E2. Ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Tekst van het document
PROVINCIAAL PROGRAMMA WONEN EN WERKEN 2023 (ONTWERP) 2e cyclus
Publicatiedatum Status Referentienummer
21 februari 2023 Ontwerp (vastgesteld door GS 21 februari 2023)
UTSP-1494042740-25897
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
1 Inhoud 1.
Inleiding ....................................................................................................................................................3
1.1
Omgevingsvisie en -verordening .............................................................................................................3
1.2
Cyclisch proces ........................................................................................................................................4
1.3
Leeswijzer ................................................................................................................................................5
2.
Wonen ......................................................................................................................................................7
2.1.
Het kwantitatieve woningbouwprogramma ..............................................................................................7
2.2.
Kwalitatieve kaders en uitgangspunten .................................................................................................10
Aandeel sociale en middeldure woningbouw ...................................................................................................11 Evenwichtige ontwikkeling van rood en groen .................................................................................................13 Energieneutrale nieuwbouw, klimaatadaptatie en circulariteit ..........................................................................13 3.
Werken ...................................................................................................................................................16
3.1.
Kwantitatieve opgave .............................................................................................................................16
Vervangingsvraag ............................................................................................................................................17 Programma Werken 2023 ................................................................................................................................17 Regionaal bedrijventerrein ...............................................................................................................................18 Regionale uitgiftestrategie ................................................................................................................................18 3.2.
Kwalitatieve kaders en uitgangspunten .................................................................................................19
Diversiteit in werklocaties .................................................................................................................................19 Zorgvuldig / intensief ruimtegebruik .................................................................................................................19 Verduurzaming bedrijventerreinen ...................................................................................................................20 4.
Analyse en doorkijk per (sub)regio ........................................................................................................22
4.1.
Regio U10 ..............................................................................................................................................22
4.2.
Regio Amersfoort ...................................................................................................................................27
4.3.
Regio Foodvalley ...................................................................................................................................29
4.4.
Totaal overzicht van nieuwe uitleglocaties Programma Wonen en Werken 23 .....................................30
5.
Resultaten PlanMER ..............................................................................................................................33
6.
Vervolg ...................................................................................................................................................35
BIJLAGEN ............................................................................................................................................................36
2
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
1.
Inleiding
De provincie Utrecht is een aantrekkelijke provincie, waar veel mensen met plezier wonen. Door de aanwezigheid van opleidingen en bedrijven en instellingen willen veel mensen in onze provincie (blijven) wonen. In de huidige krappe woningmarkt is het vinden van een geschikt huis een lastige opgave. Eén van de oplossingen om de woningmarkt vlot te trekken is het bouwen van voldoende woningen, en liefst zo snel mogelijk. Dat kan de provincie niet alleen, samenwerking met andere overheden en organisaties is daarvoor noodzakelijk. Naast wonen is ook het bieden van voldoende werkgelegenheid belangrijk. Op alle niveaus, en liefst zoveel mogelijk in balans met wonen en in de nabijheid van woningconcentraties. Voor circa 20 tot 30 procent van het gewenste werkgelegenheidsaanbod zijn specifieke bedrijventerreinen noodzakelijk. Ook daarvoor is sprake van een tekort in onze provincie. Samenwerking biedt de mogelijkheid om het aanbod zoveel mogelijk af te stemmen op de maatschappelijke vraag. De provincie Utrecht wil graag samen met andere partijen werken aan het oplossen van deze maatschappelijke vraagstukken, waarbij eenieder vanuit z’n eigen rol en verantwoordelijkheden een bijdrage kan leveren. Het afgelopen jaar zijn we met gemeenten en regio’s in overleg geweest om te komen tot regionale programma’s voor wonen en werken.
Begin 2023 hebben we met gemeenten overeenstemming bereikt over de regionale programma’s voor wonen en werken. Op basis van deze programma’s kunnen we samen verder werken aan realisatie van de woningbouwopgave en de opgave op het gebied van bedrijventerreinen. Dit tweede provinciale programma is een vertaling van deze drie regionale programma’s. Gemeenten kunnen bestemmingsplannen opstellen voor verstedelijkingslocaties die in dit programma passen. Samenhang met het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2021 Het voorliggende programma is een aanvulling op het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2021 (PPWW21). De uitbreidingslocaties die zijn opgenomen in beide programma’s zijn opgenomen (bijlage). Tevens is er een openbaar te raadplegen GISkaart in ontwikkeling waarbij alle uitbreidingslocaties zijn opgenomen. Bij volgende actualisaties kan het programma opnieuw worden aangevuld met locaties, waarbij de regionale afstemming, naast de behoefte belangrijke kaders zijn.
1.1 Omgevingsvisie en -verordening Op 1 april 2021 zijn de provinciale Omgevingsvisie (OpU) en de (Interim) Omgevingsverordening (IOV) van kracht geworden.
Afbeelding 1: Kaart Omgevingsvisie Thema Vitale steden en dorpen
3
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
In de Omgevingsvisie Provincie Utrecht is in paragraaf 4.6 de nieuwe systematiek locaties voor wonen en systematiek locaties voor werken beschreven. Aansluitend op de filosofie van de Omgevingswet werken we samen met gemeenten op regionaal niveau aan adaptieve programma’s voor wonen en werken. De essentiële informatie uit de drie regionale programma’s is opgenomen in dit provinciale programma. In de artikelen 9.13, 9.14, 9.15 en 9.16 van de Interim Omgevingsverordening wordt bepaald dat bestemmingsplannen die woningbouw of bedrijventerreinontwikkelingen bevatten moeten passen in dit programma Wonen en werken. Daarbij is het van belang dat voorliggend programma een aanvulling is op het eerste programma. Omdat in dit programma echter op punten andere randvoorwaarden gelden voor de locaties, onder andere op het gebied van betaalbaarheid, is gekozen voor een aanvulling. Met dit programma Wonen en Werken wordt uitvoering gegeven aan de in de Omgevingsvisie omschreven woningbouwopgave en de opgave op het gebied van bedrijventerreinen. Dit gaat zowel over het kwantitatieve programma, als over kwalitatieve aspecten.
1.2 Cyclisch proces Vooruitlopend op de besluitvorming over de Omgevingsvisie hebben Provinciale Staten op 27 januari 2020 het Afwegingskader uitbreidingslocaties voor woningbouw vastgesteld, als bouwsteen voor de Omgevingsvisie. In dit afwegingskader is aangegeven dat we gaan werken met regionale programmering. Doel van deze aanpak is om als overheden gezamenlijk continu met elkaar in gesprek te blijven over de maatschappelijke opgaven qua woningbouw en over de planning, aanpak en ontwikkeling van bedrijventerreinen. Dat doen we via een cyclisch proces van kaderstelling, programmering, monitoring, evaluatie en bijsturing. Wij beogen deze cyclus periodiek, te doorlopen, waarbij op dit moment de doorlooptijd anderhalf jaar is. Begin 2022 is het proces van totstandkoming van de eerste cyclus van regionale programmering geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie is het proces aangepast. Zo is deze tweede cyclus van het regionaal programmeren begonnen met het opstellen van een startdocument: provinciale Kader voor de regionale programmering van wonen en werken (hierna: Kader). Provinciale Staten hebben op 21 september 2022 dit Kader vastgesteld. In dit Kader wordt ingegaan op de provinciale rol en taakopvatting, de regio-indeling, de kwantitatieve bandbreedtes en de kwalitatieve aspecten.
Samen met de Omgevingsvisie en Interim-Omgevingsverordening is het kader voor de provincie de basis voor de regionale programmering. In het najaar van 2022 is begonnen met overleg over en het opstellen van concepten voor de regionale programma’s. In de regio’s Amersfoort en U10 heeft dit plaatsgevonden via de reguliere ambtelijke en bestuurlijke regio-overleggen. Voor de Regio Foodvalley (Utrechtse deel) zijn er specifieke overleggen georganiseerd. Daarbij is voor deze regio afgesproken dat er wordt gekozen voor een licht proces, omdat parallel aan dit proces door alle partners wordt gewerkt aan de verstedelijkingsstrategie en de daaraan gekoppelde gebiedsuitwerkingen. Thans is er in alle drie de regio’s overeenstemming over het regionale programma. Waar gemeenten dat nodig vinden, kunnen gemeenten ervoor kiezen dit ook door de colleges van B&W vast te laten stellen. Dit is echter geen vereiste. Via dit Provinciale Programma Wonen en Werken verankeren we de uitkomsten van de tweede ronde regionale programmering in ons provinciaal beleid. Voor dit programma is een PlanMER en passende beoordeling opgesteld.
4
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Vervolgens is het van belang de uitvoering van de programma’s te monitoren en te evalueren. Op basis daarvan, en van actuele maatschappelijke ontwikkelingen en onderzoeken, kan (eventueel) bijstelling plaatsvinden, te beginnen bij het door Provinciale Staten vast te stellen Kader. Dit is van groot belang: maatschappelijke ontwikkelingen kunnen veranderen, en dat het noodzakelijk is om een systematiek te hebben die daar flexibel en adaptief op kan inspelen.
Totstandkoming, doel en inhoud van dit programma. In dit Provinciaal Programma Wonen en Werken worden de meegegeven kaders uit de Omgevingsvisie en het Kader samengebracht met de voor de provincie essentiële informatie uit de regionale programma’s wonen en werken. Het programma bevat de uitwerking van de in de Omgevingsvisie opgenomen kwantitatieve en kwalitatieve opgaven op het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Bovendien worden via dit programma woningbouw- en bedrijventerreinontwikkelingen mogelijk gemaakt; in de Interim Omgevingsverordening is bepaald, dat bestemmingsplannen die nieuwe woningbouw- of bedrijventerreinontwikkelingen mogelijk maken, moeten passen in dit provinciale programma wonen en werken Voor de totstandkoming van dit programma is samengewerkt met regio’s en de daarin gelegen gemeenten. De uitkomsten daarvan zijn vastgelegd in drie regionale programma’s. Daarnaast zijn de locaties in dit programma ook voorgelegd aan de waterschappen.
Keuze van opgenomen locaties Voor de drie regionale programma’s hebben de gegevens uit de Planregistratie Wonen en de bij ons bekende bedrijventerreinplannen als uitgangspunt gediend en is aan gemeenten gevraagd om nieuwe (uitbreidings)locaties voor het programma aan te dragen. Daarbij vormen het Ontwikkelbeeld 2030-2040. Regio Amersfoort Centraal!, Utrecht Nabij en de Verstedelijkingsstrategie Arnhem Nijmegen Foodvalley, belangrijke kaders. Alle locaties die zijn aangedragen zijn door de provincie beoordeeld. Daarbij is ook nagegaan hoe de locatie zich verhoudt tot de basisprincipes verstedelijking (Omgevingsvisie/verordening) en in hoeverre de uitlocatie nodig is in relatie tot het (regionale) woningbouwprogramma of vanuit vitaliteitsoogpunt. Nieuwe uitleglocaties die gemeenten graag opgenomen willen zien in het programma zijn door de provincie eerste ambtelijk integraal beoordeeld in zogenaamde snelkooksessies. Op die manier is het voor provincie en gemeenten al op voorhand duidelijk of en hoe een bepaalde nieuwe uitbreidingslocatie past binnen het provinciale Omgevingsbeleid. Per jaar worden in principe 2 beoordelingsmomenten ingepland. Voor de 2e cyclus konden gemeenten tot 15 april 2022 nieuwe uitbreidingslocaties voorleggen voor een dergelijke beoordeling. De uitkomst van de beoordeling kan randvoorwaarden en aandachtspunten met zich meebrengen.
Wanneer een locatie is beoordeeld als potentieel geschikt met randvoorwaarden, dan is het van belang dat er concreet zich is op het voldoen aan die randvoorwaarden voordat een locatie kan worden opgenomen in het programma. Ook is gekeken naar totale omvang van het programma en is binnen de programmering voor woningbouw gestreefd invulling te geven aan het provinciaal bod aan het Rijk van 83.500 woningen waarbij de basisprincipes voor verstedelijking als uitgangspunt zijn gehanteerd. De randvoorwaarden en aandachtspunten moeten door gemeenten worden betrokken bij de verdere uitwerking. Wij zullen daarop toetsen. Niet-kansrijke locaties nemen wij (nog) niet over in het provinciale programma. In voorkomende gevallen vindt hierover meestal nog overleg plaats tussen provincie en gemeente. Tot slot merken we op dat de Ladder voor duurzame verstedelijking een Rijksregel is die bij ontwikkeling van gemeentelijke plannen altijd in acht moet worden genomen. Gemeenten zullen in o.a. bestemmingsplannen, ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied uitgebreid moeten motiveren volgens de Ladder.
1.3 Leeswijzer De opbouw van dit provinciale programma is als volgt: Hoofdstuk 2 bevat het programma voor wonen. We geven een overzicht van het aantal woningen dat is opgenomen per regio en voor de provincie totaal. Dit doen we ook met betrekking tot de kwalitatieve afspraken.
5
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Hoofdstuk 3 geeft een beeld van het programma werken: overzicht van de te ontwikkelen bedrijventerreinen, en de afspraken die we maken ten aanzien van de intensivering, transformatie en verduurzaming van bestaande en nieuwe terreinen. In hoofdstuk 4 geven we per regio/deelgebied een analyse over het huidige programma en geven we een doorkijk naar volgende actualisaties. In hoofdstuk 5 zijn de resultaten van de PlanMer kort geschetst. In hoofdstuk 6 schetsen we tenslotte het vervolgproces. Hierbij gaan we onder andere in op de organisatie, de monitoring en evaluatie en de actualisering. Afbeelding 2: Regio-indeling provinciaal programma wonen en werken
6
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
2.
Wonen
2.1.
Het kwantitatieve woningbouwprogramma
Deze paragraaf is een uitwerking van de tekstpassage De woningbouwopgave in hoofdstuk 4.4 van de Omgevingsvisie. Voor het opstellen van de regionale programma’s is de Planregistratie Wonen als basis gebruikt. Deze wordt continu gevoed en geactualiseerd door de gemeenten; gevraagd wordt of zij voor een aangegeven datum per jaar de Planregistratie willen updaten.
Methodiek Bij het eerste programma in (PPWW21) is ervoor gekozen om een onderverdeling te maken tussen een realisatiedeel (het eigenlijke programma) en een ‘pijplijndeel’. Bij die methodiek werden de openbare binnenstedelijke plannen in de periode tot 2030, toegevoegd aan het realisatiedeel en werden door gemeenten als vertrouwelijk aangemerkte plannen, opgenomen in het pijplijn deel. Voorafgaand aan het opstellen van voorliggend programma is door gemeenten en provincie veel tijd gestoken in het beter invullen van de Planregistratie Wonen, de bron die we voor het programma gebruiken. Dat heeft er onder andere toe geleid dat er in de periode t/m 2030, veel meer binnenstedelijke plannen een openbare status hebben gekregen in de Planregistratie. Het is echter niet realistisch om dit gehele volume te programmeren, er kan verwacht worden dat er sprake zal zijn van planuitval. Daarom is ook voldoende planvoorraad (overplanning) wenselijk: als vuistregel wordt uitgegaan van 130% plancapaciteit. Het totaal van alle woningbouwplannen die gemeenten in de planregistratie hebben ingevuld is de bruto plancapaciteit. In het totaal komt de bruto plancapaciteit binnen de provincie Utrecht uit op 111.420 woningen tot 2031 en 166.084 woningen tot 2040. Daarbij is uitgegaan van de stand van zaken in het planregistratiesysteem d.d.
27 oktober 2022 en het gaat daarbij om alle harde en zachte plannen. Bij de zachte plannen gaat het om zowel concrete locaties als ook mogelijke zoekrichtingen en ambities: locaties die nog minder concreet en/of vertrouwelijk zijn. In deze aantallen is bijvoorbeeld ook al een deel van de woningbouw bij de regiopoorten meegerekend. In de aantallen zijn ook uitleglocaties meegerekend waarover gemeente en provincie geen overstemming hebben.
Binnenstedelijke locaties Bij deze actualisatie is de informatie uit de Planregistratie benut als ‘referentie’ voor het nieuwe programma wonen. Er is niet meer gekozen voor een één op één getalsmatige koppeling. Aan de hand van de plannen in de Planregistratie is samen met gemeenten gekeken wat een realistisch programma is. Daarbij is ook gebruik gemaakt van de inzichten uit de reality check die in het kader van het provinciaal bod/woondeal is uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een ‘verwachte binnenstedelijke realisatie’ per gemeente en per tijdsperiode. Daarbij is het van belang te beseffen dat ook dit een momentopname is: er doen zich enerzijds geregeld nieuwe kansen voor waardoor nieuwe locaties in beeld komen, terwijl anderzijds zich onverwachts knelpunten kunnen voordoen waardoor de ontwikkeling van een opgenomen locatie stagneert. Het aantal is voor de binnenstedelijke locaties daarom niet limitatief. Er kan sprake zijn van ‘plantoeval’ en/of ‘planoptimalisatie’ waardoor er meer of minder woningen gerealiseerd worden dan het aantal dat nu voor die locatie is opgenomen.
Uitleglocaties Uitbreidingslocaties die reeds zijn opgenomen in de IVO en zijn geprogrammeerd bij het eerste programma, zijn getalsmatig voor 100% meegenomen in het programma (in het getal uitleglocaties). De lijst met uitleglocaties uit het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2021 is toegevoegd als bijlage 1. In hoofdstuk 4 is omschreven welke nieuwe uitleglocaties met dit programma worden toegevoegd.
7
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Woningtekort en woningbehoefte In het provinciaal Kader is per regio een bandbreedte weergegeven voor woningbouw. Deze bandbreedte is afgeleid uit het woningtekort en de woningbehoefte in de drie regio’s. De onderkant van de bandbreedte faciliteert alleen de toename van de woningbehoefte; de bovenkant faciliteert ook het volledig inlopen van het woningtekort. Bij dat laatste wordt opgemerkt dat het niet de ambitie is om het tekort volledig (tot 0%) in te lopen. Inzet is gericht op het inlopen van het tekort tot 2%. Dat wordt gezien als een gezond evenwicht. De bandbreedtes uit het provinciale kader zijn leidend voor de omvang van de regionale programma’s. De ‘schotten’ tussen de verschillende tijdvakken zijn richtinggevend, maar niet absoluut. Hier is (enige) flexibiliteit in mogelijk. In tabel 2 is ook de bandbreedte uit het Kader 2020 opgenomen om de samenhang met het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2021 inzichtelijk te maken. Tabel 1 Woningtekort en woningbehoefte, Primos 2022 (ABF) Regio Regio Foodvalley Amersfoort 1.483 5.051
Woningtekort en woningbehoefte Woningtekort 2022
23.623
Provincie Utrecht 30.157
8.204
20.671
30.987
U10
Toename behoefte 2022 t/m 2025 (4 jaar)
2.112
Toename behoefte 2026 t/m 2030 (5 jaar)
2.313
8.581
27.790
38.684
Toename behoefte 2031 t/m 2039 (9 jaar)
3.546
12.476
33.346
49.368
Totale max. opgave (tekort en behoefte) 2022 t/m 2039 Bron: Provinciaal Kader
9.454
34.312
105.430
149.196
Tabel 2 Bandbreedte woningbouw tot 2040
2022 t/m 2030 (9 jaar)
Regio Foodvalley 4.400 - 6.200
Regio Amersfoort 16.800 - 19.800
48.500 - 66.600
Provincie Utrecht 69.700 - 92.700
2022 t/m 2039 (18 jaar)
8.000 - 9.500
29.300 - 34.300
81.800 - 105.400
119.000 - 149.200
Kader 2020, 2020 t/m 2039 (20 jaar)
7.900 – 9.100
26.100 – 31.000
99.200 – 125.600
133.200 – 165.700
Periode
U10
Bron: Provinciaal Kader
Het programma Wonen In tabel 3 is het kwantitatief programma wonen provincie Utrecht weergegeven. Daaronder is aangegeven hoe het programma zich verhoudt tot de bandbreedte. Ook is in de tabel de plancapaciteit opgenomen. Daaruit blijkt dat er voldoende plancapaciteit is. Er is op basis van huidige inzichten, voor de provincie als geheel ook voor de periode na 2031 voldoende plancapaciteit. Daarbij merken we wel op dat het beeld in de 3 regio’s niet gelijk is. In de Regio U10 zijn na 2031 voldoende plannen in beeld, in de andere twee regio’s lijkt er nog een tekort aan plannen te zijn. In hoofdstuk 4 wordt specifieker ingegaan op het programma per (sub)regio.
Tabel 3 Overzicht kwantitatief programma wonen provincie Utrecht (in aantallen woningen) Regio
2022 t/m 2025
2026 t/m 2030
2022 t/m 2030 (9 jaar)
U10
-
-
-
-
Bandbreedte Kader
-
-
48.500 - 66.600
81.800 - 105.400
29.844 35.320
31.325
61.169
-
46.006
81.326
129.052
118%
147%
133%
-
Programma Bruto Plancapaciteit Programma / Plancapaciteit
2022 t/m 2039 (18 jaar)
8
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Vervolg tabel 3 Regio Regio Amersfoort Bandbreedte Kader
2022 t/m 2025 2025
2026 t/m 2030
2022 t/m 2030 (9 jaar)
-
-
-
-
2022 t/m 2039 (18 jaar)
-
-
16.800 -19.800
29.300 - 34.300
Programma
7.785
9.942
17.727
-
Bruto Plancapaciteit Programma / Plancapaciteit
12.614
11.443
24.057
29.261
162%
115%
136%
-
Regio Foodvalley
2022 t/m 2025
2026 t/m 2030
Bandbreedte Kader
-
-
4.400 - 6.200
8.000 - 9.500
Programma
3.092
2.463
5.555
-
Bruto Plancapaciteit
3.382
2.655
6.037
7.771
Programma / Plancapaciteit
109%
108%
109%
-
2022 t/m 2025
2026 t/m 2030
2022 t/m 2030 (9 jaar)
2022 t/m 2039 (18 jaar)
69.700 - 92.700
119.000 - 149.200
Provincie Cumulatief Bandbreedte Kader
-
2022 t/m 2030 9 jaar 2022 t/m 2039 18 jaar
-
Programma
40.721
43.730
84.451
-
Bruto Plancapaciteit
51.316
60.104
111.420
166.084
Programma / Plancapaciteit
126%
137%
132%
-
Tabel 4: Verhouding bruto plancapaciteit t.o.v. de bandbreedte (in procent) Regio
Regio U10
Regio Amersfoort
Regio Foodvalley
Provincie Utrecht
Plancapaciteit 2022 t/m 2030 t.o.v. onderkant bandbreedte 2022 t/m 2030
168%
143%
137%
160%
Plancapaciteit 2022 t/m 2030 t.o.v. bovenkant bandbreedte 2022 t/m 2030
122%
122%
97%
120%
Plancapaciteit 2022 t/m 2039 t.o.v. onderkant bandbreedte 2022 t/m 2039
158%
100%
97%
140%
Plancapaciteit 2022 t/m 2039 t.o.v. bovenkant bandbreedte 2022 t/m 2039
122%
85%
79%
111%
Flexibiliteit binnen het programma Binnenstedelijke woningbouwcapaciteit per gemeente bevat een veelheid aan, vaak kleine, woningbouwplannen. Ten behoeve van de noodzakelijke concretisering bevatten de regionale programma’s in de bijlage een overzicht van alle openbare binnenstedelijke locaties uit de in bovenstaande tabellen opgenomen bruto plancapaciteit. Dit is echter een momentopname: er doen zich enerzijds geregeld nieuwe kansen voor waardoor nieuwe locaties in beeld komen, terwijl anderzijds zich onverwachts knelpunten kunnen voordoen waardoor de ontwikkeling van een opgenomen locatie stagneert. Het aantal woningen per gemeente in de regionale programma’s is voor wat betreft de binnenstedelijke locaties niet limitatief. Er kan sprake zijn van ‘plantoeval’ en/of ‘planoptimalisatie’ waardoor er meer of minder woningen gerealiseerd worden dan het aantal dat nu voor die locatie is opgenomen.
9
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Dit geldt niet voor uitbreidingslocaties: deze zijn wel limitatief en ook als zodanig specifiek opgenomen in dit provinciale programma. Kleine woningbouwontwikkelingen in het landelijk gebied zijn via het ‘kwaliteitsinstrumentarium’ voor het landelijk gebied via de Interim Omgevingsverordening rechtstreeks, dus zonder dat zij dienen te zijn opgenomen in het provinciaal programma, mogelijk, bv. transformatie bestaande bebouwing, rood voor groen, ruimte voor ruimte of kernrandzonebeleid. Deze plannen beschouwen we niet als uitbreidingslocaties, maar zijn veelal vanwege hun kwantitatieve bijdrage aan het programma wel opgenomen in het realisatiedeel. Ze worden verder niet toegelicht. Dit geldt ook voor de zogenaamde ‘vitaliteitslocaties’ die op basis van artikel 9.12 van de (interim) Omgevingsverordening rechtstreeks mogelijk zijn.
Versnelling woningbouw Ten einde de noodzakelijke versnelling van de woningbouw te bewerkstelligen, ambieert ons college de woningbouwproductie te verhogen en toe te groeien naar 10.000 bruto toe te voegen woningen per jaar. Dit programma biedt daarvoor de mogelijkheid. Met een bruto plancapaciteit van 111.420 woningen voor 9 jaar hebben we gemiddeld 12.380 woningen per jaar aan plancapaciteit. We beogen met de geprogrammeerde aantallen woningen een realistisch programma weer te geven. Desondanks kunnen de locaties niet allemaal van vandaag op morgen worden ontwikkeld, er zijn randvoorwaarden die op orde moeten zijn. Daarbij kan gedacht worden aan ontsluiting, energie-infrastructuur, stikstofruimte, financiële haalbaarheid, beschikbaarheid capaciteit en materialen en dergelijke. Gezien de huidige marktontwikkelingen is dat ambitieus en onzeker. Het gaat dan ook om een randvoorwaardelijk programma. Omdat er altijd sprake is van planuitval, is extra plancapaciteit nodig. In het algemeen wordt uitgegaan van zo’n 30%. Dat is in lijn met de vraag van het Ministerie van BZK, die graag ziet dat er tot 2030 130% plancapaciteit beschikbaar is. Deze 130% wordt gerelateerd aan het beoogde programma (84.451 woningen). Tabel 3 laat zien dat we met de nu bekende plancapaciteit tot en met 2030 wordt voldaan aan deze opgave.
Daarbij merken we op dat er voor de periode na 2031 nu ook al veel plannen zijn waarmee in feite dit percentage nog hoger wordt. Het is de verwachting dat een groot deel van de overige plannen in de plancapaciteit bij actualisaties van dit programma in de komende jaren ook geprogrammeerd kan worden. Dit zijn zachte plannen, mogelijke zoekrichtingen en ambities: binnen- en buitenstedelijke locaties die nog te weinig concreet en/of vertrouwelijk zijn.
2.2.
Kwalitatieve kaders en uitgangspunten
De hieronder uitgewerkte kwalitatieve uitgangspunten hebben een nauwe relatie met de tekstpassages Een woning voor iedereen, Stedelijke kwaliteit en Vitaliteit kernen onder hoofdstuk 4.4. van de Omgevingsvisie. Naast voldoende woningen is het zaak dat er ook woningen van goede kwaliteit worden gebouwd. Bij kwaliteit gaat het om de woning en de woonomgeving, en over zowel belevingswaarde, gebruikswaarde als toekomstwaarde. In het Kader voor regionale programmering wonen en werken hebben PS aangegeven dat er voor wat betreft wonen in de regionale programma’s algemene afspraken zouden moeten worden gemaakt over de integrale stedelijke kwaliteit, betaalbaarheid, de evenwichtige ontwikkeling van rood en groen, energieneutrale nieuwbouw, klimaatadaptatie en circulariteit.
Integrale stedelijke kwaliteit Gezamenlijke ambitie: We streven naar een goede stedelijke kwaliteit: vitale en levendige kernen en wijken. Dit betekent dat: • we primair inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling, ontwikkeling bij knooppuntlocaties en op efficiënt ruimtegebruik; • we streven naar functiemenging, passend bij de lokale situatie en woonmilieus; • we aandacht hebben voor een gezonde inrichting van de openbare ruimte in het stedelijk gebied met voldoende groen en water;
10
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
•
•
we zorgdragen voor een goede bereikbaarheid die past bij de aard en functie van de ontwikkeling en we bezien wonen, werken en bereikbaarheid in samenhang en als onderdeel van de integrale opgave van de regio; we aandacht hebben voor energieneutraliteit, klimaatadaptatie en circulariteit.
Afspraken: • Locatiekeuzes voor na 2030 beoordelen we mede aan de hand van strategie zoals verwoord in het Utrecht Nabij en toekomstige uitwerkingen daarvan. Voor de regiogemeenten is daarbij ook het IRP een belangrijk toetsingskader. • We zetten ons maximaal in om bij te dragen aan de in dit regionaal programma genoemde ambities. Een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving is immers in ieders belang. We kunnen onze ambities echter niet allemaal van vandaag op morgen bereiken en verschillende ambities kunnen elkaar in de weg zitten (bijvoorbeeld ruimtelijk of financieel). Niet in alle plannen kunnen alle ambities voor 100% worden gerealiseerd. Onze inzet is dat de totale kwaliteit van de uitvoering van dit programma ten minste ‘voldoende’ maar bij voorkeur ‘goed’ moet zijn. • Het in het regionaal programma 2021 afgesproken gezamenlijke monitoringssysteem voor de ‘integrale binnenstedelijke kwaliteit’ om voorgaand punt te kunnen volgen zal in 2023 ontwikkeld worden. Toelichting: • Onder ‘levendige en vitale wijken en kernen’ verstaan we wijken en kernen waar het prettig wonen, werken en verblijven is.
Daarvoor is geen waterdichte definitie te geven, maar elementen als het woningaanbod, functiemenging, de aanwezigheid van voorzieningen en groen en stille plekken zijn daarbij van belang; • Functiemenging leidt tot meer multifunctionele woon-werkmilieus in stads- en dorpscentra, daarbuiten zal functiemenging op een ander niveau zijn. Bedrijfsmatige functies moeten passend zijn binnen een woonwijk en niet ten koste gaan van de leefbaarheid van woonwijken en centra. Milieucategorie 1 en 2 zijn in de basis geschikt voor mengen; • Eenmalige kleinschalige uitbreidingen tot 50 woningen per kern worden rechtstreeks mogelijk gemaakt via de provinciale Interim Omgevingsverordening. Deze kleinschalige uitbreidingen worden wel opgenomen in het regionale programma, zodat dit een zo compleet mogelijk beeld bevat. Veel kernen hebben naar aard en omvang behoefte aan een grotere uitbreiding. Deze uitbreidingen worden in dit regionaal programma afgewogen, waarbij het lokale belang, maar ook de provinciale belangen in de afweging worden betrokken; • Door andere prioritering heeft de provincie nog geen initiatief genomen voor een monitoringsinstrument voor integrale binnenstedelijke kwaliteit, maar dit is nog wel de bedoeling. De provincie wil hier het voortouw voor nemen, en daarbij ook aansluiting zoeken met andere initiatieven, zoals bijvoorbeeld de gezondheidsscan.
Aandeel sociale en middeldure woningbouw Gezamenlijke ambitie: Gemeenten en provincie spreken de intentie uit dat tot 2025 op regionaal niveau tenminste 50% van de toe te voegen woningen behoort tot het sociale of middeldure segment. Gezien de opgave om zorg te dragen voor een passend woningaanbod voor iedereen wordt ernaar gestreefd dat zoveel mogelijk woningen gebouwd worden die een eind onder de bovengrens van middelduur zitten, zodat een grotere doelgroep bereikt wordt. In lijn met de randvoorwaardelijke afspraken die met het Rijk zijn gemaakt, wordt vanaf 2025 gestreefd naar tenminste 66% in deze segmenten. Om dit percentage op regionaal niveau te kunnen realiseren, wordt: • voor de nieuwbouwprojecten waarvan de bouw start in 2025 (of later) een minimum ambitie opgenomen op gemeentelijke schaal van gemiddeld tenminste 50% betaalbaar (sociaal en middelduur) per gemeente; • voor nieuwe uitbreidingslocaties voor woningbouw, die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit programma en die na 2025 worden ontwikkeld, geldt een minimum ambitie van 66% betaalbaar (sociaal en middelduur). Daarbij geldt het uitgangspunt van “comply or explain”. Dat wil zeggen dat als gemeenten niet hieraan kunnen voldoen, gemeente en provincie hierover in overleg gaan om te kijken of het alsnog haalbaar is of dat voor de betreffende uitleglocatie uit moet worden gegaan van een lager percentage.
Daarbij speelt ook de totale balans betaal-niet betaalbaar in het gemeentelijk woningbouwprogramma mee.
11
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Indien bij de vaststelling van het provinciaal programma al duidelijk is dat het percentage van 66% betaalbaar voor een locatie niet haalbaar is of dat andere afspraken zijn gemaakt, is dat aangegeven in hoofdstuk 4. Bij de ambitie betaalbaar gaat het om sociale huurwoningen, huurwoningen van de sociale huurgrens tot 1000 euro per maand en koopwoningen tot 355.000 euro. Hierbij is aangesloten bij de prijsgrenzen die in bestuurlijke afspraken tussen provincies en het Ministerie van BZK zijn aangehouden (prijspeil 2023). Notie hierbij is dat deze aangescherpte afspraken nog niet overal zijn verankerd in gemeentelijk beleid. Daarvoor zijn raadsbesluiten nodig. Ook prijsgrenzen en definities zijn in beweging. Mede door de forse inflatie van afgelopen jaar en de noodzaak om goede afspraken te maken over aandelen sociaal en middenhuur moeten die komende tijd helder worden. Tabel 5: Gehanteerde definities van prijsklassen Sociale huur tot de liberalisatiegrens (‘huur 1’ en ‘huur 2’ in planregistratiesysteem) Middeldure huur: tot € 1.000 (‘huur 3’ in planregistratiesysteem) Dure huur: vanaf € 1.000 (‘huur 4’ in planregistratiesysteem) Middeldure koop: tot € 355.000 (‘koop 1 en koop 2’ in planregistratiesysteem) Dure koop: Vanaf € 355.000 (‘koop 3’ en ‘koop 4’ in planregistratiesysteem) Bron: Provinciaal kader regionale programmering wonen en werken 2022
Afspraken: • Partijen spannen zich in voor het realiseren van deze ambitie door aanpassing van plannen waar nodig en mogelijk. Daarbij realiseren we ons dat dit beperkt te beïnvloeden is voor (harde) plannen tot en met 2024, maar we brengen in beeld hoe het aandeel van deze plannen in de plancapaciteit zich ontwikkelt, en we zetten ons in om de plannen waar mogelijk aan deze ambitie aan te passen; • We bezien de streefpercentages op regionaal programmaniveau en naar periode, en met uitzondering van nieuwe uitleglocaties, niet op planniveau. Daarbij streven gemeenten waar mogelijk naar verevening binnen eigen grenzen (voor lopende en nieuwe plannen); • Gemeenten geven zoveel als mogelijk inzicht in de prijssegmenten van de plannen door dit aan te geven in het planregistratiesysteem. Op die manier ontstaat een zo compleet mogelijk beeld. Indien de provincie signaleert dat het gewenste percentage op programmaniveau niet wordt gehaald, zal hierover het gesprek worden aangegaan met de betreffende gemeenten. Zo nodig wordt onderzocht of en hoe provinciaal instrumentarium, bijvoorbeeld onder de Omgevingswet, kan worden ontwikkeld om dit alsnog te bewerkstelligen. Toelichting: Naast voldoende woningen in het sociale en middeldure segment is ook de kwaliteit van deze woningen van belang. De te bouwen sociale huurwoningen moeten zoveel mogelijk ook echt sociale huurwoningen zijn (o.a.
voldoende m2 passend bij beoogde huishoudensgrootte en toewijzing aan primaire doelgroepen). Voor middenhuur geldt daarnaast dat deze woningen gedurende langere tijd (streven 20 tot 25 jaar) voor dit segment behouden zouden moeten blijven (beperkte aanvangshuren en huurontwikkeling). Zie bijvoorbeeld het Actieplan Middenhuur van de gemeente Utrecht ter inspiratie. Gemeenten hebben hier aandacht voor. In tabel 6 zijn de aantallen en percentages afgeleid van het aantal woningen in de openbare plannen in de plancapaciteit (stand van zaken 27 oktober 2022). Daaruit kan worden afgeleid dat er op basis van de nu bekende inzichten (en door de gemeenten opgenomen in de Planregistratie Wonen) 49% van de plancapaciteit in het betaalbare segment valt. Tabel 6: Plancapaciteit naar prijscategorie in aantal en aandeel woningen in openbare plannen voor de Provincie Utrecht. Periode Tot en met 2025 2026 tot en met 2030
Sociale huur
Middeldure huur (1000)
Koop tot 355.000
Totaal aantal en aandeel betaalbaar in plancapaciteit
12.093 (27%)
5.467 (12%)
4.560 (10%)
22.120 (49%)
11.708 (27%)
6.338 (14%)
3.565 (8%)
21.611 (49%)
Bron: Planregistratie wonen
12
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Bij bovenstaande tabel merken we op dat nog niet van alle plannen de onderverdeling naar prijssegmenten bekend is. Die onbekendheid is reëel: de gemeente, die het planregistratiesysteem invult, beschikt vaak nog niet over alle informatie per locatie. Daardoor zijn er kansen om het percentage betaalbare woningen op te hogen. Evenwichtige ontwikkeling van rood en groen Gezamenlijke ambitie: We streven naar een evenwichtige groenontwikkeling, om een gezonde leefomgeving te (blijven) bieden aan onze inwoners. Dit betekent dat er voldoende (recreatief) groen in onze regio beschikbaar moet zijn, zowel in omvang als kwaliteit. Recreatief groen, in zowel de woonomgeving als daarbuiten, op bereikbare afstand is randvoorwaardelijk en vraagt investeringen. De opgave verschilt per locatie en gemeente. Afspraken: • In het programma ‘Groen Groeit Mee’ wordt de regionale groenopgave in beeld gebracht zowel kwantitatief (in hectares) als financieel ten behoeve van de uitwerking van de bepaling over Groen Groeit Mee in de verordening wordt daarbij nu ook een handreiking opgesteld. Specifiek voor de uitleglocaties wordt afgesproken dat gemeenten kijken hoe ze deze handreiking kunnen toepassen en de provincie is bereid hen hierin actief te ondersteunen. . In het bestemmingsplan moet de wijze waarop invulling wordt gegeven aan deze regel zijn uitgewerkt en geborgd.
Daarbij wordt gevraagd een koppeling te leggen met de kernkwaliteit van het landschap, zoals opgenomen in de kwaliteitsgidsen landschap. Toelichting: In het programma Groen Groeit Mee werken de provincie Utrecht, drie regio’s (U10, het Utrechtse deel van Regio Foodvalley en Regio Amersfoort) en vier waterschappen samen. Daarnaast zijn tal van andere organisaties betrokken. Zo wordt met elkaar een alliantie gebouwd, waarin wordt samengewerkt aan een gezonde leefomgeving en een aantrekkelijk vestigingsklimaat, waarin (recreatief) groen meegroeit met andere ontwikkelingen. Als afronding van de eerste fase ondertekenden overheden, waaronder alle Utrechtse gemeenten, en een groot aantal betrokken organisaties op 7 februari 2022 het Groen Groeit Mee Pact. Met de ondertekening van dit Pact markeren de samenwerkende partijen de gedefinieerde ambities en geïnventariseerde opgaven en onderschrijven zij het belang van een gezamenlijke inspanning om te komen tot realisatie. De wijze waarop dat georganiseerd gaat worden en wat daar precies voor nodig is, wordt nader uitgewerkt in de volgende fase. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat zoveel als mogelijk wordt aangesloten bij wat er op verschillende schaalniveaus en door partijen al gebeurt (geen dingen dubbel doen) en daarmee een gebiedsgerichte benadering hanteren.
Inzet is om samen met de partners te komen tot een samenhangend programma voor Groen Groeit Mee. Vooruitlopend op het gebiedsgericht programmeren wordt nu in vier gebieden door partners een pilot voorbereid. Daarbij wordt ook een financiële raming gemaakt van de investeringen. In deze fase wordt ook ingezet op verdieping, nader onderzoek, acties gericht op financiering/lobby vanwege de groenopgave etc. Onder andere wordt een handreiking voorbereid die nadere duiding geeft aan het ‘evenwichtig ontwikkelen van verstedelijking en groen’, conform artikel 9.13 IOV (Instructieregel uitbreiding woningbouw onder voorwaarden mogelijk). Het programma ‘Groen Groeit Mee’ of acties die in het kader van dit gezamenlijke programma worden uitgevoerd, bijvoorbeeld zoals hierboven geschetst, helpen om bij regionale programmering nadere afspraken te maken over groenontwikkeling. Naast ‘regionaal groen’ is ook groen in de woon- en leefomgeving van belang. In dit kader wordt dit beschouwd als onderdeel van de integrale stedelijke kwaliteit zoals eerder beschreven in dit hoofdstuk. Energieneutrale nieuwbouw, klimaatadaptatie en circulariteit Gezamenlijke ambitie: We streven naar energieneutrale klimaatadaptieve en circulaire nieuwbouw.
De meeste gemeenten hebben het Convenant Duurzame Woningbouw ondertekend en koersen op basis daarvan op het generiek hanteren van tenminste het ambitieniveau brons uiterlijk eind 2023 in alle gemeenten.
13
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Afspraken: • Uitvoering en monitoring van de afspraak vindt plaats via het spoor van het Convenant Duurzame Woningbouw (CDW). Mocht uit de monitoring blijken dat het CDW niet leidt tot verwezenlijking van de ambitie, dan bezien partijen hoe de ambitie wel kan worden bereikt; • Partijen bespreken in 2023 of en de wijze waarop de komende jaren kan worden toegewerkt naar ambitie zilver/goud uit het CDW en hoe hierover afspraken gemaakt kunnen worden; • Via de werkregio’s klimaatadaptatie geven regionale overheden (gemeenten, waterschappen en provincie) samen met de partners uitvoering aan klimaatadaptatie strategieën, waaronder maken van afspraken voor klimaatadaptief bouwen en het opnemen in omgevingsvisies en -plannen; • Partijen blijven duurzaamheidsaspecten agenderen in onderlinge overleggen en overleggen met andere stakeholders. Toelichting Gestreefd wordt naar een energieneutrale provincie in 2040. Om dat te kunnen bereiken, is naast het (ruimtelijk) faciliteren van duurzame energiebronnen ook bij andere thema’s inzet nodig, bijvoorbeeld door energieneutrale of energiepositieve nieuwbouw. Bij de regionale programmering is energieneutrale, klimaatadaptieve en circulaire nieuwbouw uitgangspunt. In 2021 zijn de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen gezamenlijk met de vier werkregio’s Klimaatadaptatie in de provincie tot stand gekomen.
Deze werkregio’s zijn Klimaat Vallei en Veluwe, NetwerkWater en Klimaat, Samenwerkingsverband Amstel, Gooi en Vecht en Klimaatadaptatie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. In deze werkregio’s werken provincie, waterschappen, gemeenten en andere partijen samen aan de regionale adaptatiestrategieën. Ondertussen hebben 30 partijen de intentieverklaring bij de afspraken ondertekend. Ondertekenaars zijn gemeenten, waterschappen, projectontwikkelaars en aannemers. De Afspraken Klimaatadaptief Bouwen zijn voor nieuwbouw volledig opgenomen in het Convenant Duurzame Woningbouw. In 2022 is aan de hand van de afspraken de ‘leidraad klimaatadaptief bouwen 2.0’ ontwikkeld, dit dient als hulpmiddel om de gemaakte afspraken in de praktijk te gaan toepassen. Bij de (her)ontwikkeling van woon- en werklocaties liggen er veel mogelijkheden om met circulariteit aan de slag te gaan. Denk bijvoorbeeld aan het zo flexibel, aanpasbaar en modulair mogelijk ontwikkelen en aan hergebruik en biobased gebruik van materialen. Of aan het faciliteren van clustering van bedrijven die deel uitmaken van dezelfde regionale ketens van reststromen en het mogelijk maken van tijdelijke opslag van materialen in zogenaamde ‘hubs’. Daarnaast liggen er veel ontwikkelmogelijkheden door goed te kijken naar de beweging van materiaal- en grondstofstromen door de ‘woon- en werkgebieden’.
In dit verband is in mei 2022 op initiatief van ROM Utrecht een meerjarig innovatieprogramma ‘digitalisering in de circulaire bouweconomie’ gestart met ondertekening van een intentieovereenkomst. Het programma focust zich op de digitale informatievoorziening die nodig is voor de industrialisatieslag in de bouwsector, het digitaal in kaart brengen van de bestaande bebouwde omgeving en de logistieke uitdaging die bouwen en renoveren met zich meebrengt. De provincie Utrecht neemt deel aan de Alliantie Cirkelregio Utrecht waarin met maatschappelijke partners wordt gezocht naar samenwerking om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. De ontwikkeling van een regionale kennisinfrastructuur waarop een beroep kan worden gedaan door overheden, inwoners en bedrijven maakt daar onderdeel van uit. In het Convenant Duurzame Woningbouw (CDW) zijn de belangrijkste duurzaamheidsthema’s samengebracht. Het biedt een houvast voor opdrachtgevende en opdrachtnemende partijen om de duurzaamheidsambities in de woningbouwopgave te verwezenlijken. De thema’s waar het convenant zich op richt zijn: circulair bouwen, energie, klimaatadaptatie, duurzame mobiliteit, biodiversiteit en gezondheid. Uitgangspunt zijn de landelijke doelstellingen en de Parijs-afspraken op het gebied van CO2-reductie, circulariteit en de energietransitie.
In het convenant zijn de afspraken, intenties en het bijbehorend handelingsperspectief opgenomen. In het toetsingskader worden per onderwerp indicatoren aangegeven, waarbij drie niveaus worden onderscheiden: brons, zilver en goud. Op basis van een jaarlijkse evaluatie kan aanscherping van de onderliggende indicatoren plaatsvinden.
14
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Het Convenant is een initiatief dat voortkomt uit de markt en is een samenwerking tussen de provincie Utrecht, de gemeenten Utrecht en Amersfoort en ROM Utrecht. Bij het tot stand komen van het convenant zijn de waterschappen en vertegenwoordigers uit de bouwketen in de regio nadrukkelijk betrokken. Ontwikkelaars, aannemers, gemeenten en andere provincies worden nadrukkelijk uitgenodigd om mee te doen. De veel partijen, waaronder de meeste Utrechtse gemeenten hebben het CDW onderschreven. Daarnaast wordt via het CDW input geleverd aan de normen voor duurzaamheid die BZK in het Bouwbesluit wil opnemen (gepland 2025). Monitoring van het CDW zal onder andere plaatsvinden via de Planregistratie wonen; deze thema’s zullen de komende tijd aan de Planregistratie worden toegevoegd. In bijlage 2 is een overzicht per gemeente opgenomen van de ambities ten aanzien van het Convenant Duurzaam Woningbouw. We sluiten zoveel mogelijk aan bij bestaande initiatieven als het ‘nieuwe normaal’, leidraad voor circulair bouwen. Zie hierbij de link naar de leidraad.
15
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
3.
Werken
3.1.
Kwantitatieve opgave
Zoals in de Omgevingsvisie, hoofdstuk 4.4. onder de passage Specifieke bedrijventerreinen is aangegeven, zijn specifieke bedrijventerreinen noodzakelijk ten behoeve van de vestiging van bedrijvigheid die zich niet laat mengen met andere stedelijke functies zoals wonen. Het gaat dan bijvoorbeeld om onderdelen van de maakindustrie, bouw, handel en de logistiek. Tabel 7 geeft de bandbreedte weer voor bedrijventerreinen zoals die in het Kader is meegegeven. Eerst is aangegeven welke bandbreedte t/m 2030 er in het Kader voor regionale programmering wonen en werken beschikbaar is gesteld en in hoeverre die bandbreedte in het programma 2021 is ingevuld. Daarna wordt de aanvullende behoefte van 2031 t/m 2040 weergegeven, afkomstig uit de behoefteraming Stec 2019. In de rijen daaronder wordt daarop een afslag gedaan van respectievelijk 20 – 30% die wordt opgevangen door de ruimtewinst als gevolg van intensivering van bestaande terreinen en een algemene reservering van 10%. Dit resulteert in de bandbreedte die in de periode van 2031 tot en met 2040 met nieuwe terreinen kan worden ingevuld. De laatste rij tenslotte geeft de totaal beschikbare bandbreedte 2022 t/m 2040 weer, die kan worden ingevuld met nieuw bedrijventerrein. De extra geboden ruimte van 2031 t/m 2040 kan pas na 2030 daadwerkelijk worden uitgegeven, maar al wel eerder geprogrammeerd.
De behoefte tot en met 2040 wordt ook deels door verdere intensivering van bestaande bedrijventerreinen opgevangen. Daarom wordt een deel van de geprognosticeerde ruimtebehoefte niet opgenomen in de bandbreedte. Tabel 7 Bandbreedte bedrijventerreinen tot 2030 uit Kader voor regionale programmering (in hectares) Bandbreedte bedrijventerreinen tot 2030
Regio U10
Regio Amersfoort
Regio Foodvalley
Provincie Utrecht
42- 43
7 - 22
4 - 24
53 - 89
Realisatiedeel PPWW 2021
39.5
10,7
4,0
54,2
Subtotaal: maximaal nog in te vullen bandbreedte t/m 2030
3.5
11,3
20
34,8
Behoefte 2031 t/m 2040 (WLO hoog)
93
35
8
136
19 tot 28
7 tot 11
2
27 tot 41
9
3
1
13
Subtotaal: Bandbreedte nieuw terrein 2031 t/m 2040 (60 - 70%) + Harde vervangingsvraag (80%)
56 - 65
21 - 25
5
82 - 96
PM
PM
PM
PM
Totaal: in te vullen bandbreedte 2022 t/m 2040
56 - 68,5 + PM
21 - 36,3 + PM
5 – 25 + PM
82 - 130,8 + PM
Bandbreedte nieuw terrein t/m 2030
Ruimtewinst door intensivering/verduurzaming bestaand terrein (-20 tot -30%) Reservering: niet accommoderen (-10%)
Naast deze bandbreedte is in het Kader ook tot en met 2040 een algemene reservering aangehouden. De totale reservering, voor en na 2030, kan in uitzonderlijke gevallen beschikbaar worden gesteld voor aantoonbare knelpunten die niet binnen de aangegeven regionale bandbreedte kunnen worden opgelost en die aantoonbaar bijdragen aan ambities die zijn opgenomen in het regionale programma. Denk bijvoorbeeld aan een klein tekort aan programmeringsruimte voor het realiseren van een regionaal, circulair en/of duurzaam bedrijventerrein, of een specifiek lokaal knelpunt. Deze reservering is tot 2030 in de Regio Foodvalley 1 hectare, in de Regio Amersfoort 3 hectare en de Regio U10 9 hectare. Ten aanzien van de opgave om bestaande bedrijventerreinen te intensiveren en verduurzamen wordt benadrukt dat het niet gaat om een opgave van 20-30% ruimtewinst pér bedrijventerrein, maar om een gezamenlijke
16
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
ruimtewinst van 85 hectare tot2030 en 34 hectare na 2030, in te vullen binnen het totale areaal van 163 bedrijventerreinen in de provincie Utrecht met een totaal oppervlak van bijna 2.600 hectare. Vervangingsvraag Het Kader Wonen en Werken 2022 biedt de mogelijkheid om de harde vervangingsvraag, die ontstaat door de transformatie van bedrijventerrein die in de behoefteraming (Stec, 2019) nog zijn meegenomen, in te vullen. Het gaat dan om 80% van het te transformeren areaal netto uitgegeven en in gebruik zijnde bedrijventerrein, met een ondergrens van 1 hectare netto uitgeefbaar per ontwikkeling. De vervangingsvraag moet worden aangetoond door een genomen raads- en/of collegebesluit, waaruit de omvang van het verlies aan bedrijfsruimte op de transformatielocatie blijkt. Deze hectares kunnen aan de bandbreedtes per regio worden toegevoegd. In dit Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 is dat voor twee locaties gedaan. Een transformatielocatie c.q. bedrijfsverplaatsing van IJsselstein naar Lopik en een transformatielocatie c.q. bedrijfsverplaatsing van Hagestein naar Vianen. In het totaal leiden deze transformaties tot een geschatte vervangingsvraag van 10,7 hectare. Dit oppervlak wordt bij de programmeringsruimte voor de Regio U10 opgeteld, waarmee de totale te programmeren ruimte in de Regio U10 uitkomt op 14,2 hectare.
Daarnaast zijn er in alle drie de regio’s terreinen bekend waar op termijn transformatie verwacht wordt. Het gaat daarbij veelal om verouderde binnenstedelijke terreinen waar woningbouw is voorzien. In de nieuwe behoefteraming die in 2023 wordt uitgevoerd zullen deze vastgestelde transformatieplannen worden geïnventariseerd worden en vertaald naar een kwantitatieve vervangingsvraag. Op basis van deze behoefteraming kan in het Kader voor Regionale Programmering Wonen en Werken voor de volgende cyclus (2023/2024) de programmeringsruimte worden bijgesteld. Regio en Provincie hebben afgesproken dat als blijkt dat er tot en met 2030 extra ruimte ontstaat als gevolg van deze transformaties, de programmering uit deze tweede cyclus kan worden herijkt en waar nodig terreinen naar voren kunnen worden gehaald. Programma Werken 2023 In tabel 8 is het bestaand aanbod van bedrijventerreinen en het reeds geprogrammeerde aanbod weergegeven. Hieronder vallen onder andere de terreinen die zijn mogelijk gemaakt in het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2021, maar ook terreinen die al eerder mogelijk waren gemaakt maar nog niet zijn gerealiseerd. . Een deel van deze terreinen is binnen een tweetal jaar beschikbaar voor uitgifte. Alle andere plannen vergen nog (langere) doorlooptijden. In tabel 9 is een overzicht gegeven van het Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023.
Dat betreft nieuwe werklocaties die met voorliggend ontwerpprogramma worden mogelijk gemaakt. In deze tabel wordt ook per regio aangegeven welke zachte planvoorraad er nog is. Dit betreft plannen waarover op dit moment geen overeenstemming is tussen de regio en provincie. In de Regio U10 is gekozen voor een kleine overprogrammering tot en met 2030. De reden hiervoor is dat de praktijk leert dat bij de ontwikkeling en uitgifte van bedrijventerreinen veel vertraging optreedt. Door rekening te houden met een lichte overprogrammering, wordt voorkomen dat door vertraging in de realisatie van andere terreinen er sprake kan zijn van een tekort. In hoofdstuk vier wordt aanvullend ingegaan op het programma per regio. Daar wordt ook nader toegelicht welk deel van programma ten laste komt van de bandbreedte 2031 t/m 2040 en daarmee pas na 2030 kan worden uitgegeven Tabel 8 Overzicht bestaand aanbod en reeds geprogrammeerd aanbod (in hectares) Bestaand aanbod/ reeds geprogrammeerd aanbod
Regio U10
Regio Amersfoort
Regio Foodvalley
Provincie Utrecht
Bestaand aanbod
7,8
12,6
0
20,4
Reed geprogrammeerd nieuw aanbod bedrijventerreinen Totaal aanbod per regio en Utrecht totaal
59,7
11,7
4
75,4
67,5
24,3
4
95,8
17
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
Tabel 9 Overzicht kwantitatief programma werken provincie Utrecht (in hectares netto uitgeefbaar) -
Regio U10
Regio Amersfoort
Regio Foodvalley
Provincie Utrecht
3.5
11,3
20
34,8
Vervangingsvraag
+ 10.7
0
0
+10.7
Realisatiedeel PPWW 2023 t/m 2030
17,7
7
0
24,7
3,5
4,3
20
20,8
Programmeringsruimte t/m 2030
Tekort / Overschot t/m 2030 Bandbreedte nieuw terrein 2031 t/m 2040
-
56 - 65
21 - 25
5
82 - 96
Realisatiedeel PPWW 2031 t/m 2040
40
2
0
42
Overprogrammering t/m 2031
-3.5
0
0
-3,5
Tekort / Overschot t/m 2040
12,5-21,5
19-23
5
36,5-50,5
Zachte planvoorraad (pijplijn)
28
40
12
80
De zachte planvoorraad (pijplijn) is gebaseerd op door gemeenten aangegeven ideeën, voornemens en plannen voor nieuwe bedrijventerreinen. Over deze potentiële) plancapaciteit moet nog nadere besluitvorming plaatsvinden. Gemeenten en provincie maken gezamenlijk keuzes en afweging over de locaties die worden toegevoegd aan het regionaal programma, passend binnen het provinciaal Kader. Voor de regio's gaat het om een totaal areaal aan plancapaciteit van ca. 80 hectare, met voorlopige plannen voor lokale en mogelijk regionale werklocaties in diverse benoemde gemeenten. Deze nieuwe werklocaties bevinden zich in verschillende fases van ontwikkeling, maar zijn deze ronde nog niet gereed voor programmering. Anderen zijn al als kansrijk beoordeeld, maar voldoen nog niet aan alle randvoorwaarden. Regionaal bedrijventerrein In dit ontwerpprogramma is ook rekening gehouden met de programmering van een regionaal bedrijventerrein in de Regio U10. Het gaat daarbij om het terrein Gaasperwaard III van 30 hectare netto in de gemeente Vijfheerenlanden, dat in dit ontwerpprogramma is opgenomen om na 2030 uit te gegeven. Voor een regionaal bedrijventerrein is in de Omgevingsvisie afgesproken dat, mocht de programmering van een dergelijk terrein aan de orde komen, aan Provinciale Staten wordt voorgelegd dit op te nemen in het Kader voor de regionale programmering wonen en werken.
Hoewel in de tekst van het Kader is aangegeven dat door het verruimen van de planningshorizon ook invulling kan worden gegeven aan de ambitie voor het realiseren van enkele regionale bedrijventerreinen, is dit punt niet als expliciet beslispunt aan Provinciale Staten voorgelegd. Daarom zal parallel aan de terinzagelegging van dit ontwerpprogramma aan Provinciale Staten een Statenbesluit worden voorgelegd waarin Provinciale Staten wordt gevraagd in te stemmen met het voornemen om dit regionale bedrijventerrein op te nemen in het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023. Daarbij worden Provinciale Staten ook in de gelegenheid gesteld de resultaten van de inspraak te betrekken bij haar besluit. Het besluit van Provinciale Staten ten aanzien van dit onderwerp zal worden verwerkt in het definitieve Programma Wonen en Werken 2023. Daarom wordt in de tabel ook gesproken over een voorwaardelijke programmering. Regionale uitgiftestrategie Het tot uitvoering brengen van de regionale afspraken brengt een cultuuromslag met zich mee in de wijze waarop het EZ-beleid binnen de gemeenten wordt vormgegeven. De aandacht zal meer verschuiven naar de samenhang tussen de bestaande bedrijventerreinen en de nieuwe uitgifte van terrein.
Dit vraagt in de eerste plaats dat gemeenten deze samenhang vertalen in een regionale uitgiftestrategie voor nieuwe terreinen, zoals dat in de hierna beschreven kwalitatieve afspraken is opgenomen. De strategie is niet van toepassing op direct uitgeefbaar aanbod en zal ingaan vanaf het moment dat de afspraken uit de strategie zijn vastgelegd. Het strekt tot aanbeveling dat in de voorbereiding van uitgifte van nieuwe bedrijventerreinen reeds rekening wordt gehouden met afspraken over de manier van uitgifte. Momenteel onderzoeken provincie en gemeenten welke (on)mogelijkheden er zijn om regionale afspraken te maken over de uitgifte van bedrijventerreinen. In dit
18
Ontwerp-Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023
onderzoek wordt gekeken naar de hele keten van sturingsinstrumenten (landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk) om te zien hoe het beste gestuurd kan worden op clustering, selectiviteit en regionale meerwaarde.
3.2.
Kwalitatieve kaders en uitgangspunten
Deze paragraaf heeft relatie met de passage Specifieke bedrijventerreinen in hoofdstuk 4.4. van de Omgevingsvisie. In het Kader heeft Provinciale Staten aangegeven dat zij in de regionale programma’s afspraken willen maken over zorgvuldig ruimtegebruik en verduurzaming van bestaande en nieuw te ontwikkelen werklocaties. Onderstaand is aangegeven welke afspraken op hoofdlijnen hierover in de regionale programma’s zijn opgenomen. Deze verschillen per regio. Dat heeft te maken met wat men als gemeenten onderling al heeft afgesproken of wil gaan afspreken. De in het kader genoemde aspecten met betrekking tot intensivering, zorgvuldig ruimtegebruik en verduurzaming komen echter in alle drie de regio’s terug. Diversiteit in werklocaties Gezamenlijke ambitie: We streven naar een diversiteit in werklocaties in de regio, zodanig dat deze past bij de werkgelegenheid die wij willen bieden en het gewenste economische profiel. Afspraken: • Gemeenten verkennen in de op te stellen regionale visies werklocaties hoe zij de behoefte aan werklocaties willen faciliteren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende werkmilieus/segmenten, waarvan sommige zich goed laten mengen met andere stedelijke functies. Zie ook de ambitie en afspraken over ‘integrale stedelijke kwaliteit’ bij wonen (2.2).
Gemeenten verkennen in het kader van de verstedelijkingstrategie en/of regionale visies werklocaties op welke locaties functiemenging of meervoudig ruimtegebruik wordt gefaciliteerd en op welke locaties functiemenging of meervoudig ruimtegebruik juist niet gefaciliteerd zal worden. Deze visie zal vanaf 2024-2025 in werking treden; • We stimuleren functiemenging in stedelijk gebied. We mengen op sommige locaties bewust niet, daar waar het de ambities op bijvoorbeeld voldoende ruimte voor overslag, logistiek en circulariteit en maakindustrie hindert, of het een ongewenste vervangingsvraag met zich meebrengt. Voor deze bedrijven die zich niet laten mengen, blijven specifieke werklocaties nodig; • Gemeenten streven ernaar bedrijfsruimte te incorporeren in bestaande transformatieplannen, waarbij de werkgelegenheid zoveel mogelijk behouden blijft; • Functiemenging van wonen en werken op werklocaties zien we met name op binnenstedelijke terreinen. Deze terreinen kunnen eventueel organisch ontwikkeld worden naar interactiemilieus, in verband met bereikbaarheid en vormen van duurzame mobiliteit en de druk vanuit diverse functies die daar al merkbaar is. Zorgvuldig / intensief ruimtegebruik Gezamenlijke ambitie: We streven naar een zorgvuldige invulling van de (schaarse) ruimte op bestaande en nieuwe bedrijventerreinen.