I. 1 RES 1.0 versie 19 maart 2021
Tekst van het document
•
Bovendien geldt voor de windturbines die binnen acht kilometer van de Veluwe worden gerealiseerd (zoekgebieden in Ede, Barneveld, Wageningen, Rhenen) dat aangetoond moet worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare invloed op de Wespendief. Op basis van het onderzoek Wind op en rond de Veluwe kunnen in dit gebied (afhankelijk van mitigerende maatregelen) in totaal nog 4-22 nieuwe windturbines geplaatst worden. Op basis van nader onderzoek kan de meer ruimte ontstaan of kan blijken dat locaties geen impact ondervinden omdat de Wespendief daar niet voorkomt. Dit vraagt (meerjarige) veldtellingen en specifiek onderzoek per locatie. Ook innovaties door de windsector om vogelslachtoffers te voorkomen én het versterken van de Veluwse natuur kunnen de aantallen windturbines in de zoekzones nog beïnvloeden. Keuzes in de ene regio kunnen daarbij consequenties hebben voor de mogelijkheden voor wind in andere regio’s. Daarom gaan de zes Gelderse RES regio’s verder uitzoeken waar duurzame energie zo optimaal mogelijk kan worden opgewekt waarbij tegelijk de Veluwe wordt ontzien. Hiervoor gebruiken de regio’s de uitkomsten van het onderzoek als bouwsteen.
Samen met de andere regio’s en de provincie gaan we uitgangspunten bepalen waarmee goede keuzes kunnen worden gemaakt om zoveel mogelijk rendement te behalen uit windenergie met zo min mogelijk negatieve impact op de natuur, zo goed mogelijk passend in de ruimte en op het elektriciteitsnetwerk en zo hoog mogelijke maatschappelijke acceptatie.
Kansen voor extra opwek Paragraaf 3.1 geeft de huidige stand aan van de gemeentelijke voornemens voor wind, zon op land en zon op dak. Dit is in zekere zin een momentopname: om de regionale én lokale ambities voor 2030 te realiseren is meer nodig. Daarvoor zijn ook aanknopingspunten, die in het proces naar RES 2.0 verder uitgewerkt zullen worden: •
Gemeenten blijven verkennen welke aanvullende mogelijkheden er zijn voor ontwikkeling van duurzame opwek. Veelal als onderdeel van hun langjarige routekaart naar energie neutrale gemeente. Zo geldt de A30 ten noorden van Ede geldt als een onderzoeksgebied voor wind op de langere termijn.
•
Innovatie en optimalisatie van bestaande technieken kan ertoe leiden dat de komende jaren de opwekpotentie van wind- en zonprojecten toeneemt, zonder dat dit aanvullende besluitvorming vraagt of ruimte kost.
3.4
Ons gezamenlijke bod: 0,75 TWh opwek
In dit hoofdstuk beschreven we onze gezamenlijke voornemens voor hernieuwbare opwek in de acht gemeenten in Regio Foodvalley. Die voornemens tellen op tot bijna 1,0 TWh. Duidelijk is, dat een deel daarvan niet voor 2030 gerealiseerd kan worden. Diverse knelpunten en risico’s kunnen voor uitval of vertraging zorgen, met als meest prominente knelpunt de haalbaarheid van de grote ambities voor zon op daken. Tegen deze achtergrond bestendigen wij ons bod van 0,75 TWh. Dat zien we als realistisch: we schatten in dat het bod van 0,75 TWh op dit moment voldoende hard onderbouwd is. Om ook onze ambitie van 1,0 TWh waar te kunnen maken is meer nodig. Daarvoor zijn aanvullende locaties voor windturbines nodig en moeten we uitval en vertraging van projecten zien te voorkomen. In het proces naar RES 2.0, die in 2023 vastgesteld zal worden, zetten we daarover het gesprek voort.
IN BEWERKING
3.5 3.5.1
25
Aan de slag met de warmtetransitie Energiebesparing
Ook bij warmte is energiebesparing een belangrijk uitgangspunt. De eerste pijler in onze strategie is de vermindering van de warmtevraag. Warmte die niet wordt verbruikt, hoeven we ook niet te produceren. En minder verbruik zorgt in principe voor een lagere energierekening. Dit vraagt om meer isolatie en op grotere schaal. In het Uitvoeringsplan voor de Regionale Woonagenda 2.0 uit 2018 heeft energiebesparing ook een belangrijke plek. Het uitvoeringsplan stimuleert een eenduidig regionaal beleid voor energieneutraliteit/aardgas loos bouwen voor nieuwbouw én bestaande voorraad. Om tot regionaal beleid te komen wordt het thema door verschillende gemeenten geadopteerd. De gemeentelijke energieloketten werken samen met het ontsluiten van onafhankelijke informatie. Daarmee worden inwoners lokaal geïnformeerd en gestimuleerd om aan de slag te gaan met energiebesparing. Ook wordt regiogemeenten ondersteuning aangeboden voor de bemensing van de lokale energieloketten, bijdragen aan wijkaanpakken, inwonersbijeenkomsten of vve-bijeenkomsten, aanvraag van landelijke en provinciale subsidies en ontwikkeling van instrumenten.
3.5.2
Warmtetransitie: elektriciteit
De warmtetransitie in Regio Foodvalley dient naar verwachting voor het grootste deel, tot zo’n 90%, met elektriciteit te worden opgelost. Daarbij gaan we er van uit dat duurzame gassen, zoals waterstof en biogas, voorlopig zeer beperkt tot niet beschikbaar zijn voor de gebouwde omgeving. Invulling is maatwerk en afhankelijk van beslissingen van woningeigenaren. Voor de hand liggende oplossingen zijn warmtepompen, WKO-installaties en eventueel collectieve WKO-installaties. Collectieve oplossingen kunnen leiden tot kostenvoordelen. Deze transitie vraagt nauwe afstemming met de ontwikkeling van het elektriciteitsnet, aangezien het een grote toename van de vraag naar elektriciteit met zich meebrengt.
3.5.3
Warmtetransitie: collectieve oplossingen
Op basis van de warmtestructuurkaart zijn er vijf warmteclusters in de regio, die in potentie geschikt zijn voor een groter warmtenet: Veenendaal, Ede-Bennekom-Wageningen, Rhenen, Barneveld en Nijkerk. Daarnaast zijn er meerdere kleine warmteclusters geïdentificeerd. Op basis hiervan kan er potentieel 8% van de gebouwde omgeving met een warmtenet op een collectieve warmtebron worden aangesloten. In een aantal van deze gebieden is al een bestaand warmtenet. Dit geldt voor Veenendaal, Ede en Wageningen. Daarnaast is in Scherpenzeel een klein warmtenet aanwezig. De verwachting is dat het warmtenet in Ede de komende jaren nog met circa 10.000 woningequivalenten uit kan breiden. Ook op overige plaatsen is ruimte voor uitbreiding. Dit is vooral afhankelijk van de beschikbaarheid van potentiële warmtebronnen. Er zijn weinig bovenlokale warmtebronnen, dus de meeste warmtenetten zullen lokale netten worden. Momenteel wordt alleen in Wageningen een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd met een bovenlokale warmtebron en bijbehorend warmtenet. Daarnaast lopen onderzoeken naar de toepassing van warmte uit oppervlaktewater en (ultra)diepe geothermie. Mogelijk ontstaan daardoor meer bovenlokale warmtenetten.
Proeftuin programma aardgasvrije wijk De Benedenbuurt Wageningen is een proeftuin in het programma Aardgasvrije wijken en ook onderdeel van het Wijk van de Toekomst programma van provincie Gelderland. Net als Nude in Wageningen. Enkele andere gemeenten onderzoeken deze mogelijkheid. Hiermee wordt de komende jaren intensief ervaring opgedaan met de wijkgerichte aanpak richting ‘aardgasvrij’, zowel wat betreft inrichting als opschaling. De ervaringen die zijn opgedaan in deze proeftuinen, kunnen de komende tijd helpen om in onze regio goed aan de slag te gaan met de warmtetransitie.
IN BEWERKING
26
Er lopen veel technische onderzoeken, o.a. (ultra)diepe geothermie, restwarmte, aquathermie, power to heat opslag, zonthermie. Bij veel van deze onderzoeken zijn de resultaten momenteel nog niet bekend. Als vervolg op de warmteatlas zijn er voor de provincie Gelderland in alle regio's quickscans gestart naar de haalbaarheid van collectieve duurzame warmtesystemen. De resultaten geven een eerste beeld van de financiële en technische haalbaarheid van een nieuwe warmtevoorziening. Een belangrijke conclusie is dat in veel scenario's de investering na 30 jaar nog niet is terugverdiend. Technisch zijn veel collectieve warmtenetten mogelijk, maar financieel zijn ze momenteel (nog) niet haalbaar.
IN BEWERKING
27
4 Wetten en praktische bezwaren: Voorwaarden en investeringen 4.1 4.1.1
Scheppen van voorwaarden door publieke partijen De RES borgen in omgevingsbeleid van gemeenten en provincies
De RES heeft de status van een bestuurlijk samenwerkingsdocument. Het is dus geen juridisch ruimtelijk instrument. Het borgen van de RES gebeurt in lokaal (en provinciaal) beleid in de instrumenten van de Omgevingswet (Omgevingsvisie en Omgevingsplan). Samenwerking hierin tussen gemeenten – binnen de regio – vindt plaats wanneer dat van meerwaarde is, bijvoorbeeld bij grensoverschrijdende projecten. Na vaststelling van de RES 1.0 werken we uit hoe om te gaan met het instrument milieueffectrapportage (MER). Een MER moet sowieso lokaal per project worden gemaakt. Gezamenlijk onderzoek naar milieu- en natuureffecten kan meerwaarde hebben voor overkoepelende thema’s. Ook kunnen we samen criteria opstellen voor het onderzoek dat op locatie wordt gedaan. Daarmee harmoniseren we de inhoud en het proces. Of we ook op regionaal niveau een MER gaan opstellen, bepalen we in een later stadium. We willen voorkomen dat een gezamenlijk MER verouderd is op het moment dat voor individuele projecten een MER nodig is. Vanuit het NP RES en de Commissie m.e.r. worden pilots georganiseerd om inzicht te krijgen in de mogelijke bijdrage van een MER in het RES-proces. Als dit van meerwaarde is voor onze regio, dan zullen we daaraan meedoen. De publieke partijen (gemeenten, provincies, waterschap) vormen een ambtelijke begeleidingsgroep Omgevingsbeleid.
Daarin vindt afstemming plaats over de borging van de RES in lokaal beleid.
4.1.2
Organiseren van inspraak en participatie
Participatie bij het ontwikkelen van de Regionale energiestrategie Het maken van de Regionale Energiestrategie (RES) vraagt een nieuwe manier van (bestuurlijk) samenwerken. Eén van de vragen die daarbij rijst is: wanneer vindt participatie plaats, zowel formeel als informeel en wanneer op regionaal en op lokaal niveau? De RES1.0 Regio Foodvalley is een strategische regionale verkenning en geen ruimtelijk instrument. Met alle betrokken partijen aan het Stakeholderoverleg1 is onderzocht wat we willen bereiken op het gebied van het grootschalig opwekken van duurzame energie en hoe we dat zouden kunnen bereiken. Dat hebben we gedaan door samen met experts kennis op te doen in werkateliers/studieopdrachten. Bijvoorbeeld over hoeveel energie al opgewekt wordt in de regio of hoe het landschap in elkaar zit en waar het opwekken van duurzame energie mogelijk of onmogelijk is. Die gezamenlijk ontwikkelde kennis is ingebracht in het Stakeholderoverleg. Op die manier maken zij samen de RES. Afzonderlijke overheden brengen hierin ambities in, die zij al eerder verankerd hebben, of nog gaan verankeren in hun ruimtelijk beleid met de daarbij behorende inspraak. Daarom lag bij het proces naar de RES 1.0 de focus op informele participatie: het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden voorafgaand het officiële besluit over de RES 1.0.
Dat vond enerzijds lokaal plaats rond de ambities van elke gemeente (zoals Structuurvisie, Energievisie) en anderzijds regionaal door het oprichten van een Burgerforum. Formele participatie met terinzagelegging vindt plaats op het moment dat ambities worden vastgelegd in ruimtelijk (lokaal) beleid conform de gemeentelijke inspraakverordeningen.
Aan het Stakeholderoverleg doen vertegenwoordigers van veel verschillende organisaties mee. Ieder brengt zijn eigen belang in. De partijen zoeken gezamenlijk naar de beste oplossingen voor hoe en waar duurzame energie opgewekt kan worden in de regio. Daarbij gebruiken ze de kennis uit werkateliers. Ze zoeken oplossingen waarbij met zoveel mogelijk belangen rekening wordt gehouden. Gezamenlijk hebben de deelnemers criteria vastgesteld om oplossingen te kunnen afwegen (pdf, 110 KB). De vertegenwoordigers van de partijen die deelnemen aan dit Stakeholderoverleg informeren zelf hun achterban. 1
IN BEWERKING
28
Lokale participatie In de Stuurgroep RES in november 2019 is afgesproken dat gemeenten participatie over eigen ambities, beleid en projecten lokaal inrichten met hun eigen inwoners en bedrijven. Omdat participatie altijd maatwerk is, bepalen gemeenten zelf welke participatiedoelen het best nagestreefd kunnen worden, op welk moment en op welke manier. Bij initiatieven voor de opwek van duurzame energie is participatie afhankelijk van de fase van de planvorming en het beleid van de gemeente op dit vlak. Maar ook van de keuze van de gemeente over de mate en vorm van betrokkenheid van inwoners. Komen projecten voor zonne- of windprojecten in uitvoering, dan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het participatietraject. Het eventueel door de gemeente opgestelde beleidskader is hiervoor richtinggevend. De gemeente kan hierbij faciliteren. In bijlage x staat per gemeente aangegeven op welk beleid de bijdrage van de gemeente aan de RES is of nog wordt gestoeld. Maar ook welke stappen daarvoor doorlopen zijn en hoe, wanneer en met wie participatie plaats heeft gevonden onderweg naar de RES 1.0. Het advies van het burgerforum is om bewoners blijvend, tijdig en actief te betrekken bij de uitwerking van de plannen en de uitvoering met hulp van een bewonerspanel naar voorbeeld van de jonge klimaatbeweging.
Het burgerforum benadrukt het belang van open communicatie en het bespreken van heikele punten in plaats van ze te verdoezelen. Daarnaast is het advies om de communicatie te stroomlijnen, regionaal en lokaal en de communicatie en participatie met inwoners te blijven professionaliseren. Belangrijke onderdelen hierin zijn: •
Harmonisatie van communicatie op verschillende (overheid)niveaus.
•
Steeds het belang van energietransitie onder de aandacht blijven brengen.
•
Verbinding houden met ontwikkelingen op nationaal niveau.
•
Succesverhalen delen en kunnen omgaan met desinformatie.
Het verder vormgeven hiervan is een belangrijk onderdeel van het uitvoerings- en samenwerkingsprogramma (zie hoofdstuk 5). Organiseren van formele inspraak Bij het vaststellen van de RES is een formele inspraakprocedure nog niet aan de orde. Het is geen ruimtelijk instrument en het is nog niet concreet genoeg. Bovendien doorlopen we verschillende participatietrajecten om aan de voorkant gebruik te maken van de kennis, motivaties en ideeën van belanghebbenden. De RES wordt in het vervolgproces geborgd in lokaal en provinciaal omgevingsbeleid. Daarbij is inspraak wel aan de orde. Hiervoor wordt een termijn voor terinzagelegging gehanteerd van 6 weken. Binnen deze termijn kan iedereen een zienswijze inbrengen. Voor de omgevingsvergunningen geldt een algemene voorbereidingsprocedure. De beslistermijn in deze reguliere procedure is 8 weken. Daarna is er nog bezwaar, beroep en hoger beroep mogelijk. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn eenmalig verlengen met 6 weken (artikel 16.64 lid 2 Omgevingswet). Vergunningstrajecten voor projecten voor het grootschalig opwekken van duurzame energie zullen vaak echter opgeschaald worden naar een uitgebreide procedure. Het gaat immers meestal om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben.
4.1.3
Ondersteunen door het rijk
Om onze ambities mogelijk te maken is het nodig om financiële en procedurele belemmeringen weg te nemen. Dit geldt in het bijzonder voor onze wens om capaciteit van zon op daken en restgronden zo veel mogelijk te benutten. De investering is financieel niet altijd voldoende rendabel. Wanneer dat (in theorie) wel het geval is,
IN BEWERKING
29
ontbreken soms juridische instrumenten om de investering af te dwingen. Een aantal belemmeringen maakt dat de groei van zon op daken onvoldoende van de grond komt: We constateren in de praktijk dat de bestaande SDE-subsidies onvoldoende bijdragen aan het maximaal
•
inzetten van de no-regret optie: de bovenste treden van de zonneladder. Dakeigenaren stellen investeringen uit vanwege onvoldoende rendement en de onzekerheid rond subsidieregelingen. De verzekeringspremie kan stijgen door het installeren van een zonnestroominstallatie. Ook kunnen er
•
zware eisen gesteld worden vanuit verzekeraars. Hypotheekverstrekkers hebben problemen met het recht van opstal dat regelmatig op het dak gevestigd moet worden i.v.m. de installatie. Bij nieuwbouwprojecten worden daken en gevels niet of onvoldoende benut voor zonnepanelen. Veel
•
gemeenten stimuleren ontwikkelaars hun daken in te zetten voor zonnepanelen. Dit is niet juridisch op te leggen volgens het huidige bouwbesluit. Ook de nieuwe BENG regelgeving heeft deze verplichting nog niet op die manier opgenomen. Het Rijk wil gemeenten de mogelijkheid gaan geven om dakeigenaren te verplichten hun dak te
•
benutten voor zonne-energie wanneer dit binnen afzienbare termijn kan worden terugverdiend. Duidelijkheid over deze regelgeving is wenselijk om dakeigenaren te stimuleren en achterblijvers te activeren. Daarom vragen we het Rijk om de subsidiemogelijkheden voor zon op daken en restgronden te verruimen. Daarbij denken we ten eerste aan optimalisatie en continuering van de SDE++-subsidie. Alle regio’s hebben knelpunten aangegeven in hun concept-RES. De onafhankelijke werkgroep Zon op daken is opgericht om te adviseren over knelpunten op dit onderwerp. In navolging van deze werkgroep roepen we op om de instelling van een RES-kwaliteitsbudget te verkennen, los van de SDE. Dit budget is gericht op de financiering van de ‘extra onrendabele top’. Die kan regionaal ontstaan door het verbinden van lokale maatschappelijke wensen aan projecten op het gebied van ruimtegebruik, natuur en landschap en de wens om maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak te organiseren. Een kwaliteitsbudget is een noodzakelijke en gerichte aanvulling om te komen tot gedragen en duurzame projecten. Wij willen dit budget benutten voor een landschapsfonds. Daarmee kunnen we exploitatieverschillen compenseren (tot ca. 3 cent per KWh) die ontstaan bij minder efficiënt aan te sluiten “restgronden” of bij zorgvuldige landschappelijke inpassing. Daarnaast pleiten we voor aanscherping van de regelgeving.
Zodanig, dat (bij een rendabele businesscase) de verplichting kan worden opgelegd om daken en gevels van nieuwe gebouwen volledig te benutten voor zonneenergie, ongeacht de functie of het energieverbruik van het gebouw. Tot slot vragen wij van het Rijk om met verzekeraars, hypotheekverstrekkers en andere belanghebbenden te onderzoeken hoe bij het verstrekken van verzekeringen en hypotheken beter rekening kan worden gehouden met het belang van duurzame opwek van energie.
4.2
Faciliteren netcapaciteit door netbeheerders
4.2.1
Kansen en belemmeringen netinfrastructuur
De komende jaren gaat het hele energiesysteem van elektriciteit, gas en warmte ingrijpend veranderen. Deze grote opgave biedt zowel kansen als belemmeringen. Door een toenemende vraag en terug levering van stroom staat het elektriciteitsnet steeds vaker onder druk. Het net moet dan ook sterk worden uitgebreid. Dit vraagt een grote investering (300 – 400 miljoen tot 2030 – check nodig), waarbij steeds de afweging moet worden gemaakt op basis van maatschappelijke meerwaarde conform de toetsingskaders van de netbeheerders en de ACM. De ontwikkeling en de installatie van met name zonnepanelen neemt in aandeel en tempo dusdanig toe dat de netbeheerders deze aanpassingen aan het net niet overal en/of op tijd kunnen realiseren. De kabels liggen onder de grond, er is te weinig technisch personeel en er gaan hoge maatschappelijke kosten mee gemoeid.
IN BEWERKING
30
Capaciteitsproblemen Op verschillende locaties in Regio Foodvalley hebben we hiermee te maken. Zo zien we in het buitengebied van Barneveld en Scherpenzeel dat er capaciteitsproblemen op het net ontstaan. Nieuwe aanvragen voor het aansluiten van boerendaken op het bestaande net zijn daardoor niet altijd mogelijk. Maar ook in een relatief nieuwe woonwijk in Veenendaal zagen we dat zonnepanelen afschakelden door krapte in het lokale net. Dat heeft te maken met het oorspronkelijke ontwerp van de netinfrastructuur. Van oudsher zijn de kabels naar de woningen in de bestaande bouw geschikt voor lagere vermogens, doordat de vraag daar ook minder was en bovendien zijn de netten daar niet berekend op grote hoeveelheden terug levering van stroom aan de netbeheerder. De lokale netbeheerders Liander en Stedin voorzien onze regio van kabels en aansluitingen die nodig zijn voor de levering en terug levering van energie. De landelijke netbeheerder van het hoogspanningsnet is Tennet. Om proactief te kunnen investeren in aanpassingen van het net zijn de netbeheerders intensief betrokken bij het uitwerken van de RES, de werkateliers en de stakeholder overleggen. Knelpunt bij ambitie zon op dak Liander en Stedin hebben de plannen uit de RES doorgerekend en op basis daarvan een net impact rapportage opgesteld.
Daarin staat welke impact de plannen hebben op het energienet en de daarmee samenhangende consequenties. Daarbij is rekening gehouden met een uitbreiding van het net, dat past binnen de investeringskaders van de netbeheerders. Uit deze doorrekening blijkt vooral een knelpunt bij onze grote ambitie voor zon op dak. Allereerst zijn niet alle daken geschikt voor zonnepanelen vanwege beperkt geschikt dakoppervlak (door dak obstakels en de constructie). De realiseerbaarheid van die ambitie kent ook vanuit oogpunt van netcapaciteit belangrijke beperkingen. Bij een geschikt dak is ook een geschikte aansluiting met verbruik en vermogen nodig om zonnepanelen aan te kunnen sluiten en terug levering van energie mogelijk te maken. Dit vraagt in veel gevallen, en vooral in het buitengebied, aanpassing van het net. De netbeheerders schatten in dat rekening houdend met bovengenoemde redenen dat 50% van de gemeentelijke voornemens voor zon op dak (zoals toegelicht in Hoofdstuk 3) in ieder geval gerealiseerd kan worden. Daarmee is er een risico dat een deel van deze voornemens, circa 0,2 TWh, niet gerealiseerd kan worden. Kansen voor efficiënt omgaan met ruimte op het net Er zijn beperkingen, maar er is ook veel mogelijk wanneer efficiënt omgegaan wordt met de huidige beschikbare ruimte op het net.
Om het energienet zo efficiënt mogelijk te gebruiken, zetten we in op clustering van duurzame opwek, op die locaties waar een goede balans tussen wind en zon mogelijk is. Vanuit het perspectief van de netbeheerders zou een groter aandeel van windenergie in de energiemix een grotere ambitie haalbaar maken. Hiermee kunnen we opwek sneller aansluiten, besparen we op maatschappelijke kosten en hebben we minder ruimte in de fysieke leefomgeving nodig. Goede afwegingen maken: regie, programmering en samenwerking De analyse van de netbeheerders toont dat de ambitie van 1,0 TWh kan worden aangesloten als maximaal rekening wordt gehouden met ontwerpprincipes voor het optimaal benutten van netcapaciteit. In die analyse is het aandeel windturbines groter dan in de voornemens die tot dusverre door gemeenten naar voren zijn gebracht. Uit de analyse wordt duidelijk op welke locaties netuitbreidingen nodig zijn en waar de realisatie voor 2030 twijfelachtig is. Deze analyse kan het startpunt zijn in de zoektocht van de regio en de gemeentes naar aansluitlocaties met hoge aansluitkans vóór 2030 en een samenwerking met de netbeheerder om een uitvoeringsprogramma te starten. Uitbreiding van energie infrastructuur kent langere doorlooptijden dan de ontwikkeling van duurzame opwek.
Wanneer aanpassingen aan het net nodig zijn, vraagt dit om planmatig werken en het starten met plekken waar de mogelijkheden al wel aanwezig zijn. En als we aanpassingen in de openbare ruimte doen, willen we dit koppelen aan andere opgaven waarvoor de grond opgebroken moet worden.
IN BEWERKING
31
Denk aan laadpalen, warmtevoorziening en riolering. Dit voorkomt hinder en dubbel inzetten van schaars technisch personeel. Het maken van goede afwegingen hierin vraagt regie, programmering en samenwerking. In deze RES wordt daar een eerste stap in gezet, maar onze samenwerking gaat door en zal leiden tot steeds concreter inzicht in de opgave en afspraken over programmering van projecten en investeringen.
4.2.2
Fasering en prioritering
Het is belangrijk dat de energie-infrastructuur in de toekomst betaalbaar, betrouwbaar en toegankelijk blijft voor iedereen. Wanneer er veel nieuwe netinfrastructuur moet worden gebouwd om zoekgebieden te kunnen ontsluiten, leidt dit tot extra kosten voor de energietransitie. Het doelmatig investeren vraagt om vooruitplannen, scenario denken en inschattingen maken van de energiebehoefte op de lange termijn (en de bron daarvoor). De vereiste aanpassingen zijn ingrijpend. Deze kunnen niet overal tegelijkertijd worden gerealiseerd. Het is noodzakelijk om in een zo vroeg mogelijk stadium samen te werken, te plannen en te programmeren. Dit vraagt een hoge mate van samenwerking en integraliteit tussen de netbeheerder en andere partijen zoals overheden, woningbouwcorporaties en initiatiefnemers. Werken met een inpassingsladder Op voorstel van de netbeheerders hanteren we een inpassingsladder om de zon op dak opgave succesvol in te passen. Het aansluiten van de volledige zon op dak ambitie is waarschijnlijk niet reëel. Echter, het aandeel dat in 2030 succesvol aangesloten is, hangt sterk af van onze keuzes. De inpassingsladder geeft voorkeur aan projecten met lage impact op het net en een hoge realisatiekans. De netbeheerders zullen daarvoor uitwerken wat de mogelijkheden zijn van opwek zonder terug leveren.
Er is ingeschat welk stroomverbruik bedrijven hebben met geschikte daken voor ‘grootschalig zon op dak’ tijdens de uren dat de zon schijnt. De inpassingsladder hanteert een aansluitvolgorde met als eerst de projecten 1) zonder terug levering aan het net en/of 2) op gunstige netlocaties (bij klanten met groot stroomverbruik). Deze projecten vereisen geen tot weinig netaanpassingen en hebben een relatief korte doorlooptijd.
1.
De capaciteitsvraag op minder gunstige locaties stap 3 en 4 zou integraal moeten worden benaderd. Het vraagt strategische programmering, zodat er tijd is de uitbreiding te realiseren. Dat houdt in het afstemmen van de planning en realisatie van duurzame opweklocaties op de beschikbare en nieuwe netcapaciteit. Zowel in ruimte (prioritering) en tijd (fasering), voor de korte en lange termijn en op basis
IN BEWERKING
32
van een integrale, publieke afweging. Onderdeel daarvan is ook het zoeken naar oplossingen om het net efficiënter te gebruiken. Deze intensievere samenwerking tussen netbeheerders, initiatiefnemers en overheden werken we het komende jaar verder uit.
4.3
Financieel participeren door de lokale gemeenschap
4.3.1
De meerwaarde van lokaal eigenaarschap
Om de (directe) omgeving bij een energieproject te betrekken, is lokaal eigenaarschap heel belangrijk. Lokaal eigenaarschap draagt bij aan een eerlijke verdeling van de lusten en de lasten van een project. Bij lokaal eigenaarschap zijn bewoners en ondernemers uit de lokale gemeenschap collectief betrokken als (mede) eigenaar van een zonneveld of een windmolen. Zij hebben ook zeggenschap over de onderneming inclusief de bestemming van winst, dividend en financiering en dragen ook (mede) het risico. De overwinst (boven het vereiste rendement) vloeit hierbij zo veel mogelijk terug naar de omgeving. Om naast participanten, de hele omgeving mee te laten genieten van het project, kunnen ook verbeteringen van de leefomgeving worden opgenomen in de budgetten en/of uit de overwinsten betaald worden. Een belangrijk aspect bij lokaal eigenaarschap is de mate waarin de omgeving mee kan doen. Lokaal eigenaarschap wordt ingevuld door de initiatiefnemer(s). Bij lokaal eigenaarschap wordt eerst de belangstelling in de directe omgeving van het project geïnventariseerd, daarna in de betrokken gemeentes en tenslotte in de regio. Gemeenten geven daarbij aan wie ten minste moeten worden geïnformeerd en benaderd (bijvoorbeeld een afstand tot het project, selectie van gemeenten). Ook kan een uiterste grens worden benoemd waar in eerste instantie naar deelnemers moet worden gezocht.
Uiterste grens kan bijvoorbeeld een cirkel met radius of selectie van gemeenten zijn. Naast het ruimtelijke aspect moet ook maatschappelijk worden gekeken. Ook minderdraagkrachtige inwoners zouden mee moeten kunnen doen. Om inwoners en ondernemers te kunnen laten meedoen, moeten ze ook hebben kunnen meedenken. Deze participatie kan ook vormgegeven worden door bijvoorbeeld het oprichten van een gebiedsraad. Het bevoegd gezag beoordeelt of het proces goed is doorlopen en of de omgeving in voldoende mate is betrokken. De mate waarin lokaal eigenaarschap wordt gerealiseerd, neemt een belangrijke plaats in bij de afweging of een initiatief voor het opwekken van duurzame energie op land doorgang kan hebben.
4.3.2
Afspraken over lokale borging
Om de ambitie van minimaal 50% lokaal eigendom te kunnen borgen in beleid, stellen we op regionaal niveau een ambitie, de kaders en de definitie op voor lokaal eigenaarschap. Wij werken een regionaal kader uit dat lokaal wordt geborgd voor alle vergunning plichtige projecten voor het opwekken van hernieuwbare energie op land. Wanneer daarvan wordt afgeweken, moet dit goed worden onderbouwd. Dit regionale kader wordt (met eventuele aanvullingen) opgenomen in het lokale beleid van de acht gemeenten in Regio Foodvalley. Op grond hiervan is het helder voor initiatiefnemers, inwoners en ondernemers: •
Wat de lokale eisen zijn voor lokaal eigenaarschap en participatie. Op basis van het kader kan er per initiatief vooraf getoetst worden of aan de voorwaarden is voldaan om planologische medewerking te verlenen.
•
Welke positie inwoners en ondernemers kunnen hebben in opwekprojecten.
•
Op welke manier de gemeente hierin faciliteert.
Het realiseren van minimaal 50% is een lange termijnverplichting. We willen dat die lokale betrokkenheid blijft in de hele exploitatiefase. Het is niet de bedoeling dat na realisatie het “lokale deel” van het project wordt doorverkocht buiten de lokale omgeving en zo de gewenste lokale betrokkenheid in de regio wegvalt. We zullen nader onderzoeken hoe we dit kunnen bereiken.
IN BEWERKING
33
Er is ruimte voor maatwerk. Wanneer een gemeente wil afwijken van het regionaal kader, dan is er lokaal maatwerk mogelijk. De gemeente meldt dit dan aan de regio. Elke gemeente bepaalt zelf haar rol in energieprojecten. Dit kan bepaald worden per project en uniform in lokaal beleid worden vastgelegd: •
Een actieve rol waarbij de gemeente een energieproject ontwikkelt op eigen grond.
•
Een faciliterende rol, waarin initiatiefnemers en inwoners en ondernemers worden begeleid in (een deel van) het participatietraject.
•
Een uitnodigende rol, waarbij via een maatschappelijke tender een project wordt aanbesteed. Hierbij wordt verondersteld dat er meer initiatiefnemers inschrijven dan dat er projecten zijn. Door het creëren van deze schaarste en dus concurrentie, kan een gemeente extra eisen mee laten wegen bij de keuze voor een initiatief. Bijvoorbeeld het opnemen van een resultaatsverplichting voor het realiseren van minimaal 50% lokaal eigenaarschap.
•
4.3.3
Een meer passieve rol waarbij op basis van lokaal beleid een project wel of niet wordt toegelaten.
Ondersteunen van projectontwikkeling en lokaal eigenaarschap
Wij willen de kans op succesvolle invulling van lokaal eigenaarschap vergroten door ondersteuning langs een aantal lijnen. Die zullen we verder uitwerken in een regionaal samenwerkingsprogramma: •
Voordat er een vergunning aangevraagd kan worden voor het opwekken van hernieuwbare energie op land, is er nader onderzoek nodig. Om dit onderzoek te kunnen financieren, willen we een regionaal revolverend ontwikkelfonds instellen. Dit fonds maakt het mogelijk om de kosten die gemaakt worden in de fase tot het verlenen van de vergunning te voorfinancieren. Hierbij moet het risico dat de vergunning niet verleend wordt, door dit fonds worden afgedekt. Dit geeft ruimte aan lokale initiatieven om te starten met de eerste onderzoeksfase van een project.
•
Om kennis en praktische tools te bundelen, adviseren we een regionaal versnellingsteam in te stellen. Vanuit dit versnellingsteam kan dan onder andere advies gegeven worden over onderwerpen die lokaal eigenaarschap aangaan. Bijvoorbeeld het opstellen van samenwerkingsovereenkomsten en contracten. Hiervoor is het noodzakelijk dat er tenminste juridische, fiscale en financiële kennis aanwezig is.
•
Beginnende energiecoöperaties zijn in de regel niet in staat om deel te nemen aan een groot project. Het helpt als de meer ervaren samen met de recent gestarte energiecoöperaties samen een uitvoeringsorganisatie oprichten. Om dat van de grond te tillen is een eenmalige impuls nodig.
•
Met een garantstelling voor een goedkopere lening bij de BNG of de Waterschapsbank, is het mogelijk om deelname van minder draagkrachtige inwoners aan opwekprojecten mogelijk te maken. Die lening moet uiteraard ook daarvoor worden gebruikt.
4.4
Investeren en realiseren door private partijen
Het slagen van de energietransitie is in grote mate afhankelijk van de bereidheid van private partijen om erin te investeren. Wij schatten in dat het komende decennium zo’n 400 tot 600 miljoen aan private investeringen nodig is om onze ambities waar te maken. De ondernemers en ontwikkelaars willen graag bijdragen aan kansrijke én maatschappelijk gewenste projecten. De private partijen ondersteunen de ambitie om 50% eigenaarschap te realiseren en zetten zich in om daar een succes van te maken. Dit vereist enerzijds zicht op rendement, en anderzijds de mogelijkheid om slagvaardig te ondernemen. Dit vraagt een faciliterende en ondersteunende overheid en tempo in procedures. De ondernemers in de regio gaan op meerdere manieren bijdragen aan de uitvoering van de RES: Samenwerking in de randvoorwaarden:
IN BEWERKING
•
34
Deelname in de regionale samenwerking en sturing op de uitvoering van de RES. Daarbij wordt verkend hoe goed kan worden aangesloten op de Economic Board van Regio Foodvalley.
•
In samenwerking met gemeenten en energiecoöperaties de kaders voor 50% lokaal eigenaarschap verder uitwerken.
•
Bijdragen met praktijkkennis, bijvoorbeeld door plannen op realisme te beoordelen of te adviseren over inrichting van een ontwikkel- of landschapsfonds.
•
Bijdragen aan een lobby naar de rijksoverheid voor aanvullende financiering voor onrendabele (maar maatschappelijk gewenste) investeringen.
•
Verkennen hoe kan worden bijgedragen aan de ambitie om de energietransitie zoveel mogelijk te laten bijdragen aan de regionale werkgelegenheid.
Samenwerking in de uitvoering: •
Realisatie van grootschalige energieprojecten door ontwikkelaars en energiecoöperaties. Dit vraagt voldoende financiële incentives en een nauwe samenwerking met de gemeente om tot een haalbaar, landschappelijk ingepast en maatschappelijk gedragen plan te komen.
•
Realisatie van een zo groot mogelijk areaal aan zon op boerendaken. Daarvoor zijn met name kansen in de directe nabijheid van een grootschalige ontwikkeling met wind en/of zon, zodat daar de basis ontstaat voor een rendabele “stekkerdoos” waarop dakpanelen kunnen worden aangesloten. Deze geclusterde ontwikkeling vraagt intensieve samenwerking tussen boeren, ontwikkelaars, netbeheerder en gemeente.
•
Realisatie van zo groot mogelijk areaal aan zon op daken op bedrijventerreinen. Dit vraagt actief projectmanagement door clustering van bedrijven via lokale coöperaties en/of bedrijvenkringen om samen daken vol te leggen. Ook de ontwikkeling van kleine windmolens op bedrijventerreinen kan bijdragen.
•
Realisatie van een zo groot mogelijk areaal aan zon op daken van het vastgoed van woningbouwcorporaties en particuliere vastgoedeigenaren. Dit vraagt financiële incentives om tot rendabele businesscases te komen.
IN BEWERKING
5
35
Organiseren van het vervolgproces
Met deze RES bieden we een gezamenlijke en realistische visie en strategie voor het opwekken van 0,75 TWh aan duurzame energie uit wind en zon voor 2030. Onze ambitie blijft om uiteindelijk 1 TWh in 2030 1 TWh, mits dit realistisch is. Dit werken we de komende periode verder uit. We gaan onze dromen omzetten in daden en deze RES samen uitvoeren: overheden, inwoners, netbeheerders, ondernemers en maatschappelijke organisaties! Om te borgen dat de plannen waargemaakt worden maakten we een aantal afspraken over de borging, uitvoering en samenwerking in het vervolgproces. De regionale energiestrategie is niet alleen een document. Het is ook een iteratief proces in het samen realiseren van de strategie, het is van elkaar te leren en wendbaar zijn in onze aanpak. Dat is nodig om de juiste stappen in gang te zetten naar een energie neutrale regio in 2050. De complete regionale energieopgave kan immers niet in één keer in de RES kan worden opgelost. Daarvoor is nog te veel onzeker en in ontwikkeling. Daarom herijken we - net als iedere RES-regio in Nederland - iedere twee jaar de RES op grond van nieuwe inzichten, innovaties of ervaringen.
5.1
Borging van de RES in lokaal beleid en regionale afspraken
Om tot daden te komen is het nodig dat de regionale energiestrategie wordt uitgewerkt tot concrete projectinitiatieven en dat we er gezamenlijk voor zorgen dat de plannen gerealiseerd worden. Met deze RES committeren alle deelnemende partijen zich aan het bod van 0,75 TWh, aan onze visie en uitgangspunten voor duurzame opwek en de realisatie ervan. We werken daarin regionaal samen, volgens het solidariteitsprincipe dat iedere partij bijdraagt naar vermogen. Om dit bestuurlijk te verankeren, stellen we in het tweede kwartaal van 2021 een bestuursovereenkomst vast. Daarin nemen we concrete afspraken op over de volgende onderwerpen: 1.
Besparing: we maken ons hard voor een ambitie van 1,5% per jaar en ontwikkelen een gezamenlijk versnellingsprogramma.
2.
Zon op daken en restgronden: we benutten zoveel mogelijk de kansen voor zon op daken en restgronden. Om dit waar te maken starten we een intensieve samenwerking tussen overheden, netbeheerders en het regionale bedrijfsleven.
3.
Omgevingsbeleid: iedere gemeente spant zich in om de zoekgebieden voor wind en de plannen voor zonneenergie vast te leggen in lokaal omgevingsbeleid en voor 1 januari 2025 de vergunningenprocedures af te ronden. De plannen die al zijn opgenomen in lokaal en provinciaal bestaand beleid worden zoveel mogelijk voor 2030 gerealiseerd.
4.
Lokaal eigenaarschap: we werken op regionaal niveau een kader uit voor borging van lokaal eigenaarschap in gemeentelijk beleid, met ruimte voor maatwerk.
5.
Aanvullende mogelijkheden: gemeenten gaan actief door met verkenningen voor aanvullende opwekmogelijkheden. De kansen worden betrokken in het proces naar RES 2.0 en verder opgepakt met relevante partijen en met maatschappelijke betrokkenheid (onder lokale regie).
6.
Warmte: iedere gemeente heeft eind december 2021 de Transitievisie warmte gereed. Op basis hiervan wordt in het proces naar RES 2.0 de Regionale Structuur Warmte concreter uitgewerkt.
7.
Voortgang en resultaten boeken: we monitoren de voortgang, continueren de goede samenwerking en zorgen dat we tijdig bijsturen. We maken daarom de afspraak om het vervolgproces, organisatie en middelen uit te werken in een bestuurlijk gedragen Uitvoerings- en Samenwerkingsprogramma.
8.
Organisatie en middelen: we borgen de randvoorwaarden om dit proces te continueren. Dat doen we door een budget voor samenwerking, versnellingsprojecten in te bedden in de regionale governance-structuur.
9.
Fondsvorming en garantstelling: we verkennen de instelling van een landschaps- en ontwikkelfonds, en de mogelijkheden voor financiële garantstelling voor leningen aan (leden van) energiecoöperaties.
IN BEWERKING
36
10. Regionaal versnellingsteam: we werken het voorstel voor een publiek-privaat Regionaal versnellings- en expertiseteam verder uit.
5.2
Vervolgproces, organisatie/governance en middelen
Om de plannen en afspraken uit de RES daadwerkelijk te realiseren is het van belang om een iteratief en lerend vervolgproces in te richten. De energietransitie is complex, vol onzekerheden en aan verandering onderhevig. Dit vraagt om interbestuurlijke samenwerking, coördinatie en ondersteuning voor die zaken die gemeente of project overstijgend zijn. Daarom continueren we de samenwerking tijdens de uitvoering. We monitoren de (tussen) resultaten, sturen waar nodig bij en werken samen verder aan de RES 2.0. Daartoe ontwikkelen we een gezamenlijk Uitvoerings- en Samenwerkingsprogramma. Dit programma werken we in het 2e kwartaal van 2021 verder uit, resulterend in de hiervoor genoemde bestuursovereenkomst. Daarin onderscheiden we vooralsnog vier onderdelen: 1.
Plannen maken en processen inrichten: RES 2.0, Regionale Structuur Warmte, programmeren netinfrastructuur.
2.
Projecten uitvoeren: borging in lokaal beleid, realisatie, publiek-private ‘versnellingsprojecten’.
3.
Monitoring, kennisuitwisseling, afstemming: liggen we op koers? Borgen integraliteit en efficiency.
4.
Interbestuurlijk samenwerken en sturen: bijsturen, issues oplossen, versnellen, escaleren, successen.
5.2.1
Plannen maken en processen inrichten
De RES wordt tweejaarlijks geactualiseerd zodat de nieuwe ontwikkelingen meegenomen kunnen worden. Daarnaast is de RES 2.0 een moment om de ambitie te actualiseren en nieuwe (onder)zoekgebieden te verkennen voor 2050. Een aantal opgaven wordt na de RES 1.0 nog verder uitgewerkt zoals de Regionale Structuur Warmte en het programmeren van netinfrastructuur: •
Warmte: iedere gemeente stelt voor het einde van het jaar zelf een Transitievisie Warmte op. Op basis daarvan wordt in regionaal verband de Regionale Structuur Warmte verder vormgegeven. De plannen voor de warmtetransitie hebben ook gevolgen voor duurzame opwek en netinfrastructuur. In het bestuurlijk overleg Wonen en Duurzaamheid wordt de integraliteit tussen warmte, duurzaamheid en de woonopgave geborgd.
•
Netinfrastructuur: om de plannen te kunnen realiseren is het van belang om doelmatig en gefaseerd aanpassingen te doen aan het net. Wij ontwikkelen de komende periode een integrale aanpak voor het plannen en prioriteren van de benodigde uitbreiding in het net met een betere balans in vraag en aanbod van elektriciteit. Dit doen we in samenhang met andere ontwikkelingen. Zoals de ombouw van gebouwde omgeving, economische ontwikkeling, landbouw, elektrificatie van de industrie en mobiliteit.
37
IN BEWERKING
De samenhang in de opgaven vraagt om regionale en gebiedsgerichte samenwerking: met de woningbouwcorporaties, gemeenten, nutsbedrijven en energiecoöperaties en energieloketten.
5.2.2
Ondersteuning van de uitvoering
De belangrijkste stap op weg naar een energie neutrale regio is dat de plannen ook gerealiseerd gaan worden. Hierin is een aantal categorieën te onderscheiden. •
Lokale initiatieven en gemeentelijke plannen op het gebied van besparing, warmte en duurzame opwek. De lokale initiatieven gebeuren onder regie van de desbetreffende gemeente of organisatie.
•
Versnellingsprojecten. Die stellen we gezamenlijk vast om de benodigde versnelling op een aantal thema’s te kunnen realiseren: 1.
Energiebesparing.
2.
Participatie en communicatie in de energie- en warmtetransitie.
3.
Innovatie: verkennen en mogelijk maken experimenten met waterkracht, smart grids, groen gas en waterstof.
4.
Impuls voor lokale initiatieven: regionaal revolverend ontwikkelfonds, garantstelling lening, eenmalige impuls voor gezamenlijke uitvoeringsorganisatie van energiecoöperaties.
5.
Versnellingsteam voor zon op dak (Stimuleren en faciliteren verduurzaming bedrijfsleven, wegnemen knelpunten SDE++, netbeheer).
5.2.3
Monitoring, kennis delen en afstemming
Overheden, ondernemers, corporaties en vele andere partijen werken allemaal aan het realiseren van de energietransitie in de regio. Het is belangrijk om zicht te houden op de voortgang en tussentijds te kunnen sturen op resultaat. Maar ook om tijdig verbanden te kunnen leggen tussen verschillende regionale opgaven zoals de ruimtelijke verkenning, de regiodeal en de verstedelijkingsstrategie. Daarom werken we een monitoringsprogramma uit met eenduidige indicatoren. Manieren waarop dit zou kunnen: regionaal digitaal dashboard of Pl&C voortgangsrapportage. Hierover maken we afspraken in het Uitvoerings- en samenwerkingsprogramma. Door samen te werken in regionaal verband kunnen we optimaal en efficiënt kennis en ervaringen uitwisselen en daardoor samen meer bereiken.
5.2.4
Interbestuurlijk samenwerken en sturen
Goed blijven samenwerken is een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van onze doelen. Het fundament dat is opgebouwd willen we behouden. De energietransitie is een interbestuurlijke opgave. Het Klimaatakkoord beoogt met de RES’en een langjarige regionale samenwerking, want we hebben elkaar hard nodig bij deze complexe opgave. De samenwerking verhoogt slagkracht en behoud van tempo. Bovendien los je problemen gemakkelijker samen op. Als regio is het makkelijker om informeel in nauw contact te blijven met het Rijk. Op basis van de voortgang bespreken of we op koers zitten. Zo ja, dan vieren we samen successen en zorgen dat we elkaar blijven inspireren. Zo niet, dan gaan we bijsturen. We passen onze strategie aan op het moment dat er nieuwe ontwikkelingen zijn, zoals alternatieve technieken. We evalueren gezamenlijk het proces tot nu toe. Op basis daarvan stellen we een Startnotitie op voor de fase tot aan RES 2.0. We maken afspraken over hoe we willen samenwerken als het anders loopt dan verwacht en hoe we doorzettingsmacht organiseren, zodat we elkaar niet verrassen. Indien nodig herijken we de escalatieladder uit het Doorstartdocument. Overige activiteiten die bovenregionale afstemming vragen: •
Afstemming Veluweonderzoek.
•
Samenwerken in GEA verband.
IN BEWERKING
•
Afstemming met aangrenzende RES-regio’s.
•
Afstemming over beschikbaarheid van bovenregionale warmtebonnen, zoals restwarmte Parenco.
5.3
Governance en financiën
5.3.1
Organisatie en middelen
38
Bestuurlijk: De regionale samenwerking met de stakeholders en bestuurders is zeer waardevol. Daarom stellen we voor om voor het vervolgproces de Stuurgroep RES te continueren en uit te breiden met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Daarmee kan het Stakeholderoverleg, dat in het leven is geroepen voor het proces naar RES1.0 komen te vervallen. De verbrede stuurgroep kan worden verbonden aan de (eveneens publiek-private) Economic Board van Regio Foodvalley. Bijvoorbeeld in de vorm van een subcommissie Energie. Ambtelijk: Er is een compacte regionale uitvoeringsorganisatie nodig voor ondersteuning en coördinatie van het Uitvoerings- en Samenwerkingsprogramma. Deze organisatie werkt intensief samen met medewerkers van de individuele gemeenten, de netbeheerder en de provincies en verbindt de uitvoering van de energietransitie aan andere regionale opgaven (Ruimtelijke verkenning, verstedelijkingsstrategie, economische ontwikkeling). De uitwerking van de concrete energieplannen gebeurt onder regie van de betreffende gemeente, in nauwe samenspraak met initiatiefnemer(s) en eventueel in samenwerking met aangrenzende gemeentes. We houden elkaar goed op de hoogte. Communicatie en participatie: Het Burgerforum adviseert zoals aangegeven bewoners blijvend tijdig en actief te betrekken en de communicatie regionaal en lokaal te stroomlijnen.
Daarom is zowel lokaal als regionaal capaciteit nodig. De nauwere betrokkenheid van inwoners vraagt veel van de inzet. Om dit waar te maken zetten we in elk geval de komende twee jaren de regionale capaciteit voort en stellen we voor de gemeenten lokaal meer participatiebudget beschikbaar. De regio biedt vanuit de compacte regionale uitvoeringsorganisatie strategische en praktische ondersteuning. Het gaat om het meer continue communiceren over nut en noodzaak van de RES en om gelijkluidende boodschappen over de ontwikkeling van de RES. Ook kan de regio middelen bieden, zoals de website, nieuwsbrief, visualisaties van zoekgebieden en projecten, handen bij het ontwerpen en organiseren van inwonersbijeenkomsten etc. Daarnaast wordt een regionaal burgerpanel opgezet dat kan meedenken en –doen in de ontwikkeling van de RES 2.0. en verder. Lokaal communiceren we gebiedsgericht: soms in de eigen gemeente, soms samen met één of meer aangrenzende gemeenten. Die hangen af van de grootte en de invloedssfeer van het (voorlopig) zoekgebied of het project. Een mogelijkheid is het inrichten van omgevingsraden bij de ontwikkeling van plannen naar concrete projecten.
5.3.2
Kosten Uitvoerings- en Samenwerkingsprogramma
De kosten voor het uitvoerings- en samenwerkingsprogramma, en de dekking daarvan, werken we de komende periode verder uit. We gaan er van uit dat overheden, ondernemers, netbeheerders en andere partijen naar vermogen bijdragen. Dit kan zowel in de vorm van een financiële bijdrage als “in kind”, door de inzet van menskracht en/of expertise. We rekenen erop dat ook voor de komende periode financiële ondersteuning van het Nationaal Programma RES beschikbaar komt. Dit is van groot belang om onze plannen met kracht verder te brengen.
IN BEWERKING
5.3.3
Bijsturen wanneer we onze doelstellingen niet realiseren
Hoe willen we handelen als één van de publieke partijen - om welke reden dan ook tijdens de uitvoering niet in staat is om een fair share van de gezamenlijk afgesproken prestaties te leveren? Wij werken in de bestuursovereenkomst een escalatieprocedure uit waarin we beschrijven de hoe we elkaar kunnen blijven versterken en aanspreken, en op welke wijze bij een eventueel probleem bemiddeld of geïntervenieerd kan worden. De allerlaatste stap van escalatie is een interventie op basis van “Het Huis van Thorbecke”, met een interveniërende rol voor de provincie of het rijk. We spreken af welke stappen daaraan voorafgaan, die erop zijn gericht om eerst intern binnen de regionale samenwerking tot consensus te komen. De wens en intentie is om samen tot een oplossing te komen. Het opschalingsproces ziet er in de basis als volgt uit: •
Gemeenteraden benoemen kritieken en zoeken oplossingen.
•
Bestuurlijk gesprek colleges.
•
Expert Judgement of Mediation op verzoek van één of meerdere overheden of stakeholders.
•
Uitnodiging voor bemiddeling aan hogere overheid.
•
Interventie door hogere overheid (“Huis van Thorbecke”).
39