Bijlage 5 ETFAL onderbouwing Barneveldsestraat 16
Tekst van het document
Onderbouwing BOPA Barneveldsestraat 16, Renswoude Gemeente Renswoude
Colofon Gegevens over het project: Plannaam:
Onderbouwing BOPA Barneveldsestraat 16 Renswoude
Status:
Concept
Datum:
13 mei 2026
Projectnummer Buro SRO:
SR250088
Projectmedewerkers
Dhr. T. Oostrom | Dhr. T. van Bruggen
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
KUDO projectontwikkeling
Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:
’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Telefoon:
030-2679198
E-mail:
utrecht@buro-sro.nl
Internet:
www.burosro.nl
pagina 2 van 42
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
5
1.1
Aanleiding en ambitie
5
1.2
Aanduiding plangebied
5
1.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit
6
1.4
Leeswijzer
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
8
2.1
Omgevingstafel
8
2.2
Participatie
8
3
Huidige situatie
10
4
Planbeschrijving
11
5
Toetsing aan omgevingsplan
13
5.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
13
5.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
14
6
7
Beleid
15
6.1
Rijksbeleid
15
6.2
Provinciaal beleid
16
6.3
Gemeentelijk beleid
18
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
19
7.1
Welstand
19
7.2
Verkeer en parkeren
19
7.3
Duurzaamheid en gezondheid
21
7.4
Geluid
22
7.5
Activiteiten en milieuzonering
23
7.6
Luchtkwaliteit
25
7.7
Archeologie en cultuurhistorie
26
7.8
Bodem
27
7.9
Omgevingsveiligheid
28
7.10
Natuur
30
7.11
Water
33
7.12
Ontplofbare oorlogsresten
36
7.13
Mer-beoordeling
38
8
Financiële haalbaarheid
40
9
Conclusie
41
pagina 3 van 42
BIJLAGEN Bijlage 1.
Verkeerskundig onderzoek Beekweide II 29-07-2019
Bijlage 2.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 14-04-2026
Bijlage 3.
Archeologisch inventariserend veldonderzoek Beekweide II 23-09-2021
Bijlage 4.
Verkennend bodemonderzoek 20-08-2024
Bijlage 5.
Aanvullend bodemonderzoek 29-08-2025
Bijlage 6.
Quickscan flora en fauna 16-07-2024
Bijlage 7.
Soortgericht onderzoek 01-09-2025
Bijlage 8.
Stikstofdepositieonderzoek 25-03-2026
Bijlage 9.
Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten 18-06-2021
Bijlage 10.
Proces verbaal opsporing ontplofbare oorlogsresten 01-09-2025
pagina 4 van 42
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en ambitie
De gemeente Renswoude is voornemens op een grotendeels onbebouwde locatie in het noorden van het stedelijk gebied van Renswoude een woonbuurt te realiseren. Deze ontwikkeling staat bekend als Beekweide II. Het plan omvat de realisatie van ca. 190 woningen, bestaande uit diverse woningtypen. Bij besluit van 15 februari 2022 heeft de raad van de gemeente Renswoude het bestemmingsplan ‘Beekweide II’ vastgesteld. Op dat moment was op de planlocatie Barneveldsestraat 16 een bedrijf gevestigd met daarbij horende milieucontouren. Op 29 maart 2023 heeft de Raad van State beoordeeld dat het bestemmingsplan moet worden vernietigd, omdat deze niet verenigbaar is met de bedrijfsactiviteiten. Hierop volgend is het bestemmingsplan ‘Herstelbesluit Beekweide II’ vastgesteld, waarin de gronden van het betreffende perceel van het bedrijf beschikken over de bestemming ‘Wonen – Uit te werken 1’ en de omliggende gronden binnen de milieucontour over de bestemming ‘Wonen – Uit te werken 2’. Deze uit te werken bestemmingen zijn uitgewerkt in de uitwerkingsplannen ‘Omgeving Barneveldsestraat 16’ en ‘Barneveldsestraat 16’. Onderhavige projectlocatie betreft het westelijke deel van het voormalige bedrijfsperceel, waarvoor het uitwerkingsplan Barneveldsestraat 16 (vastgesteld op 3 september 2024) van toepassing is, dat gebaseerd is op het stedenbouwkundig plan Beekweide II.
Hierin beschikt de projectlocatie over een woonbestemming zonder bouwvlak. Het voorliggende document voorziet in een ruimtelijke onderbouwing voor het voornemen om aan de Barneveldsestraat 9 nieuwe woningen vrij sectorwoningen te realiseren en een bouwkavel voor een vrijstaande schuurwoning mogelijk te maken. Het voornemen bestaat om voor het perceel van de vrijstaande schuurwoning een opvolgende BOPA-procedure te doorlopen, met eerst een procedure voor het planologische deel (activiteit ‘afwijkend gebruik’), waarbij de ruimtelijke uitgangspunten in een kavelpaspoort worden vastgelegd. Voor het overige deel van de ontwikkeling (9 woningen) wordt zowel het afwijkende gebruik als de bouwactiviteit aangevraagd. In dat verband is een onderbouwing vereist voor het gehele planvoornemen, waarmee inzichtelijk wordt gemaakt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorliggende onderbouwing voorziet daarin.
1.2
Aanduiding plangebied
De planlocatie bevindt zich in het noorden van het stedelijk gebied van Renswoude, langs de Barneveldsestraat. Het valt onder de kadastrale gemeente Renswoude, sectie C, en bestaat uit een gedeelte van het perceel 4222. De locatie beslaat een totale oppervlakte van ca. 2.300 m². Navolgende afbeeldingen tonen de globale situering van de locatie.
pagina 5 van 42
Globale ligging planlocatie, wit omkaderd (bron: beeldmateriaal.nl)
Globale begrenzing planlocatie, rood omkaderd (bron: beeldmateriaal.nl)
1.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1.
Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.
2.
Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.
Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a.
met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl);
pagina 6 van 42
b.
als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.
In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken, die met zes weken verlengd kan worden. In sommige gevallen kan het college echter bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. Bij de uitgebreide procedure bestaat de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen.
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 3 omvat een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Aansluitend daarop wordt in hoofdstuk 6 het van toepassing zijnde beleidskader voor de locatie/het gebied verwoord. In hoofdstuk 7 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 8 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 9 een algehele conclusie getrokken.
pagina 7 van 42
2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
2.1
Omgevingstafel
Op 27 november 2025 heeft de initiatiefnemer een principeverzoek ingediend voor het realiseren van 9 grondgebonden seniorenwoningen en het toekennen van een bouwvlak op 1 vrijstaande schuurwoning. Het verzoek is behandeld aan de intaketafel van de gemeente Renswoude op 5 maart 2026. De gemeente geeft aan dat het initiatief aansluit op de wens om een meer evenwichtige woningvoorraad te realiseren. Enkele aandachtspunten zijn meegegeven wat betreft de verkeerssituatie. Welstand concludeert dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Er wordt wel meegegeven dat de parkeerplaatsen voor de voorgevelrooilijn geen fraaie oplossing is. De gemeente Renswoude komt tot de conclusie dat het initiatief in beginsel aanvaardbaar is en dat in de ruimtelijke onderbouwing moet worden aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Door de initiatiefnemer is gekeken of er een andere oplossing voor de parkeersituatie te bedenken is, echter is hiervoor geen passend alternatief gevonden. Wel zijn de parkeerplaatsen zorgvuldig in een groene setting gepositioneerd, om ze zoveel mogelijk aan het oog te onttrekken. Dit is uitgewerkt in een inrichtingsplan (BeleefBuiten, d.d. 24 april 2026).
2.2
Participatie
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De initiatiefnemer is in veel gevallen verplicht om te participeren met de betrokkenen. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit hoort een beschrijving van de wijze waarop de participatie plaats heeft gevonden en wat daarvan het resultaat is. Sinds 1 januari 2024 beschikt de gemeente Renswoude over de ‘Participatie- en inspraakverordening Renswoude’ en ‘Beleidsregels participatie wijziging omgevingsplan’. Hierin is welke gevallen participatie aan de orde kan zijn of verplicht is. Eén van de gevallen waarvoor participatie verplicht is betreft de bouw van een omgevingsvergunning voor een BOPA die betrekking heeft op de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie. Dit is bij onderhavig initiatief aan de orde. De omgeving is tijdens een inloopinformatieavond (d.d. 14 april 2026) geïnformeerd over de voorgenomen woningbouw. Voorafgaand aan deze avond waren al meerdere gesprekken gevoerd met directe omwonenden, met name rond Barneveldsestraat 14, 16 en 16a. Naar aanleiding daarvan zijn al aanpassingen verwerkt, onder meer over erfgrenzen, erfafscheidingen, bouwhoogtes en minimale afstanden. De directe omgeving is op 1 april 2026 huis-aan-huis uitgenodigd. Daarnaast zijn enkele betrokken eigenaren, medeontwikkelaars en de gemeente per e-mail of persoonlijk geïnformeerd.
De informatieavond vond plaats op de locatie zelf, in de leegstaande schuur, zodat de plannen goed in hun ruimtelijke context konden worden toegelicht. De reacties tijdens de avond waren overwegend positief. Omwonenden waardeerden vooral dat zij vroegtijdig zijn betrokken, dat eerdere input zichtbaar is verwerkt en dat het plan uitgewerkt wordt passend binnen de bestaande setting. Ook werd positief gereageerd op het feit dat er geen doorgaande weg komt, maar een doodlopend parkeerhof, met wel een voetverbinding richting Beekweide.
pagina 8 van 42
Er zijn geen antwoordkaarten ingediend tijdens de avond. Na afloop zijn de presentatie en het conceptverslag gedeeld met aangemelde omwonenden, met een reactietermijn van twee weken voor aanvullingen of inhoudelijke reacties. Ook is toegezegd dat de omgeving in een later stadium opnieuw wordt geïnformeerd over de verdere uitwerking van deelgebied Barneveldsestraat. Dit is per e-mail (d.d. 7 mei 2026) door de initiatiefnemer aan de omwonenden gecommuniceerd. Het participatieproces is beschreven in een verslag.
pagina 9 van 42
3
Huidige situatie
Het plangebied maakt voor een deel uit van de gebiedsontwikkeling Beekweide II in het noorden van de kern Renswoude. Context Renswoude ligt op een strategische plek tussen de Lunterse Beek en de inundatiezone langs het Valleikanaal. De gemeente staat, naast het mooie dorp, met haar cultuurhistorische elementen, zoals het kasteel en de Koepelkerk, bekend om haar mooie en rustgevende buitengebied met de beken, de Grebbelinie in het schilderachtige Kampenlandschap van de Gelderse Vallei. Kenmerkend voor de omgeving is het onregelmatige patroon van akkers, weilanden en houtsingels. Renswoude heeft een goede ligging: goed bereikbaar vanaf de A12 en A30 en, in de luwte van Amersfoort/Ede-Veenendaal, in een aantrekkelijk landschap. Lange tijd bestond Renswoude uit het kasteel, de Grebbelinie en een woonlint, de Dorpsstraat. Later pas is het dorp uitgebreid met woningen en bedrijvigheid. Enkele jaren terug is de realisatie van Beekweide I, een woonbuurt in het noordoosten van Renswoude, voltooid. De groei van het dorp sluit aan op de kern en houdt rekening met de landschappelijke structuren in de omgeving. Plangebied De planlocatie is in de huidige planologische situatie bestemd als woonlocatie. In het verleden is het plangebied in gebruik geweest als bedrijfslocatie. Op het terrein bevinden zich dan ook nog meerdere opstallen ten behoeve van de bedrijfsfunctie.
Aan de westkant bevindt zich een bijgebouw. Op de navolgende afbeeldingen is een impressie van de huidige situatie weergegeven.
Zicht vanaf de Barneveldsestraat op de woning en bijgebouw (bron: Breur Ecologie & Onderzoek, juli 2024)
Eén van de opstallen in het plangebied (links) en zicht over het plangebied en omliggende gronden (bron: Breur Ecologie & Onderzoek, juli 2024)
pagina 10 van 42
4
Planbeschrijving
Het planvoornemen bestaat om 10 nieuwe woningen te realiseren. 9 van deze woningen worden in hofjesvorm gepositioneerd aan de oostzijde van het plangebied, aan de achterzijde van de bestaande woning aan de Barneveldsestraat 16. De 9 woningen worden verdeeld over 2 in een rij aaneengeschakelde volumes. Deze volumes staan met de voorzijdes gericht op een gemeenschappelijke groene ruimte. De woningen schikken zich naar het concept van een boerenhofje, met een relatief brede beukmaat en één bouwlaag met kap. Ook de buitenruimtes volgen het principes van een hofje, waarbij private buitenruimtes relatief klein zijn maar worden aangevuld met een gemeenschappelijke groene ruimte. Deze woningen zijn levensloopgeschikt en passen goed bij de beoogde doelgroep, zijnde senioren. Het parkeren bevindt zich in parkeerhavens aan een inritconstructie op de Barneveldsestraat en dus op eigendanwel mandelig terrein. In totaal worden 18 parkeerplaatsen gerealiseerd. De nieuwe vrijstaande schuurwoning krijgt 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. 16 parkeerplaatsen bevinden zich in de parkeerhavens en zijn bedoeld voor de 9 seniorenwoningen. De parkeersituatie wordt nader toegelicht in paragraaf 7.2.1. Navolgend zijn de situatietekening en beelden van de massastudie opgenomen.
Situatie- en verkavelingtekening van de beoogde ontwikkeling (bron: Schippers Architecten)
pagina 11 van 42
Impressie woningen boerenhofje (bron: Schippers Architecten)
pagina 12 van 42
5
Toetsing aan omgevingsplan
5.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude. Voor de gebiedsontwikkeling Beekweide II is door de gemeente Renswoude en BDP een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan opgesteld. Hierop volgend is het bestemmingsplan ‘Beekweide II’ vastgesteld, op 15 februari 2022. Op dat moment was op de planlocatie Barneveldsestraat 16 een bedrijf gevestigd met daarbij horende milieucontouren. Op 29 maart 2023 heeft de Raad van State beoordeeld dat het bestemmingsplan moet worden vernietigd, omdat deze niet verenigbaar is met de bedrijfsactiviteiten. Hierop volgend is het bestemmingsplan ‘Herstelbesluit Beekweide II’ vastgesteld, waarin de gronden van het betreffende perceel van het bedrijf beschikken over de bestemming ‘Wonen – Uit te werken 1’ en de omliggende gronden binnen de milieucontour over de bestemming ‘Wonen – Uit te werken 2’. De bestemming ‘Wonen – Uit te werken 1’ is inmiddels uitgewerkt in een uitwerkingsplan en vastgesteld op 3 september 2024 als uitwerkingsplan ‘Barneveldsestraat 16’. De verbeelding van het volledige bestemmingsplan is navolgend weergegeven.
Verbeelding van het bestemmingsplan ‘Barneveldsestraat 16, plangebied globaal in rood omkaderd (bron: Regels op de kaart)
Hierin beschikt de volledige planlocatie over de bestemming ‘Wonen’. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis gebonden beroep;
b.
de daarbij behorende tuinen, terreinen en erven;
c.
verkeers- en verblijfsactiviteiten, parkeervoorzieningen daaronder begrepen.
pagina 13 van 42
Voor het bouwen van woningen geldt: a.
b.
ter plaatse van de aanduiding 1
'vrijstaand' mogen woningen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd;
2
'aaneengebouwd' mogen woningen uitsluitend aaneen worden gebouwd, in niet-gestapelde vorm;
3
'gestapeld' mogen woningen uitsluitend gestapeld worden gebouwd;
het aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' en 'gestapeld' mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
c.
woningen mogen uitsluitend binnen bouwvlakken worden gebouwd met de voorgevels in of gekeerd naar de naar de weg gekeerde bouwgrenzen;
d.
binnen een bouwvlak mag tussen twee niet aaneen gebouwde woningen de afstand van elk van de woningen tot de onderlinge zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m bedragen of niet minder dan de bestaande afstand, indien die minder dan 3 m is;
e.
de goothoogte en de bouwhoogte van woningen mag niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.
5.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Het plan past niet volledig binnen het bestemmingsplan ‘Barneveldsestraat 16’. De beoogde locatie van de woningen beschikt niet over een bouwvlak, zoals aangegeven onder artikel 5 lid 2.2 onder c. Daarnaast wordt niet overal voldaan aan de eis dat de afstand tot de zijdelingse perceelgrens 3 m moet bedragen. Tevens wordt niet voldaan aan de specifieke gebruiksregels, opgenomen onder artikel 5 lid 4.1. Het maximaal toegestaan aantal woningen binnen de bestemming wordt, in combinatie met het planvoornemen aan de Pinksterbloemweide (Beekweide), overschreden met 11 woningen, namelijk 1 in het deel Pinksterbloemweide (Beekweide), 9 seniorenwoningen en 1 bouwkavel (plandeel Barneveldsestraat). De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet toegestaan binnen het omgevingsplan. Derhalve dient middels een buitenplanse omgevingsplanactiviteit afgeweken te worden van het omgevingsplan.
pagina 14 van 42
6
Beleid
6.1
Rijksbeleid
6.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2.
duurzaam economisch groeipotentieel;
3.
sterke en gezonde steden en regio's;
4.
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek Het initiatief sluit aan bij de NOVI-prioriteit van sterke, leefbare en klimaatbestendige steden en regio’s met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen. Met de toevoeging van 9 seniorenwoningen wordt voorzien in een passende woonvorm voor ouderen en wordt bijgedragen aan een levensloopbestendige woningvoorraad. Daarmee kan tevens doorstroming op de lokale woningmarkt worden bevorderd. De ontwikkeling is kleinschalig van aard en wordt zorgvuldig ingepast in de bestaande ruimtelijke structuur van Renswoude. De aard en omvang van het plan leiden niet tot een ontwikkeling die in strijd is met nationale belangen. Gelet op de beperkte schaal, de bijdrage aan passende huisvesting voor senioren en zorgvuldige stedenbouwkundige inpassing, is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie.
6.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
pagina 15 van 42
Planspecifiek Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling worden 10 woningen gerealiseerd. Derhalve wordt het plan niet gezien als stedelijke ontwikkeling en hoeven de ‘treden van de ladder’ niet doorlopen te worden.
6.2
Provinciaal beleid
6.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 1 januari 2024 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
▪
waarin Stad en land gezond zijn;
▪
die Klimaatbestendig en water robuust is;
▪
waarin Duurzame energie een plek heeft;
▪
met Vitale steden en dorpen;
▪
die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is;
▪
met een Levend landschap, erfgoed en cultuur;
▪
die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Kernwoorden hierbij zijn slim combineren en combineren. Daarnaast gaat het om samenwerking, aangezien de provincie de vraagstukken waar de provincie voor staat niet alleen kan oplossen. Het betreft samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek Voorliggend plan raakt aan het vierde beleidsthema van de omgevingsvisie: vitale dorpen en steden. Er wordt gestreefd naar een provincie waar ruimte is voor goed wonen, werken en natuur. Onderhavig plan is in lijn met de ambitie die de provincie heeft voor vitale dorpen en steden. De ontwikkeling voorziet immers in de transitie van een binnenstedelijke locatie in Renswoude, waarmee het stedelijk gebied beter wordt benut. Dit is onder andere wenselijk omdat zo ruimteclaims op landelijk gebied kunnen worden voorkomen. De beoogde ontwikkeling maakt kwalitatief hoogwaardige woonpercelen mogelijk, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de plancapaciteit in de regio en gemeente. Ander belangrijk beleidsthema in de omgevingsvisie is een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving. De provincie streeft ernaar dat iedereen in de provincie Utrecht in een gezonde leefomgeving woont, werkt en recreëert. Dit is een belangrijke voorwaarde om een economische topregio te kunnen zijn. Goed wonen en schone lucht,
pagina 16 van 42
water en bodem zijn aspecten die hierbij van belang kunnen zijn. Uit de toelichting in hoofdstuk 7 blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
6.2.2 Omgevingsverordening provincie Utrecht In de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening
gaat
het
deels
om
regels
die
alleen
voor gemeenten,
waterschappen
en
uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Stedelijk gebied Het plangebied beschikt over de gebiedsaanduiding stedelijk gebied. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het stedelijk gebied kan regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de voorwaarden waarbij de woningbouw niet leidt tot extra bodemdalen en waarbij de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma ‘Wonen en werken’. In dit programma worden de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd, waarbij zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps wordt gebouwd. Daar is sprake van. Landschap Gelderse Vallei Het plangebied maakt onderdeel uit van het landschap Gelderse Vallei. Voor het landschap Gelderse Vallei wenst de provincie de volgende kernkwaliteiten te behouden: a.
rijk gevarieerde kleinschaligheid;
b.
stelsel van beken, griften en kanalen;
c.
Grebbelinie;
d.
overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).
Bij ontwikkelingen in het landschap van de Gelderse Vallei acht de provincie het vooral van belang dat de kleinschaligheid, die dit landschap zo aantrekkelijk maakt behouden wordt. In het verleden zijn al veel kleinschalige landschapselementen verdwenen, waardoor ruimten groter zijn geworden. Ze hebben hun functie verloren en zijn verwijderd. De stedenbouwkundige en landschappelijke structuren van voorliggend plan zijn gebaseerd op het kampenlandschap en op de Lunterse Beek. Daarmee wordt een geleidelijke overgang vanuit het landelijk gebied naar het stedelijk gebied geborgd. Er kan geconcludeerd worden dat de bepalingen van de omgevingsverordening geen belemmering vormen voor onderhavig plan.
pagina 17 van 42
6.3
Gemeentelijk beleid
6.3.1 Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 Door de gemeenteraad van de gemeente Renswoude is op 3 juli 2018 de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 vastgesteld. Het doel van de Omgevingsvisie is het creëren van een strategische visie voor de langere termijn voor de hele fysieke leefomgeving van Renswoude, die antwoord geeft op de vraag: Hoe ziet Renswoude er in 2030 uit? De gemeente Renswoude staat naast het mooie dorp met haar cultuurhistorische elementen zoals het kasteel en de Koepelkerk ook bekend om haar mooie en rustgevende buitengebied met de beken, de Grebbelinie, het schilderachtige Kampenlandschap, het Coulissenlandschap en de Emminkhuizerberg. Naast de mooie fysieke leefomgeving kenmerkt de gemeente zich door een sterke saamhorigheid en nabuurschap. Er is sprake van menselijke maat, zorg voor elkaar, een sterk verenigingsleven en hechte kerkelijke gemeenschappen. Al deze kenmerken en karaktereigenschappen zorgen voor een goede leefbaarheid. Het voorgaande neemt natuurlijk niet weg dat er een aantal vraagstukken leeft binnen de gemeente. Deze vraagstukken komen aan bod in de Omgevingsvisie en hebben betrekking op de volgende thema's: wonen, werken, voorzieningen en het buitengebied. Daarbij krijgen bij ieder thema de navolgende doelstellingen in meer of minder mate een plek:
▪
Saamhorigheid, sociale cohesie en veiligheid
▪
Ruimtelijke kwaliteit en gezondheid
▪
Energietransitie
▪
Bereikbaarheid
Planspecifiek Met voorliggend initiatief wordt een deel van een woonbuurt mogelijk gemaakt, waarmee het plan hoofdzakelijk betrekking heeft op het thema wonen. In de visie wordt aangegeven dat de gemeente wil werken aan een flexibele woningvoorraad waarin ruimte is voor alle doelgroepen, met specifieke aandacht voor starters en senioren. Daarbij wordt benadrukt dat er de afgelopen jaren onvoldoende voor deze doelgroepen is gebouwd en dat het wenselijk is dat inwoners zo lang mogelijk binnen de eigen gemeente kunnen blijven wonen. De realisatie van 10 woningen, waaronder 9 seniorenwoningen, draagt bij aan deze beleidsdoelstelling. Het plan voorziet in woningen voor een doelgroep waarvoor binnen de gemeente een aantoonbare behoefte bestaat en draagt daarmee bij aan een meer evenwichtige woningvoorraad. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de bepalingen van de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030.
pagina 18 van 42
7
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
7.1
Welstand
Artikel 22.29 lid 1 onder b (bruidsschat) bepaalt dat bestaande en nieuwe bouwwerken niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Veel gemeenten hebben deze welstandsnota waarin zij de beleidsregels hebben opgenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing. In het omgevingsplan kunnen welstandscriteria echter ook worden opgenomen in de ruimtelijke planregels, in plaats van in beleidsregels. Ook zijn er gemeenten die bepaalde gebieden hebben aangewezen die welstandsvrij zijn. Er vindt in deze gebieden dan geen welstandstoets plaats. Ook kunnen voor nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld specifieke welstandsregels gelden die zijn opgenomen in een beeldkwaliteitsplan.
Planspecifiek De gemeente Renswoude heeft advies gevraagd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (MooiSticht). In hun advies (REN26-0010, d.d. 23 februari 2026) geeft MooiSticht aan dat op grond van de ingediende gegevens het plan op hoofdlijnen geen aanleiding geeft tot bezwaar. Wel vragen zij aandacht voor het parkeren en de routing. Het aantal parkeerplaatsen zal een fors beslag op de ruimtelijke uitstraling leggen.
7.2
Verkeer en parkeren
7.2.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek Het planvoornemen leidt tot een toename in de verkeersgeneratie. Met behulp van de kencijfers uit de CROWpublicatie 744 is berekend wat de verkeersgeneratie in de beoogde situatie is. Navolgende tabel geeft een overzicht van de verkeersgeneratie volgens de normen van CROW. Er is uitgegaan van een niet stedelijk gebied in schil centrum, zoals ook wordt aangehouden in de Nota Parkeernormen van de gemeente Renswoude. Voor de beoogde seniorenwoningen is in plaats van de categorie ‘koop, huis, tussen/hoek’, uitgegaan van ‘koop, appartement, 75100 m²’. De lagere norm die hierbij hoort past beter bij de doelgroep (senioren), de gemeentelijke parkeernorm en het kleinere woonoppervlak.
pagina 19 van 42
Type Vrijstaande woning Seniorenwoning
Categorie CROW Koop, huis, vrijstaand Koop, appartement, 75100 m² bvo
Aantal 1 9
Kengetal p.w. 8,1 5,9
TOTAAL
Verkeersgeneratie 8,1 53,1 61,2
Berekening verkeersgeneratie beoogde situatie op basis van de parkeernota gemeente Renswoude
De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeersgeneratie van ca. 61,2 voertuigbewegingen per etmaal. Dit betreft geen pure toename, aangezien de verkeersbewegingen van een voormalig grondverzet-/loonbedrijf is komen te vervallen. Per saldo heeft het plan daarmee geen grote impact. Daarnaast wordt het toekomstige verkeer onderdeel van de volledige verkeersgeneratie van de gebiedsontwikkeling Beekweide II. Omdat deze gebiedsontwikkeling in zijn totaliteit een forse toename met zich meebrengt en er in Renswoude verschillende projecten lopen is er inzichtelijk gemaakt of de bestaande wegenstructuur de verkeerstoename kan verwerken, of dat aanpassingen van het wegennet nodig zijn. Hiervoor is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd (Megaborn, d.d. 29 juli 2019, zie bijlage 1). Uit dit onderzoek blijkt dat de wegen in Renswoude over het algemeen voldoende capaciteit hebben om de toenemende verkeersintensiteiten vlot en veilig te verwerken. De realisatie van Beekweide II leidt niet tot capaciteitsproblemen bij de aansluitingen van Beekweide op de Barneveldsestraat aan de westzijde en de Ubbeschoterweg aan de oostzijde van Beekwijde II. Ook het kruispunt Dorpsstraat – Kastanjelaan heeft tot en met 2030 voldoende capaciteit na aanleg van Beekweide II. De beperkte toename die onderhavig plan met zich meebrengt heeft hiervoor geen gevolgen.
Wel zijn er vragen gesteld door de gemeente en de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit omtrent de beoogde inen uitritconstructie van het planvoornemen op de Barneveldsestraat. Gezien de beoogde doelgroep (senioren) kan gesteld worden dat er in de feitelijke situatie minder verkeersbewegingen zullen plaatsvinden dan de doorsnee koopwoning. Daarnaast takt de, al bestaande en overzichtelijke, in- en uitritconstructie aan op een bestaand verkeersplateau dat daar ligt ten behoeve van de kruising op De Hooge Hoek. Er is dus al sprake van een snelheidsremmende maatregel en de inrit bestaat al. Daarnaast was voorheen op de locatie al een bedrijf aanwezig dat verkeer op gang bracht. Desalniettemin zal de in- en uitritconstructie naar verwachting wat vaker gebruikt gaan worden, maar ontstaat er ontstaat geen nieuwe en dus ook geen onveilige(re) situatie dan in de voormalige situatie. Geconcludeerd kan worden dat het voornemen in het kader van het aspect verkeer uitvoerbaar is.
7.2.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden
pagina 20 van 42
verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Planspecifiek Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen gemeente Renswoude’ (vastgesteld op 30 mei 2016). De autoparkeernormen zijn gebaseerd op de kencijfers van het CROW (publicatie 317). Om te waarborgen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte is het noodzakelijk dat aan de parkeernormen wordt voldaan. In overleg tussen initiatiefnemer en de gemeente Renswoude zijn afspraken gemaakt over het benodigde parkeerprogramma. Hierin is overeengekomen dat in onderhavig geval de parkeervraag volgens parkeernota dient te worden opgelost op het eigen terrein/mandelig gebied. Navolgende tabel geeft een overzicht weer van de benodigde parkeerplaatsen volgens de cijfers uit de parkeernota van de gemeente Renswoude. Type Vrijstaande woning Seniorenwoning TOTAAL
Aantal 1 9
Kengetal p.w. 2,2 1,7
Verkeersgeneratie 2,2 15,3 17,5
Berekening parkeerbehoefte beoogde situatie op basis van de parkeernota gemeente Renswoude
De beoogde ontwikkeling resulteert in een parkeervraag van in totaal 17,5 parkeerplaatsen. Dit betekent dat er op eigen terrein voorzien moet worden in afgerond 18 parkeerplaatsen. In het planvoornemen worden 16 parkeerplaatsen op het eigen- dan wel mandelig terrein gerealiseerd en 2 parkeerplaatsen op eigen kavels. Daarmee is sprake van een passende parkeersituatie.
7.3
Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De nieuwe eisen zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Planspecifiek Er wordt bij de opzet en de terreininrichting rekening gehouden met voldoende mogelijkheden voor een zo gezond mogelijke omgeving. De gezamenlijke binnentuin wordt ingericht met groen, is autoluw en biedt ruimte voor
pagina 21 van 42
ontmoeting. Daarnaast worden de nieuwe woningen opgeleverd conform de eisen voor Energie Neutrale Gebouwen (ENG), zoals vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemer en gemeente, wat verder gaat dan de wettelijke duurzaamheidseisen. Ook is geen sprake van milieuaspecten die een significant negatieve invloed zijn op de gezondheid hebben. Verwacht wordt dat het aspect duurzaamheid en goede gezondheid voldoende geborgd zijn in het plan.
7.4
Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
▪
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
▪
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
▪
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
▪
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van een geluidgevoelig gebouw gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale
wegen,
gemeentewegen,
waterschapswegen,
hoofdspoorwegen,
lokale
spoorwegen
en
industrieterreinen.
Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen, zoals bedoeld in art. 3.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Derhalve zal in beeld moeten worden gebracht of de planlocatie is gelegen in de aandachtsgebieden van belangrijke geluidsbronnen. In de omgeving van de planlocatie bevinden zich geen industrieterreinen, spoorwegen en rijkswegen. Wel bevindt de planlocatie zich binnen het aandachtsgebied van gemeentelijke wegen de Barneveldsestraat en De Hooge Hoek waar een snelheidsregime van 50 km/u geldt. Derhalve dient een akoestisch onderzoek naar wegverkeer te worden uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 14 april 2026, zie bijlage 2). Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse van drie toetspunten (01, 02 en 04), alle drie op de beoogde vrijstaande woning, sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde voor gemeentewegen (53 dB), tot maximaal 61 dB. De hoogste waarde van het gezamenlijke geluid bedraagt 61 dB op de westgevel van de schuurwoning. Volgens het Bbl moet de minimale karakteristieke geluidwering van de gevel 28 dB (61-33 = 28 dB) zijn, om een acceptabel woon- en leefklimaat te borgen. Daarmee voldoet het plan aan de kaders van het Bkl.
Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dient door middel van een gevelweringonderzoek aangetoond te worden dat voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies (GA;K) te realiseren is. De gemeente Renswoude heeft nog geen kaders of geluidregels voor het beoordelen van geluid onder de Omgevingswet. Ook geldt er geen beleid uit de voorgaande wetgeving. In het geluidbeleid van veel andere gemeenten geldt doorgaans dat bij een overschrijding van de standaardwaarden in beginsel maatregelen moeten worden getroffen. Bronmaatregelen zijn in dit geval, zoals in paragraaf 4.2 is toegelicht, niet toereikend. Indien bronmaatregelen niet haalbaar zijn, worden veelal voorwaarden gesteld, zoals de aanwezigheid van een geluidluwe
pagina 22 van 42
gevel en een geluidluwe buitenruimte. In het onderhavige geval is daarvan sprake aan de oostgevel van de schuurwoning. Daarmee sluit het initiatief aan bij hetgeen doorgaans in gangbaar beleid ten aanzien van verkeerslawaai wordt verlangd.
7.5
Activiteiten en milieuzonering
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is.
De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Zones, waarden en afstanden Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden. Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.
Gebiedstypen In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd.
pagina 23 van 42
Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan. Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. Hierdoor zijn er geen aanvullende planregels nodig die inwaartse zonering vormgeven, zoals die volgens deze handreiking wel gelden op een bedrijventerrein en andere werkterreinen. Het uitgangspunt in een gemengd gebied met wonen is dat hier alleen milieuhinderlijke activiteiten gevestigd worden, die naar aard en impact op de omgeving passend zijn. In de basis mag het gebruik niet leiden tot milieuhinder buiten de grens van de bedrijfslocatie, dan wel verder reiken dan de overzijde van de openbare weg waaraan de activiteit ligt. De standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan (en in eerste instantie de Bruidsschat) bieden de basis om activiteiten wat betreft hun milieugebruiksruimte evenwichtig aan locaties toe te kunnen delen. Bestaande activiteit Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Dit kan bijvoorbeeld via een eigen functieaanwijzing met regels of met een maatwerkvoorschrift.
Voor de bestaande activiteiten kan daarom een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Het moet gaan om een rechtmatige en feitelijk aanwezige geluid- of geurbelasting, ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan. Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
▪
Luchtverontreiniging.
▪
Externe veiligheid en gevaar.
▪
Trillinghinder.
▪
Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
▪
Lichthinder.
▪
Spuitzones.
▪
De hinder door verkeer aantrekkende werking.
Planspecifiek Het initiatief voorziet in de beoogde realisatie van 9 woningen alsmede het mogelijk maken van een bouwkavel ter plaatse van het bijgebouw gelegen naast de bestaande woning Barneveldsestraat 16. Wonen is een gevoelige functie, waardoor beoordeeld dient te worden of er ter plaatse van deze gevoelige functies sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er dient inzichtelijk gemaakt te worden of de nieuwe invulling van de locatie inpasbaar is in de omgeving en dat dit niet tot belemmeringen bij omliggende bedrijven en andere milieubelastende activiteiten leidt.
pagina 24 van 42
Bedrijventerrein Aan de overzijde van de Barneveldsestraat bevindt zich een bedrijventerrein. Op de locaties direct grenzen aan de Barneveldsestraat zijn bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Omdat de meest recente VNGhandreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ (nog) niet verwerkt is in het omgevingsplan, wordt de oude VNGbrochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ gehanteerd met de daarin opgenomen richtafstanden. Voor bedrijven tot en met milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied met wonen. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Barneveldsestraat 18a Op ongeveer 60 m ten noorden van de planlocatie bevindt zich aan de Barneveldsestraat 18a een bedrijfslocatie. Deze heeft in het bestemmingsplan ‘Herstelbesluit Beekweide II’ een woonbestemming gekregen. Daarmee is voldoende verzekerd dat het bedrijf en bijbehorende activiteiten op termijn zal worden beëindigd. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect activiteiten en milieuzonering geen belemmering voor voorliggend initiatief.
7.6
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
2.
Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Wel is ten behoeve van 'een evenwichtige toedeling van functies’, met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van receptor 32163726_190 voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor NO2 en PM10 en 25 μg/m³ voor PM2,5. De specifieke concentraties over 2024 van fijnstof en stikstofdioxide in het
pagina 25 van 42
plangebied bedragen 13,4 μg/m³ (NO2), 9,0 μg/m³ (PM2,5) en 15,8 μg/m³ (PM10). De WHO-advieswaarden worden niet overschreden. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, dus ook in Nederland. Uiterlijk in 2030 moeten de jaargemiddelde concentraties PM2,5 en PM10 zijn gedaald naar respectievelijk 10 en 20 μg/m³. Voor NO2 gaat een nieuwe jaargemiddelde eis gelden van 20 μg/m³. De specifieke concentraties over 2030 van fijnstof en stikstofdioxide in het plangebied bedragen 10,8 μg/m³ (NO2), 7,7 μg/m³ (PM2,5) en 15,1 μg/m³ (PM10). Deze waarden liggen lager dan de concentraties in 2024 en blijven binnen de nieuwe grenswaarden voor 2030. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.
7.7
Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast zijn er algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen.
De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek In 2019 is door Transect voor de gehele gebiedsontwikkeling Beekweide II een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 19010049, d.d. 23 september 2021, zie bijlage 3). Op basis van het gecombineerde en geactualiseerde archeologisch vooronderzoek is vastgesteld dat het projectgebied een lage verwachting kent op het aantreffen van archeologische waarden uit alle periodes. Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen in het kader van het aspect archeologie uitvoerbaar is.
pagina 26 van 42
7.8
Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
▪
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
▪
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
Planspecifiek Woningen zijn in het kader van het Bkl bodemgevoelige gebouwen. Er is sprake van een strenger bodemgebruik ten opzichte van de huidige situatie. Verkennend bodemonderzoek Om vast te stellen of de bodem geschikt is voor de bouw van de nieuwe woningen is in opdracht van KUDO een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek beschouwd (Verhoeven Milieutechniek, B24.9265, d.d. 20 augustus 2024, zie bijlage 4). Voor het verkennend bodemonderzoek werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie, waarbij diverse bedrijfsactiviteiten, diverse verhardingen en bebouwing, en de aanwezigheid van asbesthoudende dakbedekking, aandachtspunten vormde. Op basis van de resultaten dient de verdachte hypothese te worden aangenomen, aangezien in het grondwater ter plaatse van de (voormalige) werkplaats met opslag smeerolie in lekbak en (voormalige) opslag-/ bergruimte met compressor en opslag olie in vaatjes, sterk verhoogde gehalten voor minerale olie en vluchtige aromaten zijn aangetoond. Tevens kan niet uitgesloten worden dat hier zowel de grond als het grondwater
sterk
verontreinigd
is
geraakt
door
vluchtige
koolwaterstoffen
(VOCl).
Daarnaast
zijn
asbestverontreinigingen aangetoond, welke zich voornamelijk op het achter terrein bevinden. De verontreinigingen geven aanleiding tot vervolgonderzoek. Dit onderzoek wordt navolgend beschouwd. Aanvullend bodemonderzoek Naar aanleiding van het eerder uitgevoerde verkennende bodemonderzoek is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend zijn de resultaten uit het aanvullend bodemonderzoek opgenomen (Verhoeven Milieutechniek, B25.9501, d.d. 29 augustus 2025, zie bijlage 5).
pagina 27 van 42
Op basis van de resultaten van het aanvullend onderzoek is Verhoeven Milieutechniek van mening dat de milieu hygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie voldoende in beeld is gebracht. Geconcludeerd kan worden dat de eerder aangetroffen sterke verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten in het grondwater (inpandig ter plaatse van de voormalige werkplaats) is bevestigd. Aangezien in de grond ter plaatse van de kern en eromheen, in het diepere grondwater en in het grondwater uit de omliggende peilbuizen geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters (minerale olie en vluchtige stoffen) zijn aangetoond, is sprake van een lokale grondwaterverontreiniging. Voor wat betreft de aangetroffen grondwaterverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten zijn mogelijk wel vervolgstappen noodzakelijk. Bij toekomstige herontwikkeling dient rekening gehouden met eventuele humane risico’s als gevolg van inhalatie binnenlucht. Indien ter plaatse van de aangetroffen verontreiniging nieuwbouw wordt gerealiseerd, dient voorafgaand de grondwaterverontreiniging te worden gesaneerd om eventuele risico’s (uitdamping) weg te nemen. Op 7 en 8 april 2026 heeft er ook nog een proefsleuvenonderzoek naar asbest in puin plaatsgevonden, evenals een aanvullend bodemonderzoek ter plaatse van het voormalig gronddepot. De resultaten van dit onderzoek zijn nog niet beschikbaar.
Desalniettemin staat dit verlening van de omgevingsvergunning niet in de weg, omdat de verontreinigingssituatie op het perceel grotendeels in beeld is. Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens het perceel geschikt te maken voor het woongebruik, door alle uiteindelijk geconstateerde ernstige verontreinigingen te saneren conform een saneringsplan. De gemeente Renswoude kan dit desgewenst borgen in de vergunningsvoorschriften bij de omgevingsvergunning. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, mits de noodzakelijke onderzoeken en sanering(en) voorafgaand aan de herontwikkeling van de gronden plaatsvinden.