar op Biesbosserweg 17 zijn er ook weinig agrarische activiteiten. Wat zijn de gevolgen voor deze ondernemer als het wel agrarisch blijft? Het CDA wil niet de indruk wekken tegen dit plan te zijn. De mensen doen prachtig werk maar het mag niet zo zijn dat er één probleem wordt opgelost en dat er daar 4 problemen voor in de plaats komen. De voorzitter meldt dat ook aanwezig zijn de familie Van Ginkel en de heer Van Ekris en die hadden eigenlijk beiden de mogelijkheid om in te spreken voordat met het onderwerp was begonnen. Mevrouw Van Ginkel zegt dat ze zal antwoorden als er gerichte vragen zijn. De voorzitter constateert dat de heer Van Ekris niet aanwezig is en dat dus verder kan worden gegaan met de bespreking van het agendapunt. De heer Stutvoet merkt op dat er nu een bestemmingsplanwijziging voorligt om een einde te maken aan de overtredingen en om het geheel te realiseren. De zienswijzen zijn geanonimiseerd maar in het raadsvoorstel wordt een van de indieners met naam genoemd.
Dat mag niet volgens de AVG. Er zijn 2 zienswijzen ingediend dat men het geen probleem vindt dat de camping wordt uitgebreid van 25 naar 30 standplaatsen. In het bestemmingsplan staat 40 standplaatsen. Als door de oogharen wordt gekeken wordt de illegale situatie iets minder erg, namelijk van 25 na 30 en dan worden er 10 niet vergund. Uit gesprekken die de fractie heeft gevoerd blijkt dat de omgeving de omvorming van B&B naar zorgboerderij geen probleem vindt. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt geschreven dat de landbouw de hoofdgebruiker en beheerder van dit gebied moet zijn en blijven. Het gaat hier echter om een flinke bestemmingswijziging die een flinke impact kan hebben op de toekomst van dit gebied. Het grootste bezwaar van omwonenden is de verandering van de bestemming agrarisch naar maatschappelijke zorg. In de buurt zitten veel agrarische ondernemers met veelal intensieve veehouderij. De kans is dus zeer aanwezig dat er ooit nieuwe vestiging of uitbreiding komt. Men verwacht dat de bestemming maatschappelijke zorg in de toekomst belemmering kan opleveren. De fractie vraagt zich ook af wat in de toekomst mogelijk is als het totale perceel de bestemming maatschappelijke zorg krijgt. De bestemming maatschappelijke zorg is zeer uitgebreid. Er kan dan worden gedacht aan kleinschalige ziekenhuizen, verpleeghuizen of een instelling voor mensen met een beperking.
Als de bestemming wordt omgevormd tot maatschappelijke zorg, wat gebeurt er dan als het perceel wordt verkocht? Welke rechten hebben dan de nieuwe eigenaren? Wat is de norm voor het behouden van een agrarische bestemming zodat de aanpassingen doorgevoerd kunnen worden en tegemoet wordt gekomen aan de wensen van de omgeving? Kan de familie Van Ginkel duidelijk maken wat het gaat worden? Blijft het hierbij of zijn er over een aantal jaren nog toekomstplannen want met de bestemming maatschappelijke zorg is het perceel veel meer waard dan met een agrarische bestemming? Bij verkoop kan een initiatiefnemer een faciliteit neerzetten die niet kan worden geweigerd. Dat is de vrees van omwonenden en die wordt door Dorpsbelang Renswoude gedeeld. Kan de familie Van Ginkel duidelijk maken of een zorginstelling van de voorgestelde omvang voldoende is om het zorgbedrijf economisch rendabel te maken of zijn er in de toekomst uitbreidingen te verwachten om het zorgbedrijf alsnog winstgevend te maken? De fractie deelt de vrees van omwonenden dat zij in de toekomst beperkt worden in hun uitbreiding. Geurhinder is afhankelijk van het aantal dieren. Tegenwoordig is het logisch dat er wordt geïnvesteerd in grote stallen met meer dieren en dus een grotere stankcirkel.
De wijziging naar maatschappelijke zorg kan doorgaan maar om de zekerheid voor de agrarische sector in de omgeving te waarborgen dient het bestemmingsplan te worden
Pagina 8 van 34
aangepast met dien verstande dat er een aanduiding komt voor alle gebouwen waar nu is beoogd om dagopvang te bieden of om te vormen B&B-eenheden naar permanente huisvesting van mensen die 24 uur zorg behoeven. Ook de overige gebouwen dienen een aanduiding te krijgen waarvoor ze gebruikt worden. Bij een wijziging van het gebruik zal een nieuwe aanvraag volgen en de dan zittende bestuurders nemen daar een besluit over. De heer Mandersloot deelt de visie van de 2 vorige sprekers c.q. de zorg van de omwonenden. Op dit moment is er een tijdelijke woning op het perceel die vergund is voor 5 jaar. Begrepen is dat begin volgend jaar die termijn vervalt waardoor de vergunning komt te vervallen. In het toekomstplan van de familie Van Ginkel staat dat zij deze woning willen ombouwen tot 2 kamers voor de zorginstelling. Kan dit zomaar of is het meer de bedoeling dat op het moment dat de woonfunctie van deze woning vervalt de woning dient te worden afgebroken of niet meer bewoonbaar zou moeten zijn? De heer Verdam deelt de zorg van de agrariërs in de omgeving over hun ontwikkelingsmogelijkheden maar de beantwoording door de gemeente is redelijk grondig geweest om de bezwaren ongegrond te verklaren. Verwacht wordt dat het bij 7 bewoners blijft die zorg moeten hebben.
Is het niet zo dat een voormalig agrarisch bedrijf altijd een categorie 4 object is in het buitengebied en dat die dan geen bezwaar kan maken tegen de uitbreiding van een andere agrariër die een vergunning aanvraagt omdat het een voormalig agrarisch bedrijf is? De heer Don zegt dat dit gebied van oudsher agrarisch is. Biesbosserweg 19 wist natuurlijk ook dat het een agrarische omgeving was en dat daar tot op zekere hoogte rekening mee gehouden zou moeten worden. Sinds 2018 vindt de gemeente dat het geen landbouwontwikkelingsgebied meer is. De agrariërs gaan er vanuit dat ze daar naar hartenlust landbouw en veeteelt mogen bedrijven en nu lijkt het dat hun mogelijkheden wat ingeperkt worden. Ruimte voor andere activiteiten is op zich bespreekbaar maar dan moet wel worden gegarandeerd dat de ruimte voor agrariërs daardoor niet belemmerd wordt. Er is ook bezwaar gemaakt op de uitbreiding van het aantal dieren en is dat hetzelfde als iets gezegd is over geurbelemmering ook de vraag over het aantal dieren is beantwoord of moet daar apart naar worden gekeken? Zijn eventuele vergrotingen van het bouwblok ook meegenomen? Het meest ideale zou zijn als de bestemming agrarisch wordt gehouden en de situatie voor zover die vergund is op de Biesbosserweg 19 te gedogen.
In de ontwikkeling van de Biesbosserweg 19 zitten veel goede dingen maar het risico is dat straks de agrariërs in de omgeving toch belemmerd worden in hun bedrijfsvoering als daar wat zou gebeuren. Als het omgevingsplan wordt vastgesteld gaan bestemmingsplannen op den duur op de schop. Is het mogelijk om daar op te wachten en zijn er dan misschien meer instrumenten om daar een mooie regeling voor te treffen? Heeft de gemeente een toekomstvisie op dit soort situaties, bijvoorbeeld in relatie tot vrijkomende agrarische bebouwing? De richting die dan wordt gekozen mag niet strijdig zijn met wat in dit geval wordt gevonden. Mevrouw Van Ginkel merkt op dat in de schuren geen kalveren zijn maar wel ezels, schapen en vaarsen. Helaas moet je tegenwoordig 5000 varkens en 100 koeien hebben want anders tel je niet meer mee. Er kan niet in de toekomst worden gekeken maar wat nu is aangevraagd heeft niets te maken met vergroting. Er wordt geen gebouw veranderd en er wordt niets bijgebouwd. Het bouwblok wordt niet vergroot. Alles wat er gebeurt is in bestaande gebouwen. Momenteel is er sprake van een goed economisch bedrijf waarvan 2 gezinnen leven. Op den duur zal de familie Van Ginkel uit de tijdelijke woning gaan. Die woning behoort aan de B&B en die wordt dus niet afgebroken. Het is zelfs bijna een monumentale boerderij.
Burgemeester Doornenbal snapt heel goed waar de zorg zit bij de omliggende bedrijven. In 2005 is er een reconstructieplan vastgesteld en toen had de gemeente nog te maken met landbouwontwikkelingsgebieden en verwevingsgebieden. Juist dit gedeelte is destijds als LOG aangemerkt. In die 15 jaar is een ontwikkeling gaande dat steeds meer agrarische gebouwen leeg komen te staan en als je wilt blijven bestaan moet je waarschijnlijk groeien
Pagina 9 van 34
en het gaat ten koste van een aantal boeren die geen opvolging meer hebben. De komende 510 jaar gaat ook weer heel veel gebeuren op agrarisch gebied. Spreker treedt in haar periode als burgemeester al 5 jaar handhavend op tegen de familie Van Ginkel omdat de feitelijke situatie een andere is dan vergund. Dan moet een handhaver altijd kijken wat kan worden gedaan om een en ander te legaliseren. De familie Van Ginkel heeft inmiddels een mooie opvolger en mooie plannen omtrent zorg. Er worden mooie dingen gedaan maar in de omgeving zit een kippenhouderij, een grote varkenshouderij, een aantal bedrijven met best veel potentie. Daarom is ook aan de omgevingsdienst gevraagd om in kaart te brengen wat concreet het effect is als de bedrijven die daar zitten zouden willen uitbreiden en welke belemmering deze ontwikkeling gaat opleveren. De suggestie van de heer Don zou misschien ook een optie kunnen zijn en spreker is nieuwsgierig naar de technische beantwoording daarvan. De heer Wentzel legt uit dat gedogen een negatieve precedentwerking heeft. Dat kan dus alleen in het uiterste geval worden gedaan. Een omgevingsplan is een andere manier van denken maar dan is het nog steeds zo dat de bestemming goed moet worden geregeld en daarom is het vooruitschuiven van de zaak tot het omgevingsplan geen goede actie.
Mevrouw Van der Ven legt uit dat de huidige geurgevoelige objecten op het perceel horen bij een veehouderij en die blijven dezelfde bescherming houden want die worden straks aangemerkt als een voormalig object bij een veehouderij. Als er nieuwe geurgevoelige objecten op het perceel worden opgericht gaat daarvoor de geurbelasting gelden. De dagbesteding is voorlopig aangemerkt als geurgevoelig object maar in principe is het alleen zo als langdurig dezelfde mensen daar zouden zijn. Dat is dus niet 100% zeker maar voor de zekerheid is daarvan uitgegaan. Op die dagbesteding is de geurbelasting berekend en dan blijkt dat het bedrijf op Biesbosserweg 18, dat is een grondgebonden veehouderij met een geurbelasting van 4,4 ou/m3. De norm is 17 ou/m3 en derhalve is het dus niet echt een beperking voor die veehouderij. De intensieve veehouderij op Biesbosserweg 20 heeft nu een geurbelasting van 14,7. Daarvoor geldt de norm van 17 maar dat geldt voor alle geurgevoelige objecten in de omgeving van die veehouderij. Voor die veehouderij is de woning op Biesbosserweg 21 bepalend en niet de dagbesteding. Dat betekent dat als die wil uitbreiden Biesbosserweg 21 bepalend is en niet de dagbesteding en dan maakt het dus niet uit of de dagbesteding er wel of niet zou zijn. Geurbelasting kun je niet zomaar optellen en toetsen aan dezelfde norm.
Er is namelijk een voorgrondbelasting en dat is de geurbelasting van een individuele veehouderij. Er is ook een achtergrondbelasting en dan worden alle geuren opgeteld van meerdere veehouderijen maar dat is een andere rekenmethode en het is ook een andere beoordeling. Een voorgrondbelasting van 17 komt overeen met een achtergrondbelasting van ongeveer 25. Anders gezegd, een voorgrondbelasting geeft meer geurhinder dan een achtergrondbelasting van dezelfde hoogte. De achtergrondbelasting is ook berekend maar die is niet hoger dan die 17 en die 17 geldt als norm. Dat heeft de gemeente ooit bepaald en vastgelegd in een geurverordening en de gemeente heeft dus gezegd van dat is een aanvaardbare norm. Er is berekend dat de achtergrondbelasting dus binnen die aanvaardbaarheid valt. De heer Jansen zegt dat de agrarische wereld aan het veranderen is en dat de gemeente daarom kijkt bij vrijkomende agrarische bebouwing waar mogelijkheden zijn om bijvoorbeeld ook andere functies mogelijk te maken. Hier gaat het om een andere functie die toevallig ligt in het landbouwontwikkelingsgebied maar in de omgevingsvisie, die in 2018 is vastgesteld, is wel aangegeven dat we eigenlijk vinden dat we het hele buitengebied van Renswoude weer tegen het licht moeten houden om te kijken wat daar mogelijk is.
Als iets niet kan moet uit rapporten blijken, bijvoorbeeld een geuronderzoek, dat het dan ook echt niet mogelijk is. Ook is gevraagd waarom niet een aanduiding kan worden opgenomen van maatschappelijk in plaats van agrarische bestemming. Er is een agrarische activiteit maar dat is niet meer dan hobbymatig. Vroeger was dit misschien een volwaardig bedrijf waarmee je een boterham kon verdienen. Dat is niet meer zo en het aantal dieren dat nu gehouden wordt, wordt als hobbymatig aangemerkt en dat mag binnen een andere bestemming maar de bedoeling is
Pagina 10 van 34
ook dat het huidige gebruik wordt vastgelegd in een ruimtelijk plan. Gedogen zou je ook niet moeten willen want dan gaat het om een tijdelijke situatie terwijl niet bekend is hoe lang die tijdelijkheid duurt. Dan kan inderdaad precedentwerking ontstaan. Als de agrarische bestemming zou worden gehandhaafd loopt de gemeente daar vanzelf tegenaan bij de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied omdat op deze locatie eigenlijk geen agrarische bestemming gehouden kan worden of de gemeente moet dan handhaven op de activiteiten die daar dan illegaal plaatsvinden. Beter is om te zoeken naar wat wel mogelijk is en het college denkt dat dit een goede oplossing is zonder dat omliggende agrariërs in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. De heer Mandersloot merkt op dat wordt aangegeven dat zoals de situatie nu is er voor Biesbosserweg 20 geen belemmeringen zijn om uit te breiden. Bij nummer 20 wordt aangegeven dat het woonhuis bij nummer 17 het uitgangspunt is voor de geurnorm en niet de dagbesteding maar wat gebeurt er als deze agrariër zijn bouwblok wil vergroten en een stal aan de achterkant erbij zet waardoor zijn emissiepunt verandert en niet meer nummer 17 het uitgangspunt is maar de dagbesteding? Hij heeft dan geen mogelijkheden meer om uit te breiden omdat de dagbesteding dan de leidende factor is en die te dicht bij zijn bedrijf zit.
Mevrouw Van der Ven wijst erop dat het gaat om Biesbosserweg 21 en niet om nummer 17. De heer Verkerk vraagt waarom het commissievoorstel van 23 maart niet bij de stukken zit want daar wordt gesproken over een legale situatie en de vraag is of dat klopt. Is het juist dat de gronden die in gebruik zijn door het bedrijf ongewijzigd blijven? Het gaat om de uitbreiding van Biesbosserweg 20, een grote veehouder. Als die 25% naar achteren gaat uitbreiden geldt de emissieberekening bij de achterkant van de stal bij de geurwasser. De geurwasser is dan dichter bij nummer 19 dan bij nummer 21. Het gaat de fractie erom dat die belemmering er niet is en dat het bedrijf aan de overkant, dat ook agrarisch is, niet gekort wordt. De vraag bij de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting was of het CDA het daar bij het juiste eind had. Wat is de reden voor de aanvrager om het niet-agrarisch te houden? 5 beesten is hobbymatig maar 6 beesten van dezelfde soort is niet meer hobbymatig en dan is een nummer nodig voor het vee. Wellicht is dat een oplossing om het toch nog een klein stukje agrarisch te houden. Wat zijn de gevolgen als het wel agrarisch blijft? De fractie zoekt naar een juiste oplossing voor de familie Van Ginkel en voor de agrariërs eromheen. De heer Don merkt op dat er verschillende soorten van illegaal zijn. Een soort van illegaal is dat er iets staat dat niet vergund is.
Een andere vorm van illegaal is wellicht dat er iets staat dat wel vergund is maar dat het niet meer overeenkomstig de bestemming is. De 1 e vorm zou niet mogen worden gedoogd maar de 2e vorm is wat twijfelachtiger hoe daarmee zou moeten worden omgegaan. Burgemeester Doornenbal zegt wat betreft het gedogen dat wanneer de gemeente handhaaft altijd moet worden bekeken wat mogelijk is om het te legaliseren. Het eerdere commissievoorstel is inderdaad niet bijgevoegd. Als er stukken zijn waar nog namen in staan is dat inderdaad niet goed gegaan en daarvoor biedt spreker haar excuses aan. De heer Stutvoet spreekt zijn waardering uit voor het werk dat de familie Van Ginkel nu uitvoert want dat is in deze maatschappij steeds meer nodig. De agrariërs die er omheen wonen mogen in de toekomst echter niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. Als Biesbosserweg 20 wil uitbreiden moet dat ook kunnen. De ODRU heeft een momentopname gedaan maar als er bijvoorbeeld een nieuwe vestiging komt bij nummer 18, wat pal tegenover nummer 19 ligt, is dat niet mogelijk. De vraag is gesteld of dit niet met een aanduiding kan worden gedaan maar die vraag is niet goed beantwoord.
Wat gebeurt er met de vrijgekomen stikstofruimte die door het stoppen van de agrarische boerderij op nummer 19 vrijkomt? De heer Wentzel legt uit wat betreft de vraag over het gedogen dat een gebouw dat illegaal staat of het gebruik anders dan het bestemmingsplan even fout zijn. Een illegaal gebruik kan immers een behoorlijk ernstig effect hebben en dat is geen lichte variant, integendeel. Het
Pagina 11 van 34
commissievoorstel is niet bijgevoegd omdat verwacht werd dat dit zou kunnen worden teruggevonden maar het stuk kan uiteraard nog worden toegestuurd. Mevrouw Van der Ven begrijpt dat met het uitbreiden van Biesbosserweg 20 op de achterzijde richting zuiden wordt gedoeld. Daar is sowieso een vergroting van het bouwvlak voor nodig want dat is nu vol gebouwd. Als de uitbreiding naar het zuiden zou plaatsvinden met het vergroten van het bouwvlak blijft de afstand tot de dagbesteding min of meer hetzelfde. Eventueel kan hier een berekening op worden gedaan maar verwacht wordt dat de afstand ongeveer hetzelfde blijft. Het bedrijf zit al op de norm 14,7 en is daarom al beperkt, in ieder geval vanwege nummer 21. De heer Jansen geeft aan dat het overwegende gebruik de maatschappelijke functie is en dat is dan de hoofdbestemming. Er zijn nu ook niet-agrarische bedrijven in het buitengebied die bijvoorbeeld een aanduiding hebben van caravanstalling. Dat zijn dan nevenfuncties en dat wordt gedaan met een aanduiding op de verbeelding. Het stuk van 23 maart is op 20 april in de commissie geweest en het staat ook online. Niet belemmeren is een heel ruim begrip want de provincie hanteert ook het begrip ‘geen onevenredig nadelige gevolgen’ dat een andere activiteit mag hebben.
Nooit kan worden gegarandeerd dat dat geen gevolgen heeft en dan zou de gemeente overal nee tegen moeten zeggen want alles kan gevolgen hebben maar het gaat om onevenredige gevolgen. Bij veel agrarische bedrijven zit nog veel milieuruimte van 4,4 ou/m3 tot 17 ou/m3 en die ruimte kan dus worden opgevuld tot die 17. Ze worden dan toch nog belemmerd en in die nuance moet het worden gezien. De heer Verdam merkt op dat het bouwblok van Biesbosserweg 20 al vrij groot is maar hij wil weten hoeveel het bouwblok nog kan worden vergroot. De heer Jansen geeft aan dat in het bestemmingsplan staat dat een bouwblok in een verwevingsgebied niet groter mag zijn dan 1,5 ha en in een landbouwontwikkelingsgebied 2 ha maar met een bestemmingsplanwijziging kan alles worden geregeld. Natuurlijk is er een standaardbeleid maar dan moeten aanvragers de doelmatige agrarische bedrijfsvoering aantonen wanneer ze een groter bouwblok willen hebben. Bij grondgebonden bedrijven is een uitloop nodig, net zoals bij biologische bedrijven, maar bij intensieve bedrijven kan het best zijn dat een keer van zo’n maat moet worden afgeweken om zo’n bedrijf levensvatbaar te houden. Als daarvoor argumenten zijn kan prima van het bestemmingsplan worden afgeweken.
Misschien is er een mogelijkheid voor Biesbosserweg 20 om naar 2,5 ha te gaan maar dan moet dat op zijn merites worden beoordeeld en dient aan de provincie te worden gevraagd of dat toelaatbaar is maar in landbouwontwikkelingsgebieden is 2 ha het uitgangspunt. De heer Verkerk stelt voor dat aan de ODRU wordt gevraagd welke mogelijkheden er zijn voor Biesbosserweg 20 voor als die wil uitbreiden. Als het niet kan bij nummer 20 is het bij wijze spreken makkelijker voor zijn fractie om met nummer 19 mee te gaan. De heer Verdam is van mening dat de zienswijzen goed zijn behandeld en dat niet aan de ODRU moet worden gevraagd om het onderzoek opnieuw te doen. Het voorstel mag niet worden aangehouden. Burgemeester Doornenbal geeft aan dat het college al over allerlei zaken in gesprek is, ook met de varkenshouderij op nummer 20, en dan is het ook goed om te kijken hoe realistisch deze uitbreidingswens is. De heer Wentzel zal dit in het gesprek met betrokkene meenemen. De heer Stutvoet zegt dat de wijziging naar de maatschappelijke bestemming mag doorgaan maar om de zekerheid voor de agrarische sector in het nabije gebied te waarborgen verzoekt de fractie om aanduiding van de gebouwen zodat iedereen weet waar die aan toe is. De fractie is bang dat toch boerderijen in de omgeving niet uit kunnen breiden en dat er bijvoorbeeld vlakbij geen nieuwe vestiging mogelijk is.
De vraag over wat er gebeurt met de vrijkomende stikstofruimte is nog niet beantwoord. Burgemeester Doornenbal legt uit dat wanneer stikstofruimte vrijkomt en het niet meer verhandelbaar is het ook klaar is maar de specifieke situatie in deze is niet bekend en of er nog verhandelbare ruimte is, is aan de familie Van Ginkel zelf.
Pagina 12 van 34
De heer Wentzel is het ook niet bekend welke mogelijkheden nog openstaan ten aanzien van de stikstofruimte. Mevrouw Van Ginkel is van mening dat op de boerderij geen stikstof zit, al zeker de laatste 10 jaar niet meer omdat er geen agrariërs meer zijn. Natuurlijk is niet de insteek dat de ontwikkeling een belemmering is voor andere bedrijven maar de familie wil wat betekenen voor de zwakkeren in de samenleving. Haar familie staat een beetje bekend als de pioniers in het veld. Er is van alles gedaan wat illegaal was en nu wordt door de SGP voorgesteld om illegale praktijken te gaan doen. Dat wil de familie niet en daarom wordt met deze plannen gekomen. Hopelijk kan de gemeente maatwerk leveren. Helaas komen er steeds minder agrariërs en dan mag het platteland niet worden verpauperd door daar andere mooie maatschappelijke dingen te doen en te genieten van de natuur. De voorzitter wijst erop dat het niet de bedoeling is van de heer Don dat iedereen illegale dingen gaat doen. Burgemeester Doornenbal geeft aan dat het een ingewikkelde situatie is maar de familie Van Ginkel heeft de beste bedoelingen en dat geldt ook voor de buren. Andere agrariërs willen vanuit het persoonlijk vlak niet tegen deze ontwikkeling ingaan maar vanuit zakelijk oogpunt is het heel logisch dat ze goed bekijken wat dit voor hen betekent. De hele buurt probeert ondanks alles toch de relatie goed te houden.
Conclusie: De voorzitter concludeert dat het voorstel als debatstuk naar de raad gaat. 9. Voorstel Nota grondbeleid Wethouder Teunissen geeft aan dat met de nota een duidelijk beeld is geschetst van de mogelijkheden die de gemeente heeft op het ruimtelijk vlak en de instrumenten die er zijn om invulling te geven aan het grondbeleid. De heer Hoek zegt dat het altijd een risicoafweging is wanneer welk instrumentarium van het grondbeleid ingezet moet worden. Het college wil gaan voor situationeel grondbeleid en actief als dit een meerwaarde heeft. Wat is dan de definitie van meerwaarde of wanneer gaat het college wel actief grondbeleid doen of is het de bedoeling om zoveel mogelijk actief grondbeleid te doen tenzij het geen meerwaarde heeft? Op basis van welke criteria wordt dat bepaald? De heer Don vond het fijn dat er een onderdeel in de nota was voor de snelle lezer. Wat verandert deze nota in het beleid en in hoeverre is het het vastleggen van dingen die de gemeente al doet? Er wordt gesproken over duurzaamheidsdoelstellingen en daar is meer aandacht voor dan in het verleden maar er staan ook heel veel dingen in die de gemeente in het verleden ook al deed. Op pagina 36 staat dat het college voorbescherming kan vestigen. Wat wordt hiermee bedoeld? De heer Verkerk vindt het mooi dat er nu duidelijkheid is over het grondbeleid.
In het raadsvoorstel staat dat de Nota grondbeleid hoopt mede invloed te geven aan de gemeentelijke doelstellingen die zijn vastgelegd in het Coalitieakkoord 2. De vraag is echter of dit wel uit het coalitieakkoord komt. De heer Verdam vraagt hoe wordt bepaald wanneer een stap wordt gezet voor de aankoop van grond. Wat is daarvoor het juiste moment? Er wordt in het raadsvoorstel gesteld dat het uit het coalitieakkoord komt maar wat is het coalitieprogramma nog? De heer Dirven vraagt of het college van plan is om het actieve grondbeleid te blijven voeren op de gronden binnen de beken. Begrepen is dat tot op heden de gemeente geen schipbreuk heeft geleden bij aankoop van gronden hoewel het altijd risicovol is maar hoe dikwijls vindt nou eigenlijk actief grondbeleid plaats? Hoe dikwijls heeft dit de voorkeur boven het faciliterende, stimulerende en passieve beleid? Verloopt dit altijd via het Woningbedrijf? Is er in de toekomst bij grondposities binnen de beken ook sprake van het uitoefenen van het voorkeursrecht? In het stuk wordt nadrukkelijk uitgifteplanologie genoemd. Is het college van
Pagina 13 van 34
plan om dat meer toe te passen of wordt vastgehouden aan het actieve grondbeleid? Dit zou een ommezwaai van beleid zijn. De nieuwe Omgevingswet gaat vele wetten bundelen op het gebied van natuur, milieu, water enzovoort en het lijkt een goed principe om een betere balans te krijgen na beoordeling van complexiteit van al deze factoren maar het wordt ook ingewikkelder. Tot zover lijkt er in dit beleidsstuk wat betreft de Omgevingswet alleen nog maar sprake van beschrijving van beleid. Hoe gaat de uitvoering van de integratie van de diverse beleidsgebieden eruitzien? Er wordt op pagina 26 gesproken over organische gebiedsontwikkeling. Sorteert dit beleidsstuk voor op de legitimering van snelle uitvoering van onteigening? Dan kan worden gedacht aan agrarische bedrijven, stikstof, handhaving. Gaat de gemeente Renswoude meer aan organische gebiedsontwikkeling doen waardoor ook meer risico wordt gelopen? Is het college van mening dat Renswoude als kleine gemeente dat risico bij organische gebiedsontwikkeling wil lopen? Wethouder Teunissen zegt dat het voorstel is om situationeel grondbeleid te voeren waarbij actief grondbeleid wordt toegepast wanneer dat een meerwaarde heeft.
Of actief grondbeleid wordt toegepast is afhankelijk van de gemeentelijke doelstellingen, de financiële armslag van de gemeente op dat moment, de eigendomspositie en de vraag of de eigenaar zelf initiatief onderneemt. De gemeente zou bijvoorbeeld het liefst het hele gebied van Beekweide II in eigendom hebben maar als er eigenaren zijn die zeggen dat ze zelf willen en kunnen ontwikkelen moet hen daar de gelegenheid voor worden geboden. De laatste zaken waar sprake was van actief grondbeleid zijn het Dorpshart, Beekweide I en Groot Overeem II. In Beekweide II is sprake van een mengvorm waarbij de gemeente sinds de eeuwwisseling een flinke eigendomspositie heeft maar waar de zittende grondeigenaren grotendeels zelf tot realisatie overgaan. Dit verloopt niet via het Woningbedrijf. Dit is een gemeentelijke activiteit en het Woningbedrijf neemt straks de bouwrijpe kavels van het grondbedrijf. Op dit moment is er geen sprake van het uitoefenen van voorkeursrecht en het heeft ook niet de voorkeur om in de openbaarheid over dit soort thema’s te spreken. Immers, als bekend wordt dat er een Wvg gevestigd wordt spoeden mensen met geld en ontwikkelaars zich naar de grondeigenaar om de gemeente voor te zijn. Daarom is de constructie ook dat eerst het college zoiets vaststelt en daarna gaat het naar de raad voor de bestendiging.
In de nota is uitgesproken om niet te volstaan met een verre stip op de horizon en een afwachtende houding maar om een concreter eindbeeld te vormen waarbij de gemeente graag zelf de nodige regie heeft. Daarbij wordt wel gestreefd naar flexibiliteit om te kunnen inspelen op wijzigende omstandigheden en naar het vroegtijdig en doorlopend betrekken van eigenaren en andere belanghebbenden. Dat neemt niet weg dat de gemeente ook faciliterend kan optreden. Denk bijvoorbeeld aan de locatie het Rechthuis of de Koningshof. Het college heeft onlangs beleid vastgesteld om dit soort initiatieven van derden te faciliteren. De Omgevingswet is eigenlijk oude wijn in nieuwe zakken want heel veel wordt overgenomen. Het praktische instrumentarium is opgenomen in de Aanvullingswet grondeigendom. Daarin is ook de Onteigeningswet en het kostenverhaal opgenomen. In grote lijnen blijft het instrumentarium gewoon beschikbaar. Bij vooral het onderdeel kostenverhaal bij organische gebiedsontwikkeling verandert het nodige. Met de zin in het stuk over het verschil tussen integrale en organische gebiedsontwikkeling wordt bedoeld dat bij integrale gebiedsontwikkeling op voorhand wordt gekeken naar alle opbrengsten en kosten in het plangebied en op basis daarvan vindt voor het hele plangebied kostenverhaal plaats.
Bij organische gebiedsontwikkeling vindt het gefaseerd plaats omdat niet op voorhand duidelijk is wat het eindbeeld wordt. Dit heeft geen relatie met een al dan niet snellere uitvoering van onteigening. Op korte termijn voorziet het college geen grootschalige organische gebiedsontwikkeling. In ieder geval zal er een weging moeten zijn van kansen en risico’s waarbij behoedzaamheid altijd een van de belangrijkste uitgangspunten is.
Pagina 14 van 34
In de basis is het college altijd voorstander van actief grondbeleid maar als de gemeente zelf geen eigenaar van grond is of dat kan worden kan dat lastig zijn. De Nota grondbeleid moet worden gezien als een verzameling van zaken die er al liggen en beleidsdocumenten. Dit is een mooi overzicht van waar de gemeente zich aan te houden heeft, welke zaken zijn met elkaar afgesproken en het geeft een mooi inzicht in welke mogelijkheden de gemeente heeft. Duurzaamheid wordt veel meer geïntegreerd dan in het verleden. Zowel voor de raadsleden als de ambtelijke organisatie is het een mooi naslagwerk waar continu op kan worden teruggevallen. Het coalitieakkoord is een van de uitgangspunten voor de Nota grondbeleid omdat daarin doelstellingen zijn opgenomen zoals duurzaamheid enzovoort. Geprobeerd is om dat een plek te geven in het beleid van hoe gaan we om met grondpolitiek in het dorp. Het is lastig om aan te geven wat het juiste moment is voor grondaankoop. Soms krijgt de gemeente de mogelijkheid om een strategische aankoop te doen, soms wordt wat aangeboden en dat wordt dan op zijn merites beoordeeld. Als de gemeente plannen heeft met een gebied is het heel fijn als de gemeente ook grondeigenaar is maar dat behoort niet altijd tot de mogelijkheden.
De heer Morren zegt dat actief grondbeleid niet altijd een meerwaarde heeft en ook niet altijd de gemeentelijke doelstellingen ermee kunnen worden verwezenlijkt. Daarom zijn er duidelijke kaders en afwegingscriteria opgenomen om tot een toetsbare keuze te komen. Die kaders zijn met name opgenomen op pagina 10. Het financiële rendement is in wezen secundair maar het speelt wel een rol. Belangrijk zijn de financiële en ambtelijke armslag, dat de gemeente het kan behappen als organisatie. Bij een bedrijventerrein kan de gemeente ervoor kiezen om het alleen uit te geven aan lokale ondernemers en dat kan niet worden afgedwongen als een projectontwikkelaar de uitgifte doet. Per project moet leidend zijn welke keuzes aan de hand van de opgesomde criteria worden gemaakt. Bij Groot Overeem is ervoor gekozen om de grond te verwerven zodat de gemeente het aan de lokale ondernemers kan uitgeven en een flink duurzaamheidsbeleid kan worden opgelegd. Dus ondanks dat het beleid situationeel is kan toch een consistente lijn worden uitgezet op basis van de criteria en dat is ook toetsbaar. In een nota wordt grotendeels bestaand beleid vastgelegd maar die bestaande lijn was voor een deel persoonsafhankelijk en met deze Nota grondbeleid wordt een persoonsonafhankelijk beleid vastgelegd.
Wat betreft de voorbescherming: het college kan het voorkeursrecht vestigen op grond op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten. Het college kan sneller in klein verband en in vertrouwelijkheid een besluit nemen. Na het voorbereidingsbesluit door het college moet binnen 2 maanden door de raad een besluit worden genomen om het collegebesluit te bestendigen. Dat is de voorbeschermingsperiode waarbinnen de eigenaar van de grond niet meer vrij mag handelen en de grond moet aanbieden aan de gemeente als hij die wil verkopen. Als de raad hierin niet mee gaat vervalt de voorbescherming. De bestuursperiode loopt op zijn eind maar er is nog steeds sprake van een vigerende coalitieakkoord en daarom is dit opgenomen in de nota. Een flink aantal elementen uit het coalitieakkoord zoals betaalbare woningen, inzetten op duurzaamheid, samen bouwen aan een sterk Renswoude; het is niet de verwachting dat dit na de gemeenteraadsverkiezingen er heel anders uit komt te zien. Conclusie: De voorzitter concludeert dat het voorstel als hamerstuk naar de raad gaat. 10. Voorstel tot vaststelling aanpassing verordeningen gemeente Renswoude Wethouder Wijs zegt dat deze grote reeks verordeningen enerzijds wordt voorgelegd omdat een herziening wettelijk is bepaald en omdat in het sociaal beleid en het minimabeleid sterk wordt samengewerkt met Veenendaal en Rhenen.