Concept bestemmingsplan Parallelweg 3
Tekst van het document
Voor het planvoornemen aan de Parallelweg 3, in het buitengebied van de gemeente Renswoude, is met name het thema ‘Buitengebied’ van belang. Het natuurlijke maar ook agrarische buitengebied is een van de trekpleisters van de gemeente Renswoude. De gemeente vind het belangrijk dat het buitengebied in balans blijft en dat kansen op het gebied van natuurontwikkeling en vrijkomende agrarische bebouwing worden benut. Daarnaast is het belangrijk dat ook de agrariërs de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Uitgangspunt is dat ontwikkelingen in het buitengebied altijd maatwerk zijn en gepaard gaan met het nodige onderzoek vooraf. Nadrukkelijk wordt aandacht geschonken aan de belangen van de agrariërs, landschaps- en natuurwaarden en een gezonde leefomgeving. Ruimtelijk gezien vraagt het buitengebied voornamelijk om een beheersituatie waar vanuit naast de agrarische belangen ook zeker gekeken wordt naar verdere versterking van de karakteristieke natuurwaarden. Het Kampenlandschap vormt hierbij de natuurlijke structuur die als leidraad kan worden gebruikt. Verrommeling van het buitengebied dient te allen tijde voorkomen te worden; de rust, de natuur en het Kampenlandschap worden gekoesterd. Onderhavige toelichting voorziet in een uiteenzetting van het plan, onder andere door, toetsing aan het geldende beleid. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de verschillende milieuaspecten.
Door middel van landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit op het perceel verbeterd en wordt aangesloten op de uitgangspunten van de Omgevingsvisie ten aanzien van ontwikkelingen in het buitengebied. Voor het plangebied is daarnaast het thema ‘Werken’ relevant. In de omgevingsvisie is onder andere opgenomen dat de gemeente zich inspant om uitbreiding te realiseren wanneer blijkt dat lokale ondernemers meer ruimte nodig hebben. Revitalisering of nieuwvesting wordt te allen tijde getoetst aan aspecten als gezondheid en (externe) veiligheid, geluid, geur, etc. Het planvoornemen is in overeenstemming met de toegezegde inspanning van de gemeente om uitbreiding te realiseren. Het bedrijf heeft meer ruimte nodig om meer materialen en machines inpandig te stallen en wil daarom een nieuwe loods bouwen. NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|28
Welstandsnota gemeente Renswoude (2004) De gemeenteraad van Renswoude heeft op 22 juni 2004 de Welstandsnota vastgesteld. Het doel van deze nota is het behouden en waar mogelijk versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In de Welstandsnota van de gemeente Renswoude zijn gebiedsgerichte criteria opgenomen. Met de gebiedsgerichte benaderingswijze zijn de karakteristieken van wijken en samenhangende gebieden in heel de gemeente vastgelegd en gewaardeerd. Hiermee moeten de ontwerpers van nieuwe bouwplannen rekening houden en het biedt de welstandscommissie handvatten voor het formuleren van een welstandsadvisering. Het bestemmingsplan en de Welstandsnota functioneren naast elkaar. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken. Datgene wat door het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan. Daar doet de Welstandsnota uitspraken over. De ruimte die het bestemmingsplan biedt, kan door de welstandscriteria gebruikt worden ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit. Als een bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan, maar het ontwerp te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het gebied, kan een negatief welstandsadvies gegeven worden.
In het kader van onderhavig bestemmingsplan zijn de welstandscriteria voor het buitengebied van toepassing. Het gehele buitengebied van de gemeente Renswoude betreft een zogenaamd ‘kampenlandschap’. De kavels tonen een mozaïekpatroon en zijn trapeziumvormig ten noorden van de kern en regelmatig ten zuiden hiervan, met in het zuiden een meer open landschap. Het merendeel van de bebouwing is gesitueerd nabij of langs de kruispunten van de, al in het begin van de negentiende eeuw bestaande, ontsluitingswegen. Op deze plaatsen staan ook vaak de historische gebouwen. In het gebied zijn voorts diverse bospercelen aanwezig. De bebouwing is in het noordelijke gedeelte duidelijker gericht op agrarisch bedrijvigheid dan het gevarieerde zuidelijke gedeelte, waar het plangebied gelegen is. In Renswoude zijn veel verwoeste boerderijen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog herbouwd (wederopbouwboerderijen), met een vaak grotere opzet dan de oorspronkelijke typen. In het noorden komen grootschalige agrarische bedrijven voor. De bebouwing is veelal gegroepeerd langs wegen of bij kruispunten van secundaire wegen. Naast de historische gebouwen (grote hallenhuizen uit de negentiende eeuw of vernieuwd) en villa-achtige bebouwing zijn de grote recente schuren dominant in het landschap.
De hoofdopzet van een agrarisch of niet-agrarisch bebouwingscomplex is een hoofdgebouw (woning) met meerdere schuren en stallen. Het hoofdgebouw valt op door zijn ligging in het complex: meestal naar de weg gericht en de nokrichting haaks op de weg met de bijgebouwen achter of gelijk met de voorgevellijn van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw kan ook geflankeerd zijn door later toegevoegde bijgebouwen of door een nieuw hoofdgebouw (zoals een tweede woning voor de ‘rustende boer’), die naast de oorspronkelijke bebouwing is gerealiseerd. Bijgebouwen bestaan vaak uit één of meer lange bedrijfshallen of stallen. Daarnaast komen veelvuldig één of meer werktuigbergingen of schuren voor. Het gaat voor het merendeel om grote, eenvoudige, rechthoekige constructies met een zadeldak (gedekt met grijze golfplaten). De meeste gebouwen zijn gemetseld op een simpele wijze met een oranje tot rode baksteen in halfsteens verband, soms gedeeltelijk open of bedekt met een damwandprofiel. Overwegend is sprake van een zadeldak en een situering haaks op de weg. De schuren of stallen kunnen vrijstaand zijn, maar ook gecombineerd, zowel onderling als via een plat verbindingsstuk aan het woonhuis. De bijgebouwen zijn gesitueerd afhankelijk van de ruimtelijke mogelijkheden van het perceel. Bij brede en ondiepe kavels kunnen de bijgebouwen haaks staan op het hoofdgebouw.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|29
Stallen, schuren en andere bedrijfshallen kunnen een grote invloed hebben op het bebouwingsbeeld. Ze kunnen een storende invloed hebben wanneer ze hoger zijn dan de hoofdbebouwing en afwijkende vormen en kleuren hebben. De gemeente streeft naar het beeld van de ondergeschiktheid van bijgebouwen aan het hoofdgebouw. De bestaande bebouwing en de hoofdgebouwen vormen het kader voor de welstandstoets. Verder gelden de volgende welstandscriteria, waarmee rekening wordt gehouden bij de nieuwbouw van de bedrijfsbebouwing: • Het bouwwerk past in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houdt rekening met de bestaande organisatie op het perceel en is gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. • De hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig met een samenhangende en evenwichtige gevelopbouw van de eindgevel. • De nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap. • De gevelgeleding is horizontaal en de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw. • De hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren. • De gevels worden in metselwerk uitgevoerd. Ander materiaal is toegestaan, mits in donkere tinten uitgevoerd en voorzien van een profiel en een zichtbare metselwerkplint. • De dakvlakken worden in pannen uitgevoerd.
Ander materiaal is toegestaan mits in grijze of donkere tinten uitgevoerd, afwijkend van de gevelkleur en voorzien van een (golfplatenof dakpan-) profiel. Conclusie Het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|30
5. RANDVOORWAARDEN 5.1
Bodemkwaliteit
Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting mogelijk is moet ten minste een verkennend bodemonderzoek verricht worden. Onderzoek Het planvoornemen betreft de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing aan de Parallelweg 3 te Renswoude en de bouw van een nieuwe loods. De bebouwingsoppervlakte ten behoeve van het bestaande bedrijf op het perceel wordt daarmee vergroot naar maximaal 728 m². Een verkennend bodemonderzoek is daarom noodzakelijk. Hopman en Peters hebben daartoe een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Parallelweg 3 te Renswoude. Het onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging. Er is sprake van een tweetal deellocaties, zoals te zien in figuur 12. a.
Olie-/vetafscheider (< 3 m³): onderzocht conform NEN 5740 b. Overig terrein, inclusief loods (1.100 m²): onderzocht conform NEN 5740
Figuur 12 Boorpunten
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|31
Op basis van de verzamelde actuele en historische gegevens is de locatie als verdacht aangemerkt en als zodanig onderzocht. In het grondwater van de bestaande peilbuis zijn geen verhoogde gehalten aan minerale olie en aromaten vastgesteld. Deellocatie A: Olie-/vetafscheider (< 3 m³) Zintuigelijk zijn in de opgeboorde grond geen afwijkingen gevonden die wijzen op het voorkomen van een potentiële verontreiniging in de bodem van de onderzoekslocatie. In de grond (0,1-0,6 mmv) is analytisch geen verhoogd gehalte aan minerale olie vastgesteld. Deellocatie B: Overige terrein, inclusief loods (1.100 m²) Zintuigelijk zijn in de opgeboorde grond, lokaal afwijkingen (zwak baksteenhoudend) gevonden die wijzen op het voorkomen van een potentiële verontreiniging in de bodem van de onderzoekslocatie. In de monsters van de bovengrond (MMB 02: 0,0-0,5 m-mv, MMB 03: 0,1-0,6 mmv en M05: 0,1-0,5 m-mv) is analytisch een licht verhoogd gehalte aan minerale olie vastgesteld. In de monsters van de ondergrond (MMB 04: 0,5-2,2 en MM06: 0,5-1,5 m-mv) is analytisch enkel voor monster MM06 een licht verhoogd gehalte aan minerale olie boven de achtergrondwaarden aangetroffen. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium en naftaleen vastgesteld.
Conclusie en advies Geconcludeerd moet worden, dat gezien het feit dat er gehalten boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond, de onderzoekshypothese verdacht in de zin van de NEN 5740 aangenomen dient te worden. Het licht verhoogde gehalte aan minerale olie in de grond, ter plaatse van deellocatie B, is niet eenduidig te verklaren, maar is van dien aard dat deze geen verdere aandacht behoeft. De lokaal licht verhoogde gehalten aan barium en naftaleen in het grondwatermonster zijn niet eenduidig te verklaren, de concentraties zijn echter van dien aard dat deze geen verdere aandacht behoeven. Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling en de geplande werkzaamheden. Conclusie Vanuit het aspect bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
5.2
Water
Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|32
Nationaal Water Programma 2022-2027 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doet het Rijk voor de periode 2022 – 2027, maar men kijkt ook verder vooruit. Het Rijk werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Dit ontwikkelen zij samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Bestuursakkoord Water Het bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water.
De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: • Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte; • Beheersbaar programma voor de waterkeringen; • Doelmatig beheer van de waterketen, • Werkzaamheden slim combineren; • Het waterschapsbestuur. Provinciaal Bodem- en Waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 Op 9 februari 2022 is het Provinciaal Bodem- en Waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 (BWP) vastgesteld. Het Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 (BWP) bundelt het provinciaal bodem- en waterbeleid in één programma. Het vervangt de bodem- en wateronderdelen uit het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021. In het BWP is beschreven hoe de provincie Utrecht werkt aan een duurzaam bodem- en watersysteem en hoe bodem en water bijdragen aan een veilige, vitale en leefbare provincie. Door samenwerking tussen de provincie, waterschapen, gemeenten en maatschappelijke organisaties wordt gewerkt aan een provincie waar wonen, werken en leven goed blijft. Het BWP is uitgewerkt aan de hand van 7 thema’s: 1. Duurzaam gebruik ondergrond en circulair bodem- en waterbeheer 2. Schoon oppervlaktewater 3. Schone bodem en grondwater 4. Bodem: kwaliteit, vruchtbaarheid, aardkundige waarden en ontgrondingen 5. Voldoende water 6. Waterveiligheid 7.
Energie uit bodem en water Waterbeheerprogramma 2022-2027 (waterschap Vallei en Veluwe) Op 22 november 2021 is het Waterbeheerprogramma ‘Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027’ (BOP) van het waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. Het BOP is een gebiedsgericht programma dat door een uitgebreide participatieaanpak is ontwikkeld en vormgegeven. Met de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) wordt gekoerst naar een duurzame en water inclusieve leefomgeving. De BOVI2050 beschrijft waar het Waterschap Vallei en Veluwe in 2050 wil staan en geeft kleur aan deze doelstelling. Het BOP is de gebiedsgerichte en tactische uitwering van deze NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|33
beleidsvisie. Daarin worden de doelen van het waterschap verbonden aan de maatschappelijke opgaven zoals de klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, hervorming landbouw, natuur- en stikstof opgave en verstedelijking. Voor de planperiode 2022-2027 zijn in het BOP verschillende doelen opgesteld: • Waterveiligheid • Watersysteem • Wonen en zuiveren • Veranderopgave: circulaire economie • Veranderopgave: energietransitie Het BOP bevat vier gebiedsprogramma’s om gebiedsgericht te kunnen werken, namelijk: 1. Noord Veluwe 2. IJsselvallei 3. Gelderse Vallei 4. Eemland Het plangebied is gelegen binnen Gelderse Vallei. In het BOP is omschreven dat de Gelderse Vallei uit een gevarieerd landschap bestaat waarin landbouw, natuur en wonen samengaan. Dat is aantrekkelijk voor recreatie. Regio Foodvalley is het bepalende stedelijke gebied. De flanken van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug zijn gevoelig voor droogte. In het lage middendeel van de Vallei komen kwelstromen vanuit de hoge gronden van de Veluwe tevoorschijn. In dit natte gebied liggen kwetsbare natuurwaarden en waterbergingsgebieden. De waterkwaliteit van de beken en het Valleikanaal staat onder druk door een teveel aan nutriënten. De Keur De Keur is een algemene verordening van het waterschap als toetsingskader om de belangen ten taken van het waterschap te waarborgen.
De Keur is gebaseerd op de Waterwet en de Waterschapswet. De verordenende bevoegdheden zijn vormgegeven naar een model van de Unie van Waterschappen. In de Keur staat wat er wel en niet mag in wateren, waterkeringen, bergingsgebieden en ondersteunende kunstwerken (waterstaatswerken) en grondwater. Met die regels beschermt het waterschap de dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden. Zo mogen bepaalde activiteiten bij wateren en dijken alleen worden uitgevoerd als het waterschap daarvoor een vergunning heeft verleend. Hiermee worden risico’s op wateroverlast of gevaren voor de dijken voorkomen. In bepaalde gevallen gelden algemene regels in plaats van de vergunningsplicht. In deze algemene regels worden minder risicovolle activiteiten toegestaan zonder dat er vooraf toestemming hoeft te worden gevraagd aan het waterschap. Wel gelden er meesten voorwaarden en moet er achteraf een melding worden gedaan. Van de waterstaatswerken wordt via een legger de technische norm en geografische begrenzing aangegeven. Plangebied De 'watertoets' is verplicht voor alle ruimtelijke plannen. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd.
De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het plangebied aan de Parallelweg 3 te Renswoude is gelegen binnen het beheersgebied van het Waterschap Vallei en Veluwe. NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|34
Toetsing Legger Watersysteem Waterschap Vallei en Veluwe De Legger geeft aan waar de wateren zich bevinden, wat de categorie van de wateren zijn en waar de zones liggen waarvoor de verboden en geboden uit de Keur van Waterschap Vallei en Veluwe gelden. Er wordt in de legger, gerangschikt naar afnemend belang, onderscheid gemaakt naar drie categorieën oppervlaktewaterlichamen: A, B en C. In de Legger en de Keur worden A- en Bwatergangen belangrijk geacht voor de watertoevoer of -afvoer. Bij oppervlaktewaterlichamen-A geldt een beschermingszone van 5 meter, gemeten vanaf de buitenzijde (rand) van het oppervlaktewaterlichaam.
Figuur 13 Uitsnede Legger Waterkeringen Waterschap Vallei en Veluwe (plangebied zwart omlijnd)
Figuur 14 Uitsnede Legger Watersysteem Waterschap Vallei en Veluwe (plangebied zwart omlijnd)
Op basis van de Legger Waterkeringen blijkt dat het niet binnen de beschermingszone van een waterkering ligt. Uit de Legger Watersystemen blijkt dat het plangebied aan de noordoost-, oost- en zuidwestzijde aan een C-watergang grenst. Indien wijzigingen plaatsvinden aan de watergangen die op de Legger staan dient hiervan een melding te worden gedaan bij het waterschap dan wel een NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|35
keurvergunning te worden aangevraagd, tenzij kan worden voldaan aan de Algemene regels van de Keur. Met het planvoornemen voor de sloop en nieuwbouw van bedrijfsbebouwing vinden geen wijzigingen plaats aan de watergangen. Het regenwater mag niet worden aangesloten op de drukriolering, maar moet op eigen terrein worden verwerkt. Hiervoor dienen de C-watergangen rondom het plangebied. Digitale watertoets Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is de digitale watertoets doorlopen (www.dewatertoets.nl) om te beoordelen of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Het resultaat hiervan is toegevoegd als bijlage 4 bij deze toelichting. Uit de digitale watertoets blijkt dat er in het plangebied één of meerdere belangrijke oppervlaktewateren, waterkeringen of gebieden liggen die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat mogelijk daarmee primaire waterbelangen worden geraakt. Op 12 augustus 2022 is een reactie op de digitale watertoets ontvangen van het Waterschap Vallei en Veluwe. Het waterschap heeft aangegeven dat het plangebied een leggerwatergang raakt. Het betreft een C watergang op de perceelsgrenzen die buiten de planontwikkeling blijven. Daarom hoeven er geen extra maatregelen genomen te worden.
Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water, namelijk: • Vasthouden – bergen – afvoeren • Grondwaterneutraal bouwen • Schoon houden – scheiden – schoon maken Vasthouden – bergen – afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen.
Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden – scheiden – schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Er moet gebruik gemaakt worden van duurzame bouwmaterialen.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|36
Met het planvoornemen neemt het verhard oppervlak toe met circa 269 m². Dit ligt onder de drempelwaarde van 1.500 m² waarvoor een watercompensatievereiste geldt. Het hemelwater zal in de nieuwe situatie niet verontreinigd raken omdat voor de nieuwe loods geen gebruik zal worden gemaakt van uitlogende materialen. Wateradvies De uitwerking van het voorliggende plan in deze waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap Vallei en Veluwe toegezonden. Op 12 augustus 2022 is een reactie op de digitale watertoets ontvangen van het Waterschap Vallei en Veluwe. Het waterschap heeft aangegeven dat er geen bijzonderheden te zien zijn. Het plangebied raakt een C watergang op de perceelsgrenzen die buiten de planontwikkeling blijven. Daarom hoeven er geen extra maatregelen genomen te worden. Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
5.3
Luchtkwaliteit
Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Het begrip NIBM is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide en fijnstof. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|37
Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Onderzoek Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2022) ter plaatse tussen de 8 en 10 μg/m³. De concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2022) is ter plaatse tussen de 18 en 20 μg/m³. De concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2022) is ter plaatse gelegen tussen de 10 en 15 μg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. NIBM Het onderhavige planvoornemen betreft de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing aan de Parallelweg 3 te Renswoude en de bouw van een nieuwe loods. De bebouwingsoppervlakte ten behoeve van het bestaande bedrijf op het perceel wordt daarmee vergroot naar maximaal 728 m². Voor de berekening van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is uitgegaan van een worst-case scenario. Deze bedraagt maximaal 26,1 mvt/etmaal. Met de NIBM-tool is de bijdrage van dit plan aan de luchtkwaliteit vastgesteld. In de NIBM-tool wordt uitgegaan van een worst-case scenario. Het planvoornemen voor de sloop en nieuwbouw van de loods draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Een aanvullend onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|38
NSL-monitoringstool In de NSL-monitoringstool is de huidige en toekomstige luchtkwaliteit weer gegeven. Op de kaarten van de NSL-monitoringstool zijn rekenpunten langs de A12 aanwezig. De dichtstbijzijnde rekenpunten liggen daarmee op circa 335 meter van het plangebied. Uit de resultaten blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voor de stoffen stikstofdioxide en fijnstof geen sprake is van overschrijdingen van concentraties en aantal overschrijdingsdagen. Er kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
5.4
Geluid
Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wet geluidhinder iedere weg in beschouwing te worden genomen tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wet geluidhinder bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidgevoelige gebouwen (onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen zijn op basis van de Wgh niet beschermd tegen geluidshinder.
Onderzoek TecMaP De locatie aan de Parallelweg 3 te Renswoude heeft een bedrijfsbestemming met een functieaanduiding voor een hoveniersbedrijf. Het bedrijf dat nu op de locatie is gevestigd is geen hoveniersbedrijf maar een aannemers- een grondverzetbedrijf. Het bedrijf realiseert bouw- en infraprojecten, zoals bodemsanering, grondwerk, buitenriolering en drainage, terreinverharding, groenvoorziening en terreininrichting. Deze werkzaamheden worden voornamelijk elders uitgevoerd. Het betreffende terrein aan de Parallelweg 3 wordt voornamelijk gebruikt als opslagterrein. Het bedrijf wil een deel van de bestaande bebouwing slopen en een nieuwe loods realiseren. Om te kunnen beoordelen of de huidige bedrijfsactiviteiten wat milieubelasting betreft vergelijkbaar zijn met de bedrijfsactiviteiten behorende bij een hoveniersbedrijf is op 4 januari 2022 door TecMaP een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluidbelasting ter hoogte van bestaande woningen ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten. Het onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. Uitgaande van de huidige bedrijfssituatie is een rekenmodel opgesteld. Met dit rekenmodel is de geluidbijdrage ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen bepaald. Uit de rekenresultaten en toetsing blijkt het volgende: NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|39
Directe hinder: • Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van woningen minder dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Er wordt voldaan aan stap 2 uit de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering. • Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van de nieuw te bouwen woningen maximaal 77 dB(A) in de dagperiode. De aanbevolen richtwaarden behorende bij stap 2 uit de VNG publicatie worden overschreden vanwege het optrekken van een vrachtwagen. • Omdat piekniveaus behorende bij laad- en losactiviteiten worden uitgesloten van toetsing, wordt ten aanzien van de maximale geluidniveaus wel voldaan aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. Indirecte hinder: Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbijdrage vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt maximaal 43 dB(A) bedraagt. Omdat deze waarde lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) is er volgens de Circulaire indirecte hinder dan geen indirecte hinder te verwachten. Uit bovenstaande blijkt dat er ter hoogte van woningen geen ontoelaatbare hinder is te verwachten vanwege de voorgenomen bedrijfsactiviteiten van het aannemers- en grondverzetbedrijf. De geluidemissie die bij deze activiteiten ontstaat is vergelijkbaar met de geluidemissie behorende bij de bedrijfsactiviteiten die volgens het huidige bestemmingsplan mogelijk zijn.
Ook blijkt dat het bedrijf in de aan te vragen representatieve bedrijfssituatie aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit kan voldoen. Beoordeling omgevingsdienst De gemeente heeft de Omgevingsdienst Regio Utrecht gevraagd om het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd door TecMaP te beoordelen. De beoordeling is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. In het akoestisch onderzoek is geconstateerd dat er in de huidige situatie woningen zijn die binnen de richtafstand voor een hoveniersbedrijf (huidige bestemming) liggen. Die woningen zijn daarmee bepalend voor de toelaatbare geluiduitstraling. Uit het onderzoek blijkt dat voor die woningen voldaan kan worden aan de richtwaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus uit stap 2 van de VNG publicatie. Er is wel sprake van een overschrijding van de richtwaarde voor de maximale geluidsniveaus. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door een vertrekkende vrachtwagen (circa 6 bewegingen gedurende de dagperiode) op de in-/uitrit van de inrichting. Daarvan zal in de huidige situatie ook al sprake zijn en gezien de ligging van de woningen aan de (weliswaar relatief rustige) openbare weg zullen vergelijkbare maximale geluidsniveaus als gevolg van voertuigen van derden daar ook optreden.
Conform stap 3 van de VNG publicatie mogen maximale geluidsniveaus als gevolg van aan- en afrijdend verkeer buiten beschouwing gelaten worden. Daarvoor is echter wel een motivatie nodig waarom de optredende maximale geluidsniveaus in deze situatie acceptabel worden geacht. De motivatie kan gezocht worden in de volgende zaken: • Het betreft een beperkt aantal van zes bewegingen • De bewegingen vinden alleen in de dagperiode plaats • Voertuigen van derden op de openbare weg zullen gelijkwaardige maximale geluidsniveaus opleveren • In de huidige situatie is ook sprake van bewegingen van vrachtwagens
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|40
De voor de ruimtelijke toetsing van toepassing zijnde richtwaarden zijn gelijk aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit mogen maximale geluidsniveaus als gevolg van laden- en lossen buiten de beoordeling gelaten worden, waardoor voldaan kan worden aan de grenswaarden. Het bevoegd gezag is akkoord met het akoestisch onderzoek, mits wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling ruimtelijk inpasbaar is. In de toelichting van dit bestemmingsplan wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling ruimtelijk inpasbaar is. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Bedrijven en milieuzonering
De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-publicatie is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend”. Omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Alle bedrijven die in de buurt van het plangebied liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|41
De minimale afstand per categorie is als volgt: Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het planvoornemen betreft de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing en de bouw van een nieuwe loods. De bebouwingsoppervlakte ten behoeve van het bestaande bedrijf op het perceel wordt daarmee vergroot naar maximaal 728 m². Het plangebied is gelegen aan de Parallelweg. In de omgeving van het plangebied komen verschillende functies naast elkaar voor, zoals bedrijfsbestemmingen, woonbestemmingen en agrarische bestemmingen. Door de aanwezigheid van verschillende functies geldt voor het plangebied het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Volgens het huidige bestemmingsplan “Buitengebied 2010” heeft het plangebied een bedrijfsbestemming en wel specifiek een hoveniersbedrijf. Het bedrijf dat nu op de locatie is gevestigd is geen hoveniersbedrijf maar een aannemers- een grondverzetbedrijf. Het bedrijf realiseert bouw- en infraprojecten, zoals bodemsanering, grondwerk, buitenriolering en drainage, terreinverharding, groenvoorziening en terreininrichting. Deze werkzaamheden worden voornamelijk elders uitgevoerd. Een aannemers- en grondverzetbedrijf met een bedrijfsoppervlak van 500 m² of meer wordt volgens de richtlijn VNG beoordeeld als een categorie 3.1 bedrijf. Wanneer het bebouwd oppervlakte kleiner is dan 500 m² is sprake van een bedrijfsactiviteit behorende bij milieucategorie 2.
De bedrijvigheden behorende bij het aannemers- en grondverzetbedrijf worden acceptabel geacht wanneer deze bedrijfsactiviteiten, wat milieueffecten betreft, vergelijkbaar zijn met een hoveniersbedrijf (milieucategorie 2). In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende burgerwoningen. Uit figuur 13 blijkt dat de woningen aan de Parallelweg 1, Parallelweg 3a en Parallelweg 10 binnen 30 meter van de grens van de bedrijfsbestemming zijn gelegen.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|42
Figuur 15 Situering woonbestemming ten opzichte van bedrijfsbestemming
Om te kunnen beoordelen of de huidige bedrijfsactiviteiten wat milieubelasting betreft vergelijkbaar zijn met de bedrijfsactiviteiten behorende bij een hoveniersbedrijf is op 4 januari 2022 door TecMaP een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluidbelasting ter hoogte van bestaande woningen ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten. De geluidemissie die met het planvoornemen ontstaat is vergelijkbaar met bedrijfsactiviteiten volgens milieucategorie 2, de geluidemissie behorende bij de bedrijfsactiviteiten die volgens het huidige bestemmingsplan mogelijk zijn. Ook blijkt dat het bedrijf aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit kan voldoen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
5.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen. De belangrijkste zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|43
in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen en grote kantoren) en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren en sportcomplexen) bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is.
Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: • De kans op een ongeval; • Het effect van het ongeval; • Het aantal personen dat in de omgeving van de bron(inrichting of transportroute) verblijft; • De mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarvan het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron, geldt een verantwoordingsplicht. Onderzoek De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico’s in de woon- en leefomgeving. Via de kaart wordt informatie gegeven over de risicobronnen en de kwetsbare objecten.
In figuur 16 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|44
Figuur 16 Uitsnede risicokaart Nederland
Inrichtingen Binnen of direct grenzend aan het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Conform het gestelde Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen, paragraaf 5.2.3, hoeven er geen beperkingen aan het ruimtegebied te worden opgesteld in een gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. De dichtstbijzijnde route voor vervoer van gevaarlijke stoffen bevindt zich op circa 165 meter ten noorden van het plangebied. Het gaat hierbij om een buisleiding. Het betreft een buisleiding in beheer van Defensie Pijpleiding Organisatie voor het vervoer van brandstoffen. Op circa 300 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich een buisleiding in beheer van de Gasunie voor het transport van aardgas. Deze buisleidingen lopen niet over het perceel aan de Parallelweg 3 en er is rond de buisleidingen geen risicocontour aangegeven voor het plaatsgebonden risico. De ontwikkeling vindt plaats op voldoende afstand van de betreffende leidingen. Op circa 360 meter ten zuiden van het plangebied bevindt zich de snelweg A12. Over de A12 worden gevaarlijke stoffen vervoerd, maar voor deze transportroute geldt geen PR (plaatsgebonden risico) van 10-6 per jaar. Het groepsrisico is daarnaast kleiner dan 1% van de oriëntatiewaarde.
De contouren van deze transportroutes liggen niet over het plangebied. De bedrijfslocatie aan de Parallelweg 3 is op voldoende afstand gelegen. Met planvoornemen wordt geen kwetsbaar object binnen de risicocontour gerealiseerd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|45
5.7
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000- gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. In de nieuwe Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wn niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aangesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wet natuurwetbescherming (Wn) niet meer en andersom.
Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wn kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|46
voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming: •
•
•
Vogels o Alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wn). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. Internationaal beschermde soorten o Alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wn). Overige beschermde soorten o Soorten genoemd in de bijlage bij de Wn, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wn). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wn niet meer is beschermd).
De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Onderzoek Het planvoornemen betreft de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing aan de Parallelweg 3 te Renswoude en de bouw van een nieuwe loods. De bebouwingsoppervlakte ten behoeve van het bestaande bedrijf op het perceel wordt daarmee vergroot naar maximaal 728 m². In verband met de voorgenomen sloop en nieuwbouw dient in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) een ecologische quickscan te worden uitgevoerd. Hopman en Peters hebben hiertoe een ecologische quickscan uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd Beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) Het dichtstbijzijnde Natura 2000 is het ‘Binnenveld’. Dit Natura 2000-gebied ligt op 5,5 km afstand ten zuidoosten van het plangebied.
De locatie ligt op 450m afstand van Utrechts NNN gebied. Dit (dichtstbijzijnde) NNN-gebied omvat de watergang parallel aan weg De Grift en een deel landbouwgrond. In verband met de aanwezigheid van menselijke invloeden in de vorm van agrarisch grondgebruik en bewoning zijn negatieve effecten op de beschermde gebieden zoals geluids- en visuele verstoringen ten gevolge van de werkzaamheden uit te sluiten. Daarnaast bestaat de ingreep alleen uit de sloop en nieuwbouw van een pand. De rest van het terrein blijft intact. Overtreding van de Wet natuurbescherming t.a.v. Natura 2000 en NNN is niet aan de orde. NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|47
Beschermde soorten Binnen het plangebied zijn geen beschermde vogelsoorten, habitatsrichtlijnsoorten en ‘andere soorten’ waargenomen of te verwachten. Binnen het plangebied zijn ook geen beschermde habitatsrichtlijnsoorten waargenomen of te verwachten. Werkzaamheden zullen daarom niet in overtreding zijn met artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen (beschermde) functies van soorten aanwezig zijn in de loods. Daarom is geen ontheffing/vrijstelling nodig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Stikstof PM Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Archeologie
Beleid Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007 en wijzigt hiermee de Monumentenwet uit 1988, de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Vanaf 1 juli 2016 is dit op dezelfde wijze als via de Wamz verwerkt in de Erfgoedwet en in de toekomst zal dit verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek.
Bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Op deze wijze is de zorg voor archeologische monumenten geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is onder andere bepaald dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. De gemeente Renswoude stelde in 2010 een archeologische verwachting- en beleidsadvieskaart vast. Toetsing Het noordoostelijk deel van het plangebied aan de Parallelweg 3 te Renswoude ligt in een zone die op de plankaart (als juridische verankering van de eerder opgestelde gemeentelijke archeologische beleidskaart) van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010’ is aangeduid als ‘Waarde – Archeologie – 2’. Bij ontwikkelingen waarbij een bouwwerk van tenminste 100 m² wordt toegevoegd is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Met het initiatief wordt een bestaand bedrijfsgebouw NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|48
gesloopt en een nieuwe loods van maximaal 728 m² gebouwd. De beoogde nieuwe loods wordt niet gebouwd in het noordoostelijk deel van het plangebied waar de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’ geldt. Derhalve hoeft geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.9
Mer-beoordeling
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG – richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaard toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elke besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de Daklijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrij m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, in het andere geval dient een m.e.r.- beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG – richtlijn milieueffectbeoordeling. Onderzoek Drempelwaarde lijst D In het plangebied is sprake van de aanleg, wijzing of uitbreiding van een klein stedelijk ontwikkelingsproject. Het gaat in dit geval om de sloop van bestaande bedrijfsbebouwing en de bouw van een nieuwe loods van maximaal 728 m². Het planvoornemen valt daarmee onder activiteit D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. onder de term ‘stedelijk ontwikkeling’. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit met D.11.2. in bijlage II van het Besluit, vermeld: • Een oppervlakte van 100 hectare of meer; • Een aangesloten gebied en 2.000 of meer woningen. Het planvoornemen ligt ver beneden de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Gevoelige gebieden In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Het plangebied is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen. Er is dus geen sprake van significante nadelige effecten voor het milieu. NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|49
Milieugevolgen In voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake is van nadelige milieugevolgen. Conclusie Gelet op het inzicht in de milieugevolgen van het project op basis van de plantoelichting kan gesteld worden te beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport. Dit is als een afzonderlijk beslispunt in het collegevoorstel opgenomen.
NL.IMRO.0339.Parallelweg3-CO01
bestemmingsplan Parallelweg 3, Renswoude
|50
6. JURIDISCHE REGELGEVING 6.1.
Inleiding
Dit bestemmingsplan sluit wat betreft de juridische regelgeving aan op de regeling van het bestemmingsplan Woongebied Gilze. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden, door middel van de op de kaart aangegeven bestemmingen en de daarop betrekking hebbende regels, de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van de bouwwerken en onbebouwde gronden.