Bijlage A - Ontwerp-regionaal risicoprofiel VRU 2023
Tekst van het document
Ontwerp Regionaal Risicoprofiel 2023 Veiligheid in samenspel
Pagina
1
Colofon
Dit document omvat het Regionaal Risicoprofiel van de Veiligheidsregio Utrecht Organisatie Veiligheidsregio Utrecht www.vru.nl Vastgesteld door het Algemeen Bestuur op: 4 juli 2022 Status: ontwerp-RRP 2023
Pagina
2
1 Bestuurlijke samenvatting RRP 2023 Op basis van de Wet veiligheidsregio’s stelt de Veiligheidsregio Utrecht (VRU) iedere vier jaar een regionaal risicoprofiel (RRP) vast. Het RRP geeft een overzicht van de veiligheidsrisico’s binnen de VRU die tot een brand, ramp of crisis kunnen leiden en geeft een inschatting van de gevolgen van deze risico’s voor de hulpverlening. Centraal in dit RRP 2023 staan de veranderingen in de geïdentificeerde risico’s uit 2019, waarbij rekening is gehouden met de risico’s die voortkomen uit recentere ontwikkelingen in de samenleving. 1 In samenhang met het Actueel risicobeeld (actueel beeld) op basis van databronnen biedt het RRP een overzicht van de actuele veiligheidssituatie en de mogelijke ontwikkelingen hierin. Het RRP wordt daardoor een handvat voor het bespreekbaar maken van de risico’s (en de mogelijkheden tot bestrijding daarvan). Het richt zit tot de VRU-organisatie, de veiligheidspartners en de burgers, maar ook tot de gemeentebesturen en gemeenteraden. Dit RRP bouwt voort op het RRP uit 2019. Dat document was gebaseerd op het Nationaal Veiligheidsprofiel uit 2016 (NVP), de regionale doorwerking van het NVP en de inventarisatie van een aantal risicofocusgebieden binnen de VRU.
De kernboodschap In steeds meer scenario’s wordt een beroep op de veiligheidsregio gedaan. Dat vraagt om flexibele en veerkrachtige crisisorganisatie en een veerkrachtige samenleving. De klassieke flitsramp kan zich nog steeds voordoen, maar daarnaast is de verwachting dat er meer en meer sprake zal zijn van langdurige crisis met een langere aanloopperiode, of van een creeping crisis (een voorzienbare, dreigende en/of sluimerende crisis). Net als in het RRP uit 2019 vormen natuurbrand en overstromingen de grotere veiligheidsrisico’s. Daarnaast zullen de volgende ontwikkelingen in de komende jaren belangrijker worden voor het risicobeeld: Onder invloed van klimaatverandering worden weersomstandigheden extremer en minder voorspelbaar. Daardoor wordt een groter beroep gedaan op de flexibiliteit van de hulpverleningsorganisatie. De noodzaak tot beperking van de gevolgen zal kunnen doorwerken in ruimtelijke beslissingen; De energietransitie leidt tot de introductie van nieuwe energiebronnen en -dragers. Deze zullen nieuwe risico’s veroorzaken. Hoe groot die risico’s zijn is nog niet bekend en de risicobeheersing is op dit gebied nog sterk in ontwikkeling.
Ook hier zullen ruimtelijke beslissingen relevant zijn voor de gevolgbeperking; Als gevolg van extramuralisatie en vergrijzing zullen steeds meer mensen – en niet alleen ouderen – aangewezen zijn op bijzondere voorzieningen of zorg in hun eigen woning. Het Bouwbesluit stelt aan woningen lagere eisen dan aan zorggebouwen. Tijdens een crisis zullen dus steeds vaker mensen verminderd zelfredzaam zijn als het gaat om zichzelf in veiligheid brengen. Tot slot zal de verdergaande digitalisering kunnen leiden tot meer digitale verstoringen, met maatschappelijke ontwrichting als mogelijk gevolg.
Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft de grondslagen en doelstellingen van dit RRP. De verantwoording van de methodiek is opgenomen in hoofdstuk 3. Daarna volgen de relevante ontwikkelingen in de samenleving in relatie tot veiligheid (hoofdstuk 4) en de risicothema’s (hoofdstuk 5Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.). Hoofdstuk 6, de capaciteitenanalyse, gaat in op de mate waarin de VRU en partners in staat zijn met de eventuele gevolgen van risico’s om te gaan. Hoofdstuk 7 schetst de risicofocusgebieden geografische gebieden met een risico’s van boven lokale impact aan de hand van een risicoprofiel, weerbaarheidsprofiel en capaciteitenanalyse.
1
Regionaal Risicoprofiel, VRU, 27 maart 2019.
Pagina
3
Inhoudsopgave 1
Bestuurlijke samenvatting RRP 2023 De kernboodschap Leeswijzer
3 3 3
2
Positie regionaal risicoprofiel Wet Veiligheidsregio’s Basis voor beleidsplan, crisisplan en dekkingsplan
6 6 6
3
Totstandkoming Risicoprofiel 2023 Inleiding Voortbouwen op RRP 2019 Nieuwe inzichten in risico’s, invoering Omgevingswet Risicogerichtheid Beleidsontwikkelingen Capaciteitenanalyse
7 7 7 7 8 9 9
4
Veranderingen in de fysieke en sociale leefomgeving Klimaatverandering Energietransitie Verminderde zelfredzaamheid door vergrijzing en extramuralisatie Cyberveiligheid, digitale afhankelijkheid Maatschappelijke onrust Creeping crisis en langdurige crisis
10 10 13 16 18 19 20
5
Risicothema’s Natuurrampen Bedreigingen gezondheid en milieu Zware ongevallen, waaronder transportongevallen Verstoring vitale infrastructuur Ondermijning, grof en extreem geweld
21 21 22 23 24 25
6
Capaciteitenanalyse Inleiding Opzet capaciteitenanalyse Resultaten capaciteitenanalyse Conclusies
26 26 26 27 29
7
Risicofocusgebieden Transport van gevaarlijke stoffen over de grote vaarwegen Stationsgebied Utrecht Utrecht Sciencepark Utrecht Science Park Bilthoven Utrechtse Heuvelrug
31 31 32 33 33 34
Bijlage 1: Samenvatting Nationaal veiligheidsprofiel 2016 Natuurrampen
36 36
Pagina
4
Bedreigingen gezondheid en milieu Zware ongevallen Verstoring vitale infrastructuur Ondermijning, grof en extreem geweld
37 39 40 42
Bijlage 2: Risicomatrix VRU 2019-2022
43
Bijlage 3: Gedetailleerde capaciteitenanalyse
44
Bijlage 4: Literatuurlijst
53
Lijst van tabellen en figuren Tabel 1: Overzicht knelpunten capaciteitenanalyse ....................................................................... 29 Figuur 1: Positie risicobeheersing (IFV 2019) .................................................................................... 6 Figuur 2: Procesmodel datagedreven beeldvorming over risico's .................................................... 9 Figuur 3: Samenvatting klimaatrisico's ........................................................................................... 11 Figuur 4: Natuurbrandrisico's in de Utrechtse Heuvelrug op hoofdlijnen ...................................... 13 Figuur 5: Samenvatting risico's energietransitie ............................................................................. 14 Figuur 6: Bevolkingsontwikkeling VRU 2020 – 2050 (CBS, 2019) .................................................... 17 Figuur 7: Typologie van verminderd zelfredzamen (IFV, 2018) ...................................................... 18 Figuur 8: Het cyberkwadrant (Instituut Fysieke Veiligheid 2019) ................................................... 19 Figuur 9: Risicodiagram met de veiligheidsthema’s uit het NVP 2016 ............................................ 21 Figuur 10: Capaciteitsprofielen voor de Hulpverleningsorganisatie ...............................................
27 Figuur 11: Verdeling van de capaciteitsprofielen over de scenario’s .............................................. 28 Figuur 12: Risicodiagram NVP (aangepast) ..................................................................................... 36
Pagina
5
2 Positie regionaal risicoprofiel Wet veiligheidsregio’s Op basis van de Wet veiligheidsregio’s stelt de VRU eens in de vier jaar een regionaal risicoprofiel (RRP) vast.2 Volgens artikel 15, lid 2 a-c bestaat een risicoprofiel uit: 1. een overzicht van de risicovolle situaties binnen de veiligheidsregio die tot een brand, ramp of crisis kunnen leiden, 2. een overzicht van de soorten branden, rampen en crises die zich in de veiligheidsregio kunnen voordoen, en 3. een analyse waarin de weging en inschatting van de gevolgen van de soorten branden, rampen en crises zijn opgenomen.
Basis voor beleidsplan, crisisplan en dekkingsplan Het regionaal risicoprofiel schetst de aanwezige en mogelijk toekomstige risico’s op hoofdlijnen aan de hand van een aantal kenmerken waaronder kans en effect. Op basis hiervan maakt de veiligheidsregio een beoordeling over de omgang met deze aanwezige en mogelijk toekomstige risico’s. Dit gaat op twee manieren: Door risicobeheersing. Dit is het verkleinen van de kans dat een risico daadwerkelijk uitmondt in een incident of crisis. Door crisisbeheersing. Dit gaat dan over het verkleinen van gevolgen. Voor deze fase heeft de veiligheidsregio zowel een crisis- als een dekkingsplan. In samenhang gaan deze over het verkleinen van gevolgen en nazorg, de eerste stap in herstel. Figuur 1 illustreert deze werkwijze.
Figuur 1: Positie risicobeheersing (IFV 2019)
2
Wet Veiligheidsregio’s, Stb. 2010, 145, laatstelijk gewijzigd Stb. 2021, 375.
Pagina
6
3 Totstandkoming Risicoprofiel 2023 Inleiding Dit RRP bouwt voort op het RRP uit 2019. In het huidige profiel zijn de volgende aanvullingen verwerkt: 1. Veranderingen in de fysieke en sociale omgeving. 2. Nieuwe inzichten en opvattingen over kansen, effecten en de te beschermen belangen. 3. Nieuwe methoden voor het beschrijven en monitoren van risico’s. 4. Beleidsontwikkelingen van de VRU. Dit heeft geleid tot de volgende methodiek voor het voorliggende document.
Voortbouwen op RRP 2019 Het risicobeeld dat is beschreven in 2019 was gebaseerd op: 1. Toepassing van het Nationaal Veiligheidsprofiel 2016 op het verzorgingsgebied van de VRU. 2. Afstemming over relevantie van het Nationaal Veiligheidsprofiel met de betrokken stakeholders conform het protocol “Dynamisch Risicoprofiel” (bijlage 3 bij het RRP 2019). 3. Een overzicht van de risicovolle en kwetsbare objecten in het verzorgingsgebied. 4. Benoeming van risicofocusgebieden. Het lokaal risicobeeld (onderdelen 3 en 4) is in 2019 per gemeente op digitale kaarten in beeld gebracht op CrisisUtrecht.nl.
Nieuwe inzichten in risico’s, invoering Omgevingswet In de komende jaren zullen de fysieke en sociale omgeving, in Nederland en binnen het verzorgingsgebied van de VRU, veranderen. Daardoor zullen ook de risico’s kunnen gaan veranderen. Deze ontwikkelingen zijn niet nieuw. Wel geeft dit aanleiding om de impact van sommige ontwikkelingen opnieuw te wegen. Dit is bijvoorbeeld te zien bij de versnelling van klimaatverandering. Dit RRP benoemt ontwikkelingen die voor de crisisbeheersing door de VRU en partners relevant kunnen zijn. Deze ontwikkelingen worden beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt een beschrijving gegeven van relevante risicothema’s voor de regio. Eind 2022 verwacht het RIVM een nieuw Nationaal Veiligheidsprofiel (NVP) te publiceren, inclusief scenariobeschrijving van risico’s. Dit is de opvolger van het NVP 2016. Tussentijds zijn er themastudies verricht en gepubliceerd door het Analistennetwerk nationale veiligheid. Deze kennis wordt meegenomen in dit risicoprofiel. Omgevingswet Op 1 januari 2023 zal volgens de huidige planning de Omgevingswet in werking treden. Met de Omgevingswet streeft de Rijksoverheid naar een balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. Daarbij staan veiligheid en gezondheid centraal.
De thema’s en risico’s die worden behandeld in dit RRP houden veelal verband met (ontwikkelingen in) de fysieke leefomgeving. Het is van belang om deze mee te wegen in beoordeling van initiatieven en ontwikkelingen en daarbij de VRU vroegtijdig in het proces als partner en adviseur te betrekken. Het borgen van veiligheid in de omgevingsvisie en het omgevingsplan helpt bij het beheersen van risico’s en maakt het makkelijker om deze in trajecten voor omgevingsvergunningen mee te nemen. Ten aanzien van fysieke leefomgeving heeft de VRU een vijftal ontwerpprincipes voor veiligheid ontwikkeld. Omgevingsplannen en –visies kunnen hieraan planregels en eventuele omgevingswaarden koppelen. In de ontwerpprincipes is een volgorde aangebracht van het voorkomen van risico’s tot de daadwerkelijke hulpverlening bij crises: 1. Voorkomen of beperken van risico’s vergroot de veiligheid. 2. Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid.
Pagina
7
3. 4. 5.
Bouwwerken en omgeving bieden bescherming. Bouwwerken en gebieden zijn veilig te verlaten. De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk.
Risicogerichtheid Voor het risicogericht uitvoeren van de risicobeheersingstaak wordt gezocht naar nieuwe manieren van selecteren van risico-objecten. Sinds 2019 heeft de VRU daarin de volgende ontwikkelingen in gang gezet. Ontwikkeling naar risicogericht werken De doelstelling van risicogericht werken is de beschikbare capaciteit inzetten daar waar de grootste veiligheidswinst te bereiken is. Daarom werkt de VRU samen met de partners aan hoe de aandacht voor de activiteiten aan de voorkant (advisering en voorlichting) en later (toezicht) in veiligheidsketen het beste kan worden verdeeld. Ontwikkeling informatie en data gestuurd werken Steeds meer gegevens over de fysieke en sociale omgeving komen in digitale vorm beschikbaar. Digitale gegevens vormen steeds vaker een belangrijke bron die inzicht geeft in de risico’s of het veiligheidsniveau in de regio en de veranderingen daarin. De analyse op risicothema’s wordt daardoor uitgebreid met een analyse op deze data, zodat een actueel risicobeeld en het verloop van risico’s beter zichtbaar worden. Op zoek naar kwantitatieve methoden van beeldvorming over risico’s Binnen de veiligheidsregio is een methode ontwikkeld voor beeldvorming over risico’s met data. Deze gaat uit van methoden die in de veiligheidskunde gebruikelijk zijn.
Door de methode te beschrijven wordt ze geschikt voor herhaalde toepassing in bijvoorbeeld het kwantificeren van risico’s in risicofocusgebieden en evaluatie. Het procesmodel is weergegeven in Figuur 2. Tot nu heeft de VRU voornamelijk kwalitatieve methoden toegepast bij inventarisaties, beschrijvingen en analyses van risico’s. Kwalitatieve methoden blijven beperkt tot het vergelijken van risico’s in termen als “groter dan”, “sneller dan”, enzovoorts, maar de validiteit en betrouwbaarheid van dergelijke vergelijkingen is niet eenvoudig toetsbaar. Een kwalitatieve benadering blijft is zinvol als kwantitatieve methoden nog niet beschikbaar of niet mogelijk zijn. Kwantitatieve methoden worden tot nu toe vooral gebruikt bij de risicobepaling van gevaarlijke stoffen; uitbreiding naar andere risico’s komt in vergelijking daarmee nog weinig voor. Door het verzamelen en analyseren van data zal het steeds vaker mogelijk worden om risico’s kwantitatief te beschrijven. Dit leidt tot nieuwe mogelijkheden: 1. definiëren van kwantitatieve en meetbare grootheden; 2. bepalen van deze grootheden met de juiste methoden; 3. onderzoeken van verbanden tussen grootheden; 4. onderzoeken van trends; 5. ontwerpen van verifieerbare modellen met voorspellende waarde; 6. ontwerpen van visualisaties.
Pagina
8
Figuur 2: Procesmodel datagedreven beeldvorming over risico's
Beleidsontwikkelingen De VRU heeft zich toegelegd op de volgende aspecten van de risico’s in het verzorgingsgebied: 1. Risicogericht uitvoering geven aan proactieve en preventieve taken. 2. Door ontwikkelen van datagedreven werken, onder meer door datagedreven beeldvorming over risico’s; Het Lokaal risicobeeld (overzicht kwetsbare objecten per gemeente) is de basis voor een actueel risicobeeld. Dit staat ter beschikking van de operationele organisatie ten behoeve van de incidentbestrijding en crisisbeheersing. Dit actueel risicobeeld per gemeente is online beschikbaar en bevat als basis een update van de informatie uit het lokaal risicobeeld van 2019. Aanvulling op de basis kan zowel geografisch als in de vorm van een dashboard. Dit is een toepassing van datagedreven beeldvorming en analysemogelijkheid.
Capaciteitenanalyse De capaciteitenanalyse bestaat uit een inschatting van: 1. de effecten van de geïdentificeerde risico’s; 2. de vereiste respons en bestrijding van deze effecten door de hulpverleningsorganisatie. Deze analyse heeft in drie stappen plaatsgevonden. 1. In de eerste stap heeft een groep vakinhoudelijk experts beoordeeld welke veranderingen zich hebben voorgedaan in het risicobeeld (zie ook paragraaf 3.2). 2. In de tweede stap zijn scenario’s gebouwd behorend bij de risicothema’s zoals omschreven in de hoofdstukken 4 en 5 van dit RRP. 3. In de derde stap is beoordeeld in hoeverre de hulpverleningsorganisaties deze scenario’s kunnen bestrijden en wat hierin de mogelijke aandachtspunten zijn.
Pagina
9
4 Veranderingen in de fysieke en sociale leefomgeving Het Analistennetwerk Nationale Veiligheid (ANV) heeft de ontwikkelingen zoals die de afgelopen jaren in het (wereld)nieuws zijn geweest, beschreven en uitgewerkt in een reeks publicaties.3 De thema’s met relevantie voor de Veiligheidsregio Utrecht zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Daarbij wordt per thema toegelicht geduid wat voor dit Regionaal Risicoprofiel van belang is. Achtereenvolgens komen aan de orde: klimaatverandering, de energietransitie, vergrijzing en extramuralisatie, cyberveiligheid, maatschappelijke onrust en creeping crises.
Klimaatverandering Het klimaat verandert – ook in Nederland. Dat is steeds vaker merkbaar. De regio heeft bijvoorbeeld steeds vaker te maken met hitte en minder vaak met strenge vorst. Extreem weer is niet meer uniek of zeldzaam. Figuur 3 geeft een grafische samenvatting van de risico-ontwikkeling. Het KNMI geeft in het Klimaatsignaal’21 aan hoe het klimaat is veranderd en waar de samenleving in de toekomst rekening mee moet houden.4 In 2023 komt het KNMI het haar nieuwe klimaatscenario’s. De relevante hoofdlijnen voor de regio Utrecht zijn: de kans op hoogwater op de rivier neemt toe in de winter, in de zomer neemt de kans op laagwater toe de kans op droogte in het voorjaar en in de zomer nemen toe de kans op aanhoudende extreme weersituaties zoals langdurige droogte, natte, warme of koude periodes wordt mogelijk groter de buien worden extremer, en bij de zwaarste buien kunnen meer valwinden ontstaan steden worden warmer, extreme neerslag én droogte vormen een steeds grotere uitdaging voor de stad In de Nationale Adaptatie Strategie (NAS) is een overzicht uitgewerkt van de belangrijkste klimaatrisico’s.5 De directe effecten en de indirecte gevolgen van klimaatverandering zijn verwoord in vier algemene trends: 1. Het wordt warmer 2. Het wordt natter 3. Het wordt droger 4. De zeespiegel stijgt Twee van deze trends lijken tegenstrijdig: natter én droger.
Dit komt doordat de extremen toenemen en daardoor beide trends van toepassing zijn. Alle vier de trends hebben impact op de maatschappij en op de hulpverlening. De betekenis van deze trends voor de VRU en de multidisciplinaire partners wordt hieronder toegelicht.6
3
https://www.rivm.nl/onderwerpen/nationale-veiligheid
4 https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/achtergrond/knmi-klimaatsignaal-21 5 https://klimaatadaptatienederland.nl/overheden/nas/ 6 Bart van den Hurk, Peter Siegmund, en Albert Klein Tank, “KNMI’14: Climate Change scenarios for the 21st
Century – A Netherlands perspective”, KNMI scientific report (De Bilt: KNMI, 2014).
Pagina
10
Figuur 3: Samenvatting klimaatrisico's
4.1.1.
Het wordt warmer
Sinds 1901 is de temperatuur in deze regio gestegen met 2°C, in lijn met de opwarming van West-Europa. Het aantal zomerse dagen (dagen van 25°C of warmer) zal naar verwachting toenemen van gemiddeld 26 dagen per jaar nu naar circa 30 – 50 dagen jaar in 2050. Het aantal gemiddelde tropische dagen (30°C of hoger) per jaar neemt toe van 3-6 dagen nu naar mogelijk 9-15 dagen in 2050.7 Tijdens hittegolven is de vraag naar water groot. Daarnaast komen in de vraag hoge pieken voor. Daardoor kan de drinkwatervoorziening onder druk komen te staan. Als door hitte beweegbare wegdelen niet meer functioneren kan de bereikbaarheid van locaties voor de hulpdiensten daaronder lijden. Hittegolven zorgen voor een toename van het aantal overlijdens, met name onder ouderen. Dit risico neemt niet alleen toe door het vaker voorkomen van hittegolven, maar ook door het langer aanhouden ervan. Extramuralisatie kan dit effect nog versterken. Hittegolven gaan samen met het risico op hittestuwing onder andere bij repressief personeel en bij bewoners in stedelijk gebied.
4.1.2.
Het wordt natter
Sinds 1906 is de gemiddelde jaarlijkse neerslag met 30% toegenomen. Zware buien komen vaker voor en zijn heviger geworden. Dit effect van klimaatverandering zal de komende jaren verder toenemen. Hevige regenval veroorzaakt wateroverlast. Zware buien kunnen ook gepaard gaan met windstoten en valwinden. De valwind in Leersum in de zomer van 2021 is daar een voorbeeld van: deze leidde tot omgewaaide en ontwortelde bomen en beschadigde gebouwen. Dergelijke weersomstandigheden kunnen van invloed zijn op de bereikbaarheid van incidentlocaties voor de hulpverleningsdiensten, wat een snelle hulpverlening in de weg kan staan. Extreem zware buien of extreme windstoten zijn doorgaans lokaal van aard. Met name plotselinge zware buien en valwinden kunnen bereikbaarheid van incidentlocaties voor de hulpverleningsdiensten beperken, wat snelle hulpverlening in de weg kan staan. Scenario’s die bij extreem weer kunnen optreden zijn: zeer zware storm (overstroming van de Randmeren en stroomuitval door het omwaaien van elektriciteitsmasten) en de combinatie van wind en ijzel
7
https://klimaatadaptatienederland.nl/overheden/nas/
Pagina
11
(stroomuitval doordat de beijzelde draden van het hoogspanningsnet onder het gewicht van het ijs bezwijken). Overstroming vanuit rivieren Naast de directe impact van neerslag neemt het risico van overstroming vanuit de rivieren toe, bijvoorbeeld na hevige regenval in Duitsland en Zwitserland. Hoogwater zal steeds vaker gaan voorkomen. Scenario’s met een afvoer als in ’93 en ’95 komen vanaf 2050 niet meer eens in de 100 jaar voor, maar eens in de 30 jaar. De frequentie van sommige extreme scenario’s zal zijn toegenomen tot eens in de 10 jaar in 2085. De waterbeheerders versterken de keringen, daarmee wordt tot 2050 geen invloed op de crisisvoorbereiding van de veiligheidsregio verwacht.
4.1.3.
Het wordt droger
De kans op droogte in het voorjaar en de zomer nemen toe (KNMI Klimaatsignaal ’21). Daarnaast nemen extremen toe en daarmee ook perioden van extremere droogte. De zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug zijn extra gevoelig voor droogte omdat dit bodemtype regenwater slechts beperkt vasthoudt. Daarnaast heeft met name het veenweidegebied te maken met bodemdaling door inklinkend veen. Bij een droger wordend klimaat kan de bluswatervoorziening onder druk komen te staan doordat bijvoorbeeld open water minder beschikbaar is. Ook kunnen veendijken door uitdroging bezwijken met een lokale overstroming tot gevolg. Veendijken komen voor in het noordwestelijk deel van de Veiligheidsregio. Natuurbrand Een ander belangrijk risico dat toeneemt bij een droger klimaat is het risico op natuurbrand. In de ‘Horizonscan Nationale Veiligheid 2020’ stelt het Analistennetwerk Nationale Veiligheid dat hitte en droogte belangrijke factoren zijn achter natuurbranden en dat daardoor de kans op het ontstaan van natuurbrand toeneemt, ook in de regio Utrecht.8 De afgelopen jaren heeft Nederland, net als de buurlanden, meerdere voorbeelden gezien van natuurbrand in een droge periode. In voorgaande jaren bleven deze branden eerder veelal beperkt in omvang en qua bestrijdingsduur beperkt tot 1 à 2 dagen. In de afgelopen paar jaar kwamen echter steeds vaker grotere branden voor.
Deze zijn moeilijker te bestrijden en krijgen mede daardoor een meer langdurig karakter. Dit is te verklaren doordat droge perioden langer aanhouden in combinatie met zeer hoge temperaturen en lage luchtvochtigheid: het uitdrogingsproces houdt langer aan. Dit resulteert in biomassa die vatbaarder wordt voor brand. In ongunstige omstandigheden is het reëel dat er in de regio Utrecht een natuurbrand ontstaat die niet met de reguliere beschikbare middelen is te bestrijden. Een schematisch overzicht van de risico’s is weergegeven in Figuur 4. De regio kent een aantal natuurgebieden, waaronder de Utrechtse Heuvelrug. Deze natuurgebieden zijn gevoelig voor droogte, vooral in het vroege voorjaar als er nog geen bladeren aan bomen zitten. In deze natuurgebieden bevindt zich een groot aantal zorginstellingen en recreatiegebieden. Dit brengt bij natuurbrand een verhoogd risico met zich mee. Bewoners van instellingen zijn minder zelfredzaam; recreanten kunnen in grote getalen aanwezig zijn. Het intensieve gebruik van het gebied Utrechtse Heuvelrug voor recreatie, de aanwezigheid van de vele zorglocaties en vitale infrastructuur (ontsluiting van het gebied) kan leiden tot omstandigheden die het gebied kunnen ontwrichten. Het mogelijke verlies van cultureel erfgoed in het gebied heeft ook impact. Hier vindt dus stapeling van risico’s plaats.
De voorbereiding op deze in de toekomst toenemende droogte is van belang voor het gehele verzorgingsgebied van de VRU. De natuurgebieden (veenweidegebied en Utrechtse Heuvelrug) verdienen daarbij extra aandacht, omdat er ook natuur- en ecologische waarden van het gebied in het geding zijn. Dit vergt een inspanning van alle stakeholders, niet alleen in de natuurgebieden maar ook in de landelijke en 8
https://www.rivm.nl/documenten/horizonscan-nationale-veiligheid-2020
Pagina
12
stedelijke omgeving. De gezamenlijke inspanningen moeten worden gericht op het in balans brengen en houden van de driehoek natuurwaarden, gebruik van het gebied en veiligheid.
Figuur 4: Natuurbrandrisico's in de Utrechtse Heuvelrug op hoofdlijnen
4.1.4.
De zeespiegel stijgt
De zeespiegel kan in 2100 met 1,2 tot 2 m gestegen zijn (klimaatsignaal KNMI ’21). Deze schatting is naar boven bijgesteld ten opzichte van de klimaatscenario’s uit 2014. De zeespiegelstijging is van invloed op de waterstand in de rivieren. De waterbeheerders versterken de keringen, daarmee wordt tot 2050 geen invloed op de crisisvoorbereiding van de veiligheidsregio verwacht. Nationaal gezien geldt het zee-scenario als worst case en een rivieroverstroming bij Lopik als maatgevend. Voor de Veiligheidsregio Utrecht is ondanks de aangekondigde zeespiegelstijging een meervoudige doorbraak van een rivierdijk de worst case en een enkelvoudige dijkdoorbraak van de Lekdijk bij Amerongen maatgevend. Overstromingen vormen evenwel een risico voor alle Utrechtse gemeenten. Ten aanzien van het scenariooverstroming vanuit zee geldt dat de gevolgen van een overstroming uit zee in de provincie Utrecht kleiner zijn dan in de kustgebieden. In geval van een overstroming vanuit zee krijgt de regio wel te maken met de doorvoer van evacuatieverkeer vanuit de kustgebieden.
Energietransitie Het klimaatakkoord 2018 verwoordt het nationale streven naar een reductie van de CO2-uitstoot in Nederland met 49% in 2030 en het gebruik van 100% hernieuwbare energie in 2050.9 Om dit doel te verwezenlijken is een transitie naar (meer) duurzame bronnen van energie essentieel (Ministerie van Economische Zaken 2016).10 De duurzamere bronnen zijn: biomassa, windenergie, zonne-energie, aardwarmte en
9 https://www.klimaatakkoord.nl/klimaatakkoord 10
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2016/12/07/ea
Pagina
13
geothermie.
Ook voor verkeer en transport wordt gezocht naar nieuwe brandstoffen of alternatieven voor verbrandingsmotoren, zoals hybride motoren of volledig elektrisch of waterstof aangedreven voer/vaartuigen. Deze grootschalige transitie zal gevolgen hebben voor de inrichting van de (leef)omgeving. Omdat het gaat om nieuwe technieken is nog niet (altijd) duidelijk wat de gevolgen zullen zijn voor de (fysieke) veiligheid. Nieuwe energiebronnen en -dragers kunnen 'nieuwe' veiligheidsrisico’s met zich meebrengen. Een overzicht van de risico’s is weergegeven in Figuur 5. Toch is veiligheid, naast betrouwbaarheid en betaalbaarheid, een voorwaarde voor het ontwikkelen van nieuwe energieprojecten (Energieagenda, 2016). De veiligheidsregio duidt de risico’s die de nieuwe energiebronnen en –dragers met zich mee brengen. Deze risico’s worden vertaald naar arbeidsveiligheid van medewerkers van de veiligheidsregio en naar adviezen over een veilige transitie in de samenleving. De relevante hoofdlijnen voor de regio Utrecht zijn: Verwachte veranderingen in risico’s: o Er zijn nieuwe vormen van energieopwekking en opslag o De opwekking en opslag energie vinden zowel centraal als decentraal plaats o Dit leidt tot nieuwe brandscenario’s o Kansen en effecten van deze nieuwe risico’s zijn (deels) nog niet bekend.
Deze risico’s beïnvloeden de continuïteit van de hulpverlening op de volgende wijzen: o Vaker optreden van niet-bestrijdbare incidenten o Extra arbeidsveiligheidsrisico’s voor de hulpverleners.
Figuur 5: Samenvatting risico's energietransitie
4.2.1.
Nieuwe vormen van energieopwekking en opslag
De 26 gemeenten binnen de veiligheidsregio Utrecht maken onderdeel uit van één van de drie RES-regio’s (RES staat voor: Regionale Energiestrategie): U16, regio Amersfoort of regio Foodvalley.
Pagina
14
De verschillende RES-regio’s zetten veelal in op de opwekking van duurzame energie met wind en zon. Geothermie en nieuwe bio-warmtebronnen zijn mogelijkerwijs nuttig voor het invullen van de warmtebehoefte. Regionaal geproduceerde wind- en zonnestroom die niet lokaal wordt verbruikt, gaat via het net van Stedin naar het bovenliggende hoogspanningsnet van TenneT. De capaciteit van hoogspanningsstations en verbindingen in dit gebied wordt nu al maximaal benut, rekening houdend met de gecontracteerde transportcapaciteit van aangemelde transitietrajecten. Om het capaciteitsprobleem structureel op te lossen, gaat TenneT het net gefaseerd versterken. Dit is naar verwachting tussen 2026 en 2029 gereed. Parallel daaraan verzwaart Stedin haar netwerk op basis van het eigen investeringsplan, zodat het netwerk geschikt is gemaakt voor de nieuwe situatie op hetzelfde moment dat het hoogspanningsnet versterkt is. Ook bouwt Stedin samen met TenneT nieuwe hoogspanningsstations, zoals in Utrecht Noord en Amersfoort. 11 Energie-opslagsystemen Omdat in het hoogspanningsnet nu de grens van de transportcapaciteit is bereikt, zal het gebruik van energie-opslagsystemen (EOS) met batterijen toenemen. Bij evenementen en bouw- of infraprojecten is de inzet van EOS’en al gebruikelijk. Elektrische energie kan ook worden omgezet naar waterstof, wat lokale opslagen van waterstof noodzakelijk maakt.
Het waterstofgas is een alternatieve energiebron voor de warmtevoorziening van woningen of bedrijven. Biomassa Energie uit biomassa kan gewonnen worden door vergisting, vergassing en verbranding. Deze energieopwekking vindt op verschillende plaatsen in de regio plaats: bij agrarische bedrijven, maar ook grootschaliger in een biomassacentrale van Eneco in Utrecht. Ook lokaal gebruik is mogelijk, zoals in woningen (pelletkachel) en zwembaden (bijvoorbeeld Zwembad de Duker in Bunschoten). Geothermie Geothermie is het gebruik van natuurlijke warmte uit de aardbodem voor warmtewinning of het opwekken van elektriciteit. Hiervoor worden putten geslagen tot een diepte van 2000 tot 3000 meter. Op dieptes van 4000 meter en meer (ultradiepe geothermie, UDG) kan het water een temperatuur van meer dan 120 graden hebben. Deze temperatuur is nodig voor industriële toepassingen. Geothermie wordt toegepast in de glastuinbouw, maar ook voor verwarming van industrie en van woningen. Het aantal geothermieprojecten is relatief beperkt, maar zal naar verwachting toenemen. In de provincie Utrecht hebben verschillende projectontwikkelaars een opsporingsvergunning voor aardwarmte aangevraagd.
4.2.2. Decentrale opwekking en opslag Het uitgangspunt is dat elke RES-regio voorziet in de eigen energiebehoefte. Waar op dit moment de energieopwekking plaatsvindt in een relatief klein aantal energiecentrales en met een relatief klein aantal grote windturbineparken op land en op zee, zal de opwekking en opslag daarom in toenemende mate decentraal plaatsvinden. Dit heeft effecten op de ruimtelijke ordening. De energietransitie leidt tot een ruimtevraag ten behoeve van: Windmolens en zonnevelden Installaties voor warmtebronnen zoals geothermie en bio-vergisting Het aanpassen en uitbreiden van de infrastructuur voor elektriciteit, gas en warmte (zoals middenspanningsstations, boosters voor groen gas en warmtenetten) Het opslaan en/of converteren van elektriciteit (bijvoorbeeld buurtaccu’s of centrales die elektriciteit omzetten in duurzame gassen of andersom) Het onder- of bovengronds opslaan van warmte
11
Bron: www.stedin.nl
Pagina
15
De ruimtelijke inpasbaarheid van al deze energievoorzieningen is een belangrijk aandachtspunt. Klimaatverandering, gevolgbeperking bij overstromingen en de woningverdichting ten behoeve van de woningbouwopgave spelen hierbij een rol. Belangrijk hierbij is een balans te vinden tussen duurzaamheid en veiligheid. Doordat de opwekking en opslag steeds meer decentraal zal plaatsvinden, stijgt ook het aantal betrokken partijen met een verantwoordelijkheid voor de continuïteit van de energielevering. Waar nu Stedin als regionale netbeheerder praktisch alleen verantwoordelijk is voor het transport van elektriciteit en gas naar particulieren en bedrijven, zijn straks beheerders van bijvoorbeeld een aardwarmte-installatie, een energieopslagsysteem (buurtbatterij), zonnepark, windturbine of biomassacentrale hiervoor medeverantwoordelijk. Inzicht in deze complexe situatie is van belang voor de risicobeheersing en tijdens de incidentbestrijding in geval van uitval van de energievoorziening.
4.2.3.
Nieuwe risico’s
De energietransitie heeft invloed op het risicobeeld. In het algemeen geldt dat kansen en effecten van incidenten met recent ontwikkelde technologie nog niet goed in kaart zijn gebracht. De energietransitie brengt waarschijnlijk de volgende risico’s met zich mee: 1. Ontwerp- of productiefouten van nieuwe technieken (kinderziektes); 2. Toepassing van bekende technologie uit de chemische industrie op nieuwe locaties, o.a. in woonwijken; 3. Beperkt zicht op particuliere initiatieven; 4. Knelpunten bij de bestrijdbaarheid van incidenten. Ad 1: kinderziektes Nieuwe energiebronnen en –dragers kunnen 'nieuwe' veiligheidsrisico's met zich brengen. De technologie van diverse energievoorzieningen wordt nog volop doorontwikkeld en bevindt zich daarmee nog in de fase met mogelijke ‘kinderziektes’. Een falende component in de energievoorziening kan het gevolg zijn van een ontwerp- of productiefout waarbij er mogelijk vervolgens brand, een explosie of een giftige wolk kan ontstaan. Ad 2: Toepassing op nieuwe locaties Een goed voorbeeld is de inzet van waterstof als energiedrager. Voorheen werd waterstof alleen toegepast in de chemische industrie, om dit moment wordt het ook toegepast als energievoorziening in woonwijken. Ad 3: particuliere initiatieven De overheid heeft niet altijd zicht op particuliere initiatieven. Daarom is er soms sprake van verborgen risico’s.
Denk aan een waterstofopslag in de achtertuin van een huishouden of een energieopslagsysteem op een onbekende locatie in de woning. Dit maakt het operationeel optreden van de brandweer mogelijk risicovoller. Ad 4: Bestrijdbaarheid Nieuwe energievoorzieningen en energiedragers leiden tot diverse knelpunten bij de bestrijdbaarheid van incidenten. Branden in buurtbatterijen of elektrische auto’s zijn niet te blussen. Bij dergelijke batterijbranden komen ook giftige en bijtende ontledings- en verbrandingsproducten vrij. Door het vrijkomen van deze stoffen wordt het bestrijden van een batterijenbrand risicovol voor hulpverleners. Branden in batterijpakketten kunnen ook gepaard gaan met meerdere explosies.
Pagina
16
Verminderde zelfredzaamheid door vergrijzing en extramuralisatie 4.3.1. Definitie Verminderd zelfredzamen zijn tijdens een crisis mogelijk extra kwetsbaar. Het Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid (NIPV, voorheen IFV) geeft de volgende definitie van een verminderd zelfredzaam persoon: “iemand die tijdens een crisissituatie niet zelf voor zijn/haar eigen ‘veiligheid’ kan zorgen en (deels) afhankelijk is van hulp van anderen”. De mate van verminderd zelfredzaam wordt bepaald door: de mobiliteit van de persoon, de mate waarin de persoon inzicht heeft in een gevaarlijke situatie, de handelingsbekwaamheid van een persoon bij gevaar. 12 De groep verminderd zelfredzamen in de samenleving zal toenemen door een groeiend aantal ouderen, alleen al vanwege de verwachting van afnemende mobiliteit bij toenemende leeftijd. De verwachte toename van het aantal ouderen in periode tot 2050 is weergegeven in Figuur 6. Ook verdergaande extramuralisatie in de zorg leidt tot vergroting van deze groep mensen: mensen met een zorgbehoefte blijven langer thuis wonen, eventueel in een aangepaste woning, en schakelen zelf zorg in. Deze ontwikkeling is te zien in alle leeftijdsgroepen. Daarnaast is een ontwikkeling gaande dat zorginstellingen kiezen voor het inrichten van kleinschalige woon/verpleegvoorzieningen. Deze mensen krijgen wel zorg van de instelling maar wonen in de wijk.
Op nationale schaal neemt de groep “65 jaar en ouder” in omvang toe ten opzichte van de groep 21 tot 65 jaar (grijze druk). Tegelijkertijd neemt daarmee het beschikbare potentieel aan mantelzorgers af. Het aantal eenpersoonshuishoudens zal de komende jaren toenemen, zowel onder starters als onder ouderen. Alleen wonen zonder sociaal vangnet is een risicofactor bij calamiteiten. Extramuralisatie leidt ertoe dat de groep verminderd zelfredzamen niet exact in beeld is: voor de overheid zijn alle woningen in principe gelijk. Kleinschalige verpleegvormen of locaties voor “wonen met zorg” zijn echter wel bekend. Ook gemeenten en GGD’en richten zich op de groep langer thuis/extramuraal. Zij zijn daarom een relevante samenwerkingspartner voor de hulpverleningsdiensten.
Figuur 6: Bevolkingsontwikkeling VRU 2020 – 2050 (CBS, 2019)
Ook de doorontwikkeling van e-health (geneeskundige- of gezondheidszorg op afstand) bevordert extramuralisatie. e-Health is de verzamelnaam voor het gebruik van informatie- en communicatietechnologie ter ondersteuning of verbetering van de gezondheid en de gezondheidszorg. Patiënten en artsen kunnen via de computer en telecommunicatietechnologie diagnoses stellen, uitslagen communiceren en informatie uitwisselen. Tot de huidige toepassingen behoren reeds: het delen van testresultaten, videocontact met thuiszorg, monitoring van domotica, teleconsultatie tussen artsen en telemonitoring van patiënten met chronische aandoeningen. e-Health draagt bij aan betaalbare, toegankelijke en kwalitatief goede zorg en leidt tot meer eigen regie voor patiënten.13 Tegelijkertijd biedt de mogelijke toepassing van domotica perspectieven om de redzaamheid bij calamiteiten te vergroten. 12 Bakker, Marije, Merel Ruiter, Bart Koopmans, en Menno van Duin. “Verminderd zelfredzamen ten tijde van
rampen en crises: de overheid een zorg?” Arnhem: Instituut Fysieke Veiligheid, 3 december 2018. 13 https://www.knmg.nl/advies-richtlijnen/dossiers/ehealth.htm
Pagina
17
4.3.2.
Potentieel risico
Toenemende extramuralisatie werkt risico verhogend voor een aantal incidenttypen door het ontbreken van een beschermende structuur, vooral als mensen alleen wonen. Het risico bij brand neemt bijvoorbeeld toe: De bouwregelgeving veronderstelt een bepaald niveau van zelfredzaamheid van gebruikers in gebouwen. Deze blijken bijvoorbeeld uit veronderstellingen over de loopsnelheid tijdens ontruiming, of de snelheid van het ontdekken van brand. Vergrijzing en extramuralisatie leiden ertoe dat in een groter aantal gebouwen mensen verblijven die dit veronderstelde niveau niet steeds kunnen halen, wat hun overlevingskansen tijdens een brand negatief beïnvloedt; Door geleidelijke versoepeling van de regels voor herbestemming van bestaande bouwwerken, kunnen nu door andere groepen worden gebruikt dan waarvoor zij gebouwd zijn.
De groep verminderd zelfredzamen is erg divers. Uit de literatuur- en documentenstudie blijkt dat de volgende categorieën, door zowel de nationale als internationale literatuur als verminderd zelfredzaam worden gezien Ouderen > 65 jaar Kinderen < 12 jaar Personen met een lichamelijke beperking Personen met een cognitieve beperking en/of neurologische beperking Personen met een psychische beperking Personen met een auditieve beperking Personen met een visuele beperking Personen met een tijdelijke beperking Personen met een taalbarrière Toeristen Gedetineerden/personen in een gesloten inrichting Bewoners van een zorginstelling
Figuur 7: Typologie van verminderd zelfredzamen (IFV, 2018) Als mensen zichzelf niet in veiligheid kunnen brengen, kan het aantal slachtoffers bij calamiteiten toenemen. In kleinschalige vormen van wonen met zorg is veelal geen brandmeldcentrale of een bedrijfshulpverlener aanwezig. Dit is ook het geval voor wooncomplexen gericht op de 55 plus-groepen. Deze gelden als een “gewoon” appartementencomplex, waardoor geen aanvullende veiligheidsvoorzieningen zijn vereist.
Cyberveiligheid, digitale afhankelijkheid De Utrechtse situatie voor wat betreft cyberveiligheid wijkt op hoofdlijnen niet af van het landelijke risicobeeld. Met behulp van het cyberkwadrant (zie Figuur 8) zijn de risico’s van deze ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. De verwachting is dat digitale verstoringen vaker zullen voorkomen. Een storing van een van deze systemen zou kunnen kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Voorbeelden zijn uitval van het elektronisch betaalsysteem of digitale verstoringen bij drinkwaterbedrijven en energieleveranciers. IT (information technology)-en OT (operational technology, zoals industriële technologie die de motoren van bijvoorbeeld een sluis bestuurt) zijn steeds meer in gebruik in vitale processen en vitale infrastructuur. In de basis is de toepassing van deze technologie gericht op het verbeteren van het functioneren van deze processen. Tegelijkertijd zorgt de toenemende afhankelijkheid van deze systemen er echter voor dat de kansen op, en effecten van verstoringen kunnen toenemen. De afhankelijkheid van de beschikbaarheid van ICT-systemen neemt toe. Daarnaast zorgt het koppelen van ICT-netwerken (‘vernetting’) ervoor dat cascade-effecten mogelijk worden. Uitval of aantasting van systemen in één domein werken dan door naar systemen in andere domeinen en kunnen ook daar leiden tot uitval of verstoring.
Cascade-effecten kunnen resulteren in verstoringen in de dienstverlening van publieke en private organisaties, waardoor maatschappelijke ontwrichting kan ontstaan. Aanbieders van een systeem of dienst zijn niet langer alleen gevoelig voor sabotage van het eigen netwerk, maar ook voor aantasting van
Pagina
18
gekoppelde systemen of diensten. Zo werden veel organisaties getroffen door beveiligingsproblemen met CITRIX in 2020.14
Figuur 8: Het cyberkwadrant (Instituut Fysieke Veiligheid 2019)
Maatschappelijke onrust Verschillende gebeurtenissen en ontwikkelingen hebben in de periode 2019-2022 tot maatschappelijke onrust geleid. Ook binnen het verzorgingsgebied van de VRU is deze sociale onrust zichtbaar geweest. Een recent voorbeeld is de oplaaiende escalatie tussen boeren en de overheid. Daarnaast is er sprake van vormen van anti-overheidssentimenten, bijvoorbeeld met betrekking tot de stikstofmaatregelen, 5G en het COVID-19-beleid van de overheid. De (digitale) middelen beschikbaar voor aanslagen zijn met de tijd meegegroeid, sociale media kunnen voor een snelle verspreiding zorgen van bijvoorbeeld (drone-)beelden van een kleine of grote aanslag. Deze beelden kunnen dan maatschappelijke ontwrichting tot gevolg hebben. In het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) van oktober 2021stelt de Minister van Justitie en Veiligheid dat van het jihadistisch terrorisme nog steeds de grootste extremistische dreiging uitgaat. Het bijbehorende dreigingsbeeld wordt nog steeds gekenmerkt door het gevaar van aanslagen in het Westen door enkele mondiaal actieve jihadistische organisaties, lokale netwerken en personen. De dreiging is in de afgelopen jaren wel verminderd, wat met name blijkt uit de sterke afname van het aantal aanslagen in Europa.
Desondanks heeft Europa, waaronder Nederland, te maken met relatief veel aanhoudingen en met inspanningen ter voorkoming van aanslagen en incidenten die aan jihadistisch terrorisme kunnen worden gerelateerd. Daarnaast is er sprake van rechts-extremisme. 15 Er zijn vormen van extremisme die zich richten op één specifiek onderwerp. Dat is bijvoorbeeld het geval met de acties tegen windturbines in sommige delen van Nederland. Deze gelden als extremisme, omdat er sprake is van sterke anti-overheidssentimenten. In hoeverre deze op termijn kunnen leiden tot vormen van acties die verder gaan dan activistisch protest, is niet duidelijk. Dergelijke acties kunnen leiden tot fysieke
14 https://www.ncsc.nl/actueel/nieuws/2020/januari/16/door-citrix-geadviseerde-mitigerende-maatregelen-
niet-altijd-effectief 15 Kamerstukken II 2021-2022, 29754 nr. 620 (bijlage)
Pagina
19
effecten. Die kunnen op hun beurt weer leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Ondermijnende activiteiten versterken het verontrustende effect.
Creeping crisis en langdurige crisis Een creeping crisis is een voorzienbare, dreigende en/of sluimerende crisis. De crisisorganisatie bereidt zich hierop op voor door onder planvorming, het beschrijven van procedures en het trainen en geoefend houden van crisisteams en hulpverleningseenheden. Een creeping crisis vereist vaak een langdurige inzet van de crisisbeheersingsorganisatie. De grootste uitdaging van een dergelijke crisis ligt dan ook in het handhaven van de weerbaarheid en veerkracht van de samenleving en hulpverleningsdiensten. De afgelopen jaren laten verschillende voorbeelden zien van langdurige inzetten van de crisisorganisatie (vluchtelingenopvang in 2015, COVID-19 in 2020 en 2021, vluchtelingenopvang Oekraïne in 2022). Langdurige inzetten vergen veel capaciteit en improvisatievermogen. COVID-19 ging bovendien gepaard met gedeeltelijke uitval van het eigen personeel. Dit vereist nieuwe denk- en werkwijzen om paraatheid te blijven borgen met als uitgangspunt om de weerbaarheid en veerkracht van de samenleving te handhaven.
Pagina
20
5 Risicothema’s Dit hoofdstuk beschrijft de relevante risicothema’s voor het verzorgingsgebied van de Veiligheidsregio Utrecht. De risicobeheersing is gericht op het verkleinen van kans en impact; de crisisbeheersing is gericht op het verkleinen van impact als een risico werkelijkheid wordt. Voor het risicoprofiel 2023 zijn dezelfde thema’s geïdentificeerd als in 2019. Het risicodiagram voor de VRU is ook nu gebaseerd op het risicodiagram in het Nationaal Veiligheidsprofiel (Figuur 9). Veranderingen ten opzichte van 2019 zijn zichtbaar in de impact van de ontwikkelingen op de leefomgeving, zoals beschreven in het voorgaande hoofdstuk.
Figuur 9: Risicodiagram met de veiligheidsthema’s uit het NVP 2016
Natuurrampen 5.1.1. Overstromingen Overstroming vanuit rivieren blijft een belangrijk risico. Het worst case scenario van een overstroming is het doorbreken van de rivierdijk op meerdere plekken (de noordelijke Lekdijk tussen Amerongen en Krimpen a/d IJssel) met als meest verstrekkend gevolg een grootschalige evacuatie. Landelijk is overstroming vanuit zee het maatgevende scenario. De Grebbedijk, van Rhenen naar Wageningen, ligt in de buurregio Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) en kan bij een enkelvoudige doorbraak zorgen voor grote impact in deze regio. Bij een doorbraak treden ontwrichtende omstandigheden op, zoals grootschalige evacuatie. Onder andere Veenendaal, Rhenen, Renswoude en Amersfoort krijgen hiermee te maken. De gemeente Vijfheerenlanden ligt in de Alblasserwaard. Ook deze kan in zijn geheel worden getroffen door een overstroming. Een deel van de Alblasserwaard ligt in de buurregio Zuid Holland Zuid (ZHZ). Als een dergelijk scenario zich voordoet, dan raakt ook in deze regio de samenleving ernstig ontwricht. Grootschalige evacuatie kan noodzakelijk zijn.
Pagina
21
5.1.2.
Natuurbrand
De VRU kent een aantal natuurgebieden. In deze natuurgebieden bevindt zich een groot aantal zorginstellingen en vindt (soms grootschalig) recreatie plaats. Dit brengt bij natuurbrand een verhoogd risico met zich mee. Ook vanwege vergrijzing en extramuralisatie blijft natuurbrand dus een aandachtspunt. Op de Utrechtse Heuvelrug bevinden zich diverse gebouwen die behoren tot het culturele erfgoed. Deze gebouwen staan in een bosrijke omgeving, wat ze kwetsbaar maakt bij een natuurbrand. Het plaatsen van afrasteringen in natuurgebieden neemt toe en leidt tot een beperking van ontvluchtingmogelijkheden en toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten.
5.1.3.
Extreem weer
Verschillende extreme weersituaties zijn in het verzorgingsgebied te koppelen aan diverse incidentscenario’s. De meest waarschijnlijke weersituaties en de bijbehorende scenario’s zijn:
droogte met het scenario natuurbrand,
hevige regenval waardoor wateroverlast ontstaat, eventueel met uitval nutsvoorzieningen ook in wijken waar geen overlast is,
onweer, met mogelijk bliksem, windhozen en valwinden waarbij de veiligheid en gezondheid bij buitenevenementen in het geding zijn (door weersomslag).
Extreme weerinvloeden kunnen lokaal van aard zijn. Effecten kunnen echter ook op regionale schaal optreden bij: zeer zware storm met als scenario’s overstroming van de Randmeren en stroomuitval door het omwaaien van elektriciteitsmasten, een combinatie van wind en ijzel met het scenario van stroomuitval doordat de beijzelde draden gaan bezwijken.
Bedreigingen gezondheid en milieu Dit thema omvat infectieziekten (humaan, dierziekten en zoönose), voedselveiligheid en milieu.
5.2.1.
Infectieziekten
Een infectieziekte wordt veroorzaakt door micro-organismen, zoals bacteriën, virussen, schimmels en parasieten welke wanneer ze bepaalde lichaamsdelen van een mens of dier binnendringen ziekteverschijnselen veroorzaken. Een bekend voorbeeld van een infectieziekte is de normale seizoensgriep. De risico’s zoals verwoord in het NVP 2016 zijn onverkort van toepassing op de regio Utrecht, met de volgende aanvullingen: Ten aanzien van humane infectieziekten is lokaal sprake van gebieden waar de vaccinatiegraad lager is dan het landelijk gemiddelde. Dit brengt risico’s met zich mee, bijvoorbeeld het risico op uitbraak van polio. Ten aanzien van dierziekten bestaat de kans dat de uitbraak van een besmettelijke dierziekte mogelijk leidt tot het preventief ruimen van dieren, wat mogelijk spanning kan geven met dierenwelzijn en acceptatie onder de bevolking en betrokken agrariërs.
5.2.2. Voedselveiligheid en milieu Voor de risico’s van dit thema is het NVP 2016 integraal van toepassing op de regio Utrecht (zie bijlage 1).
Pagina
22
Zware ongevallen, waaronder transportongevallen De term zware ongevallen is een verzamelterm voor gebeurtenissen waarbij de oorzaak vaak ligt bij (een combinatie van) incidenten. Zo’n incident wordt vaak veroorzaakt door (een combinatie van) technisch, menselijk, of organisatorisch falen. Tot het thema zware ongevallen behoren drie sub thema’s: stralingsongevallen, chemische incidenten en transportongevallen.
5.3.1.
Stralingsongevallen
Bij stralingsongevallen komt radioactief materiaal vrij in de atmosfeer, in de bodem of in het water. Een incident met een (dreigende) lozing van radioactief materiaal kan ernstige maatschappelijke gevolgen hebben. Het gaat dan om gezondheidseffecten door directe blootstelling van mensen (inhalatie van radioactief besmette lucht), of door indirecte blootstelling (besmetting in de voedselketen en drinkwater). Naast effecten voor de volksgezondheid zal er mogelijk ook sprake zijn van economische schade, ecologische schade, imagoschade, maatschappelijke onrust in het algemeen (angst, onvrede, woede) en verlies van draagvlak voor nucleaire energieopwekking en andere toepassingen van nucleaire technologie. Stralingsongevallen kunnen ontstaan in kernreactoren, op locaties waar met hoogradioactief materiaal wordt gewerkt of tijdens transport. Ook kernreactoren in het buitenland vormen een risico. Hierbij is onderscheid te maken tussen kerncentrales vlak over de landsgrens die een directe impact kunnen hebben op Nederland, en die met een indirecte impact vanaf een grotere afstand tot Nederland. Een deel van de regio Utrecht valt binnen de 100 km-zone van de kerncentrale in Doel (België). In deze zone zijn in 2017 eenmalig jodiumtabletten verspreid, ook in een tiental Utrechtse gemeenten omdat deze (gedeeltelijk) in de 100-km zone vallen.
Het risico van stralingsongevallen voor de regio Utrecht is vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde risico.
5.3.2.
Chemische incidenten
Nederland heeft een aanzienlijke chemische industrie die onderdeel uitmaakt van een wereldwijd netwerk van bedrijven en transportstromen. Chemische incidenten kunnen ontstaan tijdens fabricage, opslag, transport of gebruik. Belangrijke scenario’s zijn explosie, brand en een toxische wolk. Indien de bedrijfsactiviteiten zo riskant zijn dat personen buiten de inrichting gevaar kunnen lopen, is het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) van toepassing. In de regio Utrecht zijn ruim honderd Bevi-inrichtingen bekend. Het Besluit verplicht bevoegde gezagen veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Die inrichtingen waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn en boven een bepaalde drempelwaarde uitkomen, vallen naast het Bevi ook onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo). Brzo-inrichtingen moeten voldoen aan stringente veiligheidseisen en worden frequent geïnspecteerd. Het risico van chemische incidenten in de regio Utrecht is vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde.
5.3.3.
Transportongevallen
Binnen de regio Utrecht vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via weg, water en spoor. Ook hierbij zijn incidenten mogelijk die een explosie, brand of een toxische wolk kunnen veroorzaken. Beperkte bereikbaarheid van incidentlocaties en beperkte bluswatervoorziening langs de infrastructuur kunnen aan effectieve incidentbestrijding in de weg staan. De risico’s die gepaard gaan met he vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdtransportroutes (spoor, water en weg) zijn genormeerd in de Regeling Basisnet. Deze regeling wijst de hoofdroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen aan en legt daarvoor risicoplafonds vast.16 De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat rapporteert jaarlijks aan de Tweede Kamer over de realisatiecijfers in verband met het wel of 16
Stcrt. 2014, 8242, laatstelijk gewijzigd Stcrt. 2020, 64380.
Pagina
23
niet overschrijden van deze plafonds. In de rapportage over 2020 meldde de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat dat de risicoplafonds werden overschreden op de volgende onderdelen (selectie van onderdelen geheel of gedeeltelijk gelegen in de provincie Utrecht):17 1.
2. 3.
Basisnet Spoor: a. Overschrijding van de norm voor de 10-8 iso-risicocontour op de trajecten i. Utrecht-Woerden, ii. Utrecht Amersfoort en iii. Utrecht-Arnhem b. Overschrijding van de norm voor de 10-7 iso-risicocontour op het traject i. Amersfoort-Apeldoorn Basisnet weg: Geen risicoplafonds overschreden in Nederland Basisnet water: Geen risicoplafonds overschreden in Nederland.
Op basis met een vergelijking van deze cijfers met de gegevens voor heel Nederland wijst dit op een iets hoger risiconiveau voor de VRU ten opzichte van het gemiddelde risiconiveau, voornamelijk veroorzaakt door het vervoer per spoor. In de regio Utrecht bevinden zich geen luchthavens (vliegveld Soesterberg is nu in gebruik voor zweefvliegactiviteiten). In de omliggende regio’s bevinden zich onder andere Schiphol, Lelystad Airport en enkele vliegvelden voor de kleine luchtvaart. Ongeveer 75% van alle luchtvaartongevallen vinden plaats tijdens, kort voor – c.q. na het landen of opstijgen. Daarnaast vindt 10% plaats binnen de 10 km zone van een luchthaven. De overige 15% vindt op een willekeurige locatie plaats. Een klein deel van regio Utrecht ligt binnen 10 km van een start -en landingsbaan van Schiphol. Hogere vluchtintensiteiten op Schiphol kunnen leiden tot een geringe toename van de kans op luchtvaartongevallen. Uitbreiding van luchthaven Lelystad airport heeft vrijwel geen invloed op het risico in de regio Utrecht vanwege de ligging buiten de 10 km-zone. De risico’s van transportongevallen in de regio Utrecht zijn relatief hoog vanwege het intensieve gebruik van het spoor, de wegen en waterwegen.
Vanwege toename van het intensieve transport over water in combinatie met de verwachte groei in recreatie(vaart), is er voor gekozen het transport van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen in 2019 als risicofocusgebied aan te wijzen.
Verstoring vitale infrastructuur Er is sprake van verstoring van vitale infrastructuur als de verstoring van de daarmee gemoeide processen leidt tot ernstige maatschappelijk ontwrichting. Het NVP rekent de volgende processen tot de vitale infrastructuur: energievoorziening (elektriciteit, gas en olievoorziening), drinkwatervoorziening, ICT en telecommunicatie (internet, datadiensten, spraakdiensten en satelliet tijd- en plaatsbepaling), financiële dienstverlening (betalings- en effectenverkeer), water (keren en beheren waterkwantiteit). Voor de VRU betekent dit het volgende.
17
Kamerstukken II 2020-2021, 30373, nr. 72, bijlage 99625.
Pagina
24
5.4.1.
Verstoring energievoorziening
De regio Utrecht is een transportknooppunt voor met name het spoor en de weg. Verstoring van de elektriciteitsvoorziening of andere processen in de vitale infrastructuur in de regio Utrecht kunnen daardoor leiden tot keteneffecten voor de transportsector in het hele land, zowel over de weg, het water als het spoor.
5.4.2.
Drinkwatervoorziening
In de regio Utrecht wordt drinkwater uit diepe grondwaterlagen gewonnen. Deze manier van waterwinning is minder kwetsbaar dan de winning uit oppervlaktewater, die in het landelijk beeld als maatgevend geldt. Wel bevinden zich in het verzorgingsgebied innamepunten voor oppervlaktewater ten behoeve van de drinkwatervoorziening in andere regio’s. Dit vindt plaats in het Lekkanaal bij Nieuwegein en in het Amsterdam-Rijnkanaal bij Nieuwersluis. Hier wordt water via pijpleidingen naar de duinen in Noord-Holland gepompt waar het wordt geïnfiltreerd ten behoeve van de drinkwatervoorziening van Noord-Holland.
5.4.3.
ICT & telecommunicatie
In de regio Utrecht zijn diverse hoofdkantoren van bedrijven in de sector ICT en telecommunicatie die diensten leveren voor heel Nederland en soms ook voor andere landen. Uitval van dit soort bedrijven geeft een risico op het vlak van betalings- en effectenverkeer met Europese uitstraling. Echter, juist omdat uitval van deze voorzieningen vrijwel heel Nederland zal kunnen treffen, is het risico voor de regio Utrecht bij uitval van ICT & communicatie niet groter dan het landelijk gemiddelde.
Ondermijning, grof en extreem geweld 5.5.1. Ondermijning De situatie in het verzorgingsgebied van de VRU komt op hoofdlijnen overeen met het landelijk beeld (zie bijlage 1).
5.5.2. Extremisme en terrorisme In het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN)18 wordt er gesproken over rechts-extremisme. Volgens de AIVD gaat thans van het jihadistisch terrorisme nog steeds de grootste extremistische dreiging uit. Het jihadistisch-terroristisch dreigingsbeeld wordt nog steeds gekenmerkt door het gevaar van aanslagen in het Westen door enkele mondiaal actieve jihadistische organisaties, lokale netwerken en personen. De dreiging is in de afgelopen jaren wel verminderd, wat met name blijkt uit de sterke afname van het aantal aanslagen in Europa. Desondanks heeft Europa, waaronder Nederland, te maken met relatief veel aanhoudingen, het voorkomen van aanslagen en incidenten die aan jihadistisch terrorisme kunnen worden gerelateerd. De dreiging is dus wel verminderd, maar nog steeds aanzienlijk.
18
Kamerstukken II 2021-2022, 29754 nr. 620.
Pagina
25
6 Capaciteitenanalyse Inleiding Dit hoofdstuk gaat in op de mate waarin de VRU in staat is met de eventuele gevolgen om te gaan wanneer risico’s zich materialiseren. De kernvragen van deze capaciteitenanalyse zijn: hoe worden de risico’s ingeschat en hoe gaat de hulpverleningsorganisatie om met de effecten en de bestrijding ervan? Dit hoofdstuk beschrijft eerst de gehanteerde methodiek. Daarna volgen de resultaten en tot slot de conclusies.