Toelichting voorontwerp bestemmingsplan Beekweide II
Tekst van het document
bestemmingsplan
Beekweide II Gemeente Renswoude
Planstatus:
voorontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0339.BPBeekweideII-vo01
Datum:
2021-04-01
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. H.J.M. van Arendonk | dhr. T.J. Oostrom
Kenmerk Buro SRO:
SR200069
Opdrachtgever:
Gemeente Renswoude
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 5 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6
hoofdstuk 2 Planbeschrijving..................................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
hoofdstuk 3 Beleidskader ........................................................................................................................ 13 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16
hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 19 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.3 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 21 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 23 4.5 Ecologie ............................................................................................................................................................. 24 4.6 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 26 4.7 Water ................................................................................................................................................................
27 4.8 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 29 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 32 4.10 Niet-gesprongen explosieven .......................................................................................................................... 33 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 33 4.12 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 36
hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................. 38 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 38 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 38 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 39
hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................ 42 hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................................... 43 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 43 7.2 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 43 7.3 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 43
3
hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding De gemeente Renswoude is voornemens op een grotendeels onbebouwde locatie in het noorden van het stedelijk gebied van Renswoude een woonbuurt te realiseren. Deze ontwikkeling staat bekend als Beekweide II. Het plan omvat de realisatie van ca. 190 woningen, bestaande uit diverse woningtypen. De gemeente Renswoude is in samenwerking met diverse partijen gekomen tot een stedenbouwkundige invulling voor het gebied. Dit stedenbouwkundig plan vormt het uitgangspunt voor het voorliggende bestemmingsplan. De beoogde sfeer van de woningen en de openbare ruimte wordt vastgelegd in een beeldkwaliteitsplan. De ontwikkelingen passen niet binnen de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan ex art. 3.1 Wro opgesteld.
1.2 Ligging plangebied De planlocatie bevindt zich in het noorden van het stedelijk gebied van Renswoude, direct ten westen van sportcomplex De Hokhorst. Het valt onder de kadastrale gemeente Renswoude, sectie C, en bestaat uit verschillende percelen. De locatie beslaat een totale oppervlakte van ca. 7,1 ha. Aan de noordzijde eindigt het plangebied ongeveer bij de Lunterse Beek en aan de zuidzijde is het begrensd door de Meidoornlaan, het Ruiterpad en de Hokhorst. Navolgende afbeeldingen tonen de globale situering van de locatie.
Globale ligging plangebied (witte omcirkeling, bron: Google Earth)
4
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt voor het grootste gedeelte binnen de plangrenzen van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’, vastgesteld op 5 oktober 2010. Ook de gronden direct ten zuiden van de Lunterse Beek maken onderdeel uit van het plangebied, omdat het agrarische gebruik dat ter plaatse is toegestaan niet meer in lijn is met het actuele gebruik. De gronden hebben in het geldende bestemmingsplan hoofdzakelijk de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden Beekdal', 'Agrarisch', 'Bedrijf' en 'Wonen'. Het bouwen van het beoogde aantal woningen is niet toegestaan binnen deze bestemmingen. Verder is dit plan op onderdelen herzien met het op 12 november 2013 vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied herziening'. Aan de zuidoostzijde vielen zones van het plangebied voorheen in de bestemmingsplannen 'Beekweide plus' (2012). De betreffende gronden zijn voorzien van de bestemmingen ‘Groen' en 'Sport'. Daarnaast wordt een strook met de bestemming 'Groen' van het bestemmingsplan 'Dorp' meegenomen en geldt voor een deel in het zuiden het bestemmingsplan 'Noord 2007', waarin de gronden de bestemming 'Gemengde doeleinden' hebben.
5
Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de vigerende bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied.
Uitsnede bestemmingsplannen 'Buitengebied 2010', 'Dorp en 'Beekweide plus' (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het beoogde initiatief past niet binnen de mogelijkheden van de geldende bestemmingsplannen. Om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken zullen deze daarom moeten worden herzien.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 de plannen beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 worden de projecten inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische haalbaarheid van de plannen. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de plannen, waarbij de uitkomsten van het vooroverleg zijn opgenomen.
6
hoofdstuk 2 Planbeschrijving In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1 Huidige situatie De gronden in het plangebied worden in de huidige situatie voor diverse doeleinden gebruikt. Een groot deel van de onbebouwde gronden, centraal in het plangebied, hebben een agrarisch gebruik. Aan de westzijde van het plangebied bevinden zich bedrijfslocaties die met voorliggend plan onderdeel worden van de woonbuurt. De bijbehorende gronden aan de zijde van de Barneveldsestraat, waar zich de bedrijfswoningen bevinden, maken deel uit van het voorliggende bestemmingsplan. Dat geldt niet voor de bestaande woningen aan de Barneveldsestraat; deze maken geen onderdeel uit van het voorliggende bestemmingsplan, aangezien deze reeds een woonbestemming hebben. Verder zijn er in het zuidoosten van het plangebied twee standplaatsen met woonwagens en volkstuinen aanwezig. De planlocatie en de directe omgeving hebben een goede ruimtelijke kwaliteit. Een van die kwaliteiten is het groen: de natuurzone langs de Lunterse Beek en de bomen en houtwallen. Daarnaast is ook de ligging te nabij verschillende voorzieningen, zoals een sportcomplex en een kindcentrum, gunstig. Op navolgende afbeelding is een impressie van het plangebied en omgeving weergegeven.
Lunterse Beek, noordzijde plangebied (bron: BDP)
Barneveldsestraat, westzijde plangebied (bron: BDP)
7
Meidoornlaan, zuidzuide plangebied (bron: BDP)
De Hokhorst, oostzijde plangebied (bron: BDP)
Context - Renswoude Renswoude ligt op een strategische plek tussen de Lunterse Beek en de inundatiezone langs het Valleikanaal. De gemeente staat, naast het mooie dorp, met haar cultuurhistorische elementen, zoals het kasteel en de Koepelkerk, bekend om haar mooie en rustgevende buitengebied met de beken, de Grebbelinie in het schilderachtige Kampenlandschap van de Gelderse Vallei. Kenmerkend voor de omgeving is het onregelmatige patroon van akkers, weilanden en houtsingels. Renswoude heeft een goede ligging: goed bereikbaar vanaf de A12 en A30 en, in de luwte van Amersfoort / Ede-Veenendaal, in een aantrekkelijk landschap. Lange tijd bestond Renswoude uit het kasteel, de Grebbelinie en een woonlint, de Dorpsstraat. Later pas is het dorp uitgebreid met woningen en bedrijvigheid. Recentelijk is de realisatie van Beekweide I, een woonbuurt in het noordoosten van Renswoude, voltooid. De groei van het dorp sluit aan op de kern en houdt rekening met de landschappelijke structuren in de omgeving.
8
2.2 Toekomstige situatie Het plangebied wordt getransformeerd naar een aantrekkelijk woongebied. Daarbij wordt nadrukkelijk de relatie gelegd met de woonbuurt Beekweide I. Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan opgesteld (BDP, d.d. maart 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Daarnaast maken delen van de (voormalige) bedrijfspercelen aan de Barneveldsestraat onderdeel uit van het voorliggende bestemmingsplan; deze worden voorzien van de woonbestemming. Aan een deel van het plangebied wordt een bestemming ‘Wonen – Uit te werken’ gegeven, omdat nog geen overeenkomst is bereikt met de betreffende grondeigenaar en op dat gedeelte nog niet de noodzakelijke haalbaarheidsonderzoeken zijn uitgevoerd. Dit gedeelte wordt wel integraal meegenomen in de onderstaande beschrijvingen. Op navolgende afbeelding is het stedenbouwkundig plan voor de planlocatie weergegeven.
Stedenbouwkundig plan (bron: BDP, d.d. februari 2021)
De stedenbouwkundige en landschappelijke structuren zijn gebaseerd op het kampenlandschap en op de Lunterse Beek. Met een onregelmatige structuur - knikken in de wegen en in de verkaveling - sluit Beekweide II aan op het eerder gerealiseerde deel van de woonwijk, genaamd Beekweide I. Navolgend wordt kort op de verschillende planonderdelen ingegaan.
9
Woonprogramma Er worden in het plangebied ca. 190 woningen gerealiseerd, bestaande uit diverse woningtypes. De bebouwingsdichtheid sluit aan op de bebouwingsdichtheid uit de directe omgeving en is passend in een dorpse context. Op navolgende afbeelding staat het woonprogramma weergegeven.
Woonprogramma
(bron:
BDP)
Het woonprogramma kent een gevarieerd woningaanbod. Het hoogsegment bevindt zich hoofdzakelijk tegenover de Lunterse Beek en langs de Barneveldsestraat en Meidoornlaan. Rondom de Watertuin, een groen-waterzone in het noorden van het plangebied, zijn woningen uit het hoog- en middenduur segment beoogd. Het middendure- en goedkope segment wordt langs de hoofdstructuur gerealiseerd. Sociale huur zal verspreid worden over het plangebied. Ook wordt voorzien in ten hoogste drie woonwagenstandplaatsen aan de zuidooskant van het plangebied. Verder wordt centraal in het plangebied een appartementencomplex gerealiseerd. Groen, landschap en openbare ruimte De in het plangebied aanwezige houtwallen en greppels worden de ruimtelijke dragers van het plan waaraan ook de wegenstructuur is gekoppeld. De Watertuin maakt de Lunterse Beek nog beter beleefbaar vanuit de wijk. Woningen zijn op de groene en waterrijke ruimtes georiënteerd. Hierdoor is de landschapsbeleving vanuit de woningen en in de buitenruimte optimaal. Bijzondere aandacht is er voor de vormgeving van de erfafscheidingen, die worden beschouwd als landschappelijke overgang naar de openbare ruimte.
10
Op navolgende afbeelding is de beoogde groenstructuur in het plan weergegeven.
Groenstructuur (bron: BDP)
Verkeer en parkeren Vanaf de Beekweide, Meidoornlaan en de Hokhorst is het nieuwe woongebied te bereiken. Er is sprake van een ordening in wegen binnen het gebied. De hoofdwegen lopen langs de ruimtelijke dragers en andere wegen haken daarop aan. Voetpaden en fietspaden doorkruisen de ruimtes en/of maken hier deel vanuit. Op navolgende afbeelding is de beoogde ontsluitingsstructuur in het plangebied weergegeven.
Beoogde ontsluitingsstructuur; links hoofdontsluiting, rechts langzaamverkeer (bron: BDP)
11
Niet alle woningen zullen beschikken over een parkeerplaats op eigen terrein. Daarom wordt 75% van het parkeren opgelost in groene parkeerkoffers die op verschillende plekken in het gebied worden gerealiseerd. Hiermee wordt een autovrij straatbeeld bewerkstelligd. Het bezoekersparkeren is groen ingericht aan een zijde van de hoofdstructuur.
12
hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het plan is lokaal van aard, waardoor het geen landelijke impact heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambities die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot duurzame ontwikkeling en een goede fysieke leefomgeving, doordat de woningen duurzaam van aard worden en voorzien wordt in klimaatadaptieve maatregelen, zoals groene parkeerkoffers. Daarnaast voorzien de woningen in een behoefte, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 3.3.2, wat aansluit op de ambitie van het Rijk te voorzien in een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Het plan is in lijn met de ambities die geformuleerd zijn in de NOVI.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de NOVI zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Voorliggend initiatief raakt niet aan één van de 14 in het Barro geformuleerde rijksbelangen.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe
13
stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Gezien de beoogde ontwikkeling in ca. 190 woningen voorziet wordt het project aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve worden hieronder de 'treden' van de ladder doorlopen. Behoefte In toelichting paragraaf 3.3.2 is een samenvatting opgenomen van de Woningmarkt verkenning gemeente Renswoude 2019-2035. Hieruit blijkt dat er in de kern Renswoude een kwantitatieve woningbehoefte bestaat, met name in de koopsector. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van woningen evenredig aan de vraag. Daarmee is het in lijn met de woningbehoefte in de gemeente Renswoude. Bestaand stedelijk gebied Het plangebied is op de kaart behorende bij de Provinciale Ruimtelijke Verordening aangegeven als 'stedelijk gebied', ook wel bekend als 'rode contour'.
De provincie kent deze aanduiding toe aan het stedelijk gebied, waarmee aangetoond is dat het plangebied in bestaand stedelijk gebied ligt. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De herijking van de PRS is op 12 december 2016 vastgesteld. Op 10 december 2018 is de 2e partiële herziening hiervan vastgesteld. In de PRS beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geeft aan dit beleid. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening welke tegelijk met de PRS is opgesteld.
14
In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende pijlers vastgelegd:
• • • •
duurzame leefomgeving; beschermen kwaliteiten; vitale dorpen en steden; dynamisch landelijk gebied.
Planspecifiek Voorliggend plan raakt aan de derde pijler van de PRS: vitale dorpen en steden. Er wordt gestreefd naar een provincie waar ruimte is voor goed wonen, werken en natuur. Onderhavig plan is in lijn met de ambitie die de provincie heeft voor vitale dorpen en steden. De ontwikkeling voorziet immers in de transitie van een binnenstedelijke locatie in Renswoude, waarmee het stedelijk gebied beter wordt benut. Dit is onder andere wenselijk omdat zodanig ruimteclaims op landelijk gebied kunnen worden voorkomen. De planlocatie bestaat grotendeels uit onbebouwde gronden. De beoogde ontwikkeling maakt kwalitatief hoogwaardige woonpercelen mogelijk, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de plancapaciteit in de regio en gemeente. Verder blijkt uit toelichting paragraaf 2.2 dat het plan een goede leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit borgt. Belangrijk onderdeel van de duurzame leefomgeving is gezondheid. De provincie streeft ernaar dat iedereen in de provincie Utrecht in een gezonde leefomgeving woont, werkt en recreëert. Dit is een belangrijke voorwaarde om een economische topregio te kunnen zijn. Goed wonen en schone lucht, water en bodem zijn aspecten die hierbij van belang kunnen zijn. Uit toelichting hoofdstuk 4 blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Landschap Het plangebied maakt onderdeel uit van het landschap Gelderse Vallei. Voor het landschap Gelderse Vallei wenst de provincie de volgende kernkwaliteiten te behouden: 1. 2. 3. 4.
rijk gevarieerde kleinschaligheid; stelsel van beken, griften en kanalen; Grebbelinie; overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).
Bij ontwikkelingen in het landschap van de Gelderse Vallei acht de provincie het vooral van belang dat de kleinschaligheid, die dit landschap zo aantrekkelijk maakt behouden wordt. In het verleden zijn al veel kleinschalige landschapselementen verdwenen, waardoor ruimten groter zijn geworden. Ze hebben hun functie verloren en zijn verwijderd. De stedenbouwkundige en landschappelijke structuren van voorliggend plan zijn gebaseerd op het kampenlandschap en op de Lunterse Beek. Daarmee wordt een geleidelijke overgang vanuit het landelijk gebied naar het stedelijk gebied geborgd. De in het plangebied aanwezige houtwallen en greppels worden de ruimtelijke dragers van het plan, wat bijdraagt aan de kleinschaligheid van het plangebied. De Watertuin en overige watergangen dragen bij aan het versterken van het stelsel van watergangen. Er kan geconcludeerd worden dat de PRS geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Tegelijk met de PRS is op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De PRV wordt elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast (herijken). De herijking van de PRV is op 12 december 2016 vastgesteld. Op 10 december 2018 is de 2e partiële herziening hiervan vastgesteld.
15
In de PRV wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de PRS. De PRV geeft regels met betrekking tot de onderwerpen bodem, water, energie, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie. Planspecifiek Van verstedelijking is sprake als een ruimtelijk besluit ten opzichte van het vigerende planologische regime nieuwe mogelijkheden voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies biedt. Onderhavig plan maakt nieuwe stedelijke functies mogelijk omdat de gronden in de huidige situatie grotendeels voor agrarische activiteiten in gebruik zijn. Uit de kaart 'Wonen en werken' blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het 'stedelijk gebied'. De grens van de aanduiding ' stedelijk gebied' wordt ook wel de 'rode contour' genoemd. In artikel 4.1 'Stedelijk gebied' staat dat een ruimtelijk plan in een dergelijk gebied bestemmingen en regels kan bevatten voor verstedelijking. Er kan geconcludeerd worden dat de bepalingen van de PRV geen belemmering vormen voor onderhavig plan.
3.2.3 Provinciale Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en Interim Omgevingsverordening De Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking zal treden, verplicht provincies tot het vaststellen van een omgevingsvisie en -verordening. Met het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet tot 1 januari 2022 neemt de provincie Utrecht ook meer tijd voor de vaststelling van de POVI en Verordening. Daarmee komt ook later het moment, waarop het instrument 'regionale programmering' een grondslag vindt in een provinciaal ruimtelijk plan. Inmiddels heeft de provincie besloten om dit hiaat op te vullen met de vaststelling van een interim verordening om onder andere de regionale programmering eerder een juridische status te geven. Met de voorbereiding van de regionale programmering is de provincie intussen wel gewoon doorgegaan. De interim verordening zal de eerste helft van 2021 vastgesteld worden. De kaders voor regionale programmering zijn door Provinciale Staten van Utrecht op 30 september 2020 vastgesteld. In de rapportage "Kader voor regionale programmering wonen en werken", het beleidsstuk dat hieraan ten grondslag ligt, is per regio aangegeven welke ruimte er is voor nieuwe ontwikkelingen. Renswoude maakt onderdeel uit van de Regio Foodvalley.
Planspecifiek In de rapportage "Kader voor regionale programmering wonen en werken" zijn enkele plannen opgenomen die nog niet waren opgenomen in de PRS. Het gaat om locaties die al in de PRS/PRV ruimtelijk mogelijk zijn gemaakt, maar nog niet zijn vastgelegd in ruimtelijke plannen. De realisatie van Beekweide II is reeds opgenomen in de programmering van de PRS en was dus al vastgelegd als ruimtelijk plan. Verder wordt in de rapportage aangegeven dat ondanks 68% van de plancapaciteit voor de Regio Foodvalley als ‘hard’ kan worden aangemerkt, het niet voldoende is om aan de behoefte tot 2030 te voldoen. Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling van Beekweide II van belang is om te voorzien in een deel van de regionale woningbehoefte.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 Door de gemeenteraad van de gemeente Renswoude is op 3 juli 2018 de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 vastgesteld. Het doel van de Omgevingsvisie is het creëren van een strategische visie voor de langere termijn voor de hele fysieke leefomgeving van Renswoude, die antwoord geeft op de vraag: Hoe ziet Renswoude er in 2030 uit? De gemeente Renswoude staat naast het mooie dorp met haar cultuurhistorische elementen zoals het kasteel en de Koepelkerk ook bekend om haar mooie en rustgevende buitengebied met de beken, de Grebbelinie, het schilderachtige Kampenlandschap, het Coulissenlandschap en de Emminkhuizerberg.
16
Naast de mooie fysieke leefomgeving kenmerkt de gemeente zich door een sterke saamhorigheid en nabuurschap. Er is sprake van menselijke maat, zorg voor elkaar, een sterk verenigingsleven en hechte kerkelijke gemeenschappen. Al deze kenmerken en karaktereigenschappen zorgen voor een goede leefbaarheid. Het voorgaande neemt natuurlijk niet weg dat er een aantal vraagstukken leeft binnen de gemeente. Deze vraagstukken komen aan bod in de Omgevingsvisie en hebben betrekking op de volgende thema's: wonen, werken, voorzieningen en het buitengebied. Daarbij krijgen bij ieder thema de navolgende doelstellingen in meer of minder mate een plek:
• • • •
Saamhorigheid, sociale cohesie en veiligheid Ruimtelijke kwaliteit en gezondheid Energietransitie Bereikbaarheid
Planspecifiek Met voorliggend initiatief wordt een woonbuurt mogelijk gemaakt, waarmee het plan hoofdzakelijk betrekking heeft op het thema wonen. Er zullen nieuwe koop- en huurwoningen worden gebouwd, evenredig aan de plancapaciteit die voorkomt uit de woningmarktverkenning 2019. Dit is in lijn met het streven van de gemeente naar een gezonde balans tussen de koop- en de huursector. Daarnaast is er binnen het plan aandacht voor starters en senioren, door woningen te realiseren die geschikt zijn voor deze doelgroepen. Het doel hierbij is dat bewoners zo lang mogelijk binnen de eigen gemeente kunnen blijven wonen. Dit vergroot namelijk het gevoel van saamhorigheid en veiligheid en versterkt de sociale cohesie. In het plangebied wordt voorzien in een gezonde mix aan woningen. Het behoud en de zorg voor het unieke karakter en de omgevingskwaliteit van Renswoude is belangrijk. Dit komt immers ten goede aan de leefbaarheid en daarmee ook aan de gezondheid van mensen. De kwaliteit van de openbare ruimte en het groen krijgt daarom speciale aandacht. Dit komt terug in de stedenbouwkundige uitwerking van Beekweide II; er is veel ruimte gereserveerd voor groen-blauwe kwaliteit, zoals beschreven in toelichting paragraaf 2.2. Dit draagt bij aan de leefbaarheid en klimaatbestendigheid van de woonbuurt. Ook duurzaamheid en bereikbaarheid krijgen aandacht in de uitwerking van Beekweide II.
Uit toelichting paragraaf 4.12 blijkt dat de woningen duurzaam gebouwd worden. Daarnaast is het plangebied goed bereikbaar voor zowel motorvoertuigen als langzaam verkeer, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 2.2. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de bepalingen van de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030.
3.3.2 Woningmarktverkenning gemeente Renswoude 2019-2035 In de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 wordt beschreven dat de gemeente Renswoude sinds de Woonvisie uit 2011 elke twee jaar een woningmarktonderzoek uit laat voeren, dat inzicht geeft in de richting waarin de woningvoorraad in Renswoude zich tot 2030 moet ontwikkelen. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek van 2019:
• • • •
Er wordt een groei verwacht naar 5.920 personen in 2035, deze groei zet hierna nog verder door;
•
De vraag naar sociale huurwoningen stijgt met 85 tot 2035; •
Het aantal huishoudens stijgt naar 2.380 in 2035, de gemiddelde huishoudgrootte daalt naar 2,5; De vraag naar koopwoningen stijgt met 375 tot 2035; De komende jaren neemt de woningvoorraad door harde en zachte plannen met ongeveer 230 koopwoningen toe. Met deze plancapaciteit wordt ongeveer 60% van de vraag naar 375 woningen tot 2035 ingevuld. De resterende opgave voor de tweede helft van de planperiode is ca. 145 woningen.
17
•
Met de plancapaciteit van ca. 80 woningen, de verkoop van 24 woningen, en de herstructurering (per saldo +8 woningen) neemt de huurvoorraad per saldo met 64 woningen toe. Hiermee wordt ongeveer 75% van de vraag tot 2035 ingevuld. De resterende opgave voor de tweede helft van de planperiode is ca. 20 woningen.
Planspecifiek De ontwikkeling van Beekweide II past binnen de kaders van de beoogde woningaantallen zoals omschreven in de woningmarktverkenning. Het is immers onderdeel van de zachte plancapaciteit, die is opgenomen in de woningmarktverkenning. Met de plannen worden zowel koop- als huurwoningen gerealiseerd, zoals reeds is beschreven in toelichting paragraaf 2.2. In de notitie 'Volkshuisvestelijk kader Beekweide 2' d.d. 11 februari 2019 is het gewenste woningbouwprogramma voor Beekweide II beschreven en onderbouwd. Uit de resterende vraag naar koopwoningen en sociale huurwoningen is het beoogde programma voortgekomen. Hierin zijn geen vrije sector huurwoningen opgenomen, omdat hier geen resterende vraag meer voor is. Voor het koopsegment bestaat de resterende vraag voornamelijk uit eengezinswoningen en woningen die geschikt zijn voor ouderen. Hierbij is vraag naar woningen uit alle prijsklassen. De grootste opgave ligt bij woningen tot €200.000,-. Voor het huursegment bestaat de resterende vraag voornamelijk uit eengezinswoningen.
18
hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
•
de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden van een oppervlakte van
19
100 ha of meer en 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk een oppervlakte van ca. 7,15 ha en betreft de ontwikkeling van ca. 190 woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.(-beoordeling) en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Tevens dient er te worden bezien dat er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten, zo vereist paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor onderhavige gewenste ontwikkeling geldt dat er geen directe relatie tot andere ontwikkelingen is in de nabijheid van het plangebied waarvan de effecten in cumulatie met elkaar in acht moeten worden. Doordat de ontwikkeling slechts woningen mogelijk maakt zijn de impact en de complexiteit van het project beperkt. Als gevolg van de ingebruikname van de woningen zal er een toename van de productie van afvalstoffen ontstaan. Deze afvalstoffen bestaan uit regulier huisafval.
In lijn met de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van afval zal ook het afval van deze woningen in toenemende mate gescheiden worden afgevoerd. Dit resulteert in een kleinere hoeveelheid stoffen die feitelijk als afvalstoffen gezien moeten worden. De milieugevolgen zijn derhalve dermate beperkt dat deze geen aanleiding geven tot het laten opstellen van een milieueffectrapportage. Doordat de woningen aan de hedendaagse maatstaven zullen voldoen is het gebruik van hulpbronnen, kans op verontreiniging en risico's op ongevallen beperkt. Daarmee zijn de effecten beperkt en komt de kwaliteit van de omgeving van het plangebied niet in het geding. Mogelijk treden er wel effecten op in de aanlegfase van het project. Bij de graafwerkzaamheden wordt voor het aanleggen van de fundering mogelijk zand uit de bodem onttrokken. Voor de bouw worden de reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal (hout, beton, metaal). Er zijn geen andere natuurlijke hulpbronnen in het gebied aanwezig die invloed ondervinden van de voorgenomen activiteit. De meest verstrekkende effecten van de aanlegfase zijn te verwachten op het gebied van geluid. Deze effecten zijn echter tijdelijk van aard en hebben daarmee geen belangrijke gevolgen.
De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting, die gezien kan worden als aanmeldingsnotitie, kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en de kwaliteit van het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde
20
functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Omdat wonen een strenger bodemgebruik is dan het huidige gebruik van de gronden is er (water)bodemonderzoek verricht (Verhoeven Milieutechniek, B19.7557, d.d. 19 januari 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). In het onderzoek is het plangebied grotendeels onderzocht. Echter waren de bedrijfslocaties (gedeeltelijke kadastrale percelen 3447, 3788, 2677, 3254 en 3255) aan de Barneveldsestraat ten tijde van het onderzoek nog niet vrijgegeven voor de uitvoering van de onderzoeken. Deze locaties worden in een later stadium onderzocht en in een aanvullende rapportage beschreven. Dat betreft de gronden die de bestemming ‘Wonen – uit te werken’ krijgen.
Het onderzoek dient te worden uitgevoerd in het kader van het uitwerkingsplan. Algemene kwaliteit gehele terrein Uit de onderzoeksresultaten zijn in de bovengrond en in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten voor onderzochte parameters aangetoond. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende streef- en achtergrondwaarden. Aangezien de (gestandaardiseerde) meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. Zintuiglijk en/of analytisch zijn geen (ernstige) verontreinigingen aangetroffen ter plaatse van de volkstuinen, gemeente opslag, slootdempingen en voormalig ven. Naar verwachting is voorafgaand aan de demping eventueel slib uit de watergangen verwijderd en zijn de watergangen gedempt met gebiedseigen grond. Asbest in bodem Op zowel het maaiveld als in de opgeboorde en opgegraven grond is zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Voor de volkstuinen volkstuinencomplex en opslagplaats gemeente geldt dat zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetroffen. Hetzelfde is van toepassing op het terrein achter de Barneveldsestraat 14.
Ter plaatse van het overige braakliggende terrein zijn eveneens geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen waardoor hier een verkennend onderzoek naar asbest definitief niet noodzakelijk is. Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale
21
overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer.
Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkelingen worden ca. 190 woningen gerealiseerd. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang (< 1.500 woningen), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof, namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Naast de grenswaarden van de EU gelden er ook richtwaarden van de WHO.
Pas als de luchtkwaliteit ter plaatse van een ontwikkeling aan zowel de waarden van de EU als aan de waarden van de WHO voldoen, is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. In de navolgende tabel staat een overzicht van deze waarden weergegeven.
22
Stof
EU-norm
WHO-richtwaarde
Fijnstof PM2,5
25 μg/m3
10 μg/m3
Fijnstof PM10
40 μg/m3
20 µg/m3
NO2
40 µg/m3
40 µg/m3
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van NSL-monitoringstool (rekenpunt 15875059) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van de locaties bedragen respectievelijk 19,27 µg/m³ PM10, 11,12 μg/m³ PM2,5 en 16,18 μg/m³ NO2. Daarmee worden de EUnormen niet overschreden. De advieswaarden van de WHO worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarden voor NO2 en PM10, maar niet voor PM2,5. Echter blijkt, wanneer gerekend wordt met de achtergrondconcentraties over 2030, dat in de toekomst voldaan wordt aan de grenswaarden WHO, vermoedelijk ook na de planbijdrage. Deze waarde bedraagt dan immers 8,87 μg/m³ PM2,5. Daaruit volgt dat er sprake zal zijn van acceptabele concentraties en een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): 1. verzorgingstehuizen; 2. psychiatrische inrichtingen; 3. medische centra; 4. poliklinieken; 5. medische kleuterdagverblijven.
geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en actieplannen. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Doordat met voorliggend plan de realisatie van woningen wordt beoogd, dient beschouwd te worden of de geluidsbronnen uit de Wet geluidhinder belemmeringen vormen voor de ontwikkelingen. Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het plan is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (SPA WNP ingenieurs, 22100020.r01, d.d. 11 februari 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van:
•
de Barneveldsestraat hoger kan zijn dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale te ontheffen waarde van 63 dB. De voorkeurswaarde wordt bij acht woningen overschreden en bedraagt maximaal 58 dB;
23
•
de Beekweide hoger zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, maar lager dan de maximale ontheffing zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op deze 30 km-weg aanvaardbaar is. De voorkeurswaarde wordt bij 10 eerstelijnswoningen overschreden en bedraagt maximaal 51 dB.
•
de Meidoornlaan / De Hokhorst lager zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op deze 30 km-weg aanvaardbaar is.
Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan vanuit architectonische en stedenbouwkundige overwegingen geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de nieuwe woningen te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Om deze woningen te kunnen realiseren, moet de gemeente Renswoude voor acht woningen aan de noordwestzijde van het plangebied een hogere waarde tot 58 dB vanwege het wegverkeerslawaai op de Barneveldsestraat vaststellen en vastleggen in het kadaster. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle onderzochte wegen bedraagt op de nieuwe woningen maximaal 62 dB, zonder aftrek ex artikel 110g van de Wet geluidhinder. Spoorweglawaai De beoogde ontwikkeling bevindt zich op ca. 3 km van de dichtstbijzijnde spoorweg. Vanwege deze ruime afstand zijn er geen belemmeringen wat betreft geluid van het spoor te verwachten. Industrielawaai In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel is geluid van omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van milieuzonering. Deze toetsing vindt plaats in toelichting paragraaf 4.6. Conclusie Voor acht woningen zal ten gevolge van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde door wegverkeerslawaai een hogere waarden procedure moeten worden doorlopen.
De overige bepalingen van de Wet geluidhinder vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het
24
Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek Vanuit ecologie zijn soortenbescherming en gebiedsbescherming van belang. In dit kader zijn verschillende ecologische onderzoeken uitgevoerd (Breur Ecologie & Onderzoek, zie bijlagen bij toelichting bijlagen 4, 5, 6 en 7). Navolgend zijn de belangrijkste conclusies beschouwd. Soortenbescherming Naar aanleiding van de ecologische quickscans is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de volgende soorten/soortgroepen:
• • • • • •
Flora Huismussen Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren (steenmarter en eekhoorn) Amfibieën (poelkikker, heikikker, kamsalamander, alpenwatersalamander) Reptielen (ringslang, levendbarende hagedis, hazelworm)
Hieruit kwamen de volgende resultaten naar voren:
• • • •
In het plangebied is de eekhoorn aanwezig, er zijn twee boomnesten aangetroffen in het zuidelijke bosperceeltje. Vermoedelijk functioneert het plangebied als verblijfplaats voor één/enkele eekhoorns in het najaar en de winterperiode. Indien het bosperceel met de eekhoornnesten zal verdwijnen dient men een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Het plangebied functioneert als nesthabitat voor diverse soorten vogels waarvan de nesten alleen zijn beschermd wanneer zij in gebruik zijn. Hierom wordt aanbevolen om rekening te houden met het broedseizoen. Het plangebied vervult geen essentiële functies voor overige beschermde soorten.
Het plan is daarmee uitvoerbaar in het kader van soortenbescherming. Desondanks geldt voor alle soorten flora en fauna (beschermd en onbeschermd) te allen tijde de zorgplicht. Dit betekent dat de initiatiefnemer
25
verplicht is om zorgvuldig te werken en dat onnodige schade aan planten of dieren altijd dient te worden voorkomen. Gebiedsbescherming Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie kan externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten. Voornamelijk de ligging op 5,7 km afstand van het Natura 2000-gebied Veluwe maakt een beschouwing van het effect noodzakelijk. Om in beeld te brengen wat de effecten van de ontwikkeling op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn, is een AERIUS-berekening uitgevoerd (SPA WNP ingenieurs, 22000621.b01, d.d. 8 februari 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen effecten heeft hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Verder bevindt zich in de noordzijde van het plangebied de meanderende Lunterse Beek en de daarbij behorende natuurlijke oever. Een deel van de Lunterse Beek is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland. Er zijn met voorliggend initiatief ter plaatse geen ingrepen voorzien.