Bijlage 5 ETFAL onderbouwing Barneveldsestraat 16
Tekst van het document
7.9
Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen.
Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en
pagina 28 van 42
gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage VI van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart van de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze risicokaart.
pagina 29 van 42
Uitsnede van de risicokaart, plangebied in rood omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)
Uit raadpleging van de risicokaart volgt dat er in de directe omgeving geen inrichtingen, buisleidingen en transportroutes aanwezig zijn die van invloed zijn op de omgevingsveiligheid ter hoogte van het plangebied. Echter blijkt uit gegevens van de Omgevingsdienst Utrecht dat er een transportroute gevaarlijke stoffen op de Barneveldsestraat, tot aan het BP-tankstation, aanwezig is. Tankstation Aan de Barneveldstraat 29 bevindt zich een tankstation waar conform het geldende bestemmingsplan LPG mag worden verkocht. Hiervoor geldt een invloedsgebied van 150 m. Echter wordt er in de feitelijke situatie geen lpg meer verkocht bij het betreffende tankstation, waardoor er geen sprake meer is van een LPG-tankstation zoals bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving. De vergunning voor de LPG-installatie is immers ingetrokken. Ook het transport van LPG door een LPG-tankwagen is hiermee komen te vervallen, waardoor de Barneveldsestraat niet meer aangemerkt wordt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
7.10 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.
pagina 30 van 42
Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
▪
aanwezige dier- en plantensoorten;
▪
typen natuurlijke habitats;
▪
leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
▪
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
▪
andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
pagina 31 van 42
Planspecifiek Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling gaat gepaard met de sloop van bestaande bebouwing en een nieuwe terreininrichting. Er is een quickscan natuur uitgevoerd, om de gevolgen voor beschermde flora en fauna in beeld te brengen. De quickscan is als bijlage aan de onderbouwing toegevoegd en de resultaten hiervan worden navolgend beschouwd (Breur Ecologie & Onderzoek, QS24041v1, d.d. 16 juli 2024, zie bijlage 6). Quickscan Flora & Fauna Uit de quickscan flora & fauna komt naar voren dat het plangebied potentie biedt voor de aanwezigheid van verschillende beschermde soorten. Er is dan ook aanvullend onderzoek nodig naar de volgende soorten/soortgroepen: vogels (huismus, kerkuil, steenuil, boerenzwaluw), vleermuizen (gebouwbewonende soorten), steenmarter, kleine marters (bunzing & wezel) en de haas en konijn. Indien deze soorten inderdaad in het plangebied aanwezig zijn dan dient men een vergunning aan te vragen voor werkzaamheden die verbodsbepalingen overtreden ten aanzien van deze soorten. Het plangebied is ook geschikt als nesthabitat voor algemene broedvogels. Nesten van deze vogels zijn alleen beschermd wanneer zij in gebruik zijn. Bij het plannen van de werkzaamheden wordt daarom aangeraden om rekening te houden met het broedseizoen van grofweg maart tot en met half juli.
Soortgericht onderzoek Naar aanleiding van de mogelijke functie die het plangebied kan vervullen voor de hierboven genoemde soorten is een soortgericht onderzoek uitgevoerd door Breur Ecologie & Onderzoek. De resultaten hiervan worden navolgend beschouwd en zijn tevens opgenomen als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing (Breur Ecologie & Onderzoek, SO24046v01, d.d. 16 juli 2024, zie bijlage 7). Bij het terreinbezoek van de quickscan werd al vastgesteld dat het plangebied functioneert als verblijfsplaats voor een kerkuil. In het plangebied bevindt zich een jaarrond beschermde verblijfplaats van de kerkuil in de centraal gelegen kapschuur. Ook de aanwezigheid van een paar steenuilen is aangetoond. Aan de achterzijde van het plangebied bevindt zich in het dak van de paardenstallen de vermoedelijke nestplaats. Óók deze verblijfsplaats beschikt over een jaarronde bescherming. Overige beschermde soorten zijn niet aanwezig in het plangebied, of het terrein vervult geen essentiële functie als leefgebied. Conclusie en aanbeveling Ten aanzien van de ontwikkeling van het terrein aan de Barneveldsestraat 16 te Renswoude dient men een vergunning van de Omgevingswet aan te vragen voor het wegnemen van nest-/verblijfplaatsen van de steenuil en kerkuil. Voor het verkrijgen van een vergunning zijn de volgende zaken van belang:
▪
Er dient een wettelijk belang ten grondslag te liggen aan de ontwikkeling.
▪
Er dient een pakket aan mitigerende maatregelen genomen te worden om negatief effect op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen en te verminderen. Hierbij kan gedacht worden aan: o
Het werken buiten de kwetsbare periodes (broedseizoen)
o
Zorgen voor alternatieve nest/verblijfplaatsen
pagina 32 van 42
Al deze zaken dienen goed onderbouwd in een activiteitenplan te worden beschreven, op basis van dit activiteitenplan kan men de vergunning aanvragen. Dit activiteitenplan is opgesteld d.d. 10-11-2025 en in dezelfde maand verstrekt aan de provincie Utrecht middels een aanvraag voor een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit. Deze aanvraag loopt nog. Gebiedsbescherming De afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ bedraagt 5,7 km. Het initiatief gaat gepaard met stikstofuitstoot in de aanlegfase en in de gebruiksfase. Aangetoond moet worden dat het initiatief geen significant negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Overige effecten zoals licht, geluid en optische verstoring kunnen op voorhand uitgesloten worden. Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat het planvoornemen geen negatieve effecten heeft op stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden (Buro SRO, d.d. 25 maart 2026, zie bijlage 8). Deze berekening is uitgevoerd voor zowel onderhavige ontwikkeling aan de Barneveldsestraat als die aan de Pinksterbloemweide. In totaal gaat het om de ontwikkeling van 25 woningen.
Voor de stikstofemissie van de aanlegfase is gerekend met de uitstoot die ontstaat als gevolg van de te gebruiken mobiele werktuigen, de voertuigbewegingen van personeel en materialen van en naar de bouwplaats, het stationair draaien van het vrachtverkeer en de koude starts van het licht verkeer. Uit de berekening voor deze aanlegfase volgt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de Natura 2000-gebieden zijn. Bij het berekenen van de stikstofemissie van de gebruiksfase is gerekend met de uitstoot die ontstaat als gevolg van de verkeersgeneratie en de koude starts van het licht verkeer. Uit de berekening voor de gebruiksfase volgt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de omliggende Natura 2000-gebieden zijn. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie die plaatsvindt in de aanlegen gebruiksfase geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Met het oog op de bepalingen omtrent Natura 2000-gebieden uit de Omgevingswet en AMvB’s is het plan derhalve uitvoerbaar. Houtopstanden Er zijn geen houtopstanden op de planlocatie aanwezig waarvoor een melding- of vergunningplicht geldt in het geval van kappen. Conclusie Het project is uitvoerbaar voor wat betreft soortenbescherming, mits door de provincie Utrecht een vergunning flora en fauna-activiteit wordt verstrekt.
Dit staat de verlening van de omgevingsvergunning voor ‘afwijken van de regels van het omgevingsplan’ echter niet in de weg. Uit het stikstofdepositieonderzoek middels de AERIUS Calculator blijkt dat het planvoornemen geen significante gevolgen voor Natura-2000 gebieden heeft. Gesteld kan worden dat het planvoornemen in het kader van het aspect natuur uitvoerbaar is.
7.11 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
pagina 33 van 42
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Provinciaal Waterprogramma Op 15 december 2021 heeft de provincie Gelderland het Regionaal waterprogramma 2021-2027 vastgesteld. In dit programma stelt de provincie de uitgangspunten op voor het waterbeleid binnen de provincie Gelderland. Deze zijn als volgt opgesteld:
▪
Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- en watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid. We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken.
▪
Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of compenseren.
▪
Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken, vragen om een gebiedsgerichte aanpak. Denk aan het verminderen van stikstof en uitstoot van CO2, de aanpak van PFAS, medicijnresten en nieuwe stoffen, aanpassing aan het veranderende klimaat, vergroten van de biodiversiteit, de stijgende vraag naar grond- en drinkwater, en ruimte voor nieuwe woningen of natuur. Deze opgaven komen samen in gebieden. Daarom is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking.
Verder wordt elk jaar een nieuw actieprogramma water opgesteld waarin de concrete maatregelen voor het komende jaar in worden vastgesteld. Hierin worden de thema’s participatie, hoogwaterveiligheid, waterkwaliteit, klimaatadaptatie, natuurdoelen en economie en recreatie uitgewerkt.
pagina 34 van 42
Waterschap Vallei en Veluwe Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) 2050 en het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 vastgesteld. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1.
Water is het ordenend principe in de ruimtelijke ontwikkeling;
2.
Maximaal vasthouden en schoonhouden van water;
3.
Partnerschap als watermerk.
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema’s en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma’s. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico’s (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven.
▪
Waterveiligheid o
▪
Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen.
Watersysteem o
Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen.
▪
Wonen en zuiveren o
Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
▪
Circulaire economie o
Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving.
▪
Energietransitie o
Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie.
De
keur van
het
hoogheemraadschap
is
met
ingang
van
de
omgevingswet
overgegaan
in
de
Waterschapsverordening die is vastgesteld op 17 december 2024. In de Waterschapsverordening staan de verbods-
en
gebodsbepalingen
ter
bescherming
en
instandhouding
van
de
waterstaatswerken, wie welk onderhoud moet doen en wat de afmetingen moeten zijn.
pagina 35 van 42
waterhuishouding
en
Planspecifiek Watercompensatie Het Waterschap Vallei en Veluwe schrijft voor dat een toename van meer dan 1.500 m² aan verharding gecompenseerd dient te worden. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard. Naar verwachting neemt de verharding niet met meer dan 1.500 m² toe en is watercompensatie niet aan de orde. Er kan gesteld worden dat het plan positief bijdraagt aan het natuurlijk afvoeren van hemelwater. Zo wordt een gezamenlijke groene binnentuin gerealiseerd en worden de parkeerplaatsen uitgevoerd in waterdoorlatende verharding. In de overeenkomst met de gemeente Renswoude is tevens bepaald dat de tuinen van de kavels kleiner dan 150 m² voor maximaal 50% mogen worden verhard en dat bij kavels groter dan 150 m² een maximale verharding van 50% van de kavel geldt. Verder voorziet de gehele gebiedsontwikkeling Beekweide II, waarvan het plangebied deels onderdeel uitmaakt, in groene- en blauwe maatregelen. Zo worden brede groene profielen gerealiseerd met ruimte voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Ook staat de Lunterse Beek, en de beleving daarvan, als leidend thema in het plan. Waterafvoer Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolsysteem onder de Barneveldsestraat.
Om afvalwater te minimaliseren is met de gemeente overeengekomen dat optimale waterbesparende maatregelen worden toegepast, waaronder waterbesparende toiletten, kranen en douchekoppen. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijk riool, maar afgekoppeld en zo lang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied. Met de gemeente is overeengekomen dat bij elke woning een regenton wordt aangebracht met een capaciteit van minstens 100 liter, die aangesloten dient te zijn op de dakafvoerleiding aan de achterzijde van de woning. Zo kan een deel van het hemelwater dat op de kavels valt vastgehouden worden. Het overige deel wordt middels een voorziening oppervlakkig afgevoerd tot aan de perceelsgrens van elke woning. Verder is overeengekomen met de gemeente dat geen uitloogbare materialen worden toegepast, waaronder onbehandeld zink, koper en lood. Waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen een beschermingszone van een regionale waterkering. Oppervlaktewater Het plangebied grenst aan een watergang die in de gebiedskaart van de BOVI van het Waterschap Vallei en Veluwe is aangewezen als droogvallende watergang. Hier is geen bijzondere bescherming aan verbonden. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
7.12 Ontplofbare oorlogsresten Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks Ontplofbare Oorlogsresten (hierna: OO) gevonden. Onder OO wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden OO ook wel aangeduid als Niet
pagina 36 van 42
Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen.
Planspecifiek Om in beeld te brengen of er in het plangebied potentie is voor aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten is een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd (AVG Explosieven Opsporing, 2162051, d.d. 18 juni 2021, zie bijlage 9). Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van geschutmunitie in delen van de planlocatie. Op navolgende kaart is het verdachte deel weergegeven.
Onderzoeksgebied ontplofbare oorlogsresten (bron: AVG Explosieven Opsporing)
De werkzaamheden buiten de verdachte gebieden kunnen onder reguliere condities uitgevoerd worden. In het verdachte gebied, waar ook onderhavige projectlocatie zich in bevindt, is opsporing van ontplofbare oorlogsresten op basis van een detectieonderzoek nodig. In 2025 zijn voor het grootste deel van het verdachte gebied opsporingswerkzaamheden uitgevoerd. Hiervan is een proces-verbaal gemaakt (AVG, 140000439-PVO-01, d.d. 1
pagina 37 van 42
september 2025, zie bijlage 10). In het proces-verbaal is het volgende verdachte gebied/onderzoeksgebied opgenomen.
Hieruit blijkt dat een deel van het plangebied binnen het onderzoeksgebied ligt en nog onderzocht moeten worden. Dit staat echter de verlening van de omgevingsvergunning niet in de weg.
7.13 Mer-beoordeling De milieueffectrapportage (MER) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een MER is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (MER) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing wordt verstaan. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMBrichtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije merbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-
pagina 38 van 42
(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een merplicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een mer-beoordelingsplicht. Een mer-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
▪
Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.
▪
Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage benodigd is.
De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de mer-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.
de kenmerken van het project;
2.
de plaats van het project;
3.
de kenmerken van de potentiële effecten.
Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:
▪
De planlocatie ligt in het stedelijk gebied van Renswoude,
▪
De bouwmassa neemt ten opzichte van de huidige situatie beperkt toe,
▪
De woningen voldoen aan ENG.
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen mer(beoordelings)plicht geldt.
pagina 39 van 42
8
Financiële haalbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften mogen betrekking hebben op het gebied waar de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst is gesloten, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden.
Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal in dat geval publiekrechtelijk. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek De gemeente en initiatiefnemer hebben een overeenkomst gesloten. Met het sluiten van een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is het kostenverhaal anderszins verzekerd.
pagina 40 van 42
9
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van 9 seniorenwoningen en het planologisch mogelijk maken van 1 vrijstaande schuurwoning op de locatie Barneveldsestraat 16 te Renswoude. Het initiatief vormt een herontwikkeling van een locatie waar in de voormalige situatie reeds een bedrijf was gevestigd en sluit aan op de transformatie van dit gebied binnen de bredere gebiedsontwikkeling Beekweide II. Met het plan wordt voorzien in een kwalitatieve verbetering van de locatie en in een woonprogramma dat aansluit op de gemeentelijke behoefte aan woningen voor senioren. Ten behoeve van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is beoordeeld of het initiatief leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit de voorliggende onderbouwing volgt dat het plan in overeenstemming is met het relevante rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het initiatief draagt bij aan zorgvuldig ruimtegebruik binnen bestaand stedelijk gebied en aan een meer evenwichtige woningvoorraad in Renswoude. Ook vanuit de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving komen geen belemmeringen voort. Voor verkeer, luchtkwaliteit, archeologie, omgevingsveiligheid, water en milieuzonering zijn geen belemmeringen aanwezig.
Daarbij is van belang dat de locatie reeds was ontsloten, dat de beoogde verkeersgeneratie beperkt is en dat de ontwikkeling plaatsvindt in een bestaande ruimtelijke context. Voor bodem, natuur en ontplofbare oorlogsresten geldt dat deze aspecten uitvoerbaar zijn, mits de nog te treffen maatregelen en/of de resultaten van de lopende procedures en onderzoeken in de vergunningverlening en uitvoering worden geborgd. In het bijzonder gaat het daarbij om de sanering van de lokale grondwaterverontreiniging en het met asbest verontreinigd puin, de afwikkeling van de flora- en fauna-activiteit en opsporing ontplofbare oorlogsresten. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet leidt tot een onevenredige aantasting van belangen van omwonenden of van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en kan de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden verleend.
pagina 41 van 42
pagina 42 van 42