BKK-13 gemeenten ODRU-eindrapport
Tekst van het document
MARMOS Bodemmanagement
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding en doel Wettelijk kader Bestuurlijke vaststelling en geldigheid
1 1 2 3
2 2.1 2.2 2.3
Normering en klasse-indeling volgens Besluit bodemkwaliteit Introductie Normen voor het toepassen van grond op de landbodem Generiek en gebiedsspecifiek beleid uit Besluit bodemkwaliteit
5 5 5 6
3 3.1 3.2 3.3 3.4
Werkwijze Algemene werkwijze volgens Richtlijn bodemkwaliteitskaarten Gevolgde werkwijze regionale bodemkwaliteitskaart werkgebied ODRU Stoffenpakket Actualisatie bodemfunctiekaart
9 9 10 14 15
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Onderscheidende kenmerken Mogelijk relevante onderscheidende kenmerken Natuurlijke bodemopbouw Toemaakdek Bebouwingsgeschiedenis: ouderdom en eventuele ophooglagen Gebieden die verdacht zijn voor bestrijdingsmiddelen
17 17 17 20 22 23
5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.2.6 5.3 5.4
Zone-indeling en statistiek Zones in de bodemkwaliteitskaart Toelichting op de verschillende zones Bebouwd gebied Noordwest Bebouwd gebied Zuidoost zandgrond Bebouwd gebied Zuidoost kleigrond Toemaakdek en droogmakerijen De Venen (bebouwd gebied en buitengebied) Overig toemaakgebied Overig buitengebied Toelichting op enkele stoffen Zones met 95-percentielwaarde hoger dan interventiewaarde
27 27 29 29 35 39 41 43 45 46 48
6
Conclusie
51
Literatuur
Regionale BKK werkgebied ODRU
53
MARMOS Bodemmanagement
BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8-1: Bijlage 8-2: Bijlage 8-3: Bijlage 8-4: Bijlage 8-5: Bijlage 8-6: Bijlage 8-7: Bijlage 8-8: Bijlage 8-9: Bijlage 8-10: Bijlage 8-11: Bijlage 8-12: Bijlage 8-13: Bijlage 8-14: Bijlage 8-15: Bijlage 8-16: Bijlage 8-17: Bijlage 8-18: Bijlage 8-19: Bijlage 8-20: Bijlage 8-21: Bijlage 8-22: Bijlage 8-23: Bijlage 8-24: Bijlage 8-25: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12: Bijlage 13:
Bodembeheergebied werkgebied ODRU Relatie met eerdere bodemkwaliteitskaarten binnen de regio Verantwoording dataset bodemanalyses Fysische geografie Begrenzing toemaakdek De Venen Ouderdom bebouwing Boomgaarden uit de periode 1940-1980 Statistische kengetallen Bebouwing 1/1 Noordwest Statistische kengetallen zone Bebouwing 1/1 kleigrond Zuidoost Statistische kengetallen zone Bebouwing 1/1 zandgrond Zuidoost Statistische kengetallen Bebouwing 2/1 Noordwest Statistische kengetallen zone Bebouwing 2/1 kleigrond Zuidoost Statistische kengetallen zone Bebouwing 2/1 zandgrond Zuidoost Statistische kengetallen zone Bebouwing 2/2 Statistische kengetallen zone Bebouwing 3/1 overgang Noorderpark Statistische kengetallen zone Bebouwing 3/1 zandgrond Zuidoost Statistische kengetallen zone Bebouwing 3/2 Noordwest Statistische kengetallen zone Bebouwing 3/2 kleigrond Zuidoost Statistische kengetallen zone Bebouwing 3/2 Noorderpark Statistische kengetallen zone Bebouwing 3/2 Veenendaal Statistische kengetallen zone Bebouwing 3/3 Statistische kengetallen zone Droogmakerijen De Ronde Venen (2/1) Statistische kengetallen zone Toemaakdek De Venen I bebouwing 3/3 Statistische kengetallen zone Toemaakdek De Venen I overig (3/2) Statistische kengetallen zone Toemaakdek De Venen II (2/1) Statistische kengetallen zone Kievitsbuurt (2/1) Statistische kengetallen zone Noorderpark (2/1) Statistische
kengetallen zone Voorveldse Polder (3/1) Statistische kengetallen zone Buitengebied overig Noordwest (1/1) Statistische kengetallen zone Buitengebied kleigrond Zuidoost (1/1) Statistische kengetallen zone Buitengebied veengrond Veenendaal (1/) Statistische kengetallen zone Buitengebied zandgrond Zuidoost (1/) Bodemkwaliteitskaart: zone-indeling Bodemfunctiekaart Zones bodemkwaliteitskaart (beleidsmatig samengevoegd) Bodemkwaliteitskaart: ontgravingskaart bovengrond Bodemkwaliteitskaart ontgravingskaart ondergrond
Regionale BKK werkgebied ODRU
MARMOS Bodemmanagement
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel
Voor u ligt de regionale bodemkwaliteitskaart van 13 gemeenten uit het werkgebied van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU). Deze bodemkwaliteitskaart betreft de landbodem van de volgende gemeenten: Bunnik; De Bilt; De Ronde Venen; Montfoort; Oudewater; Renswoude; Rhenen; Stichtse Vecht; Utrechtse Heuvelrug; Veenendaal; Wijk bij Duurstede; Woerden Zeist. Naast voornoemde 13 gemeenten omvat het werkgebied van ODRU verder de gemeenten IJsselstein en Vijfheerenlanden. Voor deze gemeenten zijn in 2020 afzonderlijke bodemkwaliteitskaarten opgesteld (lit. 1 en 2), tezamen met een gemeentelijke nota bodembeheer (lit. 3 en 4). De 15 gemeenten in het werkgebied van de ODRU vormen samen één bodembeheergebied. Bijlage 1 bevat een overzichtskaart met het werkgebied van ODRU. Gelijktijdig met voorliggende bodemkwaliteitskaart heeft ODRU een regionale Nota bodembeheer opgesteld voor deze gemeenten (lit. 5), met als doel om grondverzet binnen het hele werkgebied van de ODRU te vergemakkelijken. Met een bodemkwaliteitskaart hoeft men minder vaak partijen grond te keuren. In plaats daarvan kan de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel (milieuhygiënische verklaring) voor de kwaliteit van de grond. Verder zijn in dit rapport de bodemfunctiekaarten van de 13 gemeenten geactualiseerd.
In een bodemkwaliteitskaart wordt een bodembeheergebied ingedeeld in één of meer zones met een vergelijkbare milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het gaat hierbij om de ‘gemiddelde’ kwaliteit van deze gebieden, afgezien van lokale verontreinigingen veroorzaakt door puntbronnen. In de Nota bodembeheer (lit. 5) is beleidsmatig vastgelegd binnen en tussen welke zones vrij grondverzet mogelijk is en welke voorwaarden hierbij gelden. Met andere woorden, de bodemkwaliteitskaart vormt de technisch-inhoudelijke onderbouwing voor het grondstromenbeleid zoals dat wordt vastgelegd in de Nota bodembeheer.
Regionale BKK werkgebied ODRU
1/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Voorliggende bodemkwaliteitskaart is een actualisatie van eerder voor deze gemeenten opgestelde bodemkwaliteitskaarten en vervangt daarmee de volgende bodemkwaliteitskaarten (lit. 6 t/m 8): Regionale bodemkwaliteitskaart Noordwest Utrecht; Marmos Bodemmanagement, 7 oktober 2014
(gemeenten De Ronde Venen, Montfoort, Oudewater, Stichtse Vecht, Woerden) -
Bodemkwaliteitskaart regio Zuidoost-Utrecht; CSO Adviesbureau, 1 november 2011
(gemeenten Bunnik, De Bilt, Rhenen, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Wijk bij Duurstede, Zeist) -
Nota bodembeheer – Grondstromenbeleid gemeente Renswoude; ODRU, december 2014.
Bijlge 2 bevat een nadere beschrijving hoe de informatie uit eerdere bodemkwaliteitskaarten is meegenomen in voorliggende bodemkwaliteitskaart
1.2
Wettelijk kader
Sinds 2008 vormen het Besluit bodemkwaliteit (lit. 9) en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit (lit. 10) het wettelijke kader voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. In de regionale Nota bodembeheer (lit. 5) is het regionale beleid voor het toepassen van grond en bagger voor de gemeenten in het werkgebied van ODRU nader uitgewerkt. Bodemkwaliteitskaarten dienen te worden opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (lit. 11) en bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit 1. Voorliggende bodemkwaliteitskaart geldt na bestuurlijke vaststelling door de 13 gemeenten als milieuhygiënische verklaring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. De verdere randvoorwaarden voor het gebruik van deze bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (milieuhygiënische verklaring) zijn beschreven in de regionale Nota bodembeheer (lit. 5). Voor een goed begrip van de bodemkwaliteitskaart wordt in hoofdstuk 2 de normering voor het toepassen van grond op de landbodem nader toegelicht. In deze normering wordt onderscheid gemaakt in drie bodemkwaliteitsklassen: Achtergrondwaarde2 klasse Wonen klasse Industrie
Bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit vormt vooral een samenvatting van hetgeen uitgebreider is beschreven in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Bijlage M bevat voor het opstellen van de kaart geen aanvullende voorschriften die niet zijn opgenomen in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. 2 In de regionale Nota bodembeheer wordt in plaats van ‘Achtergrondwaarde’ de aanduiding ‘klasse Landbouw/natuur’ gehanteerd, anticiperend op de toekomstige terminologie onder de Omgevingswet. 1
Regionale BKK werkgebied ODRU
2/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
1.3
Bestuurlijke vaststelling en geldigheid
Deze bodemkwaliteitskaart wordt samen met de regionale nota bodembeheer vastgesteld door de afzonderlijke gemeenteraden van de in dit rapport opgenomen gemeenten. De geldigheid van de bodemkwaliteitskaart en/of de nota bodembeheer vervalt wanneer een nieuwe bodemkwaliteitskaart en/of nota bodembeheer wordt vastgesteld. In artikel 53 van het Besluit bodemkwaliteit is vastgelegd, dat een nota bodembeheer een maximale geldigheid heeft van 10 jaar. Een bodemkwaliteitskaart is volgens het Besluit bodemkwaliteit een bijlage bij de nota bodembeheer. Per 1 januari 2016 is de Regeling bodemkwaliteit gewijzigd. Bij deze wijziging is expliciet in de Regeling bodemkwaliteit opgenomen, dat een bodemkwaliteitskaart een geldigheidsduur heeft van maximaal 5 jaar. Bij het in werking treden van de Omgevingswet vallen de vastgestelde bodemkwaliteitskaart en het deel van de nota bodembeheer waarin het gebiedsspecifiek beleid beschreven is (deel 1 van de nota bodembeheer) onder het overgangsrecht en komen daarmee automatisch in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan.
Begrenzing bodembeheergebied Deze bodemkwaliteitskaart heeft alleen betrekking op de landbodem waarvoor de gemeenten het bevoegd gezag zijn in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Bijlage 1 bevat de gemeenten uit het werkgebied van ODRU met daarin tevens de begrenzing van het bodembeheergebied waarvoor de gemeenten het bevoegd gezag zijn in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Voor toepassingen in oppervlaktewater is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag (waterschap dan wel Rijkswaterstaat). In de Waterregeling (lit. 12) is vastgelegd voor welke gebieden Rijkswaterstaat het bevoegd gezag is. Concreet betekent dit dat de uiterwaarden langs de Neder-Rijn en Lek volgens de Waterregeling niet onder het bevoegd gezag van de gemeenten vallen.
Regionale BKK werkgebied ODRU
3/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Regionale BKK werkgebied ODRU
4/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
2
NORMERING EN KLASSE-INDELING VOLGENS BESLUIT BODEMKWALITEIT
2.1
Introductie
Het Besluit bodemkwaliteit kent afzonderlijke normen voor toepassingen van grond en bagger op de landbodem en toepassingen in oppervlaktewater. Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn alleen de normen voor het toepassen van grond op de landbodem van belang. Deze worden toegelicht in paragraaf 2.2. Het Besluit bodemkwaliteit maakt voor het hergebruiksbeleid onderscheid tussen: Generiek beleid; Gebiedsspecifiek beleid Dit onderscheid wordt toegelicht in paragraaf 2.3.
2.2
Normen voor het toepassen van grond op de landbodem
In de Regeling bodemkwaliteit zijn de landelijke Achtergrondwaarden vastgelegd. Deze gelden als toetsingskader om te bepalen of grond “schoon” is. Wettelijk gezien mogen geen strengere normen worden gesteld dan de Achtergrondwaarden. Daarnaast onderscheidt het Besluit bodemkwaliteit de bodemkwaliteitsklasse ‘wonen’ en de bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. De Achtergrondwaarden zijn in de Nota van Toelichting van het Besluit bodemkwaliteit omschreven als:
“Landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit die de grens vormen aan wat in het dagelijks gebruik <<schone grond en bagger>> wordt genoemd.” De Achtergrondwaarden zijn gebaseerd op het AW2000-bestand: een landelijk bestand met 100 meetlocaties in natuur- en landbouwgebieden, waarin naar verwachting een niet meer dan normale diffuse achtergrondbelasting uit antropogene en natuurlijke bronnen aanwezig wordt geacht. Daarmee zijn de Achtergrondwaarden beleidsmatig anders geformuleerd dan de vroegere streefwaarden. De streefwaarden gingen uit van de gehaltes zoals die in een onbelaste Nederlandse bodem van nature voorkomen. De Achtergrondwaarden houden er rekening mee, dat de gehaltes in de bodem in grote delen van Nederland diffuus beïnvloed zijn door menselijke activiteiten. Met name voor bestrijdingsmiddelen zoals DDD, DDE, DDT en drins heeft dit tot geleid tot hogere Achtergrondwaarden dan de vroegere streefwaarde. Het Besluit bodemkwaliteit relateert het beleid voor het toepassen van grond en bagger aan zowel de functie als de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daartoe zijn de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ geïntroduceerd. Daarnaast zijn er bodemkwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ met bijbehorende maximale waarden. Dit wordt geïllustreerd in figuur 1 op de volgende pagina.
Regionale BKK werkgebied ODRU
5/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Figuur 1: Indeling in bodemkwaliteitsklassen
Voor toepassingen op de landbodem gelden derhalve de volgende normen: Achtergrondwaarde (AW) Maximale waarden voor wonen (MaxWONEN) Maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTRIE) Deze normen zijn voor de verschillende stoffen vastgelegd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Voor de meeste stoffen is MaxINDUSTRIE gelijk aan de interventiewaarde. Met name voor veel organische verbindingen waaronder minerale olie, PCB’s en diverse bestrijdingsmiddelen is Max INDUSTRIE lager dan de interventiewaarde. Conform de Regeling bodemkwaliteit zijn de rekenkundig gemiddeldes van de verschillende zones in deze bodemkwaliteitskaart getoetst aan de Achtergrondwaarde, MaxWONEN en MaxINDUSTRIE. Op basis van deze toetsing zijn de zones ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’, ‘wonen’ of ‘industrie’. Voor het samenvoegen van verschillende deelgebieden tot dezelfde zone is deze klasse-indeling ook bepalend.
Toetsingsregels In de Regeling bodemkwaliteit zijn voor de Achtergrondwaarden en de ‘Maximale waarden voor wonen’ (MaxWONEN) toetsingsregels opgenomen, waarbij een beperkt aantal stoffen in geringe mate de norm mag overschrijden. Deze toetsingsregels zijn afhankelijk gesteld van het aantal geanalyseerde stoffen. De toetsingsregel voor MaxWONEN geldt alleen voor het vaststellen van de kwaliteit van de zone als ontvangende bodem. Voor de ‘Maximale waarde voor industrie’ (MaxINDUSTRIE) geldt geen toetsingsregel. Toetsingsregel voor de Achtergrondwaarde (bij 7 t/m 15 parameters) 3:
Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan de Achtergrondwaarde, mits niet hoger dan 2 x Achtergrondwaarde en niet hoger dan MaxWONEN Voor nikkel geldt een afwijkende regel. Voor nikkel geldt als bovengrens van de toetsingsregel 2 x Achtergrondwaarde en niet de lagere MaxWONEN 3
Regionale BKK werkgebied ODRU
6/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Grond voldoet aan de Achtergrondwaarde wanneer de grond voldoet aan voornoemde toetsingsregel. Deze toetsingsregel geldt ook bij de classificatie van zones uit een bodemkwaliteitskaart. Toetsingsregel voor MaxWONEN (bij 7 t/m 15 parameters):
Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan MaxWONEN, mits niet hoger dan MaxWONEN + Achtergrondwaarde en niet hoger dan MaxINDUSTRIE
2.3
Generiek en gebiedsspecifiek beleid uit Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit maakt voor het hergebruiksbeleid onderscheid tussen: Generiek beleid Gebiedsspecifiek beleid
Generiek beleid In het Besluit bodemkwaliteit is het beleid voor het toepassen van grond en bagger afhankelijk gesteld van zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. De strengste is daarbij (in het generieke beleid) maatgevend: Bodemkwaliteitsklasse Bodemfunctieklasse Achtergrondwaarde Overig Achtergrondwaarde Wonen Achtergrondwaarde Industrie Wonen Overig Wonen Wonen Wonen Industrie Industrie Overig Industrie Wonen Industrie Industrie
Generieke toepassingseis Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde MaxWONEN MaxWONEN Achtergrondwaarde MaxWONEN MaxINDUSTRIE
Voorbeeld 1: Wanneer de bodemkwaliteit van een industrieterrein voldoet aan de Achtergrondwaarde, dan geldt als toepassingseis dat de toe te passen grond ook aan de Achtergrondwaarde dient te voldoen. Voorbeeld 2: Wanneer de bodemkwaliteit van een oud stadscentrum niet voldoet aan Max WONEN, (maar bijv. wel aan MaxINDUSTRIE), dan geldt als toepassingseis MaxWONEN.
Gebiedsspecifiek beleid Hierboven is de situatie beschreven zoals die geldt in het ‘generieke beleid’. Binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden mogen gemeentes besluiten om hiervan af te wijken en voor een deel van hun grondgebied een strenger of juist minder streng beleid te voeren. De gemeenteraad stelt dan ‘Lokale
Regionale BKK werkgebied ODRU
7/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Maximale Waarden’ (LMW) vast. In dat geval spreekt het Besluit bodemkwaliteit van ‘gebiedsspecifiek beleid’. In de regionale Nota bodembeheer (lit. 5) is voor een aantal situaties gebiedsspecifiek beleid opgenomen met gebiedsspecifieke toepassingseisen. In het werkgebied van ODRU geldt dus een combinatie van generieke en gebiedsspecifieke toepassingseisen. Deze toepassingseisen worden in kaart weergegeven in de toepassingskaart. In de regionale Nota bodembeheer is een generieke en een gebiedsspecifieke toepassingskaart opgenomen. De regionale toepassingskaart is opgenomen in de Nota bodembeheer.
Regionale BKK werkgebied ODRU
8/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
3
WERKWIJZE
3.1
Algemene werkwijze volgens Richtlijn bodemkwaliteitskaarten
De bodemkwaliteitskaart is opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (lit. 11). In afwijking van deze Richtlijn is bij een aantal zones sprake van niet aaneengesloten deelgebieden met minder dan 3 waarnemingen. Bij de bespreking van de zones in paragraaf 5.2 wordt dit nader gemotiveerd. De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten beschrijft het opstellen van een bodemkwaliteitskaart aan de hand van acht procesmatige stappen: 1. definitiefase, programma van eisen 2. identificatie van onderscheidende kenmerken 3. voorbewerken beschikbare informatie 4. indelen beheergebied in deelgebieden 5. evaluatie gebiedsindeling op basis van beschikbare informatie 6. verzamelen van aanvullende informatie 7. karakteriseren van de bodemkwaliteit per bodemkwaliteitszone 8. resultaten weergeven in (water)bodemkwaliteitskaart Over de status van deze acht stappen schrijft de Richtlijn, dat het in de praktijk niet noodzakelijk is om het stappenplan één op één te volgen maar dat het wel noodzakelijk is dat de elementen hiervan terugkomen in de eigen werkwijze. Deze inhoudelijke elementen vormen de basis voor de gevolgde aanpak. Samengevat komt dit op het volgende neer: In een bodemkwaliteitskaart wordt een bodembeheergebied ingedeeld in één of meer zones met een milieuhygiënisch vergelijkbare algemene bodemkwaliteit.
Gebieden met eenzelfde historie hebben in het algemeen een vergelijkbare diffuse bodemkwaliteit. Dit betekent dat de indeling in zones gebeurt op basis van algemene historische gegevens (onderscheidende kenmerken) zoals bodemopbouw, (voormalig) landgebruik en ouderdom van woonwijken en bedrijfsterreinen. Vervolgens worden de analyseresultaten van binnen de zones uitgevoerde bodemonderzoeken geanalyseerd. Per zone worden verschillende statistische kengetallen berekend (gemiddelde, lognormaal gemiddelde en diverse percentielwaarden) voor verschillende stoffen. Op basis van deze berekeningen en het ruimtelijke patroon van de waarnemingen wordt de zone-indeling getoetst en zo nodig bijgesteld. Er wordt gekeken welke analyseresultaten niet representatief zijn voor de algemene zonekwaliteit, zodat deze gegevens als uitbijters buiten de dataset van de zoneringsberekeningen worden gelaten. De uiteindelijke indeling in zones is dus een combinatie van historische informatie en statistische bewerkingen.
Regionale BKK werkgebied ODRU
9/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
3.2
Gevolgde werkwijze regionale bodemkwaliteitskaart werkgebied ODRU
Definitiefase, programma van eisen De Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) heeft in het najaar van 2020 een programma van eisen opgesteld. Het Programma van eisen beschrijft dat voor de nieuwe regionale bodemkwaliteitskaart wordt uitgegaan van dezelfde werkwijze en uitgangspunten als in 2020 gehanteerd voor de bodemkwaliteitskaarten van IJsselstein en Vijfheerenlanden. Deze waren op hun beurt gebaseerd op de gevolgde aanpak van de regionale bodemkwaliteitskaart Noordwest Utrecht uit 2014. Specifiek besteedt het Programma van eisen aandacht aan: het hanteren van identieke uitgangspunten voor elke gemeente; de systematiek van de zonenamen (bebouwing 1/1 etc. zie verderop); het stoffenpakket (zie verder paragraaf 3.3); welke kaartlagen worden opgesteld; de te onderscheiden bodemtrajecten voor de ontgravings- en toepassingskaarten: bovengrond: 0-0,5 m-mv ondergrond: 0,5-2,0 m-mv ouderdom en type van te gebruiken onderzoeksrapporten (zie verder bijlage 3) kleuren van de legenda-eenheden in de kaartbijlagen (aansluitend op de kleuren die zijn gebruikt voor Vijfheerenlanden en IJsselstein) uit te zonderen gebieden / locaties (zie nota bodembeheer) invoer van extra bodemgegevens (in principe uitgaan van de bestaande beschikbare gegevens, geen aanvullend bodemonderzoek voorzien).
Onderscheidende kenmerken Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn op voorhand de volgende historische gegevens aangemerkt als mogelijk onderscheidende kenmerken4: natuurlijke bodemopbouw (paragraaf 4.2) toemaakdek (paragraaf 4.3) bebouwingsgeschiedenis: ouderdom en eventuele ophooglagen (paragraaf 4.4) gebieden die verdacht zijn vanwege bestrijdingsmiddelen (paragraaf 4.5) In deze regionale bodemkwaliteitskaart blijken de aanwezigheid van toemaak en de bebouwingsgeschiedenis de bepalende onderscheidende kenmerken voor de zone-indeling. Verder zijn boomgaarden uit de periode 1940-1980 van belang vanwege het gebruik van DDT in de fruitteelt na de tweede wereldoorlog. Deze zijn in een aparte kaart weergegeven (bijlage 7), maar niet als afzonderlijke zone opgenomen in de bodemkwaliteitskaart.
Beleidsmatig is verder de ligging van waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden van belang 4
Regionale BKK werkgebied ODRU
10/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Dataset met analyseresultaten uit bodemonderzoeken Deze bodemkwaliteitskaart is met name gebaseerd op gegevens afkomstig uit het bodeminformatiesysteem van ODRU. De dataset is aangevuld met digitaal beschikbare gegevens van eerder binnen het werkgebied van de ODRU opgestelde bodemkwaliteitskaarten (voor zover niet aanwezig in het bodeminformatiesysteem). Voor de regionale bodemkwaliteitskaart is geen aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. In plaats daarvan is het accent gelegd op het aanvullend invoeren van beschikbare gegevens uit bestaande bodemonderzoeken. In de periode oktober 2020 – april 2021 heeft ODRU een inhaalslag uitgevoerd om analyseresultaten aanvullend in te voeren in het bodeminformatiesysteem. Daarbij is het accent gelegd op verkennende onderzoeken, oriënterende onderzoeken en nulsituatie-onderzoeken uit de periode vanaf 2000. Deze aanvullende invoer betrof met name Zuidoost Utrecht, omdat voor Noordwest Utrecht al een dergelijke inhaalslag was uitgevoerd ten behoeve van de eerdere regionale bodemkwaliteitskaart uit 2014. Verder zijn in juli-augustus 2021 nog extra grondanalyses ingevoerd in een Excelbestand en vervolgens toegevoegd aan de dataset van de bodemkwaliteitskaart. Dit betrof analyseresultaten uit deelgebieden met (vrijwel) geen gegevens of deelgebieden waarvan de interpretatie nog onduidelijk was.
Op de dataset is een aantal controles uitgevoerd, op basis waarvan gegevens zo nodig zijn verbeterd. Verder is nagegaan welke gegevens uit de dataset niet representatief zijn voor de bodemkwaliteitskaart. Sommige gegevens zijn op voorhand als niet representatief beschouwd, bijvoorbeeld analysegegevens uit saneringsplannen en saneringsevaluaties. Bijlage 3 bevat een uitgebreidere verantwoording van de dataset waarop de bodemkwaliteitskaart is gebaseerd.
Indeling in deelgebieden, samenvoegen deelgebieden tot beperkt aantal zones Verschillende deelgebieden met een bepaalde historie zijn eerst afzonderlijk bekeken. Afhankelijk van de beschikbare informatie zijn de deelgebieden vervolgens samengevoegd tot een beperkt aantal zones. Leidend is hierbij de toetsing van de beschikbare informatie aan de bodemkwaliteitsklassen uit het Besluit bodemkwaliteit (Achtergrondwaarde, klasse Wonen, klasse Industrie) 5. Voor de bebouwingsgeschiedenis is een kaart met deelgebieden gemaakt met een uniforme legenda voor alle 13 gemeenten tezamen: < 1940 1940 – 1960 1960 – 1980 1980 – heden lintbebouwing
In de regionale bodemkwaliteitskaart van Noordwest Utrecht komen geen zones voor die niet aan één van deze drie bodemkwaliteitsklassen voldoen. 5
Regionale BKK werkgebied ODRU
11/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Voor Noordwest Utrecht was deze kaart met deelgebieden al gemaakt ten behoeve van de regionale bodemkwaliteitskaart uit 2014. Voor deze vijf gemeenten zijn de vlakken met enkele aanvullingen en correcties overgenomen uit de voorgaande bodemkwaliteitskaart. Voor de gemeenten in Zuidoost Utrecht zijn de deelgebieden nieuw ingetekend met behulp van oude topografische kaarten (te raadplegen via www.topotijdreis.nl) en een GIS-bestand van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). In dit GIS-bestand is per bouwwerk een bouwjaar opgenomen. Daarbij sluit de begrenzing van de deelgebieden in het algemeen aan op de grenzen uit de bodemfunctiekaart. Voor elk deelgebied zijn de beschikbare gegevens eerst afzonderlijk bekeken, met onderscheid in bovenen ondergrond. Enerzijds zijn per deelgebied de verschillende statistische kengetallen berekend (voor zover mogelijk). Anderzijds zijn de afzonderlijke monsters getoetst aan de klasse-indeling uit het Besluit bodemkwaliteit. Een aantal deelgebieden kan op basis van de statistische kengetallen van dat deelgebied worden ingedeeld in één van de bodemkwaliteitsklassen uit het Besluit bodemkwaliteit. Bij deelgebieden met minder waarnemingen is gekeken naar de toetsing van de afzonderlijke monsters.
Afhankelijk van de hiervoor beschreven interpretatie zijn de verschillende deelgebieden samengevoegd tot een aantal zones met bebouwing gekoppeld aan de klasse-indeling uit het Besluit bodemkwaliteit. Bij twijfel tussen twee bodemkwaliteitsklassen is gekozen voor de minst schone klasse. Bijvoorbeeld: als het erom hangt of een deelgebied aan de Achtergrondwaarde voldoet, dan wel moet worden ingedeeld in klasse Wonen, dan is dat deelgebied ingedeeld in klasse Wonen. De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten schrijft voor, dat minimaal 3 waarnemingen beschikbaar dienen te zijn per niet-aaneengesloten deelgebied. De kaart met bebouwingsgeschiedenis bevat een aantal kleine deelgebieden waar (vrijwel) geen bodemonderzoeksgegevens beschikbaar zijn. Er is voor gekozen om deze deelgebieden toch zonder aanvullend onderzoek te zoneren. Deze deelgebieden zijn ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse van qua historie vergelijkbare deelgebieden, waarvan wel voldoende gegevens beschikbaar zijn. Het is niet aannemelijk dat het verzamelen van 3 waarnemingen in dergelijke deelgebieden voldoende betrouwbare informatie oplevert op basis waarvan aan het deelgebied een andere classificatie zou moeten worden toegekend. Voor de gebieden waar de bodemkwaliteit wordt beïnvloed door toemaak is tevens gekeken naar het ruimtelijke patroon van de gegevens en is de zone-indeling tevens daarop gebaseerd.
Karakterisering van de zones Per zone zijn verschillende statistische kengetallen berekend (gemiddelde, lognormaal gemiddelde en diverse percentielwaarden) voor verschillende stoffen. Er is gekeken welke analyseresultaten niet representatief zijn voor de algemene zonekwaliteit, zodat deze gegevens als uitbijters buiten de dataset van de zoneringsberekeningen zijn gelaten (zie verder bijlage 3). Voor het berekenen van percentielwaarden bestaan in de literatuur verschillende formules. In de Regeling bodemkwaliteit is voor de 95-percentielwaarde voorgeschreven op welke wijze deze dient te worden berekend. Deze berekeningswijze is gehanteerd voor alle percentielwaarden.
Regionale BKK werkgebied ODRU
12/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten zijn de zones geclassificeerd op basis van het rekenkundig gemiddelde.
Beleidsmatig samenvoegen van zones
In het Programma van eisen is opgenomen dat de bodemkwaliteitskaart bestaat uit enerzijds zones met bebouwing (wonen of industrie in de bodemfunctiekaart) en zones met buitengebied (landbouw/natuur in de bodemfunctiekaart). Daarbij wordt in de naamgeving van deze zones verder onderscheid gemaakt in de bodemkwaliteitsklasse van de boven- en ondergrond. Dit bouwt voort op de zone-indeling die in 2020 is gehanteerd voor de bodemkwaliteitskaarten van Vijfheerenlanden en IJsselstein. De systematiek is daarbij als volgt: 1/.. bovengrond klasse Achtergrondwaarde 2/.. bovengrond klasse Wonen 3/.. bovengrond klasse Industrie ../1 ondergrond klasse Achtergrondwaarde ../2 ondergrond klasse Wonen ../3 ondergrond klasse Industrie Bijvoorbeeld: Bebouwing 2/1 wil zeggen dat de bovengrond van de zone is ingedeeld in klasse Wonen en de ondergrond is ingedeeld in de klasse Achtergrondwaarde. Voor de onderbouwing en inzichtelijkheid bevat de bodemkwaliteitskaart meerdere zones die voor zowel de boven- als ondergrond in dezelfde bodemkwaliteitsklasse vallen. Zones met dezelfde classificatie zijn vervolgens op de hiervoor vermelde wijze beleidsmatig samengevoegd tot beleidszones met namen als bijvoorbeeld ‘bebouwing 2/1’ en ‘buitengebied 1/1’.
Lokale verontreinigingen De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt expliciet, dat in de bodemkwaliteitskaart een kaartlaag moet worden opgenomen van bekende en verwachte lokale verontreinigingen. Hiervoor mag worden volstaan met een lijst gebaseerd op het LDB (Landsdekkend Beeld Bodemkwaliteit). Voor gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging moet het landelijk Bodemloket geraadpleegd worden. Verder wordt informatie over onderzochte, al dan niet verontreinigde locaties bijgehouden in het bodem-informatiesysteem van ODRU. Deze informatie is dynamisch, zodat om deze reden geen aparte lijst of kaart met deze locaties is opgenomen in de rapportage van de bodemkwaliteitskaart. Zie verder de nota bodembeheer om te weten te komen hoe omgegaan wordt met verdachte locaties.
Regionale BKK werkgebied ODRU
13/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
3.3
Stoffenpakket
In de Regeling bodemkwaliteit is vastgelegd, dat in een bodemkwaliteitskaart tenminste de stoffen worden opgenomen uit het standaardpakket uit de NEN5740 (lit. 13). Het huidige stoffenpakket bestaat uit: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, som-PAK, minerale olie, somPCB’s, lutum en organische stof. De stoffen arseen en chroom zijn sinds 1 juli 2008 niet meer opgenomen in het standaard stoffenpakket voor verkennend bodemonderzoek. Formeel hoeven deze stoffen niet meer te worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Voor deze stoffen zijn wel veel gegevens beschikbaar. Volledigheidshalve zijn ook arseen en chroom opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Tot 2008 was verder EOX opgenomen in het standaardpakket, zodat de dataset ook gegevens van EOX bevat. Deze parameter vormt geen betrouwbare indicator voor het aantreffen van organochloorverbindingen (OCB’s). EOX heeft geen beleidsmatige betekenis meer en is niet meer opgenomen in deze bodemkwaliteitskaart. Deze bodemkwaliteitskaart is derhalve gebaseerd op de stoffen zoals opgenomen in het huidige standaardpakket uit de NEN 5740 (lit. 13) oftewel inclusief barium, kobalt, molybdeen en de som-PCB’s, aangevuld met de stoffen arseen en chroom die tot 1 juli 2008 deel uitmaakten van het basispakket uit de NEN5740 (lit. 14).
Barium, kobalt, molybdeen en de som-PCB’s zijn in 2008 toegevoegd aan het stoffenpakket van NEN5740. Wijzigingsbladen bij de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten bevatten een procedure voor het geval van deze stoffen nog niet voldoende gegevens beschikbaar zijn. Voor de meeste zones zijn ook voor de ‘nieuwe’ stoffen minimaal 20 waarnemingen beschikbaar. In paragraaf 5.2 is beschreven bij welke zones dit niet het geval is. In deze gevallen is gemotiveerd, dat de ‘nieuwe’ stoffen niet klassebepalend zijn en extra waarnemingen niet tot een wijziging van de zoneclassificatie zullen leiden.
Minerale olie Conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten zijn ook voor de parameter minerale olie statistische berekeningen uitgevoerd. Omdat minerale olie in het algemeen niet als diffuse verontreiniging voorkomt, zijn eventuele verhoogde statistische kengetallen voor minerale olie niet als achtergrondkwaliteit te beschouwen. Deze getallen zijn slechts ter indicatie opgenomen.
Regionale BKK werkgebied ODRU
14/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Bestrijdingsmiddelen (OCB’s) Voormalige boomgaarden uit de periode direct na de tweede wereldoorlog zijn verdacht voor DDT. In het verleden zijn de boomgaarden uit de periode 1940-1980 in kaart gebracht op basis van oude topografische kaarten (zie paragraaf 4.5). Onderzoeksgegevens van DDT en andere bestrijdingsmiddelen zijn beperkt digitaal beschikbaar, zodat deze verder niet zijn meegenomen in de zone-indeling.
PFAS: aansluiting bij provinciaal project Op 8 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een Kamerbrief verstuurd met het ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ (lit. 15), gevolgd door geactualiseerde versies van het tijdelijk handelingskader d.d. 29 november 2019 (lit. 16) en 2 juli 2020 (lit. 17). Volgens het handelingskader moeten initiatiefnemers, tot duidelijk is of er onbelaste gebieden in Nederland zijn, in het kader van de zorgplicht het gehalte aan PFAS meten in te verzetten grond en baggerspecie, die uit land- en waterbodem wordt ontgraven. Voor PFAS hebben de beide omgevingsdiensten in de provincie Utrecht (RUD Utrecht en ODRU) een gezamenlijk project uitgevoerd om de gehalten PFAS in kaart te brengen en hiervoor beleid op te stellen. Het PFAS-beleid, dat verwoord is in de ‘Beleidsnota PFAS provincie Utrecht’ d.d. 7 april 2021 (lit. 18) is geïntegreerd in de regionale Nota bodembeheer (lit. 5).
Op enkele bijzonderheden bij andere stoffen wordt ingegaan in paragraaf 5.3.
3.4
Actualisatie bodemfunctiekaart
Alle 13 gemeenten beschikten reeds over een bestuurlijk vastgestelde bodemfunctiekaart 6. In de bodemfunctiekaart zijn de gemeenten ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen: Wonen Industrie Landbouw / natuur Gelijktijdig met het maken van deze bodemkwaliteitskaart is ook de bodemfunctiekaart voor de 13 gemeenten geactualiseerd en uniform gemaakt. Daarvoor heeft ODRU werkkaarten met de oude bodemfunctiekaart afgestemd met de gemeenten, waarbij de gemeenten een aantal aanpassingen hebben aangegeven. In de bodemfunctiekaart is ook de functie Wonen toegekend aan enkele in de nabije toekomst te ontwikkelen locaties (die derhalve nog niet in de kaart met bebouwingsgeschiedenis in bijlage 6 staan).
Met de term ‘bodemfunctiekaart’ wordt geanticipeerd op de toekomstige terminologie onder de Omgevingswet. De huidige term onder het Besluit bodemkwaliteit is ‘bodemfunctieklassenkaart’. 6
Regionale BKK werkgebied ODRU
15/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
In de nota bodembeheer is opgenomen dat de provinciale wegen en rijkswegen de bodemfunctieklasse industrie hebben, met inbegrip van de bijbehorende bermen. Dit is niet weergegeven in de kaart in bijlage 10. In een deel van de regio waren deze wel afzonderlijk ingetekend. Het GIS-bestand is hierop aangepast. Zoals verder beschreven is voor het buitengebied de feitelijke situatie maatgevend: op perceelsniveau kan sprake zijn van de bodemfunctieklasse ‘wonen’. Zie verder de toelichting hierop in de Nota bodembeheer. De geactualiseerde bodemfunctiekaart is opgenomen in bijlage 10.
Regionale BKK werkgebied ODRU
16/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
4
ONDERSCHEIDENDE KENMERKEN
4.1
Mogelijk relevante onderscheidende kenmerken
Voor de indeling in zones zijn verschillende historische thema’s (mogelijk) van belang. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende thema’s: natuurlijke bodemopbouw (paragraaf 4.2) toemaakdek (paragraaf 4.3) bebouwingsgeschiedenis: ouderdom en eventuele ophooglagen (paragraaf 4.4) gebieden die verdacht zijn vanwege bestrijdingsmiddelen (paragraaf 4.5) In deze regionale bodemkwaliteitskaart blijken de aanwezigheid van toemaak en de bebouwingsgeschiedenis de bepalende onderscheidende kenmerken voor de zone-indeling.
4.2
Natuurlijke bodemopbouw
De natuurlijke bodemopbouw wordt bepaald door de fysisch-geografische ontwikkeling van de regio. De fysische geografie van Noordwest Utrecht is in kaart weergegeven in bijlage 4. Deze kaart is gebaseerd op het GIS-bestand fysisch_geografische_eenheden_v.shp, afkomstig van het geoloket van de provincie Utrecht7. Globaal kan de fysische geografie als volgt worden onderverdeeld: stuwwal en dekzandgebied; rivierengebied; veengebieden; droogmakerijen. Het boek ‘De vorming van het land’ (lit. 19) bundelt de meest actuele kennis over de geologische en geomorfologische ontwikkeling van Nederland. In Nederland bestaat het oppervlak vrijwel geheel uit afzettingen uit het Kwartair. Het Kwartair wordt wereldwijd klimatologisch gekenmerkt door een afwisseling van ijstijden (glacialen) en warme tussenperioden (interglacialen). Het Kwartair wordt onderverdeeld in het Pleistoceen (2,6 miljoen jaar geleden tot 11.700 jaar geleden) en het Holoceen (11.700 jaar geleden tot heden). De stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug en het dekzandgebied zijn gevormd in het Pleistoceen, tijdens de laatste twee ijstijden. De rest van het werkgebied van ODRU is gevormd in het Holoceen. Als achtergrondinformatie wordt hieronder eerst de geologische ontwikkeling van West Nederland tijdens het Holoceen samengevat.
7
Enkele legenda-eenheden uit het oorspronkelijke bestand zijn in bijlage 3 samengevoegd.
Regionale BKK werkgebied ODRU
17/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Geologische ontwikkeling van West Nederland in het Holoceen Aan het eind van de laatste ijstijd begon het jongste geologische tijdvak, het Holoceen. De kustlijn lag toen westelijker dan tegenwoordig en West Nederland was een koude toendra. Gedurende het Holoceen steeg de temperatuur op aarde en steeg de zeespiegel als gevolg van het afsmelten van de ijskappen. In het begin van het Holoceen ontstond langs de toenmalige kust een kwelzone, waar zich veen ging vormen. Deze veenlaag, het Basisveen, werd door het verder stijgende zeespiegelniveau overstroomd. Daarbij werden in West Nederland door de zee zand en klei afgezet. In het verleden werden deze afzettingen aangeduid als de Afzettingen van Calais (een nog oudere term is ‘oude zeeklei’). Tegenwoordig vallen deze onder het Laagpakket van Wormer (lit. 20). Vanaf circa 5000 jaar geleden ontstonden strandwallen, die tegenwoordig tot het Laagpakket van Schoorl worden gerekend. In eerste instantie werd een strandwal gevormd waarop nu onder andere Voorburg, Leidschendam en Voorschoten liggen. Later ontstonden in westelijke richting nieuwe strandwallen, waarop onder andere Wassenaar is gebouwd. Achter de strandwallen ontstond een slecht ontwaterd, moerassig gebied. In dit moerassige gebied werd een veenlaag gevormd, het zogenaamde Hollandveen.
Op verschillende plaatsen is deze veenlaag door turfwinning vanaf de middeleeuwen grotendeels verdwenen. Hierdoor ontstonden plassen, zoals de Loosdrechtse Plassen en de Vinkeveense Plassen. Een aantal van dergelijke plassen is later weer drooggemalen. Dit leverde een aantal laaggelegen polders op, zoals de droogmakerijen in de gemeente De Ronde Venen en de Bethunepolder. Bij de turfwinning zijn smalle stroken waarop werd gewoond en waarop de verkeersroutes liepen niet ontgraven. Dit zijn de zogenaamde bovenlandstroken. Waverveen (ten westen van de Hoofdweg) en de Dorpsstraat, Bozenhoven en Herenweg in Mijdrecht / Wilnis liggen op een bovenlandstrook. In een deel van West Nederland is door de zee en de grote rivieren bovenop het Hollandveen een nieuwe laag sedimenten afgezet8.
Stuwwal en dekzandgebied (lit. 19) Tijdens de voorlaatste ijstijd, in het Saalien, breidde de Scandinavische ijskap zich uit tot over de noordelijke helft van Nederland. Daarbij werd circa 150.000 jaar geleden de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug gevormd. Een ijslob erodeerde een dal en vormde een diep glaciaal bekken, de huidige Gelderse Vallei. De ijslob stuwde daarbij schollen grof zand opzij en omhoog, daarmee de Utrechtse Heuvelrug vormend. Het smeltwater van het landijs transporteerde veel zand en grind en zette vormde aan de buitenzijde van de stuwwallen grote spoelzandwaaiers (sandrs), bijvoorbeeld bij Zeist en Amerongen.
De mariene afzettingen boven het Hollandveen worden tegenwoordig aangeduid als het Laagpakket van Walcheren (oudere termen: ‘jonge zeeklei’ en Afzettingen van Duinkerke). In het rivierengebied worden alle rivierafzettingen die vroeger werden aangeduid met ‘Afzettingen van Gorcum’ en ‘Afzettingen van Tiel’ tegenwoordig gerekend tot de Formatie van Echteld. 8
Regionale BKK werkgebied ODRU
18/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, bereikte het landijs niet. Nederland was in het koudste deel van het Weichselien grotendeels een poolwoestijn met een permanent bevroren ondergrond (permafrost) en grote zandverstuivingen. In deze periode werden de dekzanden afgezet die in het werkgebied van ODRU langs de rand van de stuwwal en in de Gelderse Vallei aan het maaiveld liggen.
Rivierengebied In de zuidelijke helft van het werkgebied van ODRU wordt de bodemopbouw bepaald door de verschillende lopen en zijtakken van de Rijn. Verder was de Vecht vroeger een zijtak van de Rijn. Doordat de rivierlopen zich in dit gebied in de afgelopen 10.000 jaar periodiek verlegden bestaat de bodem in het rivierengebied uit een afwisseling van stroomruggen en rivierkommen. Ter plaatse van de stroomruggen bestaat de bodem uit zavel en zand. Tussen de stroomruggen liggen rivierkommen met klei en veen. Bij Montfoort liggen drie overslagwaaiers. Deze zijn ontstaan bij dijkdoorbraken van de Hollandse IJssel. Bij Nigtevecht is volgens het provinciale GIS-bestand met fysisch geografische eenheden sprake van ‘jonge zeeklei’. Volgens de geologische kaart van Nederland (lit. 21) is ook hier sprake van rivierafzettingen.
Veengebieden In een deel van de regio bestaat de bovengrond uit een enkele meters dikke laag Hollandveen. In een deel van de gemeente De Ronde Venen is deze veenlaag vanaf de middeleeuwen grotendeels afgegraven voor de turfwinning. Daarbij werd een minder geschikte toplaag eerst opzij gezet. De Vinkeveense Plassen zijn pas in de 19e eeuw ontstaan, omdat hier de turfwinning pas in de 19 e eeuw is gestart en doorgegaan tot ver in de 20 e eeuw (lit. 22)9. Bij het afgraven van veen ontstonden legakkers: smalle langgerekte stroken waarop het veen te drogen werd gelegd. Dergelijke legakkers zijn nu nog te zien bij de Vinkeveense Plassen en bij Scheendijk / Kievitsbuurt.
Droogmakerijen Door het afgraven van veen ontstonden plassen zoals de Vinkeveense Plassen en de Loosdrechtse Plassen. Binnen de regio Noordwest Utrecht is een aantal van dergelijke plassen later drooggemalen. Zo ontstonden de droogmakerijen: diepgelegen polders. In en rond Mijdrecht ligt een aantal droogmakerijen. Deze droogmakerijen hebben een overwegend venige bovengrond, doordat er een restje veen achterbleef op de bodem van de veenwinningsplassen en door het afkalven van oevers en legakkers. Dit wordt meermolm genoemd.
9
De naam Vinkeveen verwijst naar een oud woord voor kwalitatief mindere turf (lit. 22)
Regionale BKK werkgebied ODRU
19/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
In lit. 23 wordt deze meermolm als volgt omschreven:
Tijdens de vervening werd de bestaande bovengrond, die waardeloos was, in de gevormde plas terug gestort. Afhankelijk van de aard van de bovengrond kwamen hoeveelheden materiaal van uiteenlopende samenstelling op de plasbodem terecht. Daar werd het vermengd met verslagen veen, ontstaan door oeverafslag en nieuw gevormde organische stof van in de plas levende organismen. Uit dit geheel ontstond een nieuw organisch sediment, de ‘meermolm’. Na het droogmalen van de plas lag de meermolm aan het oppervlak. In het provinciaal GIS-bestand met fysisch geografische eenheden is de Bethunepolder niet aangegeven als droogmakerij. Ook de Bethunepolder is een droogmakerij waar het huidige maaiveld op een diepte ligt van ca. 3 meter –NAP.
4.3
Toemaakdek
Eeuwenlang is de bodem in het veengebied van Holland en Utrecht ‘verbeterd’ met toemaak. Als gevolg hiervan zijn grote gebieden diffuus verontreinigd met metalen zoals lood en kwik. Binnen het werkgebied van ODRU zijn op voorhand de volgende gebieden bekend waar toemaak een rol speelt: toemaakdek De Venen (doorlopend in het aangrenzende deel van de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland); Noorderpark (voor het grootste deel gelegen in de gemeente De Bilt en verder deels in de gemeente Stichtse Vecht). In het Noorderpark worden beduidend lagere gehaltes metalen aangetroffen dan in het toemaakdek De Venen. In de bodemkwaliteitskaart van de regio Zuidoost Utrecht (lit. 7) is daarom gekozen voor de term ‘ophooglaag Noorderpark’, teneinde de associatie met de hoge gehaltes uit het toemaakdek De Venen te vermijden. Toemaak is een mengsel van bagger en stalmest - al dan niet vermengd met zand - waarmee veengebieden in het verleden zijn bemest (lit. 23, 24 en 25). In een aantal gebieden is deze toemaak vermengd met stadsvuil, te herkennen aan de aanwezigheid van scherven en puinresten. Met name het veenweidegebied op de grens van de provincies Zuid-Holland en Utrecht staat bekend om de hoge gehaltes lood en andere metalen die in het toemaakdek worden aangetroffen. In de Gouden Eeuw werd o.a. turf uit de omgeving van Mijdrecht verscheept naar Amsterdam.
Vanuit Amsterdam vervoerden de boten stadsafval naar dit veengebied. Dit stadsafval werd gebruikt in de bereiding van toemaak. Het toemaakdek op de grens van de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht wordt het ‘toemaakdek De Venen’ genoemd. Voor dit toemaakdek zijn verschillende studies uitgevoerd, met name naar de effecten van de verhoogde loodgehaltes op ecologie en landbouw. Op basis daarvan is voor het toemaakdek De Venen een provinciegrens overstijgend beleidskader opgesteld. In eerste instantie in 2006 (lit. 26) , geactualiseerd in 2010 (lit. 27). De begrenzing van het toemaakdek De Venen is (onder andere) in voornoemd beleidskader gebaseerd op de Stiboka-bodemkaart. Toemaak wordt aangegeven met het voorvoegsel o… in de legenda van de Stiboka-bodemkaarten.
Regionale BKK werkgebied ODRU
20/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Toemaak zoals opgenomen in de Stiboka-bodemkaart van Nederland bevat echter niet per definitie stadsvuil en is dus niet per definitie verontreinigd (lit. 23). Toemaak (zonder bijmenging van stadsafval) werd ook na de tweede wereldoorlog nog toegepast. Illustratief zijn verder nog de volgende citaten uit de toelichting bij de Stiboka-bodemkaart uit 1970 (lit. 25): Baggeren voor het maken van toemaak werd 30 à 40 jaar geleden nog veel gedaan, maar door
-
-
het ontbreken van arbeidskrachten behoort dit nu vrijwel tot het verleden. Slechts hier en daar ziet men nog zwarte toemaakhopen langs de slootkanten staan. Voor de verbetering van de veengronden is ook stadscompost gebruikt, wat o.a. blijkt uit het in de bovenlaag voorkomen van scherven, stukken glas en pijpekoppen. Van Doorn (1961) deelt mede, dat reeds in de achttiende eeuw in de omgeving van Zegveld stadsvuil is gebruikt voor bemestingsdoeleinden. Afb. 38 Ook nu nog wordt in het West-Utrechtse veengebied hier en daar met ‘toemaak’ bemest. Toemaak is een mengsel van bagger uit de sloten en met zand gemengde stalmest. Rechts op de foto ligt een hoop toemaak langs de sloot.10
Begrenzing toemaakdek Voor het toemaakdek De Venen zijn in GIS-bestanden 2 verschillende begrenzingen beschikbaar: een GIS-bestand uit 2005 met de grenzen die in eerdere beleidsdocumenten over toemaak zijn gehanteerd, gebaseerd op Stiboka-bodemkaarten (lit. 24 en 25); een GIS-bestand gebaseerd op een recenter bodemkartering van de veengebieden in de provincie Utrecht (lit. 28). Deze kartering is met name uitgevoerd vanwege de afname van het veenareaal door de oxidatie van veen. Het meest in het oog lopende verschil tussen beide bestanden is, dat in de kartering uit 2006-2008 (lit. 28) ook het gebied Zegvelderbroek is aangemerkt als toemaak. De begrenzing van het toemaakdek De Venen is op 20 mei 2014 afgestemd met de provincie Utrecht en de Dienst Landelijk Gebied (DLG). Hierbij is afgesproken dat alles wat in één van beide bestanden is aangemerkt als toemaak tot het toemaakdek wordt gerekend. Daarbij wordt vermeld, dat het niet mogelijk is om een exacte harde grens te trekken tussen wel of geen toemaakdek. Met name in de buurt van de op de kaart aangegeven grens is de situatie zoals ter plekke in het veld aangetroffen maatgevend. Op grond van de analysegegevens uit bodemonderzoeken blijkt de invloed van toemaak meer naar het noorden en oosten door te lopen.
Ook bij Botshol en bij het bungalowpark Buitenborgh worden verhoogde gehaltes lood en kwik gemeten die kenmerkend zijn voor toemaak. Om deze reden vormt de uiteindelijke begrenzing van het toemaakdek in de bodemkwaliteitskaart een combinatie van beide GISbestanden en de informatie uit de beschikbare bodemonderzoeken. In bijlage 5 zijn de begrenzingen volgens de 2 GIS-bestanden opgenomen alsmede de uiteindelijk in de zonering gehanteerde begrenzing.
10
= een foto in de toelichting bij de Stiboka-kaart uit 1970
Regionale BKK werkgebied ODRU
21/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
4.4
Bebouwingsgeschiedenis: ouderdom en eventuele ophooglagen
Een belangrijk onderscheidend kenmerk voor de zone-indeling vormt de ouderdom van woonwijken en bedrijfsterreinen. Naar mate wijken ouder zijn, is er een grotere kans op diffuse verontreiniging als gevolg van menselijk handelen. Oude dorpskernen en stadscentra zijn in het algemeen diffuus verontreinigd met koper, lood, zink en PAK. Bij sloop en nieuwbouw in het kader van stadsontwikkeling is de eerste (oudste) bebouwing maatgevend. Bijlage 6 toont de ouderdom van de wijken in de 13 gemeenten, waarbij onderscheid is gemaakt in de volgende legenda-eenheden: voor 1940; 1940 – 1960; 1960 – 1980; 1980 – heden; lintbebouwing. Deze deelgebieden zijn gebruikt in de verdere interpretatie van de gegevens. De grotere (sport)parken zijn niet als zodanig in de kaart met de bebouwingsgeschiedenis opgenomen. Kleinere stukken openbaar groen zijn wel bij de omliggende wijk gevoegd.
Ophooglagen Sommige wijken in het bodembeheergebied zijn voor aanleg eerst grootschalig opgehoogd met zand. Dit is onder andere bekend voor de volgende gebieden: Maarssenbroek (hele gebied is in de jaren 70 opgespoten met zand); de wijk Molenvliet in Woerden (hele bebouwde gebied ten zuiden van de Hollandbaan. Het wijkpark Molenvliet is aangelegd op een oude stortplaats); de woonwijk Snel en Polanen en het bedrijfsterrein Polanen in Woerden; de recente ontwikkelingslocatie Snellerpoort in Woerden; de recente bebouwing aan de noordoostkant van Kamerik; het deelgebied aan de zuidkant van Harmelen uit de bebouwingsperiode 1980-heden; ontwikkelingslocatie Abcoude Zuid (Winkelbuurt) Om de bodemdaling te compenseren zijn delen van bestaande wijken in Zegveld opgehoogd, waarbij lichte materialen zoals piepschuim zijn gebruikt. Voor oudere wijken is niet altijd bekend of de wijk voor aanleg grootschalig is opgehoogd. Daarnaast komen onbekende ophogingen op perceelsniveau voor. Specifiek is in 2014 een aantal bodemdossiers bekeken van het bedrijfsterrein Mijdrecht en van het bedrijfsterrein Keulsche Vaart in Breukelen. Daaruit blijkt, dat het bedrijfsterrein Mijdrecht niet grootschalig is opgehoogd, maar wel op verschillende locaties op perceelsniveau is opgehoogd met zand. Het bedrijfsterrein Keulsche Vaart heeft een variabele geschiedenis.
Keulsche Vaart is vanaf de jaren 70 beetje bij beetje ontwikkeld. Sommige percelen zijn niet opgehoogd, andere wel. Voor een deel betreft dit ophogingen met zand, maar het is bekend dat bij het bouwrijp maken van kavels in Keulsche Vaart ook hoogovenslakken zijn toegepast.
Regionale BKK werkgebied ODRU
22/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Bedrijfsterreinen Bedrijfsterreinen zijn bij het indelen van de bebouwing in deelgebieden apart gehouden van de woonwijken. Bij de uiteindelijke zone-indeling is ervoor gekozen om de bedrijfsterreinen niet apart te zoneren, maar samen te voegen met deelgebieden van woonwijken met dezelfde (verwachte) bodemkwaliteitsklasse. In het beleid wordt in de Nota bodembeheer wel onderscheid gemaakt tussen woonwijken en bedrijfsterreinen (op basis van het onderscheid tussen bodemfunctieklasse wonen en bodemfunctieklasse industrie in de bodemfunctiekaart).
4.5
Gebieden die verdacht zijn voor bestrijdingsmiddelen
Tot slot zijn (voormalige) boomgaarden en glastuinbouwgebieden van belang. Deze kunnen diffuus verontreinigd zijn met bestrijdingsmiddelen.
(voormalige) boomgaarden In (voormalige) boomgaarden worden regelmatig verhoogde concentraties DDD, DDE en DDT gemeten, soms zelfs tot boven de interventiewaarde. Oude boomgaarden uit de periode van ca. 1945 – 1980 zijn verdacht voor deze bestrijdingsmiddelen. In 2003 is in Zeeland een historisch onderzoek naar de toepassingspraktijk van gewasbeschermingsmiddelen in de Zeeuwse fruitteelt (lit. 29). Uit dit onderzoek blijkt het volgende: DDT werd geïntroduceerd na de tweede wereldoorlog. De intensiteit van de toepassing van DDT was het hoogst in de periode 1950 – 1955. In de periode 1950 – 1955 werd in de fruitteelt twee keer zo veel DDT toegepast als in de periode 1955 – 1960. Vanaf 1960 daalde de toepassing van DDT verder. Als gevolg van de toepassing van DDT nam namelijk de fruitspint toe, doordat DDT ook ‘nuttige’ insecten en roofmijten doodde. Daarnaast kwamen andere middelen zoals azinfos-methyl op de markt, die een betere bescherming tegen bladrollers en fruitrot gaven. In 1973 werd de toepassing van DDT in Nederland verboden. Naarmate een boomgaard langer in gebruik is, is cumulatief meer DDT op de bodem terecht gekomen. Naast de periode van boomgaardbezetting is ook de duur van boomgaardbezetting van belang. Er is geen historisch onderscheid te maken in de mate van toepassing van DDT in appelboomgaarden dan wel perenboomgaarden.
In het buitengebied van de gemeenten Bunnik en Wijk bij Duurstede liggen veel boomgaarden. In het verleden was het areaal aan boomgaarden groter. Een deel van de nieuwbouwwijken in deze gemeenten in aangelegd ter plaatse van voormalige boomgaarden, met name in Wijk bij Duurstede. De voorgaande bodemkwaliteitskaart van Zuidoost Utrecht (lit. 7) bevat een kaart met boomgaarden in de gemeenten Bunnik en Wijk bij Duurstede uit de periode 1945-1973. Totaal hebben deze een oppervlakte van 28,8 km2.
Regionale BKK werkgebied ODRU
23/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Voor de overige 11 gemeenten heeft ODRU in 2016 een inventarisatie van (voormalige) boomgaarden laten uitvoeren op basis van topografische kaarten uit verschillende jaargangen. De boomgaarden uit deze overige gemeenten hebben in totaal een oppervlakte van 29,8 km 2. Deels gaat het om kleine boomgaarden bij het erf van een boerderij. Bijlage 7 bevat een kaart met de hiervoor beschreven boomgaarden uit de periode 1940-1980 in de 13 gemeenten uit deze bodemkwaliteitskaart.
Glastuinbouw Van kasgebieden elders in het land is bekend dat de bodem vaak verontreinigd is met drins. Over de productie en het gebruik van drins vermeldt lit. 30 het volgende:
“ De drins werden eind jaren 1940 ontwikkeld als alternatief voor DDT1. Binnen Europa zijn de drins uitsluitend in Nederland geproduceerd. De productie in Nederland startte in de jaren 50 en bereikte een maximum in 1967 (8000 ton/jaar). Daarna vertoonde de productie een afnemende trend met tussen 1970 en 1974 een gemiddelde productie van 5000 ton actieve stof per jaar. Hiervan was aldrin met 55% het voornaamste product (dieldrin 20%, endrin 25%). In 1975 en 1976 lag de jaarproductie onder de 5000 ton. De productie van endrin, dieldrin en aldrin in Nederland is respectievelijk begin jaren 1980, in 1987 en in 1990 beëindigd. Aldrin was in Nederland toegelaten als insecticide, en endrin was eveneens toegelaten als rodenticide. Vanaf 1973 werden vanwege beperkingen aldrin en dieldrin nog slechts in geringe mate toegepast. Sinds 1980, 1982 en 1988 is het gebruik van respectievelijk dieldrin, aldrin, en endrin in Nederland niet meer toegestaan.” Op oude topografische kaarten is nagegaan waar glastuinbouw plaatsvond in de periode tot ca. 1980. In deze periode kwamen kassen in Noordwest Utrecht beduidend minder voor dan boomgaarden. De topografische kaarten uit ca. 1969 en uit ca. 1980 vertonen nagenoeg hetzelfde beeld.
Op topografische kaarten uit ca. 1970 en ca. 1980 zijn kassen weergegeven op de volgende plaatsen: een kassencomplex ten westen van Mijdrecht verschillende kleinere kassen in het toemaakdekgebied tussen Vinkeveen en Demmerik; plaatselijk langs de Oude Rijn tussen Woerden en Harmelen en langs de Breudijk bij Harmelen; meerdere kassen langs de Appellaan aan de noordkant van Harmelen; een aantal kassen in de Harmelerwaard (het merendeel van de huidige kassen in de Harmelerwaard is van recenter datum); bij Maarsseveen; in Groenekan; een aantal voormalige kassen in de huidige wijk Brugakker in Zeist en een enkele kas langs de Tolakkerlaan in Zeist; enkele voormalige kassen in Bunnik een enkele kas bij de Broekweg in het buitengebied bij Leersum.
Regionale BKK werkgebied ODRU
24/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Op de topografische kaarten uit 1961 zijn alleen plaatselijk wat kassen zichtbaar ter plaatse van de huidige wijk Brugakker in Zeist, bij Demmerik en met name bij Harmelen. Verder zijn de voormalige kassen in Bunnik al op een topografische kaart uit de jaren 50 weergegeven. Het areaal aan voor drins verdachte glastuinbouw is te gering en te verspreid gelegen om deze apart te zoneren. Deze kassen gelden als lokale verdachte locaties.
Regionale BKK werkgebied ODRU
25/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
Regionale BKK werkgebied ODRU
26/54
Eindrapport, 18 oktober 2021
MARMOS Bodemmanagement
5
ZONE-INDELING EN STATISTIEK
5.1
Zones in de bodemkwaliteitskaart
Voor de bodemkwaliteitskaart zijn in eerste instantie 25 zones onderscheiden. Voor deze zones een aantal statistische kengetallen berekend (diverse percentielwaarden, gemiddelde, lognormaal gemiddelde). Deze statistische kengetallen zijn opgenomen in bijlage 8-1 t/m 8-25. Een kaart met de begrenzing van deze zones is opgenomen in bijlage 9. De kengetallen zijn apart berekend voor de bovengrond (0-0,5 m-mv) en voor de ondergrond (0,5-2,0 mmv). Voor het berekenen van het gemiddelde en het lognormaal gemiddelde zijn meetwaarden lager dan de detectiegrens vervangen door 0,7 x detectiegrens. De Achtergrondwaarden en de maximale waarden voor wonen en industrie zijn voor veel stoffen afhankelijk van het bodemtype (percentages lutum en organische stof). Om de getallen gemakkelijk met elkaar te kunnen vergelijken, zijn alle statistische kengetallen in bijlage 8 omgerekend naar standaardbodem (lutum=25%, humus=10%). Vermenigvuldiging van het kengetal met de waarde uit de kolom bodemtypecorrectie geeft het oorspronkelijke kengetal. Zones met dezelfde classificatie zijn vervolgens beleidsmatig samengevoegd tot 10 beleidszones, met onderscheid tussen zones met bebouwing (bodemfunctieklasse wonen of industrie) en zones met buitengebied (bodemfunctieklasse landbouw/natuur). Deze beleidsmatige zones zijn weergegeven in bijlage 11.
Bijlage 12 bevat de ontgravingskaart voor de bovengrond en bijlage 13 bevat de ontgravingskaart voor de ondergrond. De zones uit bijlage 8-1 t/m 8-14 hebben enkel betrekking op bebouwd gebied (bodemfunctieklasse wonen of industrie). De grenzen van deze zones sluiten zoveel mogelijk aan op de begrenzing uit de bodemfunctiekaart tussen enerzijds landbouw/natuur en anderzijds wonen en industrie. Hetzelfde geldt voor de zone ‘Toemaakdek De Venen bebouwing 3/3’ (bijlage 8-16). Bij de volgende zones is geen onderscheid gemaakt tussen bebouwd gebied en buitengebied: zone Droogmakerijen De Ronde Venen (bijlage 8-15); zone Toemaakdek De Venen I overig (bijlage 8-17); zone Kievitsbuurt (bijlage 8-19). In deze zones wijkt de bodemkwaliteit van het buitengebied niet af van de bodemkwaliteit in het bebouwd gebied. Beleidsmatig zijn deze zones op basis van de bodemfunctiekaart gesplitst in de samengevoegde beleidszones bebouwing 2/1 en buitengebied 2/1, respectievelijk bebouwing 3/2 en buitengebied 3/2. Een aantal zones bestaat primair uit buitengebied, maar bevat kleine stukken buitengebied (weiland, bos) die met het oog op toekomstige ontwikkelingen in.de bodemfunctiekaart zijn ingedeeld in de functie wonen. Bij de onderbouwing van de bodemkwaliteitskaart is het zuiver om deze stukken bij de buitengebiedzones in te delen.