Bijlage A - Ontwerp-regionaal risicoprofiel VRU 2023
Tekst van het document
Opzet capaciteitenanalyse De capaciteitenanalyse bestaat uit drie elementen: 1. Vergelijkende analyse met RRP 2019 2. Scenario’s 3. Capaciteitsprofielen
6.2.1.
Vergelijkende analyse
Allereerst heeft een groep vakinhoudelijk experts van de VRU gekeken naar veranderingen in het risicobeeld ten opzichte van de capaciteitenanalyse in het RRP 2019. Het RRP 2019 was gebaseerd op het Nationaal VeiligheidsProfiel 2016 (NVP 2016).
6.2.2.
Scenario
In de tweede stap zijn de scenario’s ‘gebouwd’ behorende bij verschillende incidenttypen. Uitgangspunt bij het bouwen waren de beschrijvingen van scenario’s in het RRP 2019 (hoofdstuk 3) en het Nationaal Veiligheidsprofiel 2016. De scenario’s beschrijven het veronderstelde of geplande verloop van gebeurtenissen indien een van de incidenttypen zich voordoet. Voor deze incidenttypen stelt de veiligheidsregio Utrecht plannen op ter ondersteuning van het opleiden, trainen en oefenen van de hulpverleningsorganisatie. De scenario’s beschrijven de ‘vraagzijde’ van de crisis: wat is er nodig? In dit risicoprofiel is nog geen rekening gehouden met verschillen tussen de scenario’s die samenhangen met verschillende niveaus van zelfredzaamheid van burgers of veerkracht van de samenleving, of met verschillen in zelfredzaamheid tussen groepen personen bij een bepaald scenario. Op dit moment zijn er nog geen betrouwbare en valide methodes om dit verband te beschrijven of te meten.
6.2.3. Capaciteitsprofielen In de derde stap is de ‘aanbodzijde’ van de hulpverleningscapaciteit ter bestrijding van deze scenario’s nader geanalyseerd. Daarbij is onderscheid gemaakt in drie capaciteitsprofielen: flitsramp, langdurige crisis, voorzienbare dreigende en/of sluimerende crisis (zie figuur 1). Voor deze benadering is gekozen omdat niet meer alleen rekening dient te worden gehouden met de klassieke flitsramp, maar vaker met crises die een andere inzet van de hulpverlening vragen, zoals bijvoorbeeld bij een meer langdurige inzet. De profielen geven schematisch weer hoe de vraag naar capaciteit (verticale as) verandert met de tijd (horizontale as).
Pagina
26
(1) Flitsramp
(2) Langdurige crisis
(3) Voorzienbare, dreigende en/of sluimerende crisis
Figuur 10: Capaciteitsprofielen voor de Hulpverleningsorganisatie Toelichting bij de capaciteitsprofielen: Flitsramp Bij een “Flitsramp” ontstaat de vraag naar hulpverleningscapaciteit plotseling. Na (en vaak: door) de inzet van deze capaciteit neemt de omvang van het incident af, waardoor ook de vraag afneemt. Langdurige crisis De vraag naar hulpverleningscapaciteit neemt gedurende een langere tijd nauwelijks toe of af. Dit is bijvoorbeeld het geval als de hulpverlening geen rechtstreekse invloed heeft op de oorzaak van de crisis. Voorzienbare, dreigende en/of sluimerende crisis (creeping crisis): De vraag naar hulpverleningscapaciteit wordt gekarakteriseerd door een geleidelijke toename en kan overgaan in een langdurige inzet, of na escalatie weer afnemen zoals na een flitsramp. Voorbeeld: een grote natuurbrand of maatschappelijke ontwrichting ten gevolge van een cyberaanval. De capaciteitsprofielen vormen een hulpmiddel om de benodigde capaciteit te kunnen inschatten. De vraag naar de inzet van capaciteit verloopt niet bij elk scenario op dezelfde manier en duurt ook niet voor elk onderdeel van de hulpverleningsorganisatie van de VRU even lang. Dit is ook zichtbaar in de opschalingsprocessen van de crisisorganisatie; enerzijds toegespitst op de flitsramp en anderzijds voorzienend in maatwerk door flexibele opschaling al naar gelang het scenario.
Resultaten capaciteitenanalyse Achtereenvolgens wordt ingegaan op de veranderingen sinds 2019, de capaciteitsprofielen bij de verschillende scenario’s en de te verwachten aandachtspunten voor de hulpverlening. Voor een gedetailleerder overzicht zie Bijlage 3: Gedetailleerde capaciteitenanalyse.
6.3.1.
RRP 2019
Uit de vergelijkende analyse van het onderliggende RRP ten opzichte van het RRP 2019 komt het volgende beeld naar voren. Voor het grootste deel van de risico’s geldt dat de omstandigheden in de zin van kans en effect vergelijkbaar zijn met die van 4 jaar geleden. Ontwikkelingen als de energietransitie, klimaat, verdergaande digitalisering en demografische ontwikkelingen genereren nieuwe risico’s . Nog steeds is het merendeel van de incidenten waarmee de veiligheidsregio te maken heeft kortstondig. Echter, is de verwachting dat in de toekomst langdurige crisissituaties vaker zullen voorkomen waarbij een langer beroep en op de onderdelen intensiever hulpverleningscapaciteit zal worden gedaan.
Pagina
27
6.3.2.
Capaciteitsprofielen bij de scenario’s
Uit de analyse van de scenario’s blijkt dat de vraag naar inzet van capaciteit van de hulpverleningsorganisatie niet bij elk incident op dezelfde manier verloopt en ook niet voor elk onderdeel van de hulpverleningsorganisatie even lang duurt. De verschillen in tijdsduur en moment van inzet doen zich bij ieder scenario voor. Voor het merendeel van de scenario’s geldt dat de beschikbare hulpverleningscapaciteit direct inzetbaar moet zijn. Na de start van de hulpverlening neemt de omvang van het incident, en dus ook de vraag naar capaciteit, snel af (“flitsramp”). Bij de overige scenario’s is inzet reeds voorafgaand aan de crisis noodzakelijk, zal de inzet langdurig kunnen zijn, of beide. Figuur 11 laat zien hoe de capaciteitsprofielen verdeeld zijn over de scenario’s.
27%
55% 18%
Flitsramp
Voorzienbare, dreigende en/of sluimerende crisis
Langdurige crisis
Figuur 11: Verdeling van de capaciteitsprofielen over de scenario’s
Er zijn drie incidenttypen te onderscheiden waarbij deze vraag naar inzet vooraf, of langdurige inzet, in het bijzonder zichtbaar wordt: Infectiezieken Bij een pandemie blijkt dat de behoefte aan bevolkingszorg, crisiscommunicatie en ondersteuning voor het Regionaal Beleidsteam meer dan een jaar lang kan aanhouden. Extreem weer Na extreem weer kan het maanden duren voordat een gebied weer toegankelijk is gemaakt, terwijl de acute hulpverlening al geruime tijd is afgeschaald. Digitale ontwrichting Tijdens een sluimerende crisis kan de behoefte aan bestuurlijke ondersteuning en besluitvorming voorlopen op de vraag naar de operationele capaciteit van de acute hulpverlening (politie, brandweer of geneeskundig). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien zich een dreiging voordoet waarbij gijzelsoftware (ransomware) wordt ingezet bij netbeheerders.
6.3.3.
Aandachtspunten in de hulpverlening
Bij beoordeling van de scenario’s is een aantal knelpunten in de hulpverlening te verwachten. Bij zeven scenario’s doen zich knelpunten in de hulpverlening voor, zowel op het gebied van middelen als van personeel.
Pagina
28
Tabel 1: Overzicht knelpunten capaciteitenanalyse Scenario
Middelen
Personeel
Overstromingen
X
X
Natuurbrand
X
Infectieziekten
X
Stralingsongevallen
X*
Gebouwbranden
X
Nieuwe brandrisico’s energietransitie
X**
*uitvoering planvorming **expertise (zie ook Bijlage 3: Gedetailleerde capaciteitenanalyse) De belangrijkste aandachtspunten zijn: Overstromingen Het scenario van een doorbraak vanuit de Lek ter hoogte van Amerongen kan leiden tot een zeer zware belasting op de crisisbeheersingsorganisatie. Deze impact van deze belasting is het duidelijkst als het gaat om continuïteit van de hulpverlening en schaarste van mensen en middelen. Naast de benutting van bijstandsafspraken zal daarom bij dit scenario extra capaciteit aangetrokken moeten worden om continuïteit van hulpverlening te kunnen waarborgen van (met name) de brandweer en reddings- en ondersteuningsteams. De gevolgen van een grote overstroming blijven echter, ook bij de inzet van deze bijstand, zeer ernstig. Het is daarom belangrijk om gevolg beperkende keuzes te blijven maken bij de ruimtelijke inrichting van de leefomgeving. Natuurbrand Een grote natuurbrand op de Utrechtse Heuvelrug kan een zodanige omvang hebben dat de middelen, inclusief bijstand, voor de brandbestrijding niet toereikend zijn. Daarmee ontstaat het risico dat het na enige tijd niet langer mogelijk is om de brand te bestrijden waardoor de brand zich zou kunnen uitbreiden.
Voor de beheersbaarheid van natuurbranden is het belangrijk dat in de inrichting van het natuurgebied ook in de toekomst keuzes worden gemaakt die de escalatiekans van een natuurbrand beperken. Ook de bestaande afspraken over bijstand blijven nodig. Infectieziekten In het scenario van een wereldwijde pandemie zal naar verwachting de beschikbare personele capaciteit voor de crisisbeheersing niet afdoende kunnen zijn doordat tegelijkertijd de vraag naar capaciteit toeneemt, en het aanbod daarvan afneemt door de verminderde inzetbaarheid van hulpverleningspersoneel. Het continueren van met name (de coördinatie van) de geneeskundige hulpverlening zal dus een aandachtspunt blijven.
Conclusies Deze capaciteitenanalyse maakt in de eerste plaats duidelijk dat in de periode sinds 2019 geen grote veranderingen zijn opgetreden in de waardering van de risico’s (in termen van kans en
Pagina
29
effect) en bijbehorende scenario’s. Aandachtspunten zijn er vooral bij de scenario’s overstroming, natuurbrand en infectiezieken. Het gaat daarbij om mogelijke uitputting van middelen en personeel vanwege de langdurigheid en de intensiteit van de inzet. Daarnaast is er een aantal nieuwe ontwikkelingen in het risicobeeld waarbij naar verwachting vaker, eerder of langduriger een beroep zal worden gedaan op de hulpverleningscapaciteit. Naast de inzet bij flitsrampen zal de hulpverlening vaker geconfronteerd worden met voorzienbare, dreigende en/of sluimerende crises (creeping crises). Als de hulpverleningscapaciteit vaker, eerder of langduriger wordt ingezet, is dat van betekenis voor de belastbaarheid van de organisatie. Met de toenemende complexiteit van de samenleving worden zelfredzaamheid van burgers en grotere veerkracht van de samenleving een belangrijker aspect van een veilige leefomgeving. Het bepalen en bevorderen van deze zelfredzaamheid en veerkracht verdient daarom duurzame aandacht van de VRU en alle betrokken partners. Behouden of versterken van veerkracht zal in de komende periode een belangrijk element kunnen zijn bij afwegingen over gebruik en inrichting van de leefomgeving en over het sociale domein.
Uit deze capaciteitenanalyse blijkt vooral dat de veranderingen in het risicobeeld ertoe leiden dat de Veiligheidsregio Utrecht in de toekomst flexibeler moet kunnen inspelen op langdurige en sluimerende crisissituaties.
Pagina
30
7 Risicofocusgebieden Het RRP 2019 bevatte voor het eerst risicofocusgebieden. Hier komen meerdere risico’s samen, waardoor het risicobeeld niet onder één thema is onder te brengen. Het gaat hierbij om gebieden met één of meer van de volgende kenmerken: grote concentratie van mensen; groot economisch belang; hoge mate van complexiteit; grote mate van onzekerheid; hoog feitelijk samengesteld risico. In deze gebieden met de bovengenoemde kenmerking vereist de stapeling van risico’s bijzondere aandacht – vandaar de benaming Risicofocusgebieden. Het RRP 2019 benoemde de volgende gebieden als risicofocusgebied: 1. Transport van gevaarlijke stoffen over de grote vaarwegen 2. Stationsgebied Utrecht 3. Utrecht Science Park De Uithof 4. Utrecht Science Park Bilthoven 5. Utrechtse Heuvelrug In dit hoofdstuk wordt elk risicofocusgebied nader toegelicht. In het actueel risicobeeld wordt, zodra het beschikbaar is, meer in beeld gebracht over de risicofocusgebieden. Bijvoorbeeld de status waarin het meten van risico’s is in de diverse gebieden is, in de zin van de beschikbaarheid van sensordata bijvoorbeeld.
Transport van gevaarlijke stoffen over de grote vaarwegen 7.1.1. Risicoprofiel De hoofdvaarwegen in de regio maken deel uit van de Corridor Amsterdam-Rijn van het Basisnet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (zie ook paragraaf 5.3.3). Deze corridor omvat het Amsterdam-Rijnkanaal van Nigtevecht tot Wijk bij Duurstede, het Lekkanaal langs Nieuwegein de Lek stroomafwaarts vanaf Nieuwegein. Hier passeren dagelijks grote aantallen schepen. Het betreft zowel beroepsvaart als pleziervaart. De beroepsvaart bestaat grotendeels uit vrachtvaart waarvan een gedeelte met gevaarlijke stoffen; daarnaast varen er passagiersschepen. Deze bestaan uit rondvaartschepen en riviercruiseschepen. Deze laatste varen voornamelijk van Duitsland naar Amsterdam en terug. De situering van de vaarwegen is complex. Er zijn kruisingen met andere vaarwegen en met belangrijke spoor- en wegverbindingen. Routes over water, weg en spoor lopen op geringe onderlinge afstand parallel aan elkaar in een intensief gebruikte “corridor” tussen Amsterdam en Utrecht. Het water wordt voor de drinkwaterproductie gebruikt. In woonkernen liggen woningen en andere bestemmingen op korte afstand van de oevers. Het hoofd(water)wegen net vervult een belangrijke functie in de economie. Bij verstoring is het effect op de directe en indirecte omgeving in (Midden) Nederland groot. Het gebied is voortdurend in ontwikkeling.
Dit blijkt uit: Uitbreiding van de watertransportcapaciteit (bijvoorbeeld de uitbreiding van de Prinses Beatrixsluis met een derde kolk in 2019); intensiever gebruik van recreatieterreinen langs de vaarwegen;
Pagina
31
toename van het aantal woningen in de zone langs het water.
Vanuit risicobeheersings- en hulpverleningsperspectief vragen de volgende aspecten en locaties specifieke aandacht: Bereikbaarheid voor de hulpdiensten van zowel de vaarweg als de kwetsbare bestemmingen op de wal. Verhoogde kans op aanvaringen tussen vaartuigen: o Kruisende vaarwegen (ARK/Neder-Rijn bij Wijk bij Duurstede, Lekkanaal/Lek bij Nieuwegein); o Splitsende vaarwegen (ARK/Lekkanaal bij Nieuwegein, ARK/Vecht bij Nigtevecht); o Kruisend verkeer op de vaarweg (pont Nieuwer ter Aa/Breukelen op het ARK). Aanvaringen met infrastructuur: o Sluiscomplexen (Prinses Beatrixsluis en Prinses Irenesluis). Concentratie van risicobronnen: o Wachtplaatsen voor schepen met gevaarlijke lading (Kegelligplaats bij de Plofsluis in Nieuwegein). Trends in de risico-ontwikkeling: o In 2020 is de omvang van de recreatievaart sterk gegroeid. Deze zal naar verwachting de komende jaren blijven toenemen.
7.1.2.
Weerbaarheidsprofiel
Op minder dan honderd meter van het kanaal liggen op diverse punten woonwijken. Meestal liggen deze aan één zijde van het kanaal, in een enkel geval echter aan weerszijden. De zelfredzaamheid in deze woonwijken wijkt niet af van de zelfredzaamheid in andere woonwijken. De bereikbaarheid van deze locaties wijkt evenmin af van die van andere locaties.
7.1.3.
Capaciteitenanalyse
In 2020 heeft de VRU het incidentbestrijdingsplan Vaarwegen (IBP) vastgesteld. Daarin is uitgewerkt hoe de verantwoordelijkheden zijn verdeeld tussen verschillende overheden volgens de toepasselijke wetten (Waterwet en Wet Veiligheidsregio’s). Het IBP beschrijft ook de scenariogerichte responsorganisatie. In 2021 zijn de scenario’s voor vervoer van gevaarlijke stoffen over het Basisnet Water opnieuw in kaart gebracht. Dit gaf geen aanleiding voor een afzonderlijke capaciteitenanalyse. De analyse van hoofdstuk 6 is onverkort van toepassing.
Stationsgebied Utrecht 7.2.1. Risicoprofiel Het Stationsgebied Utrecht is een complex gebied met vele functies, waar dagelijks grote aantallen mensen passeren en werken en waar veel mensen wonen. De infrastructuur wordt intensief gebruikt voor transport van passagiers en goederen, waaronder gevaarlijke stoffen. Het gebied speelt een belangrijke rol in de veiligheid en het welzijn van mensen, het behouden functioneren van de stad en van het economisch leven in de regio. Het Stationsgebied Utrecht is het knooppunt van (Midden) Nederland. Tot 2030 wordt gewerkt aan de uitvoering van het Masterplan Stationsgebied. 19
7.2.2.
Weerbaarheidsprofiel
Het Stationsgebied herbergt grote aantallen personen, die ondanks hun diverse aard overwegend zelfredzaam zijn. Het gaat om passagiers van treinen en bussen en werknemers van winkels, kantoren en vervoerders.
19
https://cu2030.nl/pagina/de-aanleiding.
Pagina
32
Daarnaast omvat het gebied een groot aantal woningen. Diverse evenementen, in de open lucht en in de Jaarbeurs, trekken grote groepen bezoekers. Het netwerk van veiligheidspartners is in beeld en sterk georganiseerd. De benodigde planvorming is actueel. De focus ligt op het in stand houden van het netwerk en kennisborging.
7.2.3.
Capaciteitenanalyse
Bij het gemeentebestuur, het Openbaar Ministerie (OM), de Politie Midden-Nederland, de Veiligheidsregio Utrecht en bij de publieke en private partijen in het gebied bestaat de behoefte aan gezamenlijke voorbereiding op incidenten die naar aard omvang en gevolgen voorzienbaar en realistisch zijn in dit gebied. Om hierin te voorzien heeft de VRU in 2021 een incidentbestrijdingsplan (IBP) voor het gebied vastgesteld.
Utrecht Sciencepark 7.3.1. Risicoprofiel Het gebied Utrecht Sciencepark (USP) is een dynamische en complexe omgeving die intensief wordt gebruikt. De focus van het gebied ligt bij gezondheidszorg en kennis. Op het terrein liggen onder meer het Universitair Medisch Centrum Utrecht, twee kinderziekenhuizen, diverse faculteitsgebouwen van de Universiteit Utrecht en Hogeschool Utrecht, onderzoeksinstituten en laboratoria. Het gebied beslaat 322 hectare en er zijn meer dan 100 instellingen gevestigd. In het gebied liggen 3.000 studentenwoningen. Dagelijks bezoeken 27.000 werknemers en 51.000 studenten het gebied. De gemeente Utrecht heeft de ambitie om het gebied te ontwikkelen als kloppend hart van Europa’s meest competitieve regio. Er worden nieuwe laboratoriumgebouwen gerealiseerd, waaronder die voor het RIVM. De hoge personendichtheid, een concentratie van verminderd zelfredzamen in de ziekenhuizen, grote vervoersstromen en de voornoemde laboratoria leiden tot een stapeling van risico’s. Het gebied door drie autowegen ontsloten. Aan de Westkant wordt het gebied begrensd door de A27, die deel uitmaakt van het Basisnet Vervoer Gevaarlijke Stoffen.
7.3.2. Weerbaarheidsprofiel De bewoners van de 3000 woningen, de 27.000 werknemers en de 51.000 studenten die het gebied dagelijks gebruiken, zijn overwegend zelfredzaam. In het UMCU en de andere ziekenhuizen is echter sprake van een concentratie verminderd zelfredzame personen.
7.3.3.
Capaciteitenanalyse
Tijdens de bestrijding van calamiteiten vereist dit gebied bijzondere aandacht, met name op het gebied van de informatievoorziening. Met partijen in het gebied worden hierover afspraken gemaakt ten behoeve van de veilige inzet van de hulpverleningsdiensten. Ook zijn er bijzondere afspraken nodig over de informatieuitwisseling ten tijde van ongevallen op het terrein, ongeacht of daarbij de inzet van de hulpverleningsdiensten noodzakelijk is. Met de komst van het RIVM moet het risicobeeld opnieuw gewogen worden.
Utrecht Science Park Bilthoven 7.4.1.
Risicoprofiel
Het Utrecht Science Park Bilthoven (USPB) ligt op het voormalig RIVM terrein dat in 2013 is verkocht aan een private partij. Op het terrein zijn veel verschillende gevaarlijke stoffen aanwezig. De hoeveelheden per opslag- of gebruikslocatie zijn echter klein. De organisaties op het USPB concentreren zich vooral op de productie, ontwikkeling en verbetering van humane vaccins, medische hulpmiddelen en onderzoek in het kader van volksgezondheid en milieu.
Pagina
33
Het RIVM zal in de periode 2023 -2028 verhuizen naar het Utrecht Science Park. Dan ontstaat er in USPB ruimte voor bedrijven uit verwante bedrijfstakken. Redenen om het USPB aan te wijzen als Risicofocusgebied zijn de volgende: Bij onderzoeksactiviteiten worden Biologische Agentia op zeer kleine schaal gebruikt. In het productieproces kan een storing en/of defect optreden in de installatie of kan een menselijke fout worden gemaakt. Een mogelijk effect is dat er een spill (lekkage) ontstaat waarbij medewerkers besmet raken. Afhandeling van dit soort calamiteiten is complex: het vereist afstemming tussen onder meer de GGD, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (onderdeel van het RIVM), de gemeente De Bilt en het bedrijf waar het ongeval zich heeft voorgedaan. Andere partijen (waaronder de VRU) moeten van dergelijke incidenten op de hoogte worden gesteld, ook in gevallen waarbij zij niet worden ingezet voor de calamiteitenbestrijding. De aanwezigheid van genetisch gemodificeerde organismen, proefdieren en vaccinfabricage op het terrein kan aanleiding zijn voor maatschappelijke onrust.
7.4.2. Weerbaarheidsprofiel Op het terrein werken ongeveer 2.100 personen, waaronder slechts een beperkt aantal kwetsbare personen. Het terrein is niet toegankelijk voor het publiek. De stichting Antonie van Leeuwenhoek-terrein (Stichting-ALt) is namens alle organisaties en bedrijven op het terrein houder van de milieuvergunningen en houdt een organisatie voor de operationele calamiteitenbestrijding op het USPB in stand conform de voorschriften van de vergunning.
7.4.3.
Capaciteitenanalyse
De partijen die betrokken zijn bij de bestrijding van calamiteiten op het USP Bilthoven, waaronder de hulpverleningsdiensten, hebben afspraken gemaakt op het gebied van informatievoorziening ten behoeve van een veilige inzet. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt voor het verstrekken van informatie over incidenten op het terrein waarbij de inzet van de hulpverleningsdiensten niet noodzakelijk is.
Utrechtse Heuvelrug 7.5.1.
Risicoprofiel
Het gebied Utrechtse Heuvelrug is een bos- en heidegebied van ca. 22.000 ha. Het doorsnijdt de provincie diagonaal van Rhenen naar Baarn loopt door tot in de buurregio Gooi en Vechtstreek. Het gebied wordt gekenmerkt door de bijzondere ecologische waarden, het grote aantal gebruikers en de aanwezigheid van vitale infrastructuur. Kwetsbare objecten in het gebied zijn zorgfuncties en cultureel erfgoed. De provincie Utrecht ambieert uitbreiding van de natuur met tussen 10.000 tot 20.000 ha. De combinatie van aaneengesloten natuur en intensief gebruik maakt het gebied kwetsbaar, zeker gedurende periodes van droogte en daaruit voorkomende natuurbrandrisico. Als gevolg van klimaatverandering (zie paragraaf 4.1) is het risico in de afgelopen jaren toegenomen en volgens de huidige prognoses zal deze toename nog enige tijd aanhouden. Onder gunstige bodem- en weersomstandigheden is een natuurbrand in dit gebied beheersbaar voor de brandweer en blijft de overlast beperkt tot rook. Onder ongunstigere of extreme omstandigheden kan een natuurbrand ook onbeheersbaar worden voor de hulpdiensten en meerdere dagen woeden.
7.5.2. Weerbaarheidsprofiel Tijdens een langdurige brand kan de overlast van rook voor bewoners van woningen en zorginstellingen meerdere dagen aanhouden. In ongunstige omstandigheden bedreigt een natuurbrand de bewoners rechtstreeks en moeten zij het gebied verlaten. Voor kwetsbare groepen en voor het aanwezige cultureel erfgoed is een dergelijk scenario extra risicovol.
Pagina
34
7.5.3.
Capaciteitenanalyse
Tijdens de bestrijding van calamiteiten (zoals natuurbrand) vereist dit gebied bijzondere aandacht. Voor een adequate risicobeheersing is de aanwezigheid van brandbestrijdingscapaciteit niet voldoende. De toolbox ‘gebiedsgerichte aanpak’ van Brandweer Nederland biedt een belangrijk hulpmiddel om het aanwezige risico verder te reduceren. Algemene doelstelling dient te zijn, zoals reeds in paragraaf 4.1.3 beschreven, het in balans brengen van ecologische waarden, gebruiksdoeleinden en veiligheid. Dit geldt zowel voor de bestaande situatie als de nieuw te ontwikkelen natuurarealen. Zorginstellingen In het gebied Utrechtse Heuvelrug liggen ruim 150 zorglocaties. Deze kunnen betrokken raken bij een natuurbrand. Als deze situatie zich voordoet, is ontruiming van de betreffende locatie gewenst. Afhankelijk van de aard van de verleende zorg is ontruiming binnen de beschikbare tijd echter niet altijd haalbaar. Een gebiedsgerichte aanpak met de relevante stakeholders in het gebied is daarom van belang. Doel van deze aanpak is het verkleinen van het escalatierisico van een natuurbrand en planvorming om de impact op de betreffende zorglocatie zo laag mogelijk te houden. Recreatie Het gebied kent intensieve recreatie: wandelen, fietsen, horeca, restaurants, dagrecreatie (al dan niet georganiseerd).
Daarnaast bevat het gebied campings, hotels en bungalowparken die het hele jaar door in gebruik zijn. In het voorjaar en de zomer kunnen dagen met intensieve recreatie samenvallen met een periode met verhoogd natuurbrandrisico. In het gebied of de directe omgeving liggen ook toeristische trekpleisters als Lage Vuursche, het Nationaal Militair Museum en twee dierentuinen. De beheerders van grotere natuurgebieden hebben in de Coronatijd te kennen gegeven dat de recreatieve druk ten opzichte van 2019 behoorlijk gegroeid is in het hele areaal. De (parkeer)drukte gaf in deze periode geregeld toezichtproblemen. De recreatieplas Henschotermeer en de directe omgeving zijn een zwaartepunt in dit gebied. De wegen van en naar dit terrein hebben beperkte capaciteit, waardoor ontruiming tijdens een calamiteit en bereikbaarheid voor de hulpdiensten nog enige tijd extra aandacht zullen eisen. Dierenparken Dierenpark Amersfoort en Ouwehands Dierenpark Rhenen liggen in het gebied Utrechtse Heuvelrug. Deze parken kunnen daarom betrokken raken bij een natuurbrand of hinder ondervinden van de effecten van een brand. Dit kan beperkt zijn tot rookoverlast maar er dient ook rekening te worden gehouden met brand. De kwetsbaarheid wordt vergroot door de aanwezigheid van naaldbos in de omgeving, die snelle branduitbreiding bij brand mogelijk maakt.
Aanpassing van de vegetatie is één van de manieren om het risico te verkleinen.
Pagina
35
Bijlage 1: Samenvatting Nationaal veiligheidsprofiel 2016 In onderstaand risicodiagram staan de verschillende veiligheidsthema’s uit het NVP (2016) gerubriceerd naar impact en waarschijnlijkheid. Bij de toelichting is gebruik gemaakt van de samenvattingen uit het NVP. grof en extreem geweld
Figuur 12: Risicodiagram NVP (aangepast)
Natuurrampen Volgens het NVP moeten we bij natuurrampen denken aan de volgende sub-thema’s: overstroming, extreem weer, droogte/hitte, natuurbrand, aardbeving en zonnestorm. Natuurrampen kunnen grote aantallen mensen treffen en de economische schade kan groot zijn.
Overstromingen In Nederland schenkt men veel aandacht aan waterveiligheid en overstromingsrisico’s. De overstromingen kunnen zowel vanuit zee (2 in Figuur 12) als vanuit de rivieren (1 in Figuur 12) veroorzaakt worden. In het NVP wordt voor beide situaties een scenario uitgewerkt. Het maatgevend scenario is overstroming vanuit rivieren en het worst-case scenario is een overstroming uit zee. Met betrekking tot het overstromingsrisico worden twee autonome ontwikkelingen onderscheiden: klimaatverandering en de sociaaleconomische ontwikkeling.
Pagina
36
Klimaatverandering heeft effect op de hoogte van de zeespiegel, ook is de verwachting dat deze eeuw de piekafvoeren van rivieren zullen toenemen en dat hoge rivierwaterstanden vaker zullen optreden. Voor wat betreft de sociaaleconomische ontwikkeling moet worden gedacht aan bevolkingsgroei en verdichting in gebieden met al een bestaand overstromingsrisico.
Aardbevingen Aardbevingen (3 in Figuur 12) kunnen zowel van natuurlijke aard zijn als door de mens worden veroorzaakt. Beide komen in Nederland voor. In 1992 was de zwaarste aardbeving met een natuurlijke oorzaak, op een van de Peelrand breuklijnen met vooral impact in Zuidoost Nederland. Langdurige en grootschalige commerciële activiteiten, met name gaswinning, hebben geleid tot aardbevingen in voornamelijk Noord-Nederland. Ook de combinatie van menselijk handelen (mijnbouw) en een (lichte) aardbeving kan effect hebben en leiden tot acute bodemdaling. Rondom de aardgaswinning in Groningen is politieke overeenstemming over het verminderen van de gaswinning. De (in)directe gevolgen van het verminderen van de gaswinning zijn nog volop in de aandacht en worden onderzocht.
Natuurbranden Het NVP beschrijft dat er in afgelopen jaren Nederland grote natuurbranden (4 in Figuur 12) hebben gewoed. Bij enkele van deze branden kon de brandweer de brand niet stoppen, hooguit bijsturen. In dat geval spreken we van een onbeheersbare natuurbrand. Een onbeheersbare brand dooft uiteindelijk door gebrek aan brandstof zoals bij de overgang van bos naar stuifzand of weersverandering (draaiende wind of wind die gaat liggen). Kwetsbare objecten die in een gebied liggen waar de kans op een natuurbrand groot is, lopen een extra risico. Door klimaatverandering neemt het risico van natuurbranden toe. Daarbij is ook nog een aantal specifieke ontwikkelingen te noemen zoals vergrassing en verbinding van natuurgebieden. Vergrassing leidt tot snellere branduitbreiding, droog gras brandt sneller dan struiken en bomen. De verbinding van natuurgebieden vergroot de kans op grote natuurbranden, omdat deze vaak is gerealiseerd via heidegebieden. Bij grote natuurbranden zijn vaak heidegebieden betrokken. In het NVP wordt aangegeven dat bij natuurbranden sprake is van een lichte toename in risico’s. Weersextremen kunnen toenemen, met mogelijk zeer droge perioden. Daarnaast neemt de kans op (droge) bliksem toe en blikseminslag kan eveneens leiden tot natuurbrand. Qua impact is met name de ontwikkeling van toerisme van belang.
Het NVP gaat uit van een toename van campings of huizenparken in natuurgebieden.
Extreem weer Het NVP stelt dat de impact van extreem weer (5 in Figuur 12) regionaal van aard is en werkt hier geen scenario voor uit.
Bedreigingen gezondheid en milieu Infectieziekten Binnen dit thema worden infectieziekten (humaan, dierziekten en zoönose), milieu en voedselveiligheid uitgewerkt.
Pagina
37
Een infectieziekte wordt veroorzaakt door micro-organismen, zoals bacteriën, virussen, schimmels en parasieten, welke wanneer ze bepaalde lichaamsdelen van een mens of dier binnendringen ziekteverschijnselen veroorzaken. Een bekend voorbeeld van een infectieziekte is de normale seizoengriep. Infectieziekten zijn op verschillende manieren in te delen. Bijvoorbeeld op basis van overdragen, de naam van de ziekteverwekker of het orgaan waar de ziekte primair optreedt. In het NVP worden infectieziekten gecategoriseerd naar de wijze van overdracht. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen ‘dierziekten en zoönosen’ (7 in Figuur 12) en ‘humane infectieziekten’ (6 in Figuur 12). De eerste categorie is van dier op dier overdraagbaar. Een zoönose kan van dier op mens en/of van dier op dier overgedragen worden. Humane infectiezieken worden van mens op mens overgedragen.
Dierziekten en zoönosen Met intensieve landbouw en veel transport van dieren is het niet uit te sluiten dat dierziekten in Nederland optreden met nationale gevolgen, dit is in de afgelopen jaren meerdere keren voorgekomen. In de afgelopen jaren zijn er uitbraken van dierziekten geweest die een noodzaak tot een nationale respons hadden. In 1997 was er een uitbraak van varkenspest, daarna brak in 2001 mond- en klauwzeer op grote schaal uit en werd Nederland vanaf 2003 meerdere keren getroffen door de vogelgriep. Ook bij de Q-koorts uitbraken tussen 2007 tot 2010 was er sprake van nationale inzet en bijdrage aan de crisisbeheersing. De gevolgen treffen vooral de agrarische sector en in een enkel geval ook de volksgezondheid. De economische veiligheid wordt geraakt, doordat er hoge kosten verbonden zijn aan de bestrijding van de ziekte en er direct gevolgen zijn voor de veestapel en de verkoopbaarheid van producten. Bij een uitbraak van zoönose (infectieziekte die van dier op mens kan overgaan) is er in potentie ook impact op de fysieke veiligheid door zieken en doden en neemt de kans op verstoring van de sociale en politieke stabiliteit door onrust onder de bevolking toe.
Humane infectieziekten Het jaarlijks overlijden van relatief veel mensen aan seizoengriep leidt niet snel tot grote onrust. Voorbeelden van infectieziekten die in het (verre) verleden wel de maatschappelijke veiligheid hebben beïnvloed, maar nu (in Nederland) onder controle zijn door adequate behandeling, verbeterde gezondheidsomstandigheden, of zijn uitgeroeid door vaccinatieprogramma’s zijn o.a. de pest, tuberculose en pokken. Echter, er zijn nog steeds een aantal zeer ernstige infectieziekten die ook in Nederland tot een ontwrichting van de samenleving zou kunnen leiden. Ziekten als het ‘Severe Acute Respiratory Syndrome’ (SARS, 2003, China) en Ebola (West Afrika, 2014) hebben wereldwijd grote aantallen slachtoffers en grote maatschappelijke onrust veroorzaakt. Zodra een infectieziekte in een hogere frequentie voorkomt dan normaal, spreekt men van een epidemie. Wanneer een epidemie zich wereldwijd verspreid, is er sprake van een pandemie. De waarschijnlijkheid van een grieppandemie wordt hoog ingeschat. De combinatie van klimaatverandering en globalisering is iets wat de introductie van ‘exotische’ humane infectieziekten op termijn mogelijk maakt in Nederland.
Wat de sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen betreft, geldt dat urbanisatie enerzijds de kans op infectieziekten vermindert, doordat mensen minder in contact komen met natuur en vectoren (zoals muggen) die ziekten kunnen verspreiden. Anderzijds maakt verstedelijking een snelle verspreiding van ziekten juist mogelijk.
Pagina
38
Voedselveiligheid en milieu In 2013 heeft het RIVM een ‘thematische verdieping’ uitgevoerd voor het thema voedselveiligheid. Hiervoor zijn vijf scenario’s vanuit verschillende invalshoeken uitgewerkt. Gezamenlijk bestrijken de scenario’s het spectrum aan mogelijke oorzaken waar de voedselveiligheidsproblematiek zich manifesteert, zoals een moedwillige besmetting, een natuurlijke uitbraak en fraude. Voor de voedselscenario’s geldt dat de waarschijnlijkheid relatief hoog wordt geacht; wat in lijn is met de praktijk waar voedselincidenten regelmatig gebeuren. De impact op nationale schaal van deze scenario’s is beperkt en vooral bepaald door maatschappelijke onrust en angst. Voedselfraude heeft bijvoorbeeld wel vervelende gevolgen en de burger voelt zich bedrogen, maar de impact op nationale veiligheidsbelangen is beperkt. Op korte termijn is niet de verwachting dat voedsel gerelateerde crises de nationale veiligheid zullen aantasten. Daarom is bedreiging van voedselveiligheid niet als een aparte risicocategorie in het NVP uitgewerkt. Typische milieu-incidenten zijn olierampen en grote lozingen en lekkages van chemicaliën in water, bodem en grondwater. Als het gaat om explosies en verspreiding van toxische (gas)wolken vallen die onder het thema ‘zware ongevallen’. Milieuthema’s als bodemverontreiniging, wateren luchtkwaliteit komen bij verschillende ontwikkelingen ter sprake.
De luchtkwaliteit is bijvoorbeeld van belang voor de volksgezondheid; circa 5% van de ziektelast in Nederland is gerelateerd aan milieuoorzaken, waarvan luchtkwaliteit in de vorm van fijnstof de belangrijkste oorzaak is. Veel milieu-incidenten raken niet gelijk de nationale veiligheid, maar hebben een lokale of regionale impact. In het NVP is het aspect milieu daarom niet verder uitgewerkt in dit hoofdstuk.
Zware ongevallen De term zware ongevallen is een verzamelterm voor gebeurtenissen die ontstaan door nietmoedwillige incidenten. Zo’n incident wordt vaak veroorzaakt door (een combinatie van) technisch, menselijk, of organisatorisch falen. Ongevallen kunnen ook optreden als effect van een andere gebeurtenis zoals bijvoorbeeld een natuurramp (Kernramp Fukushima). Binnen het thema zware ongevallen is onderscheid in drie risicocategorieën: 1.
stralingsongevallen
2.
chemische incidenten
3.
transportongevallen
Stralingsongevallen Bij stralingsongevallen (8 in Figuur 12) gaat het om het vrijkomen van radioactief materiaal in de atmosfeer, in de bodem of in het water. Een incident met een (dreigende) lozing van radioactief materiaal kan ernstige maatschappelijke gevolgen hebben. Het gaat dan om gezondheidseffecten door directe blootstelling van mensen (inhalatie van radioactief besmette lucht), of door indirecte blootstelling (besmetting in de voedselketen en drinkwater). Naast effecten voor de volksgezondheid is er mogelijk economische schade, ecologische schade, imagoschade, maatschappelijke onrust in het algemeen (angst, onvrede, woede) en verlies van draagvlak voor nucleaire energieopwekking en andere toepassingen van nucleaire technologie. Stralingsongevallen kunnen ontstaan in kernreactoren of locaties waar met hoogradioactief materiaal wordt gewerkt. Daarnaast zijn er transporten van radioactieve stoffen. Ook kernreactoren in het buitenland vormen een risico voor de Nederlandse samenleving. Hierbij dient onderscheid gemaakt te worden tussen kerncentrales vlak over de landsgrens die een
Pagina
39
directe impact kunnen hebben op Nederland, en die met een indirecte impact vanaf een grotere afstand tot Nederland. Ondanks regelmatige discussies over het onderwerp in de media lijkt kernenergie in Nederland vooralsnog gehandhaafd te worden op het huidige peil. Ook in de rest van Europa lijkt de totale nucleaire capaciteit, in ieder geval de komende 5 à 10 jaar, stabiel te blijven.
Chemische incidenten Nederland heeft een aanzienlijke chemische industrie (9 en 10 in Figuur 12) die onderdeel uitmaakt van een wereldwijd netwerk aan bedrijven en transportstromen. Binnen chemie complexen in Nederland is er aandacht voor veiligheid. Nederlandse bedrijven moeten in toenemende mate concurreren met landen met lagere energie en/of grondstofprijzen. Als marges en budgetten onder druk staan, zijn bedrijven en overheden minder geneigd te investeren in veiligheidssystemen waardoor risico’s op incidenten toenemen. Chemische incidenten kunnen ontstaan in bedrijven waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt of waar deze worden opgeslagen. Belangrijke ongeval scenario’s zijn explosie, brand en een toxische wolk. Indien de bedrijfsactiviteiten zo riskant zijn dat personen buiten de inrichting gevaar kunnen lopen, is het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) van toepassing. Het doel van het Bevi is om mensen te beschermen die in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen verblijven. In de regio Utrecht zijn ruim honderd Bevi inrichtingen bekend. Die inrichtingen waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn en boven een bepaalde drempelwaarde uitkomen, vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo). In de regio Utrecht bevinden zich 10 Brzo inrichtingen.
Het Brzo onderkent twee typen bedrijven; bedrijven die een hoge- en bedrijven die een lage drempelwaarde overschrijden. Brzo inrichtingen moeten voldoen aan strenge veiligheidseisen en worden nauwkeurig geïnspecteerd. Inrichtingen die een hoge drempelwaarde overschrijden dienen over een rampenbestrijdingsplan te beschikken. De risico’s voor chemische incidenten in de regio Utrecht schatten wij in als gelijk aan het landelijk gemiddelde.
Transportongevallen De transportsector kan worden verdeeld over vier modaliteiten: Scheepvaart, Spoorwegen, Wegverkeer, Luchtvaart. Zware transportongevallen kunnen leiden tot een groot aantal slachtoffers en (mogelijk langdurige) verstoring van de infrastructuur, waardoor de kosten als gevolg van een incident substantieel kunnen zijn. Hoewel de kans op een dusdanig groot ongeval beperkt is, kan de impact dusdanig groot zijn dat het de nationale veiligheid raakt. Om transportrisico’s beter te beheersen geldt de Wet basisnet per 1 april 2015. Onderdeel van deze wet is een aangewezen landelijk net voor het transport van gevaarlijke stoffen en heeft betrekking op spoor, waterwegen en rijkswegen. De Wet basisnet heeft als doel evenwicht te creëren tussen belangen rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen en de veiligheid van personen in de omgeving van die transportbewegingen. Het aantal transporten over de basisnetassen wordt in opdracht van het ministerie Infrastructuur en Waterstaat (IenW) door Rijkswaterstaat geregistreerd. Als uit deze jaarrapportages blijkt dat risicoplafonds in het voorafgaande kalenderjaar zijn overschreden en/of in het komende kalenderjaar mogelijk (opnieuw) overschreden zullen worden, is het aan de minister of staatssecretaris van IenW om in overleg met vervoerssector maatregelen te treffen.
Verstoring vitale infrastructuur Er is sprake van verstoring van vitale infrastructuur als de verstoring van processen leidt tot ernstige maatschappelijk ontwrichting. Het NVP beschouwt onder vitale infrastructuur de
Pagina
40
volgende processen: energievoorziening (elektriciteit, gas en olievoorziening), drinkwatervoorziening, ICT en telecommunicatie, (internet, datadiensten, spraakdiensten en satelliet tijd- en plaatsbepaling), financiële dienstverlening (betalings- en effectenverkeer), water (keren en beheren waterkwantiteit). De vitale infrastructuur kan worden verstoord door verstoringen in de waterkwantiteit als gevolg van bijvoorbeeld droogte of overstroming. Dit is uitgewerkt in hoofdstuk 3.1 natuurrampen. De verstoring van financiële voorzieningen beschouwen we, zoals aangegeven in figuur 1 ‘samenhang NVP-RRP’, als landelijk en valt daarmee buiten de scope van het regionaal risicoprofiel. Het risico voor dit scenario ligt binnen de VRU niet anders dan het landelijk niveau. Voor verstoring van de vitale infrastructuur geldt dat een verstoring op één proces al een bedreiging vormt, maar dat zij ook kunnen ‘stapelen’. Er treedt dan een versterkend effect op bij verstoringen in andere processen.
Verstoring energievoorziening Binnen de energiesector wordt onderscheid gemaakt tussen elektriciteit, gas en olie. Bij verstoring van de elektriciteitsvoorziening (11 in Figuur 12) kan de maatschappelijke impact zeer groot zijn door de grote maatschappelijke afhankelijkheid van elektriciteit. Verstoring van de elektriciteitsvoorziening kan leiden tot keteneffecten (12 in Figuur 12) met zowel een directe impact (zoals uitval ICT-systemen) als een indirecte impact (zoals verstoring de voedselvoorziening). Besturing van het netwerk voor elektriciteit wordt complexer door toenemende opwekking van groene energie en decentrale opwekking (zonnepanelen en windmolens). Dit kan tot grote fluctuaties leiden in aanbod van- en vraag naar energie. Verder kan door klimaatverandering extreem weer in toenemende mate verstoringen veroorzaken in de elektriciteitsvoorziening. Ook de verstoring van de gasvoorziening kan grote impact hebben door de huidige afhankelijkheid van huishoudens van gas voor warmte. Ook is gas voor de industrie belangrijk. Naar verwachting wordt de impact van verstoring in de gasvoorziening op termijn kleiner door de energietransitie. Totdat we in Nederland ‘van het gas af zijn’ kan door geopolitieke ontwikkelingen de kans op verstoring van de gasvoorziening (import) onzeker blijven.
De maatschappelijke impact van verstoring in olievoorziening is vooral merkbaar in keteneffecten (transport). De impact van een verstoring wordt bepaald door de duur van de verstoring in combinatie met de omvang en de aard van het getroffen gebied. Uitval van elektriciteitsvoorzieningen wordt gezien als een worst case scenario, waarbij een uitval langer dan 8 uur zal leiden tot een exponentiele toename van de gevolgen.
ICT & telecommunicatie Verstoring van Internet, datadiensten, Internettoegang en dataverkeer is ondergebracht onder het thema Cyberdreigingen (14 in Figuur 12). Binnen het thema verstoring vitale infrastructuur wordt ingegaan op verstoring van spraakdiensten (telefoonverkeer, vast en mobiel) en SMS en satellietdiensten (13 in Figuur 12). Spraakdiensten en SMS, vast en mobiel beslaat een veelheid aan onderliggende systemen en de veelheid aan partijen die deze systemen beheren. De verspreiding van systemen en partijen zorgt wel voor een zekere mate van redundantie waardoor spraakdiensten moeilijk volledig verstoord kunnen worden. Een inschatting van de impact van verstoring van spraakdiensten wordt in het NVP niet gegeven, mede omdat grootschalige, volledige verstoring van spraakdiensten onwaarschijnlijk is en omdat het voornamelijk tot overlast, maar niet direct tot ontwrichting van de samenleving zal leiden.
Pagina
41
Satellietsystemen, althans de beschikbaarheid hiervan is voor veel vitale processen van groot belang. Verstoring van satellietdiensten heeft vooral een effect op GPS positionering- en tijdsignalen die worden gebruikt in veel systemen. Hierbij moet gedacht worden aan GPS-diensten voor verkeersregeling. Ook aardobservatie voor weersinformatie en telecommunicatie (vast en mobiel), internet en (financieel) dataverkeer zijn (deels) afhankelijk van satellietsystemen. Verstoring of uitval van satellietdiensten kan deze processen ernstig verstoren.
Cyberdreiging Cyberdreiging kent een snelle ontwikkeling. Uit het cybersecuritybeeld van het Nationaal Cyber Security Centrum blijkt dat cyberdreigingen zullen toenemen, terwijl de weerbaarheid van individuen en organisaties achterblijft. Wereldwijd nemen cyberaanvallen toe met als doel te saboteren, te spioneren, te beïnvloeden of af te persen. Cyberdreiging beperkt zich niet tot regiogrenzen en heeft een internationaal karakter.
Ondermijning, grof en extreem geweld Ondermijning Ondermijning is in figuurlijke zin het uithollen of verzwakken (15 in Figuur 12). Wat er wordt uitgehold of verzwakt kan divers zijn: het sociale stelsel, de democratische rechtstaat. Enkele autonome ontwikkelingen zouden op termijn de democratische rechtsorde en open samenleving kunnen beïnvloeden, zoals polarisatie tussen bevolkingsgroepen, onzekerheid bij burgers over het vertrouwen in de overheid en de toegenomen migratiestroom. De ondermijning leidt in vele gevallen niet tot directe, acute ontwrichting maar de aantastende werking kan op langere termijn leiden tot ernstige disruptie en disfunctioneren van het politieke en maatschappelijke systeem van Nederland. Deze ontwikkelingen worden in het NVP niet uitgewerkt. Aan dit thema is o.a. veel aandacht besteed in het Nationaal dreigingsbeeld georganiseerde criminaliteit 2017.
Grof en extreem geweld Het NVP beschouwt bij grof en extreem geweld de dreiging vanuit jihadistische groepen als grootste risico. Ook in de regio Utrecht zijn omstandigheden die als voedingsbodem kunnen fungeren en waar in combinatie met ‘trigger- events’ geweldsescalatie (16 in Figuur 12) uit kan voort komen. Framing in de (social) media is met name bij het effect van een incident met een gewelddadige eenling (16 in ) van groot belang.
Pagina
42
Bijlage 2: Risicomatrix VRU 2019-2022
Pagina
43
Bijlage 3: Gedetailleerde capaciteitenanalyse Incidenttype
Natuurramp: Overstromingen
Scenario's
Een doorbraak vanuit de Lek ter hoogte van Amerongen
Symbool capaciteitsprofiel
Elementen beoordeling scenario's Risicobeheersing
Crisisbeheersing
In de crisisfase zullen piketfunctionarissen van risicobeheersing worden ingezet bij de bestrijding. In de nafase zal capaciteit binnen risicobeheersing worden gevraagd om de herbouw (woningen en infrastructuur, bedrijven) te beoordelen op veiligheid. In de meerlaagse veiligheidsbenadering wordt het land achter de dijken voor overstromingen beperkt door: 1) de versterking van waterkeringen (kans op een overstroming beperkt), 2) een waterrobuuste ruimtelijke inrichting 3) een adequate crisisbeheersing. Binnen 2 en 3 worden de gevolgen beperkt, mocht een overstroming tóch plaatsvinden. De risicobeheersing richt zich op 2 met daarin een goede aansluiting op 3.
We verwachten langdurige inzet in de crisisfase. Er zal doorlopend gemeld en gealarmeerd worden, beleidsteams krijgen permanent karakter, doorlopend wordt bevolking op de hoogte gehouden. De uitvoerende diensten zijn doorlopend actief (ook evacuatie) en in samenwerking met veel partners en andere veiligheidsregio's. Hulpverlening vertraagt omdat gebied moeilijk / niet bereikbaar is. Mogelijk opkomende infectieziekten in het overstroomde gebied wat leidt tot grote inzet van RAV en GGDrU.
Pagina
44
Knelpunt
Dit scenario geeft een zware belasting op de crisisbeheersingsorganisatie, met impact qua continuïteit en schaarste. Er zal extra capaciteit aangetrokken moeten worden om dit langdurig voort te kunnen zetten. Ook moet er effectieve bovenregionale / nationale planvorming en coördinatie zijn voor het verplaatsen en opvang van mens (al dan niet met een bepaalde zorgvraag) en dier (o.a. vee).
Incidenttype
Natuurramp: Natuurbrand
Scenario's
Grote natuurbrand op de Utrechtse Heuvelrug
Natuurramp: Extreem Een groot evenement in weer (incl. evenementen- stad Utrecht in de zomer veiligheid) tijdens een hittegolf met in de middag wordt hevig onweer verwacht, met
Symbool capaciteitsprofiel
Elementen beoordeling scenario's
Knelpunt
Risicobeheersing
Crisisbeheersing
In de preventiefase wordt gewerkt aan bescherming van natuurgebieden door preventieve (gecontroleerde) natuurbrand.
In de dreigende fase wordt ingezet op (risico)communicatie en vroege detectie. In de acute fase wordt enkele dagen intensieve inzet gevraagd op alle elementen binnen de crisisbeheersing. Er wordt over meerdere weken inzet gevraagd van de crisiscapaciteit. Dit geldt ook voor de medische inzet. We verwachten langdurige inzet in de crisisfase. Er zal doorlopend gemeld en gealarmeerd, beleidsteams worden krijgen permanent karakter, doorlopend wordt bevolking op de hoogte gehouden. De hulpverleningsdiensten zijn doorlopend actief (ook evacuatie) en in samenwerking met veel partners en andere veiligheidsregio's. Crisisbeheersing: onderscheid in dreiging natuurbrand en de dreiging n.a.v. een natuurbrand. Dit maakt qua communicatie bijvoorbeeld uit. GHOR afhankelijk van aantal slachtoffers - inzet GGB. Evt. ambulance stand-by vanwege langdurige inzet brandweer
Door het veranderende klimaat waarin drogere en warmere periodes langer zullen aanhouden is het reëel dat er in de regio Utrecht een natuurbrand ontstaat die niet met de reguliere beschikbare middelen te bestrijden is.
Dit scenario vraagt in de advisering en in de inventarisatie van vitale en kwetsbare functies capaciteit van risicobeheersing.
In de dreigende fase wordt ingezet op (risico)communicatie en vroege detectie. In de acute fase wordt enkele dagen intensieve inzet gevraagd op alle elementen binnen de crisisbeheersing. Er wordt over
Warmte is een probleem met de oudere bevolkingsgroep
Pagina
45
Incidenttype
Scenario's
Symbool capaciteitsprofiel
Elementen beoordeling scenario's Risicobeheersing
Knelpunt
Crisisbeheersing
verhoogde kans op een windhoos of valwind.
meerdere weken inzet gevraagd van de crisiscapaciteit.
Cyberdreiging: Digitale ontwrichting
Een groep activisten schakelt op afstand schakelstations van netbeheerders uit, met een grootschalige stroomstoring als gevolg.
Doorlopende monitoring door risicobeheersing van de cyberveiligheid en gesprekken hierover met partners.
We verwachten inzet op alle elementen. Er zal doorlopend gemeld en gealarmeerd worden, bevolking dient op de hoogte te worden gehouden. Met name groot beroep op crisiscommunicatie en coördinerende capaciteiten (element 3 organisatie crisisbeheersing). De uitvoerende diensten zijn doorlopend actief en in samenwerking met veel partners en andere veiligheidsregio's.
Bedreigingen Gezondheid en Milieu: infectieziekten
Een influenza virus
Bij bestrijding van dit scenario wordt risicobeheersing ingezet ten behoeve beoordeling en controle van pop-up locaties (tijdelijke ziekenhuizen etc.). In de crisisfase zullen piketfunctionarissen van risicobeheersing worden ingezet bij de bestrijding. Risicobeheersing levert beleidsondersteunende werkzaamheden bij de geneeskundige hulpverlening.
In de crisisfase wordt met name inzet verwacht bij de organisatie van de crisisbeheersing, en de voorwaardenscheppende processen, met name wordt inzet gevraagd het samenstellen van een informatiedashboard. Ook wordt inzet gevraagd bij de uitvoerende diensten met name ter ondersteuning, bijvoorbeeld voor distributie van beschermingsmiddelen en aan test- en priklocaties, planvorming en inrichting. VRU biedt ondersteuning aan de GGDrU en ondersteunende activiteiten
Pagina
46
Personeelscapaciteit bij de GGD regio Utrecht: hoeveelheid werk en uitval eigen personeel en de coördinatiebehoefte vanuit de VRU.
Incidenttype
Scenario's
Symbool capaciteitsprofiel
Elementen beoordeling scenario's Risicobeheersing
Knelpunt
Crisisbeheersing worden o.a. door VRU uitgevoerd. Er kan ook nog steeds (naast de langdurige inzet) een dreiging van een pandemie zijn en/of een infectieziekte buiten de regio.
Bedreigingen gezondheid en milieu: voedselveiligheid en milieu
Regionaal milieu-incident: Lozing chemicaliën in het oppervlaktewater
In de acute fase wordt vanuit risicobeheersing ondersteuning geboden ten aanzien van de situatiegegevens, bijvoorbeeld als het een BRZO betreft.
In de crisisfase wordt name inzet gevraagd bij de crisiscommunicatie en organisatie van de crisisbeheersing. Het team Medische milieukunde van de GGDrU heeft een adviserende rol.
Zware ongevallen: stralingsongevallen
Er vindt een incident plaats in de kerncentrale van Doel (België).
In de acute fase wordt vanuit risicobeheersing ondersteuning geboden ten aanzien van de inventarisatie kwetsbare objecten in de regio.
In de crisisfase is met name inzet noodzakelijk in de crisiscommunicatie (o.b.v. de overheid en de GGDrU), organisatie van de crisisbeheersing en voorwaardenscheppende processen. Ten aanzien van de uitvoerende diensten wordt inzet gevaagd t.b.v. voorlichting voor first responders (brandweer, politie en geneeskundige hulpverlening). De VRU heeft een rol in de nooddistributie van de jodiumtabletten.
Zware ongevallen: chemische ongevallen
Het scenario ‘chemisch ongeval industrie’ waarbij een toxische wolk vrijkomt.
Vanuit risicobeheersing wordt inzet gevraagd bij het inventariseren van de locatie gegevens en kenmerken (BRZOkenmerken).
In de crisisfase is inzet noodzakelijk bij de voorwaardenscheppende processen, organisatie van de crisisbeheersing (inzet speciale teams), en crisiscommunicatie. Inzet van uitvoerende diensten, met name de inzet van speciale teams met bijzondere persoonlijke beschermingsmiddelen.
Pagina
47
Eenmalig zijn door het rijk jodiumtabletten verstrekt. Regionale planvorming voor nooddistributie van jodiumtabletten moet nog worden uitgewerkt.
Incidenttype
Zware ongevallen: transportongevallen
Scenario's
Symbool capaciteitsprofiel
Elementen beoordeling scenario's Risicobeheersing
Crisisbeheersing
Groot ongeval op de weg.
Vanuit risicobeheersing wordt geen directe inzet gevraagd.
In de crisisfase met name intensieve inzet van uitvoerende diensten, zoals inwerkingtreding van de Grootschalige Geneeskundige Bijstand, en de voorwaardenscheppende processen (informatiemanagement) en de crisiscommunicatie.
Gezamenlijk als weerbare vitale infrastructuur opgepakt: door een grootschalige langdurige stroomuitval, met keteneffecten, volgt grote impact op het dagelijks leven.
Vanuit risicobeheersing verwachten inzet bij verstoring vitale infrastructuur is inventarisatie vitale en kwetsbare objecten en voor een langere duur bij wederkerige vragen uit het veld. Risicobeheersing biedt met name beleidsmatige ondersteuning op basis van gegevens over vitale en kwetsbare objecten.
We verwachten langdurige inzet in de crisisfase. Er zal doorlopend gemeld en gealarmeerd, beleidsteams worden krijgen alleen permanent karakter, doorlopend wordt bevolking op de hoogte gehouden. De uitvoerende diensten zijn doorlopend actief (ook evacuatie) en in samenwerking met veel partners en andere veiligheidsregio's.
Door maatschappelijke onrust in de samenleving ontstaan protesten tegen overheidsbeleid en keren zich tegen hulpverleners.
Vanuit risicobeheersing wordt ondersteuning geleverd in het aanleveren van informatie over vitale en kwetsbare objecten.
In de crisisfase wordt met name inzet gevraagd van de processen van de uitvoerende diensten en afstemming met het OOV-domein (gemeente, politie). Ook wordt inzet gevraagd van de voorwaardenscheppende processen, met name in het gezamenlijk kunnen optrekken
VERSTORING VITALE INFRASTRUCTUUR Verstoring vitale infrastructuur: energievoorziening Drinkwatervoorziening ICT & telecommunicatie (incl. klimaatverandering en cyberdreiging)
Ondermijning, incl. desen misinformatie
Pagina
48
Knelpunt
Incidenttype
Scenario's
Symbool capaciteitsprofiel
Elementen beoordeling scenario's Risicobeheersing
Knelpunt
Crisisbeheersing van politie vs. brandweer, en politie vs. geneeskundige hulpverlening.
Grof-en extreem geweld
Bomaanslag Stationsgebied Utrecht.
Vanuit risicobeheersing wordt mogelijk ondersteuning geleverd met informatie over de aanwezige voorzieningen binnen het aanslaggebied.
In de crisisfase wordt met name inzet gevraagd bij de uitvoerende diensten en organisatie van de crisisbeheersing, zoals de inzet van de Grootschalige Geneeskundige Bijstand. Daarnaast is inzet van crisis communicatie van belang en voorwaarden scheppende processen, over binnengekomen informatie en verificatie van informatie.
Brand: gebouwbranden
Branden in woningen en woongebouwen, bijeenkomst-, cel-, zorg-, industrie-, logies-, kantoor, onderwijs-, winkel- en overige gebouwen
Vanuit risicobeheersing wordt mogelijk aanvullende informatie aangeleverd t.b.v. van de crisisfase.
Inzet bij uitvoerende diensten, met name brandweer en politie en de mogelijke inzet van de Grootschalige Geneeskundige Bijstand. Mogelijk wordt inzet gevraagd van crisiscommunicatie.
Brand: buitenbranden (excl. natuurbrand)
Brandend afval / bermen / container/ industrie
Vanuit risicobeheersing wordt mogelijk aanvullende informatie aangeleverd t.b.v. van de crisisfase.
In de crisisfase wordt inzet gevraagd van de hulpverleningsdiensten, primair brandweer.
Pagina
49
Door extramuralisatie wordt vaker een beroep gedaan op redvoertuigen
Incidenttype
Brand: nieuwe brandscenario’s energietransitie
Scenario's
Buurtbatterij-brand
Symbool capaciteitsprofiel
Elementen beoordeling scenario's Risicobeheersing
Crisisbeheersing
Vanuit risicobeheersing wordt mogelijke betrokkenheid gevraagd met informatie over nieuwe brandscenario's inzake mogelijke bestrijdbaarheid, plannen en procedures.
In de crisisfase wordt inzet gevraagd van de hulpverleningsdiensten, primair brandweer en inzet van het team Medische milieukunde van GGDrU. Mogelijk inzet van crisiscommunicatie, aangezien de bestrijdbaarheid langer kan duren dan een standaard brand.
Pagina
50
Knelpunt
Aanvullende expertise is nodig.
Sommering capaciteitsprofielen over alle incidenttypen Scenario's (o.b.v. RRP 2019 en NVP 2016)
Capaciteitsprofielen Flitsramp
Voorzienbare, dreigende en/of sluimerende crisis
1 Overstromingen 2 Natuurbrand
X X
X
3 Extreem weer (incl. evenementenveiligheid) 4 Digitale ontwrichting
X
X
X
X
5
X
Infectieziekten
X
X
6 Voedselveiligheid en milieu 7 Stralingsongevallen
X
8 Chemische ongevallen 9 Transportongevallen
X
X
X
X
10 Disruptie energievoorziening 11 Ondermijning, incl. des-en misinformatie
X X
12 Grof-en extreem geweld 13 Gebouwbranden
X
14 Buitenbranden (excl. natuurbrand) 15 Nieuwe brandscenario’s energietransitie
X
Totaal
Langdurige crisis
X
X
X 12
4
Pagina
51
6
Overzicht Sommering Capaciteitsprofielen Langdurige crisis
Voorzienbare, dreigende en/of sluimerende crisis
Flitsramp
0
5
10
15
Pagina
52
Bijlage 4: Literatuurlijst Alle hyperlinks zijn voor het laatst geraadpleegd in mei 2022. Analistennetwerk Nationale Veiligheid. 2016. Nationaal Veiligheidsprofiel 2016. Bilthoven: RIVM. https://www.rivm.nl/documenten/nationaal-veiligheidsprofiel-2016. ———. 2019. Verkenning risico’s van de energietransitie voor de nationale veiligheid. Bilthoven: RIVM. https://www.rivm.nl/sites/default/files/201910/Verkenning%20risicos%20energietransitie%202019.pdf. ———. 2020a. Artificial Intelligence in de context van de nationale veiligheid – Eindnotitie. https://www.rivm.nl/sites/default/files/202010/AI%20in%20de%20context%20van%20nationale%20veiligheid_1.pdf. ———. 2020b. Horizonscan Nationale Veiligheid 2020. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. https://www.rivm.nl/sites/default/files/201910/Verkenning%20risicos%20energietransitie%202019.pdf. ———. 2021. Themastudie georganiseerde criminaliteit. Ondermijning van de democratische rechtstaat en andere verbindingen met de nationale veiligheid. Bilthoven: RIVM. https://www.rivm.nl/sites/default/files/202105/Themastudie%20Georganiseerde%20Criminaliteit.pdf. Bakker, Marije, Merel Ruiter, Bart Koopmans, en Menno van Duin. 2018. Verminderd zelfredzamen ten tijde van rampen en crises: de overheid een zorg? Arnhem: Instituut Fysieke Veiligheid. Brandweer Nederland. “Toolbox Gebiedsgerichte aanpak Natuurbrandbeheersing”.