Bijlage 2 Totaalversie wijziging omgevingsplan d.d. 15 oktober 2025
Tekst van het document
4.8.
Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Een gemeente legt in het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vast. In afdeling 3.5 van het Bkl zijn regels voor belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen opgenomen. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen (voor functies zoals wonen, onderwijs of zorg) en locaties nabij een geluidsbron. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) (lokale spoorwegen die zijn aangewezen bij omgevingsverordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Voor lokale wegen (een verharde gemeente- of waterschapsweg met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal) en lokale spoorwegen (een spoorweg die niet is aangewezen bij omgevingsverordening). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid.
Binnen het geluidaandachtsgebied is akoestisch onderzoek nodig om een geluidgevoelig gebouw toe te laten.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
27
Afbeelding 11: Standaardwaarden en grenswaarden. Geluidbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschapswegen Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen Industrieterreinen
Standaardwaarde
Grenswaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden 40 Lnight
60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden 45 Lnight
Toetsing Omdat een bedrijfshal geen geluidgevoelige functie is, is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het aspect verkeerslawaai vormt geen belemmering voor realisatie van de aanvraag.
4.9.
Geur Algemeen Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Conform de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat (BS) bevat regels over: ▪ geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); ▪ geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); ▪ geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); ▪ geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).
In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Toetsing Een agrarisch hulpbedrijf is geen geurgevoelige functie. Derhalve is naar dit aspect geen onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het aspect geur levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
28
4.10. Milieuzonering In planologische procedures waarin de vestiging van woningen in de nabijheid van bedrijven (of andersom) mogelijk wordt gemaakt, moet rekening worden gehouden met ruimtelijk relevante milieuhygiënische aspecten van die bedrijven. Het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer; deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen niet onder de definitie van een 'milieubelastende activiteit'. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen, wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor activiteiten die niet in H3 van het Bal zijn aangewezen, kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De gemeente Renswoude heeft in H22, afdeling 22.3 regels opgenomen met betrekking tot milieubelastende activiteiten in relatie tot geluid en geur. Om hinder tussen bedrijven en woningen te voorkomen, is ook onder de Omgevingswet een goede afstemming noodzakelijk.
Milieuzonering zorgt ervoor dat bij de bouw van nieuwe woningen voldoende afstand in acht wordt genomen tot milieubelastende activiteiten (tussen bedrijven en gevoelige functies, zoals woningen). Zo worden hinder en gevaar voorkomen en kunnen bedrijven zich binnen aanvaardbare voorwaarden in een gebied vestigen en activiteiten (blijven) uitoefenen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft in de brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) een handreiking4 gedaan ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. De publicatie heeft bedrijven ingedeeld in categorieën met bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies, zoals woningen. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de grond die is aangewezen voor de functie bedrijf en anderzijds de gevel van een woning. De richtafstanden hangen samen met de gebiedskenmerken. De VNG-publicatie hanteert twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden
4
In oktober 2024 is de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering gepubliceerd. Deze handreiking is in hoofdzaak is bedoeld voor de inrichting van het nieuwe omgevingsplan en niet om te onderzoeken of er bij milieugevoelige functies (zoals woningen) nabij milieubelastende functies een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd kunnen worden. De handreiking ziet vooral op het inrichten van een omgevingsplan met milieubelastende functies. Om aan te tonen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij ruimtelijke ontwikkelingen, is de handreiking uit 2009 nog steeds bruikbaar.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
29
genomen. In geval van een gemengd gebied, waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Het uitgangspunt van de VNG handreiking is dat de gemeente deze gemotiveerd toepast. Het is een hulpmiddel, maar het legt niet vast wat wel en wat niet is toegestaan. Een gemeente dient zelf zorgvuldig af te wegen, te bepalen en te motiveren welke functies en activiteiten zij in een bepaald gebied toelaatbaar acht en welke Staat van Bedrijfsactiviteiten zal worden toegepast, zodat maatwerk en flexibiliteit voor een plangebied ontstaat. Er wordt een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk/buitengebied' en 'gemengd gebied'. Afbeelding 12: Omgevingstype. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonRichtafstand tot omgevingstype gemengd wijk en rustig buitengebied gebied 10 meter 0 meter 30 meter 10 meter 50 meter 30 meter 100 meter 50 meter 200 meter 100 meter 300 meter 200 meter
Toetsing De bedrijfsactiviteiten van het agrarisch hulpbedrijf veranderen niet en worden in de toekomst voor een deel inpandig uitgevoerd. Door de beëindiging van de vleeskalverhouderij zal de milieubelasting bovendien aanzienlijk lager zijn dan in de huidige situatie. Daarom is naar dit aspect geen onderzoek noodzakelijk. Conclusie Vanuit oogpunt van milieuzonering is het plan uitvoerbaar.
4.11. Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
30
▪ activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). ▪ buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. ▪ windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl).
Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Een aandachtsgebied geldt van rechtswege, en is een gebied rond activiteiten met gevaarlijke stoffen dat zichtbaar maakt waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl).
Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
31
Toetsing Op het perceel is een propaantank aanwezig met de daarbij behorende risicocontouren. Omdat de activiteiten van de kalverhouderij worden beëindigd en die van het agrarisch hulpbedrijf onveranderd worden voortgezet, is dit niet van invloed op het aspect omgevingsveiligheid. Uit de risicokaart blijkt dat op het perceel een propaantank aanwezig is. Na de beëindiging van de kalverhouderij zal deze worden verwijderd. Voor het overige geldt dat het plaatsgebonden risico van de relevante risicobronnen geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief. Afbeelding 13: Fragment risicokaart
Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12. Trilling Algemeen Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing In de omgeving van het plangebied zijn er geen activiteiten die trillingshinder veroorzaken. Conclusie Het aspect trilling levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
32
4.13. Welstand Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot: ▪ repressief welstand (artikel 22.7), oftewel de excessenregeling, en ▪ beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29). Als een gemeente geen welstandsnota en ook een beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken heeft, dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De bruidsschat geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Toetsing Achter het bestaande kantoor zal de bestaande bedrijfsloods worden verlengd. De uiterlijke vormgeving van het nieuwe gedeelte zal worden afgestemd op het bestaande deel. Conclusie De bouwplannen zullen te zijner tijd worden getoetst aan de welstandsnota.
4.14. Archeologie en cultuurhistorie 4.14.1. Algemeen In de Omgevingswet wordt onder cultuur erfgoed verstaan monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. In artikel 5.130 Bkl zijn bepalingen opgenomen om in het omgevingsplan cultureel erfgoed te beschermen. Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.14.2. Archeologie Het Verdrag van Malta regelt de omgang met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland ondertekende dit verdrag van de Raad voor Europa in 1992. Aanleiding voor dit verdrag was dat het Europese archeologische erfgoed in toenemende mate bedreigd werd. Niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
33
Artikel 5.130, lid 3 Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over de uitvoering van onderzoek bij activiteiten die een te verwachten archeologisch monument kunnen verstoren. Voor projecten kleiner dan 100 m² mag geen archeologisch onderzoek gevraagd worden, tenzij in het omgevingsplan anders is bepaald. Toetsing Uit het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3) blijkt dat voor het perceel geen archeologische verwachtingswaarde is aangegeven. Gelet hierop is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Indien tijdens de werkzaamheden resten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze resten van cultuurhistorische waarde zijn, geldt een wettelijke meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Conclusie Het aspect archeologie levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. De gronden in dit TAM-omgevingsplan zijn overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan aangewezen voor een functie voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. 4.14.3. Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen Rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. Conclusie Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.15. Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor het aspect bodem instructieregels in het opgenomen. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Het wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: ▪ het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie); ▪ het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies); ▪ het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen). De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
34
bodem en is geen omgevingswaarde. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Toetsing Artikel 5.89g, lid 1 Bkl maakt een uitzondering voor gebouwen waarvoor aannemelijk is dat personen er minder dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Gelet op de de bedrijfsactiviteiten in de bedrijfshal is het aannemelijk dat personen minder dan twee uur per dag zich in de bedrijfshal zullen bevinden en is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Conclusie De milieukundige bodemgesteldheid is geschikt voor het beoogde gebruik.
4.16. Weging van het waterbelang Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op grond van artikel 5.37 Bkl rekening te worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken. Dit betekent dat een zogenaamde 'weging van het waterbelang' (voorheen: watertoets) dient plaats te vinden. Toetsing Het plangebied ligt in het beheergebied van het Waterschap Vallei en Veluwe. Ten behoeve van de planontwikkeling is op 30 september 2025 de digitale watertoets5 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat rondom het perceel A- of B-watergangen zouden liggen. Uit kaartmateriaal bij de waterschapsverordening blijkt echter dat dit C-watergangen betreft. Aan die watergangen vinden overigens geen ingrepen plaats. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat zo veel mogelijk hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet of niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) worden voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. De gemeente hanteert voor nieuwbouw een ontwateringsnorm van 90 cm (gemeten tussen de GHG en de onderkant van de vloer). Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook
5
buRO – bureau voor ruimtelijke ordening, Digitale watertoets Dashorsterweg 2, Amersfoort, 30 september 2025
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
35
om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de initiatiefnemer de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van het waterschap toe te passen. Conclusie Het aspect weging van het waterbelang levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.17. Niet gesprongen explosieven Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Renswoude gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor mogelijk ontplofbare oorlogsresten (OO) in de bodem kunnen zijn achtergebleven. De gronden ter plaatse van het plangebied zijn op basis van de CE bodembelastingkaart van gemeente Renswoude niet verdacht op conventionele explosieven. Er is derhalve geen aanvullend onderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog nodig.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
36
5.
Juridische planbeschrijving
5.1.
Algemeen Dit TAM-Omgevingsplan besluit vormt een alternatieve mogelijkheid om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer dit nog niet via de nieuwe standaard kan worden gedaan. Het doel van dit TAM-Omgevingsplan besluit is om te voorkomen dat planvorming onaanvaardbare vertraging oploopt onder de Omgevingswet. Het TAM-Omgevingsplan is met de techniek van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld, maar wel conform de inhoudelijke eisen van de Omgevingswet. Daardoor zijn de IMROstandaarden gebruikt. Met dit TAM-Omgevingsplan besluit worden zoveel mogelijk de regels uit het bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing verklaard in het omgevingsplan (via dit TAM-Omgevingsplan besluit). Wel zijn aanvullende regels nodig om te zorgen dat wordt voldaan aan de Omgevingswet. Het bestemmingsplan voldoet immers niet geheel aan de Omgevingswet. Het juridische deel van dit TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en een verbeelding waarop de toegelaten functies zijn aangegeven. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden: Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Dashorsterweg 2 in Renswoude en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22e) van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
37
van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22e' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22e' gelezen worden.
5.2.
Regels Het TAM-omgevingsplan bestaat uit 4 hoofdstukken. In de benaming is daarbij zo dicht mogelijk bij de IMRO-standaarden gebleven: ▪ Hoofdstuk 1 Inleidende regels ▪ Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten (voorheen: bestemmingsregels) ▪ Hoofdstuk 3 Algemene regels ▪ Hoofdstuk 4 Overgangsregels (voorheen: overgangs- en slotregels). Hoofdstuk 1 Inleidende regels In artikel 1 is het toepassingsbereik van het TAM-omgevingsplan aangegeven. Hiermee wordt voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden. De begripsbepalingen uit de bijlage van de Omgevingswet c.a. zijn van rechtswege van toepassing op regelingen op grond van de Omgevingswet (artikel 1.1 Omgevingswet) en dus ook op TAM-omgevingsplannen. Voor zover de begripsbepalingen (artikel 2) en de wijze van meten (artikel 4) van het Omgevingsplan van de gemeente Renswoude en van de Omgevingswet en de bijbehorende besluiten (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling) afwijken van de bepalingen uit hoofdstuk 1 van dit TAM-omgevingsplan, dan gaat dit hoofdstuk voor. In artikel 3 zijn aanvullende begripsbepalingen opgenomen. Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten In het plangebied komt uitsluitend de functie (voorheen: bestemming) "Bedrijf" voor.
Artikel 5 bevat beoordelingsregels voor bouwen en specifieke functieregels. Inhoudelijk zijn deze beoordelingsregels zoveel als mogelijk overgenomen uit het vigerende Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010. Hoofdstuk 3 Algemene regels In artikel 6 zijn de zogenaamde aanvraagvereisten opgenomen. In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (onder andere binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAMomgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan is immers onderdeel van het nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
38
De anti-dubbeltelregel in artikel 7 is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De algemene bouwregels (artikel 8), algemene gebruiksregels (artikel 9) en de algemene afwijkingsregels (artikel 10) zijn voor zover relevant overgenomen uit het vigerende Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010. Op de verbeelding is de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone- landbouwontwikkelingsgebied' niet opgenomen. De regelgeving die hieraan is gekoppeld heeft uitsluitend betrekking op agrarische bouwvlakken. Het onderhavige plangebied omvat geen agrarische bouwvlakken. Hoofdstuk 4 Overgangsregels Hoofdstuk 4 bevat alleen nog overgangsregel in artikel 11. De overgangsregels regelen het overgangsrecht voor de bebouwing en het gebruik van de bebouwing in het plangebied. Deze worden opgenomen conform het voormalige Besluit ruimtelijke ordening. Hoofdstuk 23 van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude bevat slotbepalingen met een artikel genaamd citeertitel: Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Renswoude.
Aangezien het TAM-omgevingsplan juridisch onderdeel wordt van dit, voor heel Renswoude geldende, omgevingsplan wordt geen slotbepaling opgenomen.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
39
6.
Uitvoerbaarheid
6.1.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1. Bestuurlijk vooroverleg P.M. 6.1.2. Participatie omgeving De initiatiefnemer heeft omwonenden persoonlijk geïnformeerd over de beoogde planontwikkeling. Hieruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen. In het kader van de tervisielegging van het ontwerp van het TAM-Omgevingsplan zal deze versie weer aan omwonenden worden voorgelegd.
6.2.
Financiële haalbaarheid Het plan wordt op eigen grond door en voor rekening en risico ontwikkeld door de initiatiefnemer. Deze initiatiefnemer is ook de eigenaar van de gronden. De financiering van alle kosten die samenhangen met de ontwikkeling van de bebouwing komt voor rekening van de initiatiefnemer. Er zijn derhalve geen kosten voor de gemeente aan het bouwplan verbonden. Dit is tussen de gemeente en initiatiefnemer met een nadeelcompensatieovereenkomst/anterieure overeenkomst vastgelegd.
Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Dashorsterweg 2 in de gemeente Renswoude en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22e) van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude . In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22e.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22e’ gelezen worden.
2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4
Inleidende regels Toepassingsbereik Toepassing begripsbepalingen Aanvullende begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen
3 3 4 5 9
Hoofdstuk 2 Artikel 5
Functies en activiteiten Bedrijf
11 11
Hoofdstuk 3 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Algemene regels Aanvraagvereisten Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels
14 14 15 16 18 19
Hoofdstuk 4 Artikel 11
Overgangsregels Overgangsrecht
20 20
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Toepassingsbereik
a. Het besluit als bedoeld in artikel 4.6 eerste lid onder g van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c, is niet van toepassing. b. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. c. De regels in dit hoofdstuk (H22e) zijn van toepassing op de locatie Dashorsterweg 2 in Renswoude, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0339.TO2025Dashorst2-ow01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
4
Artikel 2
Toepassing begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
5
Artikel 3
Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in Artikel 2 de volgende begripsbepalingen:
3.1
Omgevingsplan het omgevingsplan van de gemeente Renswoude;
3.2
plan het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 met identificatienummer NL.IMRO.0339.TO2025Dashorst2-ow01 van de gemeente Renswoude;
3.3
TAM-omgevingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
3.4
aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
3.5
aan- en uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van en ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
3.6
antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbijbehorende bevestigingsconstructie.
3.7
bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.8
bedrijf een onderneming gericht op het (bedrijfsmatig) produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.
3.9
bedrijfsgebouw een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
3.10
bedrijfswoning een woning, krachtens het plan toegestaan binnen een bouwvlak, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
6
3.11
bedrijfsvloeroppervlakte de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
3.12
bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet.
3.13
bestaand gebruik gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden.
3.14
bouwgrens de grens van een bouwvlak.
3.15
bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
3.16
bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel.
3.17
bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
3.18
bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
3.19
detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan diegenen die goederen kopen en huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
3.20
kantoor voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
7
3.21
mantelzorg langdurende zorg die wordt geboden aan ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, door personen uit diens sociale omgeving, waarbij de zorgverlening de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt, op vrijwillige, niet afdwingbare basis en buiten organisatorisch verband.
3.22
mantelzorgwoning een tijdelijke extra woonruimte in (een aan- of uitbouw van) een woning of bijgebouw, die qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning, met een functie voor bewoning door een mantelzorgvrager of een mantelzorgverlener en waarin zich zelfstandige voorzieningen bevinden.
3.23
mantelzorgwoning, tijdelijke unit een tijdelijke mantelzorgwoning is een mantelzorgwoning in de vorm van een tijdelijk op een perceel aanwezige unit die hetzij geheel hetzij in delen over de weg verplaatsbaar is.
3.24
nevenactiviteit niet-agrarische activiteiten die in ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie op een agrarisch bouwvlak.
3.25
nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
3.26
opslag opslag van goederen die naar hun aard geen regelmatige verplaatsing behoeven, zonder dat deze een bewerking ondergaan en zonder dat deze verhandeld worden.
3.27
overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport.
3.28
peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg of de kruin van een dijk grenzen: de hoogte van die weg respectievelijk kruin van de dijk; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
3.29
perceelgrens een grenslijn tussen bouwpercelen onderling.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
8
3.30
prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
3.31
seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
3.32
Staat van Bedrijfsactiviteiten de in bijlage 1 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten.
3.33
voorgevellijn de lijn gelegen: a. evenwijdig aan de weg en in het verlengde van de dichtst bij de weg gelegen gevel van een gebouw; b. dan wel (indien deze gevel niet evenwijdig is aan de weg): evenwijdig aan de weg door het dichtst bij de weg gelegen hoekpunt van gevels van een gebouw.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
9
Artikel 4
Meet- en rekenbepalingen
De bepalingen in dit artikel zijn een aanvulling op en gaan bij strijdigheid vóór op de meet- en rekenbepalingen zoals bedoeld in artikel 22.24 van dit omgevingsplan. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
4.1
afstand de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.
4.2
bouwhoogte van een antenne-installatie a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.
4.3
de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
4.4
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
4.5
de goothoogte van een bouwwerk tussen het peil en de horizontale snijlijn van elk dakvlak met de daaronder gelegen buitenzijden van de gevels en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren.
4.6
de inhoud van een bouwwerk tussen het peil, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
4.7
de oppervlakte van een bouwwerk tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
4.8
ondergeschikte bouwdelen bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, stofkappen en andere onderdelen van technische installaties, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
10
4.9
vloeroppervlakte de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
11
Hoofdstuk 2 Artikel 5 5.1
Functies en activiteiten
Bedrijf
Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als "Bedrijf".
5.2
Functieomschrijving Een als "Bedrijf" aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – agrarisch hulpbedrijf': een agrarisch hulpbedrijf; alsmede b. de hierbij behorende voorzieningen, zoals wegen en paden, tuinen, erven, groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
5.3
Beoordelingsregels voor het bouwen
5.3.1
Beoordelingsregels voor het bouwen van bedrijfsbebouwing en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak Voor het bouwen van bedrijfsbebouwing en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak gelden de volgende regels: a. binnen bouwvlakken mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gerealiseerd; b. de maximale bebouwingsoppervlakte van gebouwen en overkappingen, waarbij de woning niet is inbegrepen, bedraagt per bouwvlak niet meer dan is aangegeven met de maatvoeringsaanduiding 'maximum oppervlakte (m²)'; c. de goothoogte en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan is aangegeven met de maatvoeringsaanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'; d. de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt niet meer dan 10 meter, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen; e. de maximale hoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt 2 meter.
5.3.2
Beoordelingsregels voor het bouwen van bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. per bouwvlak mag één bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen, worden gebouwd; b. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt maximaal 600 m³;
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
12
c.
de goothoogte van bedrijfswoningen bedraagt maximaal 6 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter; d. de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bedraagt 80 m² per bedrijfswoning; e. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter. 5.3.3
Beoordelingsregels voor het bouwen buiten het bouwvlak Voor het bouwen buiten het bouwvlak geldt dat uitsluitend erf- en terreinafscheidingen en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mogen worden gebouwd met een maximale hoogte van 2 meter.
5.4
Vergunningplicht voor afwijken
5.4.1
Vergroten maximale bebouwingsoppervlakte gebouwen en overkappingen Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.3.1, sub b voor het vergroten van de maximale bebouwingsoppervlakte van gebouwen en overkappingen met ten hoogste 15% mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het landschap in de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; b. de bebouwing wordt landschappelijk goed ingepast in de omgeving; c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
5.4.2
Vergroten bedrijfswoning Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.3.2, sub b voor het vergroten van de inhoudsmaat van een bedrijfswoning, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vergroting mag maximaal 25% bedragen tot maximaal 800 m³ inclusief aan- en uitbouwen; b. het landschap in de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; c. het ontwerp van de woning sluit goed aan bij het karakter van het buitengebied en de omgeving; d. de woning wordt landschappelijk goed ingepast in de omgeving; e. de maatvoeringseisen voor woningen worden in acht genomen; f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
5.5
Specifieke functieregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. bedrijfsmatige activiteiten, anders dan aangegeven met de functieaanduidingen, zijn niet toegestaan; b. seksinrichtingen en prostitutie zijn niet toegestaan; c. het aanbieden van meer dan 3 kamers ten behoeve van bed en breakfast per bedrijfswoning is niet toegestaan; d. bed & breakfast is niet toegestaan; e. de opslag van goederen en materialen is buiten de bedrijfsbebouwing niet toegestaan; f. permanente of tijdelijke bewoning van bedrijfs- en bijgebouwen is niet toegestaan;
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
13
g. bewoning anders dan door één afzonderlijk huishouden is niet toegestaan; h. het gebruiken van een bedrijfsgebouw of een bijgebouw bij de woning, ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan.
5.6
Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksregels
5.6.1
Afwijking ten behoeve van mantelzorg Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.5, sub h voor het bieden van mantelzorg in een woning, aan- of uitbouw of een bijgebouw of een tijdelijke unit, met in achtneming van het volgende: a. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend ter plaatse van een bouwperceel waarop krachtens het plan een bedrijfswoning is toegestaan en ook feitelijk aanwezig is; b. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en leefklimaat; c. de omgevingsvergunning wordt slechts verleend als een mantelzorgzorgindicatie wordt overgelegd van een daartoe deskundig adviesbureau; d. uit de zorgindicatie moet blijken dat sprake is van mantelzorg voor minimaal zes maanden. e. de indicatie moet na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan zijn afgegeven voor minimaal zes maanden en geldig zijn op het moment van de aanvraag om omgevingsvergunning; f. de oppervlakte in gebruik voor mantelzorg bedraagt maximaal 80 m²; g. indien sprake is van een tijdelijke unit dient deze te voldoen aan de volgende voorwaarden: 1. een tijdelijke unit wordt geplaatst aan de achterzijde of zijgevel van de bestaande woning, waarbij plaatsing aan de zijgevel slechts is toegestaan als de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 meter bedraagt; 2.
de afstand van een tijdelijke unit tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2 meter; h. de omgevingsvergunning leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; i. de omgevingsvergunning wordt verleend voor de duur van de periode waarin mantelzorg wordt geboden.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
14
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
15
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
16
Artikel 8
Algemene bouwregels
8.1
Ondergronds bouwen
8.1.1
Bouwen ondergrondse werken Voor het bouwen van beneden het maaiveld gelegen bouwwerken gelden, met inachtneming van het bepaalde in Hoofdstuk 2, de volgende bepalingen: a. het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en onder een gebouw dat geheel boven het maaiveld is gelegen; b. het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan tot 1 bouwlaag, de bouwdiepte bedraagt maximaal 4 meter onder peil; c. externe toegangen zijn gesitueerd in de achtergevel van het gebouw.
8.1.2
Vergunningplicht voor afwijken Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in: a. lid 8.1.1, sub b voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat de waterhuishouding niet wordt verstoord. b. lid 8.1.1, sub c teneinde de toegangen aan andere zijden van het gebouw toe te staan, met dien verstande dat geen onevenredige aantasting van de ruimtelijke karakteristiek mag plaatsvinden.
8.2
Bestaande afstanden en andere maten Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels: a. indien afstanden, goot- of bouwhoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. indien afstanden, goot- of bouwhoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan minder bedragen dan ingevolge Hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten als ten minste toelaatbaar worden gehouden; c. in het geval van heroprichting van gebouwen is het bepaalde in a en b uitsluitend van toepassing indien de heroprichting geschiedt op dezelfde plaats. d. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in Artikel 11, lid 11.1 niet van toepassing.
8.3
Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde functiegrenzen, mogen in afwijking van de regels worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 meter bedraagt;
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
17
b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 meter bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 meter bedraagt.
8.4
Afstanden van woningen tot wegen
8.4.1
Aan te houden afstanden tot wegen Ingeval van nieuwe woningen ingevolge herbouw van een woning elders op een bouwvlak, mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de weg – ter beperking van geluidhinder – in geen geval minder bedragen dan 14 meter.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
18
Artikel 9 9.1
Algemene gebruiksregels
Algemeen gebruiksverbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.
9.2
Voorwaardelijke verplichting parkeren Voor parkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd en in stand wordt gehouden, waarbij voldoende betekent dat wordt voldaan aan de parkeernormering uit de Nota parkeernormen.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
19
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1
Afwijken Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. de beoordelingsregels voor het bouwen en toestaan dat bouwgrenzen, mits geen grenzen van functies en activiteiten als bedoeld in Hoofdstuk 2 zijnde, worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; b. de beoordelingsregels voor het bouwen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 meter; c. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; d. de beoordelingsregels voor het bouwen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot maximaal 40 meter indien het niet mogelijk is gebruik te maken van een reeds bestaande mast, onder de volgende voorwaarden: 1. losse masten met hekwerken, gebouwtjes e.d. zijn alleen toegestaan in landschappelijk minder gevoelige gebieden, langs grote verkeerswegen en dan bij voorkeur bij parkeerplaatsen, benzinestations, knooppunten, viaducten, bedrijventerreinen en horecagelegenheden; 2.
installaties op of aan een gebouw zijn alleen toegestaan: op hoge gebouwen; bij voorkeur op een plat dak en zo ver mogelijk van een dakrand, met dien verstande dat bijzondere en waardevolle gebouwen in beginsel geheel dienen te worden ontzien, zo nodig in overleg met de monumentencommissie; tegen gevels aan; wanneer de invloed van die installaties geen afbreuk doen aan de aanwezige kwaliteiten; e. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, anders dan de ondergeschikte bouwonderdelen als bedoeld in lid 2.3 mits: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen; 2. de hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen; f. de minimale afstand van de weg voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits dit geen problemen oplevert voor de verkeersveiligheid.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
20
Hoofdstuk 4
Overgangsregels
Artikel 11 Overgangsrecht 11.1
Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld sub a met maximaal 10%. c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2
Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan op de locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
ontwerp gemeente Renswoude - TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2
Analoge verbeelding
Dashorster w eg
Plangebied Plangebiedsgrens
Bedrijf B
Aanduidingen (sb-ahu)
bouwvlak
5 2T
maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)
9
m 1300
maximum oppervlakte (m2)
Verklaringen B
BGT en kadastrale gegevens 5
m
9
1300
2
(sb-ahu)
Gemeente Renswoude TAM-Omgevingsplan Dashorsterweg 2 analoge verbeelding
bu 3812 PJ Amersfoort
0339-51
tekeningnummer:
0339-51-P01
IDN:
bureau voor ruimtelijke ordening en advies Brabantsestraat 17
projectnummer:
NL.IMRO.0339.TO2025Dashorst2-ow01
datum: oktober 2025
schaal:
1:1000
status:
formaat: A3
telefoon 033 465 45 31 e-mail info@bu-ro.nl
ontwerp