J1. Uitvoeringsplan stikstof Regio Foodvalley
Tekst van het document
Een emissieplafond NH3 op gebiedsniveau is wenselijk: In het kader van de stikstofaanpak is de expertgroep in algemene zin voorstander van een ammoniakemissieplafond voor de veehouderij in afgebakende gebieden, zoals bijvoorbeeld de Regio Foodvalley. Dit helpt om concreet te kunnen sturen op een belangrijk deel van de opgave en voorkomt een ‘bewegend doel’ zoals bij het sturen op de KDW.
•
Emissieplafond hangt samen met bijdrage vanuit andere sectoren en gebieden: Een ammoniakplafond voor de veehouderij in Foodvalley moet worden vastgesteld in samenhang met bijdragen vanuit andere sectoren en gebieden én in combinatie met maatregelen voor natuurherstel. Uitgangspunt is dat 50% (doel 2030) van het Natura 2000 areaal onder een kritische depositiewaarde (KDW) moet worden gebracht. Het emissieplafond is daarmee conditioneel op veronderstelde reducties buiten het Foodvalley gebied, waaronder de bijdrage vanuit het buitenland. Het stellen van een ‘macro’ reductiepercentage voor een specifiek gebied kent een exacte basis, maar die is per definitie contextueel.
•
Ga voor 60% ammoniak emissiereductie voor de Regio Foodvalley: De expertgroep pleit voor Foodvalley voor een reductiedoelstelling in 20235 van ca 60% (55-65)% ten opzichte van 2019. Het is wat hoger dan de 50% die landelijk was geadviseerd door Remkes, maar dit wordt onderbouwd door de unieke omstandigheden en uitdagingen van de Foodvalley als veehouderijgebied naast het grootste Natura 2000 gebied van Nederland, de Veluwe. De argumentatie daarvoor is als volgt: Ros, de Vries et al (2023) 64 komen in ‘Visie Handelingsperspectieven Duurzame Landbouw’ voor Gelderland op 60%, gebaseerd op de aannames die werden gemaakt over het toedelen van landelijke emissies naar specifieke gebieden en bedrijven. Brouwer & Erisman (2025)65 komen tot een benodigde emissiereductie tussen de 65 en 85% in randzones rond natuurgebieden, en tussen de 25 en 30% in overige gebieden waarbij hun randzone rond de Veluwe varieert van 15 tot 5 kilometer. Voor de Food Valley als geheel komen zijn ook rond de 60%. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een deel van deze emissiereductie in de periode sinds 2019 reeds is gehaald (ca. 16% in 2023 t.o.v. 2019). Met het huidige beleid is een verdere reductie te verwachten (tot ca. 39% t.o.v. 2019). Aanvullend zijn extra emissiereducerende maatregelen nodig om boven de 60% reductie uit te komen in 2035.
•
Werk met een ammoniakplafond op gebiedsniveau in kton: We benadrukken het belang van het vaststellen van een duidelijke plafondnorm voor de totale ammoniakemissie, waarbij de focus komt te liggen op een kilotondoelstelling in plaats van procentuele reductie. Dit vereist een politieke keuze en samenwerking tussen diverse stakeholders, inclusief de betrokken gemeenten en provincies. De expertgroep stelt voor dat geen ‘bewegende doelen’ worden vastgesteld, maar een statisch plafond dat de maximale emissies per jaar bepaalt. Uitgaande van bovengenoemde indicatieve 60% emissiereductie ten opzichte van 2019 zou dit voor de 9 gemeenten in de Foodvalley rond 2 kton in 2035 liggen (ten opzichte van ruim 5 kton in 2019).
•
Differentieer naar sectoren, maar wel bottom-up: Daarnaast is het van belang om te differentiëren naar sectoren binnen de veehouderij en rekening te houden met de specifieke behoeften en mogelijkheden van elk bedrijf. De expertgroep adviseert de mogelijke reductiebijdrage per bedrijf te baseren op de mogelijke reducties per diersector (melkvee, pluimvee, kalveren, varkens, overig). Vervolgens kan dit vertaald worden naar normen per boer, bijvoorbeeld per dierplaats voor de niet-grondgebonden veehouderij en per hectare voor de
64
Ros GH, De Vries W, Jongeneel R & M van Ittersum (2023) Gebieds- en bedrijfsgerichte handelingsperspectieven voor een duurzame landbouw in Nederland. WUR-publicatie, 80 pp. 65
Brouwer T & JW Erisman (2025) Wat is de opgave voor de landbouw om de stikstofdoelen in 2030 en daarna te halen? Scenarioberekeningen van de stikstofdepositie. LU-rapport, 18 pp.
58
grondgebonden veehouderij. Deze normen dienen duidelijk te zijn, maar ook enige ruimte te bieden voor specifieke omstandigheden. Ruimte is nodig om de interventies en innovaties op kosteneffectiviteit te kunnen beoordelen en zodat saldering tussen de sectoren een mogelijkheid blijft. Voldoende flexibiliteit is nodig in de komende tien jaar om de doelstelling van het ammoniakemissieplafond van ca. twee kiloton te kunnen halen. Tegelijkertijd moet het duidelijk zijn waar bedrijven aan moeten gaan voldoen en dienen juridische waarborgen te worden ingebouwd dat bedrijven ook daadwerkelijk emissies gaan reduceren, tot aan handhaving waar nodig. •
Differentieer in NH3-emissienormen niet naar deelgebieden binnen Foodvalley: De expertgroep is van mening dat aanvullende maatregelen binnen een 250 tot 500 meter zone rondom gevoelige gebieden noodzakelijk zijn (zie hierna), maar dat het weinig zinvol is om hier met specifieke reductiepercentages te werken, gezien de beperkte impact daarvan en de uitvoerbaarheid (bedrijven liggen met hun percelen nooit precies in een zone, wat leidt tot allerlei grensdefinities en -discussies). De argumentatie is daarbij op hoofdlijnen als volgt: een norm per bedrijf op basis van het emissieplafond van 2 kton voor de Regio Foodvalley is al streng hoewel in principe haalbaar. Een nog strengere norm in afhankelijkheid van de afstand van natuurgebieden zet de haalbaarheid onder druk en maakt het beleid minder transparant terwijl de bijdrage op de depositiereductie beperkt is. Daarom acht de expertgroep het verstandig om vergelijkbare bedrijven ook vergelijkbaar te behandelen vanuit een bedrijfsvoering perspectief en mede daarom terughoudend te zijn in nadere differentiatie van (deel)gebiedsdoelstellingen voor wat betreft ammoniak.
•
Ga wel aan de slag met andere maatregelen in de randzones: De expertgroep is wel van mening dat er andere overwegingen zijn om met een 250-500 meter zone te gaan werken. Bij aanvullende maatregelen in de zone kan bijvoorbeeld gedacht worden aan specifieke eisen aan grondgebruik, bemesting, bedrijfsvoering en graslandbeheer, grotendeels te regelen via het RO spoor (verordening, omgevingsplan) en mogelijk ook deels privaatrechtelijk. Daarnaast kan gedacht worden aan het creëren van ‘zachtere’ overgangen tot de natuur, en in die paar gevallen dat er wel een grotere emissiebron in deze randzone zit, zal met maatwerk en waarschijnlijk prioriteit naar oplossingen gekeken moeten worden. Er liggen in deze zones veelal ook nog andere opgaven, waaronder hydrologie, uitbreiding van leefgebied voor VHR soorten, waterkwaliteit, etc. Afhankelijk van deze opgaven kan de omvang van de zone ook variëren. Dit vergt maatwerk via een gebiedsgerichte aanpak en lokale betrokkenheid van gebiedsactoren. Buiten de 250-500 meter zone ziet de expertgroep weinig in verdere ruimtelijke differentiatie.
•
Monitoring op gebiedsniveau is mogelijk: Monitoring speelt een cruciale rol om te kunnen sturen op de doelstelling. De nationale emissieregistratie (NER) is hier momenteel leidend in. Deze kent beperkingen, maar is het beste wat beschikbaar is. Deze kan als onderdeel van de gebiedsmonitoring verreikt worden met data uit o.a. de kringloopwijzer (v.w.b. melkvee), vergunningendatabases (provincie, omgevingsdienst) en diverse praktijkonderzoeken, o.a. met emissiemeting. Er is ook een initiatief om NER te verrijken met bedrijfsspecifieke data (‘ReNEMA’). Dit laatste is momenteel nog in de onderzoeksfase, maar op termijn potentieel verrijkend. Door daarnaast in de uitvoering te werken met ondernemingsplannen die toekomstgericht zijn en ook uitvoerig ingaan op andere opgaven dan stikstof, kan inzicht worden verkregen in de verwachte bijdrage per bedrijf.
•
Uitvoeringsorganisatie: De expertgroep adviseert om een specifieke governance en uitvoeringskracht voor de regio te creëren onder leiding van een regioregisseur. Deze uitvoeringsorganisatie met gebiedsregisseur dient daartoe voldoende bevoegdheid en budget te hebben om ook aan de doelstellingen van het emissieplafond te kunnen gaan werken, in een duidelijke verhouding tot het bevoegd gezag. Eén van de grotere uitdagingen op dit moment is de vergunningverlening. Zonder vergunningen geen innovatie, zonder innovatie geen emissiereductie. Dit kip-en-ei probleem dient opgelost te worden, waar het uitvoeringsplan hopelijk een bepalende bijdrage aan kan leveren.
59
•
Conclusie, wees een voorbeeld: In conclusie, de expertgroep adviseert om een stevig fundament te leggen voor de reductie van de ammoniakemissies in de Regio Foodvalley. Dit moet gepaard gaan met heldere doelstellingen, een robuust monitoringsysteem, en een focus op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Door deze aanpak kan de regio niet alleen haar bijdrage leveren aan het landelijke stikstofvraagstuk, maar ook een voorbeeldfunctie vervullen voor andere gebieden in Nederland.
Namens de expertgroep ‘doelen en monitoring’, Prof. Dr. Ir. Wim de Vries (Wageningen Universiteit en Research) Prof. Dr. Ir. Dick Heederik (Universiteit Utrecht) Dr. Ir. Gerard Ros (Wageningen Universiteit en Research) Ir. Edo Giessen (Wageningen Universiteit en Research) Ir. Wouter de Heij (zelfstandig adviseur) Prof. Dr. Ir. Henk Kievit (Nyenrode Business Universiteit/CHE)
60
REGIO FOODVALLEY Bezoekadres
Bunschoterplein 1a, 6711 CD Ede
Postadres
Postbus 9022, 6710 HK Ede
Telefoon
0318 – 680 667
Website
regiofoodvalley.nl
61