Toelichting voorontwerp bestemmingsplan Beekweide II
Tekst van het document
Wel is ten behoeve van instandhouding en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden langs de Lunterse Beek de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' opgenomen. Het oogmerk is daarbij dat voor flora en fauna verbindingen kunnen ontstaan tussen natuur- of natuurontwikkelingsgebieden. Conclusie Uit de Wnb komen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan voort.
4.6 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
26
In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. Planspecifiek In het kader van milieuzonering moet er bepaald worden of de nieuwe invulling van de planlocatie realiseerbaar is en dat dit geen belemmeringen oplevert voor de omliggende bedrijven en instellingen. Om dit inzichtelijk te maken is onderzoek uitgevoerd (SPA WNP ingenieurs, 21900158.R02, d.d. 7 mei 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). Navolgend worden de relevante conclusies beschouwd. Op basis van de beoogde stedenbouwkundige opzet voor de beoogde woningbouw in Beekweide II is de relevante milieuzonering in beeld gebracht. Uit het onderzoek blijkt dat de relevante richtafstand voor het naastgelegen sportcomplex 30 meter bedraagt voor het aspect geluid. De woningen binnen het plangebied zijn op voldoende afstand gesitueerd. Uit de resultaten van de uitgevoerde lichthindermeting blijkt eveneens dat het er geen lichthinder te verwachten is binnen het plangebied. Ook voor het bedrijventerrein aan de westzijde van de Barneveldsestraat wordt aan de richtafstanden voldaan. Voor de bedrijfslocaties aan de Barneveldsestraat zijn immers bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 10 m geldt.
Dit is ook van toepassing op het benzineservicestation aan de Barneveldsestraat 29. De beoogde woningen bevinden zich buiten deze richtafstand. Dat geldt ook voor het bedrijfsperceel waar de bestemming ‘Wonen – Uit te werken’ aan toegekend is. Privaatrechtelijk is vastgelegd dat de bedrijfsactiviteiten tijdig worden beëindigd. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling; zowel de beoogde ontwikkeling als de omliggende bedrijven worden niet beperkt door milieuzonering.
4.7 Water Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in bestemmingsplannen een waterparagraaf te worden opgenomen. In de paragraaf wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in de ruimtelijke plannen en besluiten'. 4.7.1 Generiek beleid Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen
27
waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
4.7.2 Specifiek beleid Ten aanzien van de waterhuishouding is het geldende beleid van de verschillende overheden leidend. Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 vastgesteld en heeft in samenwerking met haar waterpartners het Waterhuishoudingsplan opgesteld. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 30 september 2015 het waterbeheerprogramma vastgesteld. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. De waterbeheerder heeft het bovenregionale oppervlaktewaterbeleid vertaald naar regionale richtlijnen, normen en vergunningsvoorschriften. Toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door het realiseren van voldoende extra waterberging. Ten aanzien van het afkoppelen van verhardoppervlak van het riool heeft het waterschap een afkoppelbeslisboom opgesteld. Indien het regenwater van de daken naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd, of in de bodem geïnfiltreerd wordt mag er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen, zoals koper, lood en zink, voor dak- gevelbekleding en goten.
Beleid gemeente Renswoude Op 8 december 2020 heeft de gemeenteraad het "Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2028" vastgesteld. In dit plan heeft de gemeente Renswoude samen met waterschap Vallei en Veluwe het rioleringsbeleid vastgelegd. Aangegeven wordt hoe de gemeente Renswoude werkt aan een toekomstbestendig watersysteem en waterketen. Bij nieuwbouw wordt regenwater en afvalwater gescheiden en waar mogelijk regenwater geïnfiltreerd. Bij voorkeur voeren woningen regenwater oppervlakkig af op openbaar terrein. In lijn met Waterschap Vallei en Veluwe wordt 60 mm statische bergingscapaciteit gevraagd bij nieuw verhard oppervlak. Bij nieuwbouwsituaties wordt in beginsel niet gedraineerd. Als drainage toegepast wordt dient onderbouwd te worden of dit noodzakelijk is om overlast te voorkomen. Het ontwerp van drainagevoorzieningen dient dusdanig vormgegeven te zijn dat nooit onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) wordt gedraineerd maar dat alleen pieken die voor overlast of instabiele infra kunnen zorgen worden afgevangen.
4.7.3 Watertoets Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek
28
brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In onderhavige situatie is sprake van ontwikkeling van een grotendeels onbebouwde locatie in het stedelijk gebied. Daarmee is het plan van invloed op de wateraspecten ter plaatse. Om de ontwikkeling waterneutraal uit te kunnen voeren is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Daarnaast dienen in het kader van de watertoets de verschillende wateraspecten beschouwd te worden. In dit kader is een watertoets uitgevoerd (StadLandWater B.V., SLW201660212, d.d. 12 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 10). Navolgende zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Watercompensatie en -afvoer Het beoogde watersysteem voorziet in de compensatie voor de verhardingstoename ten gevolge van de realisatie wegen, woningen en bijbehorende voorzieningen. Het afstromend verhard oppervlak in Beekweide II is 4,56 ha. De benodigde berging voor het plangebied bij een bui T=100 bedraagt 2.736 m3. In de wadi’s langs de Wadistraat kan bij een peilstijging van 0,30 m 298 m 3 water geborgen worden. De overige berging van 2.438 m3 bij bui T=100 vindt plaats in de wadi langs Water Avenue en het aanwezige oppervlaktewater in het plan. Deze berging is ruimschoots aanwezig.
De laagte in het Waterpark staat in open verbinding met de Lunterse Beek en telt derhalve niet mee als berging. Het toekomstig wegpeil is vastgesteld op 7,3 à 7,4 m +NAP en het vloerpeil van de woningen komt op minimaal 7,5 m +NAP. In Beekweide II wordt geen drainage toegepast. Hiermee wordt aan de ontwateringseisen voldaan. In het plangebied komt een gescheiden rioolstelsel. Het regenwater wordt oppervlakkig afgevoerd naar de wadi’s en watergangen in het plangebied. De wegen langs de watergangen en wadi’s worden op één oor gelegd, zodat het regenwater rechtsreeks kan afstromen. Waar dat niet mogelijk is, worden goten aangelegd. Het vuilwaterstelsel is nader uitgewerkt in het waterhuishoudkundig plan. Watersysteem en onderhoud In Beekweide II is waterberging voorzien in wadi’s, uitbreiding van bestaande watergangen en een nieuwe waterpartij die middels een duiker in verbinding staat met de watergangen. De wadi’s staan in verbinding met de watergangen. De watergangen sluiten aan op de waterstructuur van Beekweide, waardoor één robuust watersysteem ontstaat. De watergangen komen in het beheer van Waterschap Vallei en Veluwe. De wadi’s worden door de gemeente Renswoude beheerd. De profielen van de watergangen voldoen aan de uitgangspunten voor onderhoud met materieel met een reikwijdte van 11,5 m. Enkele fietspaden/voetpaden dienen als onderhoudspad.
De bermen van deze fietspaden/voetpaden worden verstevigd voor onderhoudsmaterieel. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit van het watersysteem in het plangebied voldoet aan de eisen van waterschap Vallei en Veluwe.
4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
•
risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
29
• •
vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.
Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.
Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april
30
2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Woningen worden in het Bevi gezien als kwetsbare objecten. Dit houdt in dat bij de ontwikkeling rekening moet worden gehouden met risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
Navolgend wordt dit voor onderhavige locatie beschouwd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede uit de risicokaart ter plaatse van de locatie.
Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld, bron: Atlas Leefomgeving)
31
Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat er in de directe omgeving geen inrichtingen, buisleidingen en transportroutes aanwezig zijn die van invloed zijn op de externe veiligheid ter hoogte van het plangebied. Risicobron
Beekweide II
Hogedruk aardgasleidingen (Bevb)
N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied
Inrichtingen (Bevi) Transport gevaarlijke stoffen over de weg (Bevt)
N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied Op ongeveer 3,7 km ten zuiden van het plan ligt de A12. Het invloedsgebied ligt niet over het plangebied. N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied
Transport gevaarlijke stoffen over het water (Bevt) Transport gevaarlijke stoffen over het spoor (Bevt)
Op ongeveer 3 km ten zuiden van het plan ligt de Rhijnspoorweg. Het invloedsgebied ligt niet over het plangebied.
Tankstation Aan de Barneveldstraat 29 bevindt zich een tankstation waar conform het geldende bestemmingsplan LPG mag worden verkocht. Hiervoor geldt een invloedsgebied van 150 m. Echter wordt er in de feitelijke situatie geen lpg meer verkocht bij het betreffende tankstation, waardoor er geen sprake meer is van een LPGtankstation zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De vergunning voor de LPG-installatie is immers ingetrokken. Ook het transport van LPG door een LPG-tankwagen is hiermee komen te vervallen, waardoor de Barneveldsestraat niet meer aangemerkt wordt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Ook de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) uit 2007 is in dit kader van belang. De verantwoordelijkheid voor cultuurhistorische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden.
Planspecifiek Op basis van de gemeentelijke beleidskaart archeologie geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting, die in het vigerende bestemmingsplan is vertaald naar een dubbelbestemming archeologie. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 1.000 m² en dieper dan 0,5 m. Omdat het plangebied met een totale omvang van ca. 7,5 ha deze grenzen overschrijdt, is hier archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 19010049, d.d. 10 juni 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Op basis van het gecombineerde en geactualiseerde archeologisch vooronderzoek is vast te stellen dat het plangebied een lage verwachting kent op het aantreffen van archeologische waarden uit alle periodes. Er hoeft dan ook geen dubbelbestemming opgenomen te worden. Het aspect archeologie vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in dit deel van het plangebied onverhoopt toch archeologisch
32
relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 moeten worden gemeld bij de bevoegde overheid (in deze de gemeente Renswoude).
4.10 Niet-gesprongen explosieven PM: onderzoek volgt nog
4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur in en rondom het plangebied. Navolgende tabel geeft een overzicht van de verkeersgeneratie volgens de gegevens van CROW (publicatie 381) uitgaande van een niet stedelijk gebied in schil centrum, zoals ook wordt aangehouden in de Nota Parkeernormen van de gemeente Renswoude.
Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek* Koop, appartement, duur Koop, appartement, midden Koop, appartement, goedkoop Aanleunwoningen Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur) Huur, huis, sociale huur Totaal
Verkeersgeneratie per woning
Aantal woningen
Totale verkeersgeneratie
8,1 7,7 7,4 7,3 5,9 5,4 2,5 4,1
12 14 86 2 11 22 9 8
97,2 107,8 636,4 14,6 64,9 118,8 22,5 32,8
5,4
25 189
135 1.230
*voor de woonwagens is aansluiting gezocht bij de norm voor dit woningtype
De ontwikkeling zorgt, uitgaande van de normen van CROW publicatie-381, voor een totale verkeersgeneratie van 1.230 verkeersbewegingen per etmaal. Omdat dit een forse toename betreft en er in Renswoude verschillende projecten lopen is van belang inzichtelijk te maken of de bestaande wegenstructuur de verkeerstoename kan verwerken, of dat aanpassingen van het wegennet nodig zijn. Hiervoor is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd (Megaborn, GRs1901, d.d. 29 juli 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12). Uit dit onderzoek blijkt dat de wegen in Renswoude over het algemeen voldoende capaciteit hebben om de toenemende verkeersintensiteiten vlot en veilig te verwerken. De realisatie van Beekweide II leidt niet tot capaciteitsproblemen bij de aansluitingen van Beekweide op de
33
Barneveldsestraat aan de westzijde en de Ubbeschoterweg aan de oostzijde. Ook het kruispunt Dorpsstraat – Kastanjelaan heeft tot en met 2030 voldoende capaciteit na aanleg van Beekweide II. Een aandachtspunt in 2030 is de oprijbaarheid van de Ubbeschoterweg naar de Dorpsstraat (N224). Door toenemende wachttijden is de kans aanwezig dat automobilisten een kleiner hiaat in de kruisende verkeersstromen accepteren, met andere woorden: meer risico nemen. De oprijdbaarheid kan met verschillende maatregelen worden verbeterd. Een mogelijke oplossing is het aanbrengen van een brede middengeleider op de N224 dat als tussensteunpunt fungeert. Zo neemt de wachttijd af en kunnen automobilisten vanuit de Ubbeschoterweg gefaseerd en veilig de N224 oprijden. Tot slot sluit de huidige vormgeving van de Barneveldsestraat en de Ubbeschoterweg niet aan bij de functie van de weg, ongeacht de ontwikkeling van Beekweide II. Voor de Ubbeschoterweg leidt dit met de laag blijvende verkeersintensiteiten (in 2030 maximaal 3.100 motorvoertuigen/etmaal) niet tot een vermindering van de verkeersveiligheid. De Barneveldsestraat is met maximaal 7.600 motorvoertuigen per etmaal een belangrijke ontsluitingsweg van Renswoude. Met deze intensiteiten verdient het uit veiligheidsoogpunt de voorkeur om fietsverkeer van het gemotoriseerd verkeer te scheiden.
Gelet op de beperkte ruimte is het noodzakelijk om huidige fietssuggestiestroken uit te breiden tot bredere, rode fietsstroken. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan, maar dat enkele aanpassingen van de verkeerssituatie wel wenselijk zijn met het oog op de verkeersveiligheid.
4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Nota Parkeernormen De gemeente Renswoude heeft haar parkeernormen vastgelegd in de Nota Parkeernormen. Hierin heeft de gemeente beschreven op welke manier de parkeereis voor een ontwikkeling kan worden berekend. Planspecifiek De realisatie van woningen brengt behoefte aan parkeerplaatsen met zich mee.
In deze paragraaf wordt de parkeereis berekend en de parkeersituatie beschreven. De gemeente Renswoude heeft haar eigen parkeerbeleid opgenomen in de Nota Parkeernormen. De parkeernormen (niet stedelijk gebied in schil centrum) behorende bij de diverse woningtypes die onderdeel zijn van het woonprogramma zijn weergegeven op de navolgende afbeelding:
34
Woonprogramma met bijbehorende parkeernormen (bron: BDP)
35
Wanneer de woningtypes vermenigvuldigd worden met de normen en dit bij elkaar op wordt geteld komt de totale parkeereis uit op afgerond 330 parkeerplaatsen. Op de navolgende afbeelding staat de beoogde parkeersituatie weergegeven.
Parkeersituatie (bron: BDP)
Uit de parkeersituatie blijkt dat er met de beoogde ontwikkeling 329 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Daarmee wordt er ten opzichte van de parkeereis één parkeerplaats te weinig gerealiseerd. Echter zullen nooit alle bezoekers en bewoners tegelijkertijd aanwezig zijn, waardoor er gerekend kan worden met aanwezigheidspercentages. Voor een werkdagavond, het maatgevende moment geldt respectievelijk voor bewoners 90% aanwezigheid en voor bezoekers 80% aanwezigheid. Dit komt neer op een noodzakelijk aantal parkeerplaatsen van 291. In het plan zal ruimschoots aan deze parkeereis voldaan worden. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.12 Duurzaamheid Rijksbeleid De wettelijke eisen aan nieuwbouw staan in het Bouwbesluit. Deze eisen zijn per 1 januari 2015 aangescherpt en gelden als volgt: 1. 2. 3. 4.
Minimale isolatiewaarden (Rc) voor dichte uitwendige scheidingsconstructies, per onderdeel van de schil - 4,5 voor gevel, 6 voor het dak en 3,5 voor de vloer; Een gemiddelde U-waarde van 1,65 voor ramen (glas en kozijn) en deuren, maximaal 2,2; Een maximale EPC waarde afhankelijk van het type gebouw. De EPC dient berekent te worden middels de EPG methodiek. Voor woningen is dit 0,4; Een Milieuprestatie Gebouw (MPG). Deze verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m².
36
De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. De energie efficiëntie wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Sinds 1 januari 2015 is de eis voor woningen EPC=0,4 en in 2020 streeft men naar een EPC = 0,0. Bij een EPC van 0 is een gebouw energieneutraal. Verder geldt vanaf 2013 vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m²). Voorts geldt vanaf 1 januari 2021 dat alle nieuwbouw moet voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EFBD). Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013. In deze verordening wordt aangegeven dat een bestemmingsplan in stedelijk gebied informatie bevat over energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. Planspecifiek Voor de woningen geldt dat deze gebouwd dienen te worden conform het Bouwbesluit en de BENG-eisen.
In aanvulling daarop is door de gemeente Renswoude de doelstelling vastgelegd in het door Arcadis opgestelde 'Duurzaamheidskader Beekweide II' (2019) dat de woningen 'Nul op de Meter' (NOM) worden gebouwd. Conform deze doelstelling worden de woningen NOM gebouwd. Daarbij worden zonnepanelen geïnstalleerd. Verder bestaat de ambitie om de bebouwing te vergroenen. Groen kan op daken, ook op hellende vlakken, en geveldelen worden aangebracht. Dit bevordert de biodiversiteit en zorgt voor een prettig binnenklimaat van de woningen. Ter bevordering van de biodiversiteit worden nog enkele maatregelen getroffen. Hierbij kan gedacht worden aan dakpannen voor vogels en vleermuizen, en gevelstenen waarin nestmogelijkheden zijn of geschikte plekken voor insecten.
37
hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen, afgezien van de dubbelbestemmingen, op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
38
5.4 Wijze van bestemmen De regels van het plan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
1. Inleidende regels In artikel 1 van de Inleidende regels zijn de begrippen beschreven. In artikel 2 worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop gemeten moet worden. 2. Bestemmingsregels Voorliggend bestemmingsplan bevat de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer', 'Water', 'Wonen' en 'Wonen - Uit te werken'. Hieronder worden deze toegelicht. Groen Deze bestemming is toegekend aan de Watertuin en het overige openbaar groen. Binnen deze bestemming zijn, naast groenvoorzieningen, ook watergangen, bruggen, watervoorzieningen en voet- en fietspaden toegestaan. Daarnaast zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen toegestaan, zoals speeltoestellen en lichtmasten. Verkeer De wegen en parkeerkoffers in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer'. De wegen mogen maximaal uit twee rijstroken bestaan. Binnen de verkeersbestemming zijn ook bruggen, duikers, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en overige bij de verkeersbestemming behorende voorzieningen toegestaan. Water De waterlopen in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Water'. Deze gronden zijn bestemd voor watergangen, waterpartijen, oevers, taluds, onderhoudspaden, kaden en waterhuishouding. Binnen deze bestemming mag slechts ten behoeve van de bestemming worden gebouwd.
Wonen Binnen deze bestemming zijn woningen conform de Doelgroepenverordening mogelijk, in de vorm van vrijstaande, twee-aaneengebouwde, aaneengebouwde, gestapelde woningen en woonwagens. Hoofdgebouwen zijn enkel toegestaan in het bouwvlak, waarbij die toegelaten woningtypen en de maximum goot- en bouwhoogten zijn aangeduid. Van de woningtypen die zijn aangeduid met 'aaneengebouwd', 'gestapeld' en 'woonwagenstandplaats' is het maximum aantal wooneenheden aangegeven. Dat is niet gedaan voor de aanduiding 'vrijstaand', waar uiteraard slechts één wooneenheid is toegestaan en 'twee aaneen', waar twee wooneenheden zijn toegestaan. De voorgevels van de woningen dienen zich te bevinden in de naar de weg gekeerde bouwgrens. Verder is bepaald dat de maximum oppervlakte van een woonwagen niet meer mag bedragen dan 130 m². Tevens zijn bijbehorende bouwwerken toegelaten bij deze woonwagens: ten hoogste 15 m² per standplaats met een maximum bouwhoogte van 3m. In de regels is vastgelegd dat ten hoogste 50% van de oppervlakte van een woonperceel mag worden bebouwd met aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. De regeling maakt een onderscheid in aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen. Onder uitbouwen wordt een uitbreiding van de woning verstaan. Aanbouwen zijn gebouwen, die aan de woning zijn aangebouwd en die een directe verbinding met de woning hebben, zoals een garage met binnendeur.
Onder bijgebouw vallen de gebouwen die niet in directe verbinding staan met de woning, zoals bergingen en een aangebouwde garage zonder binnendeur. In bijgebouwen mag niet worden gewoond. Vervolgens geldt voor aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen dat er niet meer dan 50 m² mag worden gebouwd buiten het bouwvlak. Tevens zijn voor de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximale goot- en bouwhoogten aangegeven. Tot slot zijn
39
burgemeester en wethouders bevoegd om met betrekking tot realisatie van erkers, bergingen en ingangspartijen omgevingsvergunning te verlenen. Hetzelfde geldt voor een grotere hoogte en oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen en hogere erfafscheidingen. Binnen de woonbestemming is opgenomen dat het mogelijk is om een beroep aan huis uit te oefenen. Hier vallen de vrije beroepen en aanverwante beroepen onder, zoals kapper, pedicure. De oppervlakte die gebruikt mag worden voor dit beroep aan huis mag niet meer bedragen dan 30% van de totale oppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 75 m². In de gebruiksregels is de regeling met betrekking tot woningsplitsing en kamergewijze verhuur van het (ontwerp-)bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeren & woningsplitsing en kamerverhuur'. Wonen - Uit te werken De bestemming 'Wonen - Uit te werken' is opgenomen op een locatie in het zuidwesten van Beekweide II. De gronden ter plaatse zijn nog niet vrijgegeven voor de ontwikkeling en worden daarom niet direct van een woonbestemming voorzien. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor woningen en maatschappelijke voorzieningen. Voor de gronden met de bestemming ‘Wonen – Uit te werken’ geldt een uitwerkingsplicht voor burgemeester en wethouders conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening.
In de uitwerkingsregels is onder andere bepaald dat de uitwerking moet passen in een door burgemeester en wethouders vastgesteld stedenbouwkundig en/of beeldkwaliteitplan. Waarde - Ecologie De Lunterse Beek behoort ter hoogte van het plangebied tot het Natuurnetwerk Nederland. Om die reden is aan de aan deze beek grenzende groenzone binnen het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde Ecologie' (artikel 8) toegekend. Met deze dubbelbestemming wordt ingezet op instandhouding en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden langs de Lunterse Beek. Het oogmerk is daarbij dat voor flora en fauna verbindingen kunnen ontstaan tussen natuur- of natuurontwikkelingsgebieden. De dubbelbestemming bevat een bevoegdheid van burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan het bouwen en gebruik krachtens de andere bestemmingen van deze gronden ter voorkoming van onevenredige aantasting van de belangen van de ecologische verbindingszone. 3. Algemene regels In de algemene regels is een dubbeltellingregeling (artikel 9) opgenomen, waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omvat een verbod om gronden in strijd met hun bestemming te gebruiken.
De algemene gebruiksregels in artikel 10 omvatten daarom alleen een verbod om gronden en bouwwerken voor seksinrichtingen te gebruiken. Het gemeentebestuur is van mening dat ter plaatse seksinrichtingen ongewenst zijn vanwege de uitstraling die dit gebruik heeft. De kwaliteit van de woon- en leefomgeving wordt hierdoor negatief beïnvloed. Daarnaast is een verbod opgenomen om gronden en bouwwerken als of ten behoeve van bedrijfsmatige vuurwerkopslag te gebruiken en om onbebouwde gronden als standof ligplaats van onderkomens en/of als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten te gebruiken De algemene afwijkingsregels (artikel 11) hebben betrekking op een aantal ondergeschikte afwijkingen. Op grond van de algemene wijzigingsregels (artikel 12) zijn burgemeester en wethouders bevoegd, de ligging van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen te wijzigen zodanig, dat de geldende oppervlakte van de bij wijziging betrokken vlakken met niet meer dan 10% wordt verkleind of vergroot, en geen van de grenzen met meer dan 10 meter wordt verschoven.
40
In artikel 13 is in algemene procedureregels de procedure aangegeven die wordt toegepast bij de voorbereiding van een besluit omtrent het stellen van nadere eisen. Daarbij wordt de procedure gevolgd, die is vervat in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de overige regels (artikel 14) is voorgesorteerd op vaststelling van de parkeerregeling zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan 'Parapluplanherziening parkeren & woningsplitsing en kamerverhuur'. 4. Overgangs- en slotregels De verplichte overgangsregels voor bouwwerken zijn conform het bepaalde in artikel 3.2.2 van het Bro opgenomen in artikel 15. Tenslotte bevat het plan een slotregel (artikel 16).
41
hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu het plan de bouw van meerdere hoofdgebouwen mogelijk maakt, is dit aan de orde. Voor de gemeentelijke gronden binnen het plangebied wordt een positieve grondexploitatie opgesteld. Voor de overige gronden wordt of een exploitatieplan vastgesteld of er wordt anterieur gecontracteerd. De economische uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd.
42
hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor inspraak van eenieder, ook voor overlegpartners. Het voorontwerp maakt geen deel uit van de officiële procedure. Participatie Voorafgaand aan de tervisielegging van het voorontwerpbestemmingsplan zal indien mogelijk een inloopavond worden georganiseerd. Als dit niet mogelijk is wordt er een openbare presentatie gegeven en zullen aan de hand van eventuele inspraakreacties gesprekken met insprekers worden gehouden. Daarnaast wordt het plan afgestemd met een klankbordgroep.
7.2 Vooroverleg Te zijner tijd zullen eventueel ingediende vooroverlegreacties hier van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
7.3 Zienswijzen Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen in een aparte reactienota worden beantwoord.
43