CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

BPBeekweide II.

Raadscommissie 1 juni 2023, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het Bestemmingsplan herstelbesluit Beekweide II18.817 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast dient aanvullend aandacht te worden besteed aan de asbesthoudende dakbedekking en de mogelijke aanwezigheid van onverharde druppelzones, die mogelijk verontreinigd zijn geraakt met asbestvezels en/of PCB. Geadviseerd wordt voorafgaand aan eventuele herontwikkeling (sloop en/of nieuwbouw) de algemene bodemkwaliteit (inclusief asbest) vast te stellen en de (eind)situatie vast te leggen ter plaatse van de (voormalige) bodembedreigende activiteiten. Tevens dient rekening gehouden te worden met een asbestinventarisatie van de te slopen opstallen. Afhankelijk van de resultaten van de benodigde onderzoeken voorafgaand aan de sloop, zijn mogelijk aanvullende onderzoeken noodzakelijk na de sloop. Aanvullend onderzoek naar PFAS wordt vooralsnog niet noodzakelijk geacht. Indien grond of puin/funderingsmateriaal in de toekomst wordt afgevoerd, dient rekening gehouden te worden met aanvullende keuringen conform het Besluit bodemkwaliteit om een geschikte verwerkingslocatie te vinden. Conclusie Uit de onderzoeken voor fase 1 en 2 is gebleken dat de bodemkwaliteit geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Voor fase 3 (percelen 3789 en 3498) en de percelen 3447 en 2943 dient nog verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd te worden.

In de exploitatie is rekening gehouden met de onderzoekskosten en eventuele saneringskosten die mogelijk uit deze onderzoeken voortkomen. Het vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

25

4.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken.

Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

26

Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkelingen worden ca. 190 woningen gerealiseerd. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang (< 1.500 woningen), aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijnstof, namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Naast de grenswaarden van de EU gelden er ook richtwaarden van de WHO. Pas als de luchtkwaliteit ter plaatse van een ontwikkeling aan zowel de waarden van de EU als aan de waarden van de WHO voldoen, is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. In de navolgende tabel staat een overzicht van deze waarden weergegeven. Stof Fijnstof PM2,5 Fijnstof PM10 NO2

EU-norm 25 μg/m3 40 μg/m3 40 µg/m3

WHO-richtwaarde 10 μg/m3 20 µg/m3 40 µg/m3

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van NSL-monitoringstool (rekenpunt 15875059) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van de locaties bedragen respectievelijk 19,27 µg/m³ PM10, 11,12 μg/m³ PM2,5 en 16,18 μg/m³ NO2. Daarmee worden de EUnormen niet overschreden. De advieswaarden van de WHO worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarden voor NO2 en PM10, maar niet voor PM2,5. Echter blijkt, wanneer gerekend wordt met de achtergrondconcentraties over 2030, dat in de toekomst voldaan wordt aan de grenswaarden WHO, vermoedelijk ook na de planbijdrage. Deze waarde bedraagt dan immers 8,87 μg/m³ PM2,5. Daaruit volgt dat er sprake zal zijn van acceptabele concentraties en een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd kan worden dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): 1. verzorgingstehuizen; 2. psychiatrische inrichtingen; 3. medische centra; 4. poliklinieken; 5. medische kleuterdagverblijven.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld, zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en actieplannen.

27

Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder. Doordat met voorliggend plan de realisatie van woningen wordt beoogd, dient beschouwd te worden of de geluidsbronnen uit de Wet geluidhinder belemmeringen vormen voor de ontwikkelingen. Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het plan is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd (SPA WNP ingenieurs, 22100020.r01a, d.d. 28 september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van:

•

de Barneveldsestraat hoger kan zijn dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale te ontheffen waarde van 63 dB. De voorkeurswaarde wordt bij 10 woningen overschreden en bedraagt maximaal 59 dB;

•

de Beekweide hoger zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, maar lager dan de maximale ontheffing zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op deze 30 km-weg aanvaardbaar is. De voorkeurswaarde wordt bij 12 eerstelijnswoningen overschreden en bedraagt maximaal 51 dB.

•

de Meidoornlaan / De Hokhorst lager zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op deze 30 km-weg aanvaardbaar is.

Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan vanuit architectonische en stedenbouwkundige overwegingen geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de nieuwe woningen te reduceren tot maximaal 48 dB (de voorkeurswaarde). Om deze woningen te kunnen realiseren, moet de gemeente Renswoude voor 10 woningen een hogere waarde tot 59 dB vanwege het wegverkeerslawaai op de Barneveldsestraat vaststellen en vastleggen in het kadaster. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle onderzochte wegen bedraagt op de nieuwe woningen maximaal 63 dB, zonder aftrek ex artikel 110g van de Wet geluidhinder. Spoorweglawaai De beoogde ontwikkeling bevindt zich op ca. 3 km van de dichtstbijzijnde spoorweg. Vanwege deze ruime afstand zijn er geen belemmeringen wat betreft geluid van het spoor te verwachten. Industrielawaai In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel is geluid van omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van milieuzonering. Deze toetsing vindt plaats in toelichting paragraaf 4.6. Conclusie Voor 10 woningen zal ten gevolge van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde door wegverkeerslawaai een hogere waarden procedure moeten worden doorlopen. De overige bepalingen van de Wet geluidhinder vormen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden;

28

•

vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in het kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd. Planspecifiek Vanuit ecologie zijn soortenbescherming en gebiedsbescherming van belang. In dit kader zijn verschillende ecologische onderzoeken uitgevoerd (Breur Ecologie & Onderzoek, zie bijlagen bij toelichting bijlagen 6, 7, 8 en 9). Navolgend zijn de belangrijkste conclusies beschouwd. Soortenbescherming Naar aanleiding van de ecologische quickscans is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de volgende soorten/soortgroepen:

• • • • • •

Flora Huismussen Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren (steenmarter en eekhoorn) Amfibieën (poelkikker, heikikker, kamsalamander, alpenwatersalamander) Reptielen (ringslang, levendbarende hagedis, hazelworm)

Hieruit kwamen de volgende resultaten naar voren:

29

•

In het plangebied is de eekhoorn aanwezig, er zijn twee boomnesten aangetroffen in het zuidelijke bosperceeltje. Vermoedelijk functioneert het plangebied als verblijfplaats voor één/enkele eekhoorns in het najaar en de winterperiode.

•

Indien het bosperceel met de eekhoornnesten zal verdwijnen dient men een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen.

•

Het plangebied functioneert als nesthabitat voor diverse soorten vogels waarvan de nesten alleen zijn beschermd wanneer zij in gebruik zijn. Hierom wordt aanbevolen om rekening te houden met het broedseizoen: grofweg van half maart t/m half juli. Speciale aandacht dient uit te gaan naar de oeverzwaluw. Aanbevolen wordt om in het plangebied bewust geen geschikte grondhopen te laten ontstaan, en buiten het werkterrein juist wel een geschikte grondhoop aan te leggen, zodat overlast tijdens de werkzaamheden kan worden voorkomen.

•

Het plangebied vervult geen essentiële functies voor overige beschermde soorten.

Het plan is daarmee uitvoerbaar in het kader van soortenbescherming. Desondanks geldt voor alle soorten flora en fauna (beschermd en onbeschermd) te allen tijde de zorgplicht. Dit betekent dat de initiatiefnemer verplicht is om zorgvuldig te werken en dat onnodige schade aan planten of dieren altijd dient te worden voorkomen. Gebiedsbescherming Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie kan externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten. Voornamelijk de ligging op 5,7 km afstand van het Natura 2000-gebied Veluwe maakt een beschouwing van het effect noodzakelijk. Om in beeld te brengen wat de effecten van de ontwikkeling op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn, is een AERIUS-berekening uitgevoerd (SPA WNP ingenieurs, 22000621.b01, d.d. 8 februari 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 10). Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen effecten heeft hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Echter is dit onderzoek verouderd, doordat inmiddels de AERIUS Calculator versie 2022 uit is. Daarom zijn de berekeningen ter controle uitgevoerd met de nieuwe AERIUS Calculator. Uit deze controle is gebleken dat de conclusies van het onderzoek uit 2021 stand houden.

Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. In het kader van gebiedsbescherming onder de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Verder bevindt zich in de noordzijde van het plangebied de meanderende Lunterse Beek en de daarbij behorende natuurlijke oever. Een deel van de Lunterse Beek is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland. Er zijn met voorliggend initiatief ter plaatse geen ingrepen voorzien. Wel is ten behoeve van instandhouding en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden langs de Lunterse Beek de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' opgenomen. Het oogmerk is daarbij dat voor flora en fauna verbindingen kunnen ontstaan tussen natuur- of natuurontwikkelingsgebieden. Conclusie Uit de Wnb komen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan voort.

4.6 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan.

30

Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. Planspecifiek In het kader van milieuzonering moet er bepaald worden of de nieuwe invulling van de planlocatie realiseerbaar is en dat dit geen belemmeringen oplevert voor de omliggende bedrijven en instellingen. Om dit inzichtelijk te maken is onderzoek uitgevoerd (SPA WNP ingenieurs, 21900158.R02, d.d. 7 mei 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Navolgend worden de relevante conclusies beschouwd. Onderzoeksresultaten Op basis van de beoogde stedenbouwkundige opzet voor de beoogde woningbouw in Beekweide II is de relevante milieuzonering in beeld gebracht. Uit het onderzoek blijkt dat de relevante richtafstand voor het naastgelegen sportcomplex 30 meter bedraagt voor het aspect geluid. De woningen binnen het plangebied zijn op voldoende afstand gesitueerd. Uit de resultaten van de uitgevoerde lichthindermeting blijkt eveneens dat het er geen lichthinder te verwachten is binnen het plangebied. Ook voor het bedrijventerrein aan de westzijde van de Barneveldsestraat wordt aan de richtafstanden voldaan. Voor de bedrijfslocaties aan de Barneveldsestraat zijn immers bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan, waarvoor in gemengd gebied een richtafstand van 10 m geldt.

Dit is ook van toepassing op het benzineservicestation aan de Barneveldsestraat 29. De beoogde woningen bevinden zich buiten deze richtafstand. Dat geldt ook voor een deel van het bedrijfsperceel Barneveldsestraat 16a1, waaraan de bestemmingen 'Wonen - Uit te werken 2' toegekend is. Bij de uitwerking van de plannen voor deze locatie zullen de bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Barneveldsestraat 16 Aan de Barneveldsestraat 16 is een bedrijfsperceel gelegen waar verschillende bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Met voorliggend plan wordt aan deze locatie de bestemming 'Wonen - Uit te werken 1' toegekend, waarmee het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid heeft de bestemming onder voorwaarde uit te werken naar een woonbestemming. Desalniettemin behoudt het bedrijf de mogelijkheid zijn de bedrijfsvoering voort te zetten. Er dient daarom inzichtelijk gemaakt te worden dat het bedrijf niet gehinderd wordt in zijn bedrijfsvoering door de beoogde woningen. Zoals hiervoor beschreven blijven ook na vaststelling van voorliggend plan enkele bedrijven gevestigd aan de Barneveldsestraat, waardoor hier nog sprake is van gemengd gebied. Er komen immers woningen direct naast bedrijven voor. Bovendien is aan de overzijde van de Barneveldsestraat een bedrijventerrein

31

aanwezig. Ook de drukke aard van de Barneveldsestraat, een van de belangrijkste ontsluitingswegen van Renswoude, draagt bij aan het gemengde karakter. Conform het geldende bestemmingsplan zijn op de locatie Barneveldsestraat 16 activiteiten toegestaan tot en met milieucategorie 3.1, waaronder een afvalsorteerbedrijf, opslag, agrarisch hulpbedrijf, landbouwmechansiatiebedrijf en transportbedrijf. Echter is aan het bedrijf vergunning verleend voor het inzamelen van bouw- en sloopafval, zand- en grindhandel, transport- en loonwerkbedrijf. Hierbij horen de navolgende bedrijfscategorieën uit de VNG-richtafstandenlijst.

In gemengd gebied geldt voor de vergunde bedrijfsactiviteiten een richtafstand van 50 m. Zonder nader onderzoek kan niet aangetoond worden dat realisatie van woningen binnen deze richtafstand het bedrijf niet hinderen in zijn bedrijfsvoering. Daarom wordt in voorliggend plan de bouw van woningen binnen deze richtafstand in eerste instantie uitgesloten door de bestemming 'Wonen - Uit te werken' toe te kennen. Deze bestemming kan pas uitgewerkt worden als het bedrijf beëindigd is of als inzichtelijk is gemaakt dat het bedrijf niet wordt gehinderd in zijn bedrijfsvoering en er bij de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit is op deze manier vastgelegd in de regels van voorliggend bestemmingsplan. Niet alleen is binnen het plangebied de op- en overslag van schone grond en zand vergund, maar ook is er een mestopslag (120 m³) middels vergunning (2012) mogelijk gemaakt. Voor de opslag van vaste mest zijn geen specifieke richtafstanden opgenomen in de VNG-brochure, maar worden de afstanden van het Activiteitenbesluit gehanteerd. Eisen voor de opslag van mest zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en zijn van toepassing op inrichtingen type B en C. Het gaat hier om een type C inrichting. Dit betekent dat de voorschriften uit de vergunning van 2012 over mestopslag van rechtswege zijn vervallen en zijn vervangen door het artikel 3.46 uit het Activiteitenbesluit.

Vanaf een opslag voor vaste mest geldt voor woningen binnen de bebouwde kom een afstand van 100 meter (artikel 3.46 lid 1 Activiteitenbesluit). Deze afstand is echter niet van toepassing als niet voldaan wordt aan de afstand en het opslaan reeds voor 1 januari 2013 plaatsvond en verplaatsing van de opslag redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 3.46 lid 2 Activiteitenbesluit). Omdat deze activiteit reeds voor 1 januari 2013 plaatsvond is de afstand uit lid 1 in onderhavig geval niet van toepassing. Desalniettemin is zekerheidshalve een individuele beoordeling van de geurhinder uitgevoerd (SPA WNP ingenieurs, 22200304.r01, d.d. 4 oktober 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12). Hieruit is gebleken dat de geurcontour van de paardenstallen en de mestopslag waarbinnen geurhinder te verwachten is kleiner is dan 50 m vanaf de erfgrens van Barneveldsestraat 16. Aangezien er binnen 50 m van het perceel geen woonbestemmingen worden toegekend vormt de mestopslag geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.7 Water Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in bestemmingsplannen een waterparagraaf te worden opgenomen. In de paragraaf wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de

32

waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in de ruimtelijke plannen en besluiten'. 4.7.1 Generiek beleid Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

4.7.2 Specifiek beleid Ten aanzien van de waterhuishouding is het geldende beleid van de verschillende overheden leidend. Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 vastgesteld en heeft in samenwerking met haar waterpartners het Waterhuishoudingsplan opgesteld. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 30 september 2015 het waterbeheerprogramma vastgesteld. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. De waterbeheerder heeft het bovenregionale oppervlaktewaterbeleid vertaald naar regionale richtlijnen, normen en vergunningsvoorschriften. Toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door het realiseren van voldoende extra waterberging. Ten aanzien van het afkoppelen van verhardoppervlak van het riool heeft het waterschap een afkoppelbeslisboom opgesteld. Indien het regenwater van de daken naar

33

het oppervlaktewater wordt afgevoerd, of in de bodem geïnfiltreerd wordt mag er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen, zoals koper, lood en zink, voor dak- gevelbekleding en goten. Beleid gemeente Renswoude Op 8 december 2020 heeft de gemeenteraad het "Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2028" vastgesteld. In dit plan heeft de gemeente Renswoude samen met waterschap Vallei en Veluwe het rioleringsbeleid vastgelegd. Aangegeven wordt hoe de gemeente Renswoude werkt aan een toekomstbestendig watersysteem en waterketen. Bij nieuwbouw wordt regenwater en afvalwater gescheiden en waar mogelijk regenwater geïnfiltreerd. Bij voorkeur voeren woningen regenwater oppervlakkig af op openbaar terrein. In lijn met Waterschap Vallei en Veluwe wordt 60 mm statische bergingscapaciteit gevraagd bij nieuw verhard oppervlak. Bij nieuwbouwsituaties wordt in beginsel niet gedraineerd. Als drainage toegepast wordt dient onderbouwd te worden of dit noodzakelijk is om overlast te voorkomen. Het ontwerp van drainagevoorzieningen dient dusdanig vormgegeven te zijn dat nooit onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) wordt gedraineerd maar dat alleen pieken die voor overlast of instabiele infra kunnen zorgen worden afgevangen.

4.7.3 Watertoets Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In onderhavige situatie is sprake van ontwikkeling van een grotendeels onbebouwde locatie in het stedelijk gebied. Daarmee is het plan van invloed op de wateraspecten ter plaatse. Om de ontwikkeling waterneutraal uit te kunnen voeren is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Daarnaast dienen in het kader van de watertoets de verschillende wateraspecten beschouwd te worden. In dit kader is een watertoets uitgevoerd (StadLandWater B.V., SLW201660212, d.d. 12 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 13). Navolgend zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Watercompensatie en -afvoer Het beoogde watersysteem voorziet in de compensatie voor de verhardingstoename ten gevolge van de realisatie wegen, woningen en bijbehorende voorzieningen. Het afstromend verhard oppervlak in Beekweide II is 4,56 ha. De benodigde berging voor het plangebied bij een bui T=100 bedraagt 2.736 m 3.

In de wadi’s langs de Wadistraat kan bij een peilstijging van 0,30 m 298 m3 water geborgen worden. De overige berging van 2.438 m3 bij bui T=100 vindt plaats in de wadi langs Water Avenue en het aanwezige oppervlaktewater in het plan. Deze berging is ruimschoots aanwezig. De laagte in het Waterpark staat in open verbinding met de Lunterse Beek en telt derhalve niet mee als berging. Het toekomstig wegpeil is vastgesteld op 7,3 à 7,4 m +NAP en het vloerpeil van de woningen komt op minimaal 7,5 m +NAP. In Beekweide II wordt geen drainage toegepast. Hiermee wordt aan de ontwateringseisen voldaan. In het plangebied komt een gescheiden rioolstelsel. Het regenwater wordt oppervlakkig afgevoerd naar de wadi’s en watergangen in het plangebied. De wegen langs de watergangen en wadi’s worden op één oor gelegd, zodat het regenwater rechtsreeks kan afstromen. Waar dat niet mogelijk is, worden goten aangelegd. Het vuilwaterstelsel is nader uitgewerkt in het waterhuishoudkundig plan. Watersysteem en onderhoud In Beekweide II is waterberging voorzien in wadi’s, uitbreiding van bestaande watergangen en een nieuwe waterpartij die middels een duiker in verbinding staat met de watergangen. De wadi’s staan in verbinding

34

met de watergangen. De watergangen sluiten aan op de waterstructuur van Beekweide, waardoor één robuust watersysteem ontstaat. De watergangen komen in het beheer van Waterschap Vallei en Veluwe. De wadi’s worden door de gemeente Renswoude beheerd. De profielen van de watergangen voldoen aan de uitgangspunten voor onderhoud met materieel met een reikwijdte van 11,5 m. Enkele fietspaden/voetpaden dienen als onderhoudspad. De bermen van deze fietspaden/voetpaden worden verstevigd voor onderhoudsmaterieel. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit van het watersysteem in het plangebied voldoet aan de eisen van waterschap Vallei en Veluwe.

4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde.

Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.

35

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisiebuisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet.

Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Woningen worden in het Bevi gezien als kwetsbare objecten. Dit houdt in dat bij de ontwikkeling rekening moet worden gehouden met risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Navolgend wordt dit voor onderhavige locatie beschouwd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede uit de risicokaart ter plaatse van de locatie.

36

Uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld, bron: Atlas Leefomgeving)

Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat er in de directe omgeving geen inrichtingen, buisleidingen en transportroutes aanwezig zijn die van invloed zijn op de externe veiligheid ter hoogte van het plangebied. Echter blijkt uit kaartmateriaal van de Omgevingsdienst Regio Utrecht dat er een transportroute gevaarlijke stoffen op de Barneveldsestraat, tot aan het BP tankstation, aanwezig is. Risicobron Hogedruk aardgasleidingen (Bevb) Inrichtingen (Bevi) Transport gevaarlijke stoffen over de weg (Bevt)

Transport gevaarlijke stoffen over het water (Bevt) Transport gevaarlijke stoffen over het spoor (Bevt)

Beekweide II N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied - Op ongeveer 3,7 km ten zuiden van het plan ligt de A12. Het invloedsgebied ligt niet over het plangebied. - Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich volgens kaartmateriaal van de ODRU een transportroute op de Barneveldsestraatweg. N.v.t., geen invloedsgebied over het plangebied Op ongeveer 3 km ten zuiden van het plan ligt de Rhijnspoorweg. Het invloedsgebied ligt niet over het plangebied.

Tankstation en transportroute Aan de Barneveldstraat 29 bevindt zich een tankstation waar conform het geldende bestemmingsplan LPG mag worden verkocht. Hiervoor geldt een invloedsgebied van 150 m. Echter wordt er in de feitelijke situatie geen lpg meer verkocht bij het betreffende tankstation, waardoor er geen sprake meer is van een LPGtankstation zoals bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De vergunning voor de LPG-installatie is

37

immers ingetrokken. Ook het transport van LPG door een LPG-tankwagen is hiermee komen te vervallen, waardoor de Barneveldsestraat niet meer aangemerkt wordt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Ook de Wet op de archeologische monumentenzorg (WAMZ) uit 2007 is in dit kader van belang. De verantwoordelijkheid voor cultuurhistorische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden.

Planspecifiek Op basis van de gemeentelijke beleidskaart archeologie geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting, die in het vigerende bestemmingsplan is vertaald naar een dubbelbestemming archeologie. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 1.000 m² en dieper dan 0,5 m. Omdat het plangebied met een totale omvang van ca. 7,5 ha deze grenzen overschrijdt, is hier archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 19010049, d.d. 23 september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 14). Op basis van het gecombineerde en geactualiseerde archeologisch vooronderzoek is vast te stellen dat het plangebied een lage verwachting kent op het aantreffen van archeologische waarden uit alle periodes. Er hoeft dan ook geen dubbelbestemming opgenomen te worden. Het aspect archeologie vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in dit deel van het plangebied onverhoopt toch archeologisch relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 moeten worden gemeld bij de bevoegde overheid (in deze de gemeente Renswoude).

4.10 Niet-gesprongen explosieven Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks conventionele explosieven gevonden. Onder Conventionele Explosieven wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden CE ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Planspecifiek Om in beeld te brengen of er in het plangebied potentie is voor aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten is een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd (AVG Explosieven Opsporing, 2162051, d.d. 18 juni 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 15). Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek

38

is geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van geschutmunitie in delen van de planlocatie. Op navolgende kaart is het verdachte deel weergegeven.

Onderzoeksgebied ontplofbare oorlogsresten (bron: AVG Explosieven Opsporing)

De werkzaamheden buiten de verdachte gebieden kunnen onder reguliere condities uitgevoerd worden. In het verdachte gebied is opsporing van ontplofbare oorlogsresten op basis van een detectieonderzoek nodig. Dit staat echter de beoogde bestemmingswijzigingen niet in de weg.

4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur in en rondom het plangebied. Navolgende tabel geeft een overzicht van de verkeersgeneratie volgens de gegevens van CROW (publicatie 381) uitgaande van een niet stedelijk gebied in schil centrum, zoals ook wordt aangehouden in de Nota Parkeernormen van de gemeente Renswoude.

39

Verkeersgeneratie per woning Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, twee-onder-een-kap Koop, huis, tussen/hoek Koop, appartement, duur Koop, appartement, goedkoop Huur, huis, sociale huur Totaal

8,1 7,7 7,4 7,3 5,4 5,4

Aantal woningen Totale verkeersgeneratie 23 186,3 8 61,6 110 814 10 73 10 54 33 178,2 194 1.367,1

De ontwikkeling zorgt, uitgaande van de normen van CROW publicatie-381, voor een totale verkeersgeneratie van 1.367,1 verkeersbewegingen per etmaal. Omdat dit een forse toename betreft en er in Renswoude verschillende projecten lopen is van belang inzichtelijk te maken of de bestaande wegenstructuur de verkeerstoename kan verwerken, of dat aanpassingen van het wegennet nodig zijn. Hiervoor is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd (Megaborn, GRs1901, d.d. 29 juli 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 16). Uit dit onderzoek blijkt dat de wegen in Renswoude over het algemeen voldoende capaciteit hebben om de toenemende verkeersintensiteiten vlot en veilig te verwerken. De realisatie van Beekweide II leidt niet tot capaciteitsproblemen bij de aansluitingen van Beekweide op de Barneveldsestraat aan de westzijde en de Ubbeschoterweg aan de oostzijde. Ook het kruispunt Dorpsstraat – Kastanjelaan heeft tot en met 2030 voldoende capaciteit na aanleg van Beekweide II. Een aandachtspunt in 2030 is de oprijbaarheid van de Ubbeschoterweg naar de Dorpsstraat (N224). Door toenemende wachttijden is de kans aanwezig dat automobilisten een kleiner hiaat in de kruisende verkeersstromen accepteren, met andere woorden: meer risico nemen. De oprijdbaarheid kan met verschillende maatregelen worden verbeterd.

Een mogelijke oplossing is het aanbrengen van een brede middengeleider op de N224 dat als tussensteunpunt fungeert. Zo neemt de wachttijd af en kunnen automobilisten vanuit de Ubbeschoterweg gefaseerd en veilig de N224 oprijden. Tot slot sluit de huidige vormgeving van de Barneveldsestraat en de Ubbeschoterweg niet aan bij de functie van de weg, ongeacht de ontwikkeling van Beekweide II. Voor de Ubbeschoterweg leidt dit met de laag blijvende verkeersintensiteiten (in 2030 maximaal 3.100 motorvoertuigen/etmaal) niet tot een vermindering van de verkeersveiligheid. De Barneveldsestraat is met maximaal 7.600 motorvoertuigen per etmaal een belangrijke ontsluitingsweg van Renswoude. Met deze intensiteiten verdient het uit veiligheidsoogpunt de voorkeur om fietsverkeer van het gemotoriseerd verkeer te scheiden. Gelet op de beperkte ruimte is het noodzakelijk om huidige fietssuggestiestroken uit te breiden tot bredere, rode fietsstroken. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan, maar dat enkele aanpassingen van de verkeerssituatie wel wenselijk zijn met het oog op de verkeersveiligheid.

4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

40

Nota Parkeernormen De gemeente Renswoude heeft haar parkeernormen vastgelegd in de Nota Parkeernormen. Hierin heeft de gemeente beschreven op welke manier de parkeereis voor een ontwikkeling kan worden berekend. Planspecifiek De realisatie van woningen brengt behoefte aan parkeerplaatsen met zich mee. Er dient aangetoond te worden dat de parkeersituatie voldoet voor de beoogde situatie. De gemeente Renswoude heeft haar eigen parkeerbeleid opgenomen in de Nota Parkeernormen. Op basis van de normen uit de Nota is onderstaande een berekening van de parkeerbehoefte gemaakt.

Woonprogramma met parkeren (bron: BDP, d.d. 6 oktober 2021)

41

Uit de tabel blijkt dat de totale behoefte aan parkeerplaatsen 347,3 bedraagt. In het plangebied worden in totaal 76,7 parkeerplaatsen opgevangen op de kavels van woningen en 237 parkeerplaatsen in koffers en langsparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Dit betekent een tekort van 33,7 parkeerplaatsen. In het openbaar gebied kan echter ook rekening gehouden worden met dubbelgebruik van de parkeerplaatsen. Hiermee is een berekening gemaakt (d.d. 28 september 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 17). Uit deze berekening komt naar voren dat de totale parkeerbehoefte in het openbaar gebied 237,8 parkeerplaatsen bedraagt op de werkdagavond, wat het maatgevende moment is. Op de navolgende afbeelding staat de beoogde parkeersituatie weergegeven.

Parkeersituatie (bron: BDP, d.d. 6 oktober 2021)

Uit de parkeersituatie blijkt dat er met de beoogde ontwikkeling in totaal 313,7 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Daarmee is ten opzichte van de parkeerbehoefte sprake van een tekort van 0,8 parkeerplaats. Bij de uitwerking van het plan dient rekening gehouden te worden met dit tekort door eventueel een extra parkeerplaats te realiseren. Het verschil is echter van een dusdanig beperkte mate dat het geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een acceptabele parkeersituatie.

4.12 Duurzaamheid Rijksbeleid De wettelijke eisen aan nieuwbouw staan in het Bouwbesluit. Deze eisen zijn per 1 januari 2015 aangescherpt en gelden als volgt: 1. 2.

Minimale isolatiewaarden (Rc) voor dichte uitwendige scheidingsconstructies, per onderdeel van de schil - 4,5 voor gevel, 6 voor het dak en 3,5 voor de vloer; Een gemiddelde U-waarde van 1,65 voor ramen (glas en kozijn) en deuren, maximaal 2,2;

42

3. 4.

Een maximale EPC waarde afhankelijk van het type gebouw. De EPC dient berekent te worden middels de EPG methodiek. Voor woningen is dit 0,4; Een Milieuprestatie Gebouw (MPG). Deze verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen met nevenfuncties groter dan 100 m².

De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. De energie efficiëntie wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Sinds 1 januari 2015 is de eis voor woningen EPC=0,4 en in 2020 streeft men naar een EPC = 0,0. Bij een EPC van 0 is een gebouw energieneutraal. Verder geldt vanaf 2013 vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m²). Voorts geldt vanaf 1 januari 2021 dat alle nieuwbouw moet voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EFBD). Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013. In deze verordening wordt aangegeven dat een bestemmingsplan in stedelijk gebied informatie bevat over energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. Planspecifiek Voor de woningen geldt dat deze gebouwd dienen te worden conform het Bouwbesluit en de BENG-eisen.

In aanvulling daarop heeft de gemeente Renswoude de doelstelling te bouwen conform ENG (gebouwgebonden energie gelijk aan wat op jaarbasis duurzaam zelf wordt opgewekt, waarbij ten aanzien van maximale warmtevraag etc. minimaal aan de toekomstige BENG-eisten moet worden voldaan). Conform deze doelstelling worden de woningen ENG gebouwd. Daarbij worden zonnepanelen geïnstalleerd. Verder bestaat de ambitie om de bebouwing te vergroenen. Groen kan op daken, ook op hellende vlakken, en geveldelen worden aangebracht. Dit bevordert de biodiversiteit en zorgt voor een prettig binnenklimaat van de woningen. Ter bevordering van de biodiversiteit worden nog enkele maatregelen getroffen. Hierbij kan gedacht worden aan dakpannen voor vogels en vleermuizen, en gevelstenen waarin nestmogelijkheden zijn of geschikte plekken voor insecten.

43

hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen, afgezien van de dubbelbestemmingen, op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12769702/1