ETFAL Tijdelijke woningen aan de Kerkstraat maart 2026
Tekst van het document
Onderzoek Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd dient bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen de vragen; past de nieuwe functie in de omgeving? En laat de omgeving de nieuwe functie toe? Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Op 170 meter van het plangebied bevindt zich aan de Oude Holleweg een opslagbedrijf. Op basis van het vigerende bestemmingsplan mag ter plaatse een bedrijf uitgeoefend worden tot en met milieucategorie 2, alsmede een opslagbedrijf. De richtafstand van een categorie 2 bedrijf bedraagt in een rustige woonwijk 30 meter. Verwacht mag worden dat de activiteiten van het opslagbedrijf zich zullen beperken tot het aanen afvoeren van goederen.
De afstand tussen het plangebied en het opslagbedrijf is zodanig groot dat niet gevreesd hoeft te worden van enige nadelige invloed van het bedrijf op het toekomstige woongebied. Anderzijds zullen de nieuwe woningen in het plangebied ook niet tot gevolg hebben dat de activiteiten van het opslagbedrijf hierdoor beperkt worden. Conclusie: Gezien het vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
39
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
5.5
Geurhinder veehouderijen Onderzocht dient te worden of de woningen gebouwd kunnen worden zonder nabijgelegen agrarische bedrijven in hun bedrijvigheid te beperken in verband met mogelijke geurhinder. Ook dient onderzocht te worden of ter plaatse van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Door Bureau De Roever is in februari 2026 een onderzoek ingesteld naar de mogelijke geurhinder van veehouderijen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport, dat als Externe Bijlage 6 is toegevoegd aan deze onderbouwing. Op basis van dit rapport kan het volgende opgemerkt worden: Afstanden en normen In het Omgevingsplan staan afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden. De geurbelastingen (geurimmissies) worden uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht: ouE/m3. De normen gelden ter plaatse van geurgevoelige gebouwen en de afstanden gelden tot deze geurgevoelige objecten. In dit geval zijn de volgende normen en afstanden van toepassing:
Het plangebied maakt deel uit van een bebouwde kom. Het plangebied ligt niet binnen een gebied waarvoor in een geurverordening aangepaste geurnormen of afstanden zijn vastgelegd. Daarom geldt de geurnorm van 3 ouE/m3(voorgrondbelasting = belasting ten gevolge van een individueel veehouderijbedrijf) en de afstandseis van 100 meter. Hier dient direct een kanttekening bij geplaatst te worden: De beoogde tijdelijke woningen zijn geurgevoelige objecten. Echter, voor tijdelijke woningen die zijn toegelaten voor een duur van minder dan 10 jaar gelden de geurregels voor het houden van dieren niet Dit staat in artikel 5.90 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Aan de afstandseis van 50 meter kan voldaan worden
Er dient echter wel voldaan te worden aan de minimale afstand van 50 meter tussen de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Op de afbeelding is te zien dat aan deze afstandseis van 50 meter (makkelijk) voldaan kan worden
40
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
Daarnaast moet een beoordeling worden gemaakt van de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. In de ‘GGD richtlijn geurhinder (oktober 2002)’ is een link gelegd tussen de milieukwaliteit en de optredende geurbelasting. De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Een en ander is in onderstaande tabel opgenomen, die geldig is voor een concentratiegebied. Renswoude is gelegen in zo’n concentratiegebied:
Milieukwaliteit bij verschillende geurbelastingen
Resultaten berekening vergunde situatie Allereerst is door Bureau De Roever voor de veehouderij aan Kerkstraat 34 een geurberekening gemaakt op basis van de op 29 november 2022 vergunde situatie. Daarbij is de geurbelasting berekend ter plaatse van: • de rand van het plangebied; • de gevels van de geprojecteerde nieuwe woonblokken; • de gevels van de dichtstbijzijnde bestaande woningen. De voorgrondbelasting bedraagt op basis van de berekeningen voor de vergunde situatie maximaal: • 4,9 ouE/m3 op de rand van het plangebied; • 4,7 ouE/m3 op de beoogde tijdelijke woningen; • 2,6 ouE/m3 op bestaande woningen met geurnorm 3,0 ouE/m3 • 3,6 ouE/m3 op bestaande woningen met geurnorm 4,5 ouE/m3 Voor tijdelijke woningen die zijn toegelaten voor een duur van minder dan 10 jaar gelden de geurregels voor het houden van dieren niet. Daarom hoeft er uitsluitend gekeken te worden naar de geurbelasting op de bestaande woningen. Uit de berekeningen blijkt, dat de veehouderij niet overbelast is op bestaande woningen. Resultaten worst-case situatie De veehouderij heeft nog mogelijkheden om (rekening houdend met de vergunde veebezetting en stalsystemen) emissiepunten binnen het bouwvlak in noordelijke richting te verplaatsen. Met oog op deze maximale planologische mogelijkheden van de veehouderij is een worst-case geurberekening gemaakt.
Hierbij is conform de omgekeerde werking van de geurwetgeving de totale geuremissie van de veehouderij geprojecteerd op één emissiepunt, zo dicht mogelijk bij het plangebied. Door middel van trial-and-error is de maatgevende locatie van dit fictieve emissiepunt gevonden, waarbij nog nét wordt voldaan aan de geurnormen ter plaatse van de bestaande woningen. 41
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat De voorgrondbelasting bedraagt op basis van de berekeningen voor de worst-case situatie maximaal: • 6,3 ouE/m3 op de rand van het plangebied; • 5,8 ouE/m3 op de beoogde tijdelijke woningen; • 3,0 ouE/m3 op bestaande woningen met geurnorm 3,0 ouE/m3; • 4,4 ouE/m3 op bestaande woningen met geurnorm 4,5 ouE/m3. Zoals eerder aangegeven wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad, omdat sprake is van tijdelijke woningen waarvoor de geurnormen niet gelden. Wel moet nog altijd worden afgewogen of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met een geurbelasting van 4,7 ouE/m3 (vergunde situatie Kerkstraat 34) of 5,8 ouE/m3(maximaal planologische situatie Kerkstraat 34) is volgens de tabel op de voorgaande bladzijde sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. De gemeente Renswoude is van mening dat hierdoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor deze tijdelijke woningen. De gemeente baseert haar oordeel op het volgende: • Het gaat om tijdelijke (demontabele) woningen, welke voor maximaal 10 jaar worden mogelijk gemaakt. Na (of tijdens) deze periode kunnen de woningen worden verplaatst naar elders. • Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van de afstanden.
• Er is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat ten aanzien van de achtergrondbelasting. • Omdat uitgegaan is van de maximale planologische mogelijkheden van de maatgevende veehouderij kan worden gesteld dat de geursituatie in de toekomst niet zal verslechteren. • De Omgevingswet biedt gemeenten de mogelijkheid om voor (delen van) haar grondgebied aangepaste geurnormen vast te stellen in een gemeentelijke verordening. Voor geurgevoelige objecten binnen een bebouwde kom (in een concentratiegebied) kan een geurnorm worden vastgesteld binnen de bandbreedte van 0,1 ouE/m3 tot 14,0 ouE/m3. Kennelijk kan in sommige situaties een voorgrondbelasting van 14,0 ouE/m3 nog aanvaardbaar worden geacht. • De hoogst berekende voorgrondbelasting van 4,7 ouE/m3 (vergunde situatie Kerkstraat 34) of 5,8 ouE/m3 (maximaal planologische situatie Kerkstraat 34) past ruim binnen de bandbreedte die de Omgevingswet biedt bij het vaststellen van een aangepaste geurnorm. Hierbij kan opgemerkt worden dat een daadwerkelijke aanpassing van de geurnorm niet nodig is, omdat het gaat om tijdelijke woningen waarvoor de geurnormen niet gelden, zie artikel 5.90 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Mochten de woningen -om welke reden dan ook- langer blijven staan dan gepland is, dan zal er zolang de geurbelasting van het betreffende agrarische bedrijf nog aanwezig is nog steeds sprake zijn van een aanvaardbare, acceptabele geursituatie. Conclusie: Gezien het vorenstaande vormt het aspect geurhinder geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
42
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
5.6
Geluidhinder De bouw van 30 (tijdelijke) woningen in het plangebied kan niet worden gerealiseerd op basis van het huidige planologische regime. Om de bouw mogelijk te maken moet aangetoond worden, dat deze vanuit akoestisch oogpunt haalbaar is ten opzichte van de omliggende geluidsbronnen (wegen, spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen). In het akoestisch onderzoek wordt getoetst op basis van verschillende toetsingskaders, te weten: • Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) • Besluit bouwwerken leefomgeving besluit (Bbl) Deze twee toetsingskaders worden hieronder nader toegelicht: Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat omgevingswaarden voor onder andere geluidshinder. In het Bkl worden twee geluidsnormen genoemd: • Standaardwaarde: een geaccepteerd geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. • Grenswaarde: een grens waarbij alleen bij uitzondering en met geluidbeperkende maatregelen (nieuwe) geluidgevoelige gebouwen kunnen worden toegestaan. De hoogte van de geluidsnormen uit het Bkl voor de nieuwe geluidgevoelige bestemming varieert per geluidsbron.
Overzicht van geluidsnormen
Een overschrijding van de standaardwaarde is mogelijk als: • geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; • de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zo veel mogelijk wordt beperkt. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Bij een overschrijding van de standaardwaarden uit het Bkl dreigt ook een overschrijding van de Bbl. Bij verlening van een Omgevingsvergunning voor bouwen (voorheen: bouwvergunning) wordt de binnenwaarde getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze binnenwaarde mag maximaal 33 dB bedragen. Wanneer de nieuwe woning worden gerealiseerd nabij diverse geluidsbronnen, dient te worden uitgegaan van het gezamenlijke geluid. Selectie van geluidsbronnen De te realiseren nieuwe woning kan nabij diverse geluidsbronnen staan. Aan de hand van de geluid-aandachtsgebieden rondom de diverse wegen, spoorwegen en gezoneerde bedrijventerreinen kan worden bepaald voor welke geluidsbronnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. 43
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat Hieruit blijkt het volgende: • Gezoneerde industrieterreinen zijn in de nabijheid van de nieuwe woningen niet aanwezig. Het plangebied ligt dan ook niet in de geluidaandachtsgebieden van gezoneerde industrieterreinen. Akoestisch onderzoek naar gezoneerde industrieterreinen is daarom niet nodig; • Ten zuiden van het plangebied ligt de spoorlijn Utrecht-Arnhem. Deze spoorlijn heeft een geluidaandachtsgebied van 100 meter. Omdat het plangebied op een afstand van circa 2,3 kilometer gelegen is van deze spoorlijn ligt de ontwikkeling ver buiten het geluidaandachtsgebied van de spoorlijn Utrecht-Arnhem. Daardoor is voor de spoorlijn Amersfoort-Hilversum geen akoestisch onderzoek noodzakelijk; • Ten noorden van het plangebied is de Dorpsstraat gelegen. Deze weg heeft een geluidaandachtsgebied van 200 meter. Omdat het plangebied zich hemelsbreed op een afstand van ca. 350 m van de Dorpsstraat bevindt ligt de gewenste ontwikkeling buiten het geluidaandachtsgebied. Hier hoeft dus geen akoestisch onderzoek voor verricht te worden; • In de onmiddellijke nabijheid van het plangebied zijn enkele wegen gelegen met een 30-km-regime. Het betreffen hier de Kerkstraat, de Catharina Mossellaan en de Van Arckelweg. Deze wegen hebben geen geluidaandachtsgebied en hiervoor hoeft dus geen akoestisch onderzoek verricht te worden.
Er dient echter wel aangetoond te worden, dat er in het plangebied in akoestische zin sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Omdat de nabijgelegen wegen een 30 km-regime hebben en bovendien een zeer lage verkeersintensiteit mag zonder nader akoestisch onderzoek verwacht worden dat er geen overschrijding van de standaardgrenswaarde van 50 dB is. Conclusie: Gezien het vorenstaande vormt het aspect geluidhinder geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
44
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
5.7
Natuur
5.7.1
Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuur-kwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soorten-bescherming als gebiedsbescherming geregeld. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
De provinciale groenstructuur bestaat uit het Natuurnetwerk Utrecht (voormalig EHS). Het Natuurnetwerk Utrecht is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
5.7.2
Mogelijke gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor beschermde natuurgebieden en beschermde soorten Beschermde natuurgebieden Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of in een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied t.o.v. het plangebied is ‘Nationaal Park de Veluwe’. Dit Natura 2000-gebied ligt op circa 6 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. In de bestaande situatie zijn diverse menselijke invloeden aanwezig in de zone tussen het plangebied en beschermde Natura 2000 gebied. Het betreft diverse woonwijken. Als gevolg van de bestaande situatie zullen de voorgenomen werkzaamheden aannemelijk géén verdere negatieve effecten opleveren zoals geluids- en visuele verstoringen. De afstand tussen het plangebied en de beschermde gebieden is hiervoor te groot; Het plangebied ligt wel in de nabijheid van enkele NNN-gebieden. Op de volgende bladzijde is een afbeelding opgenomen, waarop te zien is dat het plangebied zich bevindt op ca. 80 m afstand van het Kasteelbos van Renswoude, onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). 45
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
Situering plangebied ten opzichte van NNN-gebieden
Door Breur Ecologie & Onderzoek is in februari 2026 een onderzoek ingesteld baar de mogelijke gevolgen van de beoogde ontwikkelingen voor beschermde natuurgebieden. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport, dat als Externe Bijlage 7 is toegevoegd aan deze onderbouwing. Op basis van dit rapport kan het volgende opgemerkt worden: Voor de wezenlijke waarden en kenmerken van NNN-gebieden bestaat geen eenduidige, vastgestelde definitie. Hieronder worden vier aspecten onderscheiden die deze waarden en kenmerken het best duiden. Per aspect is beoordeeld of, en zo ja op welke wijze, de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied effect kan hebben. Natuurtypen: De voorgenomen ontwikkeling vindt volledig plaats buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Er is derhalve geen sprake van ruimtebeslag, areaalverlies of fysieke aantasting van beschermde natuurtypen. Daarnaast zijn geen ingrepen voorzien die kunnen leiden tot indirecte effecten op omliggende natuurtypen, zoals veranderingen in grondwaterstanden, oppervlaktewaterhuishouding, bodemopbouw of microklimaat. Conclusie: negatieve effecten op natuurtypen van het NNN zijn uitgesloten.
Landschappelijke waarden: De landschappelijke waarden van de omliggende NNN-gebieden, waaronder de verhouding tussen bos, open ruimten en overgangsstructuren, blijven ongewijzigd, aangezien geen ingrepen binnen deze gebieden plaatsvinden. Conclusie: aantasting van landschappelijke waarden is niet aan de orde. Flora en fauna: De ontwikkeling leidt niet tot aantasting van leefgebieden of essentiële functies van soorten die kenmerkend zijn voor de omliggende NNN-gebieden. Verblijfplaatsen, foerageergebieden, nestlocaties en overwinteringshabitats binnen deze gebieden blijven behouden en ongestoord. Een eventuele beperkte toename van kunstverlichting binnen de begrenzing van het plangebied is, gelet op de afstand tot de NNN-gebieden, niet van significante invloed op aanwezige soorten.
46
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
Desondanks wordt geadviseerd het gebruik van kunstlicht tot een minimum te beperken en verlichting uitsluitend doelgericht en binnen het plangebied toe te passen, om onnodige verstoring te voorkomen. De aanwezige bomenlaan aan de zuidzijde van het plangebied kan voor vleermuizen fungeren als vliegroute en foerageergebied. Deze structuur blijft echter behouden, waardoor deze functie voor vleermuizen behouden blijft. Gelet op de beperkte aard en omvang van de werkzaamheden, de korte uitvoeringsduur en de afstand tot de NNN-gebieden, zijn verstoringseffecten als gevolg van tijdelijke bouwactiviteiten verwaarloosbaar. Bovendien grenst het Kasteelbos reeds direct aan de bebouwde kom van Renswoude, waardoor invloeden van bebouwing, verkeer en menselijke activiteit op kortere afstand aanwezig zijn dan vanuit het plangebied. De relatieve bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan verstoring is daarmee zeer gering en niet significant. Conclusie: significant negatieve effecten op kenmerkende flora en fauna van het NNN zijn uitgesloten. Onderlinge samenhang en ecologische verbindingen: Het plangebied ligt direct aansluitend aan de bestaande bebouwde kom van Renswoude en steekt niet opvallend uit buiten de bebouwingscontouren van dit dorp. Het gebied is hiernaast niet gelegen op een logische verbindingsroute tussen omliggende NNN-gebieden.
In de huidige situatie biedt het plangebied geen geschikt habitat en onvoldoende dekking voor grondgebonden zoogdieren. Daarnaast vormt een brede watergang aan de westzijde van het Kasteelbos een fysieke barrière, waardoor directe verplaatsing tussen dit bos en het plangebied weinig aannemelijk is. De overige NNN-gebieden liggen op zodanige afstand dat functionele ecologische relaties ontbreken. De voorgenomen ontwikkeling leidt daarmee niet tot versnippering, barrièrewerking of het doorbreken van migratieroutes. Conclusie: de onderlinge samenhang en verbindingsfunctie van het NNN blijft behouden. Eindconclusie De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Tevens is geen sprake van significante negatieve effecten als gevolg van externe werking op omliggende NNN-gebieden. De ontwikkeling is hiermee niet strijdig met verbodsbepalingen ten aanzien van het NNN uit de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht. Beschermde flora en fauna, Quickscan Breur Ecologie & Onderzoek heeft in mei 2025 een Quickscan flora & fauna uitgevoerd op een onbebouwd agrarisch perceel aan de Kerkstraat te Renswoude. Door middel van een bureaustudie en een veldbezoek is een compleet beeld verkregen van het (potentiële) voorkomen van beschermde soorten flora en fauna in het plangebied.
De resultaten van deze quickscan zijn opgenomen in een rapport, dat als externe Bijlage 8 is toegevoegd aan deze onderbouwing.
47
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat Op basis van dit rapport kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • Het plangebied vervult geen essentiële functie voor beschermde soorten flora en fauna, aanvullend onderzoek is niet nodig. • In één eik langs de rand van het plangebied bevindt zich een holte die geschikt is als vleermuis verblijfplaats. Deze eik blijft behouden en er is geen sprake van negatief extern effect van de ontwikkeling. Mocht het planontwerp wijzigen dan dient nogmaals getoetst te worden of deze eik behouden blijft en of negatief extern effect te voorkomen is. Wanneer dit niet kan worden uitgesloten is het noodzakelijk om aanvullend vleermuisonderzoek t.a.v. deze eik uit te voeren. • Het plangebied is geschikt als nesthabitat voor algemene broedvogels. Nesten van deze vogels zijn alleen beschermd wanneer zij in gebruik zijn. Bij het bouwrijp maken van het plangebied wordt daarom aangeraden om rekening te houden met het vogelbroedseizoen: grofweg van half maart t/m half juli. • Voor alle soorten flora en fauna (beschermd en onbeschermd) geldt te allen tijde de specifieke zorgplicht. Dit betekent dat de initiatiefnemer verplicht is om zorgvuldig te werken en dat onnodige schade aan planten of dieren altijd dient te worden voorkomen.
Conclusie: De geplande bouw van een 30-tal (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat heeft naar verwachting geen schadelijk effect op flora en fauna. Uiteraard geldt voor initiatiefnemer altijd de algemene zorgplicht. 5.7.3
Stikstofdepositie Door bureau Langelaar Milieuadvies is in februari 2026 een onderzoek ingesteld naar de stikstofdepositie ten gevolge van de ontwikkelingen in het plangebied op nabijgelegen voor stikstof gevoelige Natura2000-gebieden. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in een rapport, dat als Externe Bijlage 9 is toegevoegd aan deze onderbouwing. De belangrijkste delen van dit rapport zijn hieronder opgenomen: Het projectgebied ligt op ruim 6 kilometer afstand van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebied “Veluwe”. In figuur 2 zijn het projectgebied en het Natura 2000-gebied weergegeven. De stikstofgevoelige habitats en leefgebieden zijn roze en paars gekleurd. De overige niet -stikstofgevoelige delen van het Natura 2000gebied zijn groen gekleurd.
Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden (bron: AERIUS Calculator)
48
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
Het onderzoek heeft tot doel de NOx (stikstof) en NH 3 (ammoniak) emissies naar de lucht door het voornemen inzichtelijk te maken en de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen. Dit onderzoek gaat over de depositie tijdens de aanleg- en bouwfase alsook de gebruiksfase. Op basis van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • Uit het uitgevoerde onderzoek stikstofdepositie blijkt dat zowel de inzet van machines en transportbewegingen in de realisatiefase als verkeer in de gebruiksfase gecumuleerd niet leidt tot een stikstofdepositietoename die groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden. • Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. • Voor het project geldt geen vergunningplicht op grond van de Omgevingswet ten gevolge van stikstofdepositie (gebiedsbescherming). Conclusie: De geplande bouw van een 30-tal (tijdelijke) woningen heeft naar verwachting geen nadelig effect op nabijgelegen (voor stikstof gevoelige) Natura2000gebieden.
5.8
Verkeer en parkeren
5.8.1
Verkeer In de visie Binnen de Beken – Zuid Zuidwest is aangegeven op welke manier het toekomstige woongebied ontsloten zal worden ten behoeve van de verschillende verkeersdeelnemers. In paragraaf 4.3.2 is hieraan reeds aandacht besteed. Maar het kan geen kwaad dit hieronder nog eens te herhalen: De wijk wordt voor langzaam verkeer (wandelen en fietsen) aangesloten op de bestaande wegen richting het dorpscentrum en de belangrijkste voorzieningen in het dorp. De wandelpaden in de nieuwe woonwijk worden waar mogelijk verbonden met de klompenpaden en recreatieve routes in het buitengebied, zodat er ‘ommetjes’ vanuit de wijk kunnen worden gemaakt. Het autoverkeer van en naar de nieuwe woonwijk wordt afgewikkeld via de Emminkhuizerlaan (oostzijde) en de Oude Holleweg/Nijborg (westzijde) richting de N224. In de wijk is een ‘knip’ voorzien, zodat er geen doorgaand autoverkeer mogelijk is via het nieuwe woongebied.
49
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat Op de afbeelding is te zien, dat het autoverkeer van en naar het oostelijke deel van het nieuwe woongebied vanaf de zuidzijde het gebied kan bereiken. Maar een dergelijke ontsluiting kan pas gerealiseerd worden in een later stadium van de planvorming. Daarom zal er een TIJDELIJKE ontsluiting gevonden moeten worden voor de locatie, waar de 30 (tijdelijke) woningen geprojecteerd zijn. In een aparte memo is ingegaan op de mogelijke varianten voor deze tijdelijke ontsluiting. Deze memo is als Externe Bijlage 10 toegevoegd aan deze onderbouwing. In de memo wordt onder andere het volgende gesteld: In de gebiedsontwikkeling Binnen de Beken ZZW is als uitgangspunt vastgesteld dat de woningen ten oosten van Nijborg worden ontsloten via de Emminkhuizerlaan. Dit uitgangspunt is gekozen om het verkeer door de dorpskern te verminderen en de reeds drukke N224 te ontlasten. De gebiedsontwikkeling verloopt gefaseerd, waardoor ook de grondaankoop gefaseerd plaatsvindt. De eerste fase omvat het bouwprogramma voor de tijdelijke woningen aan de Kerkstraat en het aangrenzende bouwvlak ten zuiden van de Van Arckelweg en Catharina Mossellaan. Een zuidelijke ontsluiting van dit deelgebied zou een grote omweg vergen en omvangrijke grondaankoop vereisen. Dit is niet proportioneel voor het beperkte aantal woningen (circa 70) in deze fase.
Vanwege de omvangrijke procedures en hoge kosten is er daarom voor gekozen om het bouwvlak in de tijdelijke situatie aan de noordzijde te ontsluiten. Deze ontsluiting heeft uitdrukkelijk een tijdelijk karakter: zodra de bebouwing van aangrenzende bouwvlakken aan de zuidkant start, wordt de zuidelijke ontsluiting aangelegd en wordt ook dit deelgebied daarop aangesloten. Om de verkeerssituatie in de tijdelijke fase goed te beheersen, is onderzocht waar de aansluiting op het bestaande wegennet het best past en hoe het verkeer zich over het netwerk zal verdelen. Hiertoe is een quick scan uitgevoerd van verschillende ontsluitingsvarianten, waarbij de verkeerseffecten en verkeerscirculatie in beeld zijn gebracht. In de quick scan zijn de volgende ontsluitingsvarianten onderzocht: 1. Aansluiting op de Van Arckelweg oost (nabij de kruising Catharina Mossellaan / Van Deylweg) 2. Aansluiting op Van Arckelweg west (halverwege Arckelweg, vermijding bocht, dichter op ontsluitingsroute via Oude Holleweg/Nijborg 3. Aansluiting Spikhorst
De verschillende varianten
50
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
Vervolgens is een aantal beoordelingscriteria opgesteld: Verkeersgeneratie Het verwachte aantal verkeersbewegingen als gevolg van het aantal en type woningen. Dit aspect is voor alle varianten gelijk. Verkeerscirculatie De te verwachten verkeersstromen, afhankelijk van de aantakkingslocatie op het bestaande netwerk en de huidige verkeersstromen in de wijk. Hierbij is rekening gehouden met de dominante oostelijke richting in de ochtendspits (richting Veenendaal/A12). In de memo Memo Bestemmingen verkeer vanuit Renswoude is een analyse gedaan naar het uitgaande verkeer in Renswoude. Deze analyse dient als uitgangspunt om de verkeerscirculatie te bepalen. Verkeersveiligheid ter plaatse van de aansluiting De aanwezigheid van eventuele verkeersveiligheidsknelpunten op de locatie van de aantakking en de mogelijkheid om de aansluiting veilig in te richten voor zowel gemotoriseerd verkeer als fietsers en voetgangers. Verkeersveiligheid van het netwerk Mogelijke aandachtspunten in het bredere netwerk als gevolg van de gekozen ontsluitingsvariant en de bijbehorende verkeerscirculatie. Hierbij is specifiek gekeken naar potentieel onveilige kruisingen, routes van scholieren, fietsroutes en de ligging van speelplekken. Op basis van deze criteria is een samenvattingstabel gemaakt van de verschillende aansluitingsvarianten:
51
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat Uiteindelijk is er gekozen voor variant 1, met dien verstande dat de aansluiting nog iets opgeschoven is in oostelijke richting en nu voorzien is op de Catharina Mossellaan.
Fase 1 aanleg tijdelijke ontsluitingsweg richting plangebied Na de aanleg van de tijdelijke ontsluitingsweg kunnen de parkeervoorzieningen gerealiseerd worden ten behoeve van de 30 (tijdelijke) woningen:
Fase 2: Aanleg parkeervoorzieningen ten behoeve van de 30 (tijdelijke) woningen
5.8.2
Parkeren Voor de tijdelijke woningen wordt een parkeernorm gehanteerd van 1,2 parkeerplaatsen per woning. Dat betekent dat er in totaal een parkeerbehoefte is van 30 maal 1,2 = 36 parkeerplaatsen. Deze benodigde parkeervoorzieningen voor de 30 (tijdelijke) woningen zullen langs de tijdelijke ontsluitingsroute gerealiseerd worden, zoals op bovenstaande afbeelding is aangegeven. Conclusie: Gezien het vorenstaande vormen de aspecten verkeer en parkeren geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 52
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
5.9
Luchtkwaliteit Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.
In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Het betref hier de bouw van een 30-tal (tijdelijke) woningen. Dit aantal ligt ver onder de grens van 1.500 woningen. Geconcludeerd kan worden dat het totale plan de realisatie van minder dan 1.500 woningen omvat, daardoor zal het plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
5.10
Omgevingsveiligheid Wet- en regelgeving en beleid Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Omgevingsveiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden, risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. 53
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Onderzoek omgevingsveiligheid Voor het plangebied is een risico-inventarisatie uitgevoerd.
Hierbij is binnen 1 km afstand van het plangebied gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op het plangebied: • risicovolle activiteiten; • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg. Op basis van de Atlas Leefomgeving kan geconcludeerd worden, dat er in de onmiddellijke omgeving van het plangebied geen risicovolle activiteiten plaatsvinden, die van invloed kunnen zijn op het plangebied. Wel bevinden zich op enige afstand een aantal propaantanks. De invloed van deze tanks (explosieaandachtsgebied) beperkt zich tot 25 a 30 meter. Deze afstanden zijn op de afbeelding hieronder aangegeven. Te zien is dat het plangebied zich ver buiten de aandachtsgebieden rond deze propaantanks bevindt.
Situering van propaantanks met aandachtsgebieden ten opzichte van het plangebied (Bron: Atlas Leefomgeving) (plangebied is rood omlijnd)
54
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
Op een afstand van ca. 1,8 kilometer ten zuiden van het plangebied is een gasleiding aanwezig (NL.IMEV.GASU.BuisleidingStelsel-W-523-05). Het brandaandachtsgebied aan weerszijden van deze leiding bedraagt ca. 135 meter. Dat betekent dat het plangebied ver buiten het brandaandachtsgebied van deze gasleiding gelegen is.
Gasleiding Pijpleiding Defensie
Spoorlijn
A12 Situering van buisleidingen en het Basisnet Spoor/ Weg (Bron: Atlas Leefomgeving)
Op bijna 2,2 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied is een pijpleiding van Defensie aanwezig. Het brandaandachtsgebied langs deze leiding heeft een breedte van ca. 35 meter. Dat betekent dat het plangebied ver buiten het brandaandachtsgebied van deze pijpleiding gelegen is. Verder is op een afstand van ruim 2,2 kilometer ten zuiden van het plangebied de spoorlijn Utrecht – Arnhem gelegen. Deze spoorlijn maakt deel uit van het zogenaamde Basisnet-Spoor. Dat betekent dat over deze spoorlijn ook gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Langs deze spoorlijn is een explosieaandachtsgebied aanwezig met een breedte van 200 meter. Het plangebied ligt ver buiten dit aandachtsgebied. Tenslotte is op 3 kilometer afstand van het plangebied de A12 gelegen. Deze weg maakt deel uit van het Basisnet-Weg. Hierover worden ook gevaarlijke stoffen vervoerd. Langs deze weg is een explosieaandachtsgebied aanwezig met een breedte van ruim 200 meter. Het plangebied ligt ver buiten dit aandachtsgebied Conclusie: Gezien het vorenstaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling
55
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
5.11
Water
5.11.1
Wet- en regelgeving en beleid op regionaal en gemeentelijk niveau Waterschap Vallei en Veluwe Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het Algemeen Bestuur van het waterschap heeft op november 2021 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Het nieuwe waterbeheerprogramma draagt de titel 'Blauw Omgevingsprogramma (BOP)'. Het waterbeheerprogramma gaat uit van 5 hoofddoelen: • Gebiedsgericht: De vier deelgebieden van ons beheergebied staan centraal. We opereren meer vanuit de deelgebieden en minder vanuit centrale sturing. • Omgevingsbewust: Volledig in de geest van de Omgevingswet; een digitaal product en sturend vanuit de behoeftes van de omgeving. • Co-creërend: Het faciliteert de samenwerking met andere partijen en geeft vorm aan participatie via uitnodiging en uitgenodigd worden. • Verantwoordelijk: Het BOP streeft maximale, maatschappelijke meerwaarde na op basis van onze rollen en bevoegdheden, die passen bij de opgaven (presterend, samenwerkend, responsief en rechtmatig). • Adaptief: Voortschrijdend, responsief en flexibel, zodat kan worden ingespeeld op accentwijzigingen en veranderingen in de maatschappij. Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2028 Het huidige gemeentelijk water- en rioleringsplan voor Renswoude is het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2028.
In dit plan legt de gemeente, samen met waterschap Vallei en Veluwe, het rioleringsbeleid vast voor de periode 2021 tot 2028 en schetst het hoe de gemeente werkt aan een toekomstbestendig watersysteem en waterketen. Belangrijke punten uit het plan: • Doelstellingen: Het plan stelt de doelen en ambities voor de komende jaren vast en beschrijft de hoofdlijnen van de aanpak om deze te realiseren. • Zorgplichten: Het beleid is gericht op het nakomen van de drie zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. • Gescheiden rioleringsstelsel: Bij nieuwbouw en grote gebiedsontwikkelingen wordt een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd om afvalwater en regenwater apart af te voeren. • Klimaatadaptatie: Het plan draagt bij aan de lokale klimaatadaptatiestrategie door maatregelen te nemen tegen wateroverlast en droogte. • Financiën: Het plan is ook de onderbouwing voor de rioolheffing. • Actuele projecten: De gemeente combineert de aanleg van een regenwaterriool met vernieuwingen in de openbare ruimte in een aantal wijken.
5.11.2
Weging van het waterbelang (voorheen Watertoets) Op 9 februari 2026 is een digitale watertoets uitgevoerd. De resultaten van deze toets (het ‘wateradvies’) zijn opgenomen in externe Bijlage 11. Uit de toets blijkt, dat de voorgenomen bebouwing in het plangebied mogelijkerwijs van invloed is op de aanwezige A- en B-watergangen rond het plangebied. A en B-watergangen zijn watergangen die belangrijk zijn voor de watertoevoer of waterafvoer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het belangrijk dat de functie van deze watergangen en de benodigde ruimte voor onderhoudswerkzaamheden beschermd wordt.
56
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
Om A en B-watergangen te kunnen onderhouden moet er bijvoorbeeld een vrije ruimte (onderhoudsstrook) van minimaal 5 meter aan één of beide kanten van de watergang beschikbaar zijn. Een en ander is afhankelijk van de breedte van de watergang. Het Waterschap (in dit geval Vallei-Veluwe) verzoekt de gemeente dringend om in contact te treden met het Waterschap om te kijken wat in dit specifieke geval van belang is. In de Watertoets geeft het Waterschap nog het volgende advies: Stedelijke in- en uitbreiding, ten behoeve van de groeiende bevolking, moet worden gekoppeld aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven. Dit biedt enorme kansen om de stad aantrekkelijker te maken. Idealiter wordt overal waar wordt gebouwd, rekening gehouden met het aspect water (waterinclusief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de stad als spons. Groenblauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de stad bovendien leefbaar bij toenemende hittestress en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnenstedelijke verdichting.
Daarnaast wijst zij op de volgende aandachtspunten: Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen.
Vanuit het GRP (gemeentelijk rioleringsplan) is er een eis van 60 mm waterberging bij nieuwe verharding. In het plangebied wordt minder dan 1.000 m2 verhard. Hiervoor zal compensatie gevonden moeten worden. Theoretisch zijn er verschillende methoden om te voorzien in de benodigde extra waterberging: • Gedacht zou kunnen worden aan het realiseren van groene daken, waardoor er al een behoorlijke waterberging gerealiseerd kan worden. Een groot voordeel van groene daken is het vertragende effect op de waterafvoer: Het water wordt eerst vastgehouden op het dak en pas later vertraagd afgevoerd, waardoor er geen sprake is van een piek-aanbod van hemelwater; • Er kan ook waterberging gerealiseerd worden door het plangebied niet integraal op te hogen. In plaats daarvan kunnen alleen de locaties, waar de 3 woonblokken zijn geprojecteerd met ca. 50 cm opgehoogd worden om voldoende drooglegging 57
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
• • •
te kunnen garanderen. Door in de rest van het plangebied het huidige maaiveld te handhaven kan er gezorgd worden voor een goede afwatering vanaf de hoger gelegen woonvelden naar de lager gelegen gebieden; In het lager gelegen gebied kan dan als extra nog zorggedragen worden voor extrabergingsmogelijkheden door de aanleg van extra open water in de zone langs de noordgrens van het plangebied; De bestaande watergangen kunnen verbreed worden met natuurvriendelijke oevers. Uiteraard kan dit alleen indien de belangen van het Waterschap hierdoor niet geschaad worden; Bij de geprojecteerde parkeervoorzieningen kan waterpasserende verharding toegepast worden (al dan niet in combinatie met infiltratiekratten).
Op 18 februari 2026 heeft er overleg plaatsgevonden tussen de gemeente en het Waterschap. Tijdens dit overleg is duidelijk naar voren gekomen, dat het plangebied op dit moment fungeert als overloopgebied. Dat betekent dat bij hevige regenval dit gebied gebruikt kan worden als buffer voor de waterberging. Wanneer een deel van het plangebied opgehoogd wordt ten behoeve van de gewenste woningbouw, dan gaat een deel van deze extra bergingscapaciteit verloren. Concreet betekent dit dat er gezorgd dient te worden voor waterberging ter compensatie van: • elke m2 aan verharding, die gerealiseerd zal worden in het plangebied; • het verloren gaan van een deel van de potentiële bergingscapaciteit in het plangebied ten gevolge van de gedeeltelijke ophoging. Het zal duidelijk zijn dat het vrijwel onmogelijk zal zijn om de benodigde bergingscapaciteit IN het plangebied te realiseren. Daarom is afgesproken dat de gemeente in goed overleg met het Waterschap zal onderzoeken welke maatregelen er getroffen kunnen worden om aan de vereiste waterberging te kunnen voldoen. Het is mogelijk -en zelfs waarschijnlijk- dat hiervoor (tijdelijk) een gebied buiten het plangebied betrokken zal worden. Bij realisatie van het totale nieuwe woongebied Binnen de Beken – Zuid Zuidwest zal dan een definitieve oplossing gevonden moeten worden voor de benodigde waterberging.
Conclusie: Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. In overleg met het Waterschap zal ervoor gezorgd worden dat de benodigde waterberging gerealiseerd wordt en de belangen van het Waterschap gewaarborgd worden.
58
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
5.12
Duurzaamheid en natuurinclusiviteit Uiteraard zal ervoor gezorgd worden dat de nieuwe woningen voldoen aan alle eisen op het gebied van duurzaamheid die hier heden ten dage aan gesteld worden. Dit geldt niet alleen voor het energiegebruik (all-electric), de isolatie en het materiaalgebruik. Maar ook voor een duurzaam (her)gebruik van de woningen zelf na afloop van de tijdelijke periode op deze locatie. Ze kunnen volledig gedemonteerd worden en op een andere locatie weer (op dezelfde manier of op een andere manier) opgebouwd worden. En dit zonder ‘sporen’ in het veld achter te laten. Door HODES zijn ook voorstellen gedaan voor maatregelen op het gebied van natuurinclusiviteit. Deze zijn op onderstaande afbeelding aangegeven:
Maatregelen, die klimaatadaptief en/of natuurinclusief zijn (Bron: HODES)
Conclusie: De aspecten duurzaamheid en natuurinclusiviteit vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Integendeel: zij kunnen het woon- en leefklimaat juist verrijken.
59
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid De realisatie van de 30 (tijdelijke) woningen gebeurt op initiatief en kosten van de gemeente. Hiervoor zijn budgetten gereserveerd, zodat de economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd is.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de bouw van de 30 sociale (tijdelijke) woningen is er op verschillende momenten geparticipeerd. Deze stappen worden hieronder nader beschreven. Stap 1 Totstandkoming Visie Tussen de Beken Zuid-Zuidwest Bij het opstellen van de visie Tussen de Beken Zuid-Zuidwest is er ruime gelegenheid geboden om te participeren. Door Bureau Nieuwe Gracht is een rapport opgesteld, waarin verslag gedaan wordt van dit proces. Dit rapport is als externe Bijlage 12 toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Het proces is in het rapport als volgt beschreven: Om te onderzoeken wat de ruimtelijke mogelijkheden zijn van het gebied Binnen de Beken-Zuid Zuidwest zijn verschillende scenario’s opgesteld voor de toekomstige uitbreiding van het dorp. Deze scenario’s zijn vooral bedoeld om de hoeken van het speelveld te verkennen. Ze schetsen indicatieve toekomstbeelden voor de inrichtingsmogelijkheden met uiteenlopende stedenbouwkundige en landschappelijke invullingen. De scenario’s voor de uitbreiding van Renswoude zijn op 7 maart 2024 voorgelegd aan de gemeentelijke beleidsadviseurs en een aantal externe experts. Op 21 maart zijn de scenario’s toegelicht aan de gemeenteraad. Op 16 april 2024 zijn de scenario’s gepresenteerd aan de inwoners van het dorp tijdens een participatiebijeenkomst in ‘t Podium.
In reactie op de gepresenteerde scenario’s kon iedereen aangeven wat hij of zij de sterke en zwakke punten vond van elk scenario. Die input is verzameld en vastgelegd in deze bijlage. Op basis van al die inbreng is een voorkeurs scenario samengesteld. Dit voorkeursscenario is nader uitgewerkt in de visie voor het gebied Binnen de Beken-Zuid Zuidwest. In de visie Binnen de Beken-Zuid Zuidwest zijn de sterke punten van de drie scenario’s waar moge lijk gecombineerd en is geprobeerd om de zwakke punten zo veel als mogelijk te verbeteren. Uiteraard dient dat tot een samenhangend en integraal toe komstbeeld te leiden voor de toekomstige dorpsuitbreiding van Renswoude. Dat integrale toekomstbeeld voor de dorpsuitbreiding in het gebied Binnen de Beken-Zuid Zuidwest is met de gemeentelijke projectgroep besproken en voorgelegd aan de provincie Utrecht. Op 7 mei 2024 is het toekomstbeeld gepresenteerd aan de Raadscommissie. De locatie van de (tijdelijke) woningen stond in dit stadium nog niet vast. Een en ander was afhankelijk van de verwerving van de grond. Stap 2 Drie varianten voor de situering van de flexwoningen Na zekerheid over de aankoop van de grond is er op 22 april 2025 overleg gevoerd met de direct aanwonenden (de drie vrijstaande woningen direct ten noorden van het plangebied). Tijdens dit overleg zijn 3 varianten besproken voor de mogelijke verkaveling van het plangebied.
Zie in dit verband de externe Bijlage 13, waarin deze varianten zijn opgenomen.
60
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
De drie varianten
Uiteindelijk is gekozen voor een nadere uitwerking van variant 1. Daarbij is afgesproken dat er rekening gehouden zal worden met zichtlijnen en de realisatie van een ‘barrière’ tussen de percelen van de drie woningen en het plangebied. Stap 3 Inloopbijeenkomst 2 december 2025 Op 2 december 2025 is er een bewonersavond gehouden. Tijdens deze avond konden belangstellenden kennis nemen van de plannen voor de invulling van het plangebied. Vervolgens konden zij door het plakken van post-its hun mening kenbaar maken. Van deze avond is een verslag gemaakt. Dit verslag is als Externe Bijlage 14 toegevoegd aan deze onderbouwing. Mede op basis van deze bijeenkomst is het plan nog in zoverre aangepast dat er een mogelijkheid is voor een verhuiswagen om bij de woningen te komen. De vlek blijft autovrij maar door middel van een (verwijderbaar) paaltje kan een verhuiswagen of een hulpdienst het terrein op. Extra participatiemoment Het college van B&W heeft in haar vergadering van 3 maart 2026 besloten een extra participatiemoment in te lassen teneinde te voldoen aan de participatieverordening. Bij de publicatie van de aanvraag omgevingsvergunning zal vermeld worden dat er nogmaals een kans geboden wordt om een reactie te geven. Deze reacties kunnen dan nog betrokken worden bij de vergunningverlening.
Door te kiezen voor deze wijze van participatie kan de omgevingsvergunning naar verwachting nog verleend worden voor 1 juli 2026.
Resultaten Vooroverleg In overleg met de provincie zijn de 30 (tijdelijke) woningen aangemeld bij de provincie teneinde deze geplaatst te krijgen op de lijst met woningbouwprojecten in het kader van de Provinciale programma Wonen en Werken 2026. Op basis van de weging van het waterbelang (voorheen watertoets) is er nader overleg met het Waterschap Vallei en Veluwe gevoerd. Dit overleg heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Tijdens dit overleg is duidelijk naar voren gekomen, dat het plangebied op dit moment fungeert als overloopgebied. Dat betekent dat bij hevige regenval dit gebied gebruikt kan worden als buffer voor de waterberging. Wanneer een deel van het plangebied opgehoogd wordt ten behoeve van de gewenste woningbouw, dan gaat een deel van deze extra bergingscapaciteit verloren.
61
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat Concreet betekent dit dat er gezorgd dient te worden voor waterberging ter compensatie van: • elke m2 aan verharding, die gerealiseerd zal worden in het plangebied; • het verloren gaan van een deel van de potentiële bergingscapaciteit in het plangebied ten gevolge van de gedeeltelijke ophoging. Het zal duidelijk zijn dat het vrijwel onmogelijk zal zijn om de benodigde bergingscapaciteit IN het plangebied te realiseren. Daarom is afgesproken dat de gemeente in goed overleg met het Waterschap zal onderzoeken welke maatregelen er getroffen kunnen worden om aan de vereiste waterberging te kunnen voldoen. Het is mogelijk -en zelfs waarschijnlijk- dat hiervoor (tijdelijk) een gebied buiten het plangebied betrokken zal worden. Bij realisatie van het totale nieuwe woongebied Binnen de Beken – Zuid Zuidwest zal dan een definitieve oplossing gevonden moeten worden voor de benodigde waterberging.
62
Realisatie van 30 (tijdelijke) woningen aan de Kerkstraat
7
Conclusie Op basis van deze onderbouwing kan geconcludeerd worden dat er een grote maatschappelijke behoefte is om op korte termijn te voorzien in vervangende huisvesting voor Oekraïners en andere groepen, die behoefte hebben aan een (tijdelijke) woning. In deze behoefte kan voorzien worden door de bouw van een 30-tal (tijdelijke) woningen in het plangebied aan de Kerkstraat. Gebleken is dat een dergelijke woonvoorziening past in het beleid van hogere overheden en dat ook de gemeentelijke Structuurvisie Tussen de Beken Zuid-Zuidwest hierin voorziet. Verder blijkt uit een uitgebreide toetsing van een aantal omgevingsfactoren, dat er geen belemmeringen van die zijde zijn voor de realisatie van deze woningen. Op basis van een uitgebreid participatieproces kan tenslotte geconcludeerd worden, dat de gekozen verkaveling mede tot stand gekomen is door in te spelen op de wensen van de participanten. Er is dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van een functie aan dit plangebied.
EXTERNE BIJLAGEN: Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12: Bijlage 13: Bijlage 14:
SO Bouwplan 30 woningen HODES Verkennend bodemonderzoek en asbest in bodemonderzoek Verkennend waterbodemonderzoek Verkennend archeologisch veld- en booronderzoek Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten conflictperiode Onderzoek geurhinder veehouderijen Beoordeling NNN Quick scan Flora en fauna Memo stikstofdepositie inclusief AERIUS-berekeningen Memo tijdelijke ontsluiting woningen Kerkstraat Watertoets (Weging van het waterbelang) Participatie Visie Tussen de Beken ZZW april 2024 Participatie van aanwonenden juni 2025 Verslag bewonersavond 2 december 2025
63