CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Totaalversie wijziging omgevingsplan d.d. 15 oktober 2025

Raadscommissie 25 november 2025, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Commissievoorstel inzake Ontwerp-wijziging omgevingsplan Dashorsterweg 217.181 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeente Renswoude

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude Motivering, regels en verbeelding

Oktober 2025

Kenmerk 0339-51-T01 Projectnummer 0339-51

Motivering

Inhoudsopgave 1.

Inleiding 1 1.1. Aanleiding 1 1.2. Ligging plangebied 2 1.3. Toetsing aan omgevingsplan 2 1.3.1. Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010 2 1.3.2. Inpassingsplan Grebbelinielandschap 3 1.4. Leeswijzer 5

2.

Planbeschrijving 2.1. Geschiedenis 2.2. Huidige situatie 2.3. Toekomstige situatie

6 6 7 8

3.

Beleidskader 3.1. Rijksbeleid 3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.2. Provinciaal beleid 3.2.1. Omgevingsvisie provincie Utrecht 3.2.2. Omgevingsverordening 3.3. Regionaal beleid 3.3.1. Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (2005) 3.3.2. Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1. Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 3.4.2. Welstandsnota

12 12 12 13 13 14 15 15 16 17 17 18

4.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 4.1. Inleiding 4.2. m.e.r.-beoordeling 4.3. Ladder voor duurzame verstedelijking 4.4. Duurzaamheid & gezondheid 4.4.1. Duurzaamheid 4.4.2. Gezondheid 4.4.3. Conclusie 4.5. Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren 4.6. Flora & Fauna 4.6.1. Algemeen 4.6.2. Gebiedsbescherming 4.6.3. Soortenbescherming 4.6.4. Conclusie

20 20 20 20 21 21 22 22 22 22 22 23 24 25

4.7. Luchtkwaliteit 4.8. Geluid 4.9. Geur 4.10. Milieuzonering 4.11. Omgevingsveiligheid 4.12. Trilling 4.13. Welstand 4.14. Archeologie en cultuurhistorie 4.14.1. Algemeen 4.14.2. Archeologie 4.14.3. Cultuurhistorie 4.15. Bodem 4.16. Weging van het waterbelang 4.17. Niet gesprongen explosieven

25 26 27 28 29 31 32 32 32 32 33 33 34 35

5.

Juridische planbeschrijving 5.1. Algemeen 5.2. Regels

36 36 37

6.

Uitvoerbaarheid 6.1. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1.1. Bestuurlijk vooroverleg 6.1.2. Participatie omgeving 6.2. Financiële haalbaarheid

39 39 39 39 39

1

1.

Inleiding

1.1.

Aanleiding De eigenaar van de vleeskalverhouderij aan de Dashorsterweg 2 in Renswoude heeft zijn bedrijf voor de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties met piekbelasting (LBV+) aangemeld. In het kader van die subsidieregeling is het noodzakelijk om het bedrijfsmatig houden van dieren op die locatie te beëindigen en de dierenverblijven te slopen. Naast het ontvangen van subsidie voor deze beëindiging en sloop bestaat de mogelijkheid om door middel van een ruimtelijk traject een andere gebruiksfunctie voor dit perceel in het omgevingsplan op te nemen. De eigenaar heeft het voornemen van deze regeling gebruik te maken. Als alternatief zal het reeds op het perceel aanwezige transportbedrijf in de vorm van een agrarische hulpbedrijf worden voortgezet. Er is daarom een verzoek ingediend om in ruil voor de sloop van 4.829 m² aan bedrijfsbebouwing (exclusief bestaande bedrijfswoning met bijgebouw en het kantoor van 182 m²), het bestaande agrarische hulpbedrijf aan te passen en daarvoor een bedrijfshal van 1.300 m² te realiseren, inclusief het te handhaven kantoor. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het Afwegingskader functieverandering regio Foodvalley. Afbeelding 1: Ligging plangebied.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

2

Om de functieverandering mogelijk te maken, is dit TAM1-omgevingsplan vervaardigd. Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat hiervan sprake is, wordt in deze motivering onderbouwd.

1.2.

Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de zuidwestkant van Renswoude aan de westzijde van de Dashorsterweg.

1.3.

Toetsing aan omgevingsplan Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 vormen alle vigerende bestemmingsplannen van rechtswege het tijdelijk omgevingsplan. Voor het plangebied betreft dit het bestemmingsplan Buitengebied 2010 en het bestemmingsplan "Herziening Buitengebied Renswoude 2010". Daarnaast is het Inpassingsplan Grebbelinie van toepassing.

1.3.1. Bestemmingsplan Buitengebied 2010/Herziening Buitengebied Renswoude 2010 Het bestemmingsplan Buitengebied 2010 is op 5 oktober 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. Op 12 november 2013 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan "Herziening Buitengebied Renswoude 2010" vastgesteld. Hiermee is het bestemmingsplan uit 2010 op onderdelen aangepast. Voor het voorliggende plangebied is de verbeelding uit 2010 ongewijzigd gebleven. In dit bestemmingsplan heeft het grootste deel van het perceel de bestemming "Agrarisch"; dit perceelsgedeelte is bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven en het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem en de landschapsstructuur. Binnen die bestemming is geen agrarisch hulpbedrijf toegestaan. Het gedeelte aan de zuidkant van het perceel heeft de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – agrarisch hulpbedrijf' en staat dit wel toe. Omdat geen maatvoeringsaanduiding 'maximale oppervlakte (bbo)' is aangegeven, mogen er geen bedrijfsgebouwen worden gebouwd in de bestemming "Bedrijf". De bouw van een bedrijfswoning van maximaal 600 m³ is wel toegestaan. Het plangebied ligt binnen de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone- landbouwontwikkelingsgebied', als bedoeld in artikel 30 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010".

In het landbouwontwikkelingsgebied heeft de landbouw in principe het primaat. Op grond hiervan worden nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven in principe beperkt toegelaten. Voorkomen moet worden dat nevenactiviteiten een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven.

1

TAM = Tijdelijke Alternatieve Maatregel. Het TAM-omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve manier voor gemeenten om hun omgevingsplan aan te passen via de digitale standaard (IMRO) onder de Wet ruimtelijke ordening, omdat de TPOD/STOP-standaard van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) nog onvoldoende functioneert. Tot 1 januari 2026 is het mogelijk om een ontwerp TAM-omgevingsplan ter visie te leggen.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

3

Afbeelding 2: Fragment vigerend bestemmingsplan.

Gelet op deze aanduiding is vanuit het gemeentelijk beleid de omzetting naar niet-agrarische bedrijfsactiviteiten weliswaar niet wenselijk. Het Rijksbeleid dat er echter op gericht is om de stikstofdepositie aanzienlijk te verlagen, prevaleert in dit geval boven het gemeentelijk beleid. De gronden hebben geen archeologische dubbelbestemming. 1.3.2. Inpassingsplan Grebbelinielandschap Het Inpassingsplan Grebbelinielandschap is op 8 december 2014 vastgesteld. Een inpassingsplan is een bestemmingsplan dat door de provincie wordt vastgesteld. Het doel van dit Inpassingsplan is het borgen van de waarden van de Grebbelinie bij de toepassing van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden in vigerende bestemmingsplannen. Het inpassingsplan leidt tot de inspanningsverplichting voor gemeenten om bij hun nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de waarden van de Grebbelinie. Bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan moet met de regelingen uit het inpassingsplan rekening worden gehouden. Het inpassingsplan heeft betrekking op het gebied rondom de als rijksmonument aangewezen delen, dat wil zeggen de hoofdverdedigingslijn en de militaire objecten van de Grebbelinie. Deze gebieden liggen ten westen en oosten van de hoofdverdedigingslijn en worden gezien als het Grebbelinielandschap.

Het beleid is gericht op de bescherming van de kwaliteiten van de Grebbelinie, met name de zichtbaarheid en herkenbaarheid van de Grebbelinie. Door middel van het Inpassingsplan is aan de gronden rondom de Grebbelinie de dubbelbestemming "Waarde - Grebbelinielandschap" toegekend. Dat wil zeggen dat de gronden tevens zijn aangewezen voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie. Deze waarden worden in het Beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage bij de regels van het inpassingsplan is opgenomen, beschreven.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

4

Afbeelding 3: Inpassingsplan Grebbelinielandschap.

Afbeelding 4: BKP Grebbelinielandschap.

In het Beeldkwaliteitsplan zijn voor de 'halfopen linie' de volgende beeldkwaliteitscriteria opgenomen: ▪ algemeen  houd rekening met zichtlijnen richting het linie-element;  behoud de openheid rondom de Grebbelinie en het erf door een compacte erfindeling, ▪ uitbreiding van het erf

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

5

plaats het nieuwe gebouw op een wijze zodat het erf een blokvormige, compacte vorm heeft;  plaats het nieuwe gebouw met de kopgevel haaks op het linie-element, indien hiermee een compacte erfvorm te realiseren is;  onttrek bedrijfsmatige elementen (zoals silo’s en/of sleufplaten) zoveel mogelijk uit het zicht, door een goede positionering tussen gebouwen of door gebruik van transparante tot dichte erfbeplanting, ▪ functieverandering van het erf  plaats het nieuwe gebouw(en) rondom een gemeenschappelijk erf, zodat een compacte erfvorm te realiseren is;  versterk openheid rondom het linie-element door op vrijkomende grond weinig hoog opgaande elementen te plaatsen (zoals bebouwing en beplanting) en nieuwe bebouwing op afstand van de linie te leggen 

In dit geval is sprake van een reductie van bebouwing. Omdat de openheid in de half-open linie hierdoor wordt versterkt, doet de planontwikkeling geen afbreuk aan de beleefbaarheid van de Grebbelinie.

1.4.

Leeswijzer Deze motivering bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een planbeschrijving gegeven en wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid, waarna in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en milieu. Hoofdstuk 5 bevat een toelichting op de juridische regeling. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid en is een samenvatting gegeven waaruit blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

6

2.

Planbeschrijving

2.1.

Geschiedenis De Gelderse Vallei kenmerkt zich als een gevarieerd, relatief kleinschalig agrarisch landschap. Er is een grote afwisseling van grasland- en akkerpercelen, bosjes, houtwallen en enkele natte natuurgebiedjes. Het gebied wordt gekenmerkt door dekzandruggen en (van oudsher) kronkelende beken. Het landschap heeft, door zijn grote variatie in landschapstypen, een grote aantrekkingskracht op recreanten. Afbeelding 5: Historische topografie.

Het landschapstype rondom Renswoude staat bekend als kampen- of coulissenlandschap. Kenmerkend voor dit landschapstype zijn de kleinschaligheid en de aanwezige houtwallen. Het plangebied ligt op de rand van dit kampenlandschap en het broek- en heideontginningenlandschap. Dit landschapstype kent een regelmatiger verkavelingspatroon en is grootschaliger en minder besloten. In 1973 (bron: BAG-viewer) is op het perceel een boerderij gebouwd. Achter de boerderij staat een kalverstal uit hetzelfde jaar. De Dashorsterweg ligt ter hoogte van het perceel op ruim 100 meter afstand van de Groeperkade. Het perceel ligt daardoor buiten de zogenaamde respect-

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

7

zone van die Groeperkade. De Groeperkade is een keerkade en is onderdeel van de Grebbelinie, een belangrijke verdedigingslinie tijdens de Tweede Wereldoorlog. De Grebbelinie is van belangrijke cultuurhistorische waarde en een belangrijk structurerend element binnen de Gelderse Vallei.

2.2.

Huidige situatie Het plangebied ligt ten zuidwesten van Renswoude aan de westzijde van de Dashorsterweg. Op het perceel is thans een vleeskalverhouderij gevestigd met een vergunning voor 1.700 [correct?] vleeskalveren. Het agrarisch bouwvlak heeft een oppervlakte van 9.393 m². Het bouwvlak met de bestemming "Bedrijf" heeft een oppervlakte van 3.902 m². Ten westen van de boerderij staat een kalverstal met een oppervlakte van 4.829 m². Afbeelding 6: Huidige situatie plangebied.

Op het perceel staat de bedrijfswoning van het agrarisch bedrijf aan de wegzijde. Daarachter is een kalverstal aanwezig, waarin aan de voorzijde een kantoor is gehuisvest. Naast de vleeskalverhouderij is er tevens een transportbedrijf in de vorm van een agrarische hulpbedrijf aanwezig. Er mogen echter geen bedrijfsgebouwen voor die functie gerealiseerd worden, wél mag er een bedrijfswoning voor deze bestemming gebouwd worden.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

8

De kalverhouderij is een familiebedrijf dat al meer dan 100 jaar aan de Dashorsterweg staat. De huidige kalverhouderij is in 1973 gebouwd en was op dat moment vooruitstrevend in de kalverensector. Naast de stallen stonden ook de pluimveewagens van de familie geparkeerd. Deze vervoerden het pluimvee naar eigen slachterij en pluimveebedrijven. Hieruit is Mantrans BV, een agrarisch hulpbedrijf in de vorm van een transportbedrijf ontstaan, dat van een transporteur is uitgegroeid naar een logistieke dienstverlener in de agrarische sector. Op het bedrijf is een wasinstallatie aanwezig voor vrachtwagen en kratten die in aanraking komen met pluimvee. In de tijd dat er dierziektes zijn, worden er ook vrachtwagens van derden gedesinfecteerd, die bij ontruimingen vee hebben afgevoerd. Mantrans B.V. heeft 23 vrachtwagens vergund. Dit aantal is vastgelegd in de revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer uit 2007.

2.3.

Toekomstige situatie De vleeskalverhouderij zal worden beëindigd en de stal zal worden gesloopt. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderijlocaties met piekbelasting (LBV+). In het kader van die subsidieregeling is het verplicht om het bedrijfsmatig houden van dieren op die locatie te beëindigen en de dierenverblijven te slopen. Naast het ontvangen van subsidie voor deze beëindiging en sloop wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om door middel van een ruimtelijk traject een andere gebruiksfunctie voor het perceel in het omgevingsplan op te nemen. De initiatiefnemer heeft het voornemen om het agrarisch hulpbedrijf voort te zetten. Vanuit de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) worden er steeds strengere eisen gesteld aan het wassen en reinigen van de vrachtwagen en kratten die in aanraking komen met pluimvee. Mantrans BV heeft hier een vergunning voor zodat het eigen materiaal gereinigd en ontsmet kan worden. In het geval van dierziektes is Mantrans BV één van de aangewezen wasplaatsen die vrachtwagens, kratten, shovel en andere materialen vergund mag reinigen en ontsmetten. De huidige regelgeving verplicht wel om dit transportmateriaal binnen in een afgesloten hal te reinigen.

Tevens dienen deze materialen zoveel mogelijk inpandig te worden opgeslagen om zo de kans op het verspreiden van vogelgriep of andere bacteriën zoveel mogelijk te beperken. Om aan alle nieuwe eisen en wetgeving te kunnen voldoen is het aanvaardbaar om een grotere oppervlakte aan bedrijfsbebouwing toe te staan. Uitgangspunt is het huidige transportbedrijf. Dit betekent dat de huidige omvang van het bedrijf met de 23 vergunde vrachtwagens uit de revisievergunning uit 2007, uitgangspunt is en dat andere bedrijfsactiviteiten niet zijn toegestaan. Een toename van het aantal verkeersbewegingen is dan ook niet aan de orde en de wasplaats staat uitsluitend ten dienste van het eigen transportbedrijf. Alleen in geval van calamiteiten (zoals bijvoorbeeld een vervoersverbod bij vogelgriep waarbij een gecertificeerde wasplaats in de regio nodig is) kan de wasplaats tijdelijk

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

9

voor bredere doeleinden worden ingezet. Tevens is er in de beoogde situatie op het perceel geen sprake van buitenopslag anders dan de stalling van vrachtwagens. De sloop van de stallen biedt kansen om de gebiedskarakteristiek te herstellen en wordt de openheid hersteld. Daarnaast vindt er door het beëindigen van het agrarisch bedrijf een aanzienlijke reductie plaats van ammoniak, geur en fijnstof. De totale oppervlakte aan gebouwen bedraagt in de gewenste situatie 1.300 m². Omdat het huidige kantoor van 182 m² wordt gehandhaafd, leidt dit tot een toename van 1.118 m². Het bestaande kantoor en de nieuwe hal zullen in één bedrijfsgebouw worden geaccommodeerd. De nieuwe hal zal worden gebruikt voor opslag van kratten, shovels met bijbehorende opzetstukken, washal, enzovoort. Afbeelding 7: Toekomstige situatie.

Het bedrijfserf wordt onderverdeeld in een 'vuil' deel (noordzijde erf) en in een 'schoon' deel (zuidzijde erf). Vrachtwagens rijden het perceel op over de 'vuile' weg, de eerste inrit vanaf de Dashorsterweg. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt centraal op het perceel gesitueerd, zodat de draaicirkel voor aankomende en vertrekkende vrachtwagens voldoende ruimte heeft om door de wasstraat of de werkplaats in het bedrijfsgebouw heen te kunnen rijden. De parkeervoorzie-

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

10

ningen aan de noordzijde van het gebouw zijn bedoeld voor 'vuile' vrachtwagens en die aan de zuidzijde voor 'schone' vrachtwagens. Er is een inpassingsplan gemaakt om het perceel landschappelijk in te passen. Bij de planontwikkeling is voor de herinrichting van het erf uitgegaan van het behoud van een agrarische uitstraling. Hierdoor blijft de bebouwing goed inpasbaar op het erf en in het agrarische buitengebied (de omgeving). De huidige kalverstal zal worden gesloopt en vervangen door één compact nieuw bedrijfsgebouw met een moderne landelijke uitstraling. Langs de west- en noordrand van het perceel zal door middel van een nieuw groentalud worden ingeplant met gebiedseigen beplanting, zodat de bedrijfsactiviteiten van af de landschappelijke zijde aan het zicht worden onttrokken. Daarvoor wordt op de taluds een mix van meidoorn, lijsterbes, veldesdoorn, hondsroos, hazelaar, Gelderse roos en zomereik gebruikt. Het erf wordt daarnaast vergroend. Op vier locaties op het perceel zelf zullen notenbomen worden ingeplant. Daarnaast zal te midden van de parkeerplaatsen een deel worden ingezaaid met een bloem- en kruidenrijk mengsel. Door de uitvoering van het inrichtingsplan wordt voorzien in een ruimtelijke en landschappelijke kwaliteitsverbetering op het erf. De parkeervoorzieningen worden uitgevoerd in grasbetonkeien, waardoor hier het water kan infiltreren.

Bij het bepalen van het noodzakelijke areaal sloopmeters is het afwegingskader functieveranderingsbeleid toegepast. Voor uitbreiding van niet-agrarische bedrijven geldt dat deze qua aard en omvang passend moet zijn voor het buitengebied. Bedrijven tot een oppervlakte van 500 m² worden gezien als passend qua omvang. Met een zwaardere sloopeis zijn bedrijven tot een oppervlakte van 1.000 m² bespreekbaar. Het functieveranderingsbeleid staat in basis niet meer dan 1.000 m² aan niet agrarische bedrijvigheid toe in het buitengebied (artikel 2.9.2 van het beleid). Wanneer bedrijven met een grotere oppervlakte dan 1.000 m² die in het buitengebied gevestigd zijn behoefte hebben aan uitbreiding en aan kunnen tonen dat verplaatsing naar een bedrijventerrein in redelijkheid niet mogelijk is, kan de gemeente onderzoeken of een maatwerkoplossing mogelijk is, door middel van toepassing van de menukaart. Dat valt echter buiten de reikwijdte van het functieveranderingsbeleid. Omdat de oppervlakte van 1.300 m² benodigd is om aan alle eisen vanuit de NVWA te kunnen voldoen en het een niet-agrarisch bedrijf betreft dat aan de agrarische sector is gekoppeld (transport in de pluimveesector), is in dit geval -zoals hierboven is gemotiveerd, is maatwerk aanvaardbaar. Op het perceel is 4.829 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig.

Hiervan is 80 m² in gebruik als bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning. Derhalve resteren 4.749 m² sloopmeters. De bedrijfsbebouwing van het agrarisch hulpbedrijf krijgt een omvang van 1.300 m². Per saldo neemt het bebouwingsareaal derhalve met 3.449 m² af. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen wordt een afroming toegepast bij het omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing naar inzetbare sloopmeters. De afroming is afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. De regeling voor functieverandering naar werkfuncties ziet er als volgt uit:

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

11

Afbeelding 8: Functieverandering naar werkfuncties. Werkfuncties Sloopmeters Bedrijfsrecht 100 m² Tot en met 500 m² per m² vloeroppervlakte bedrijfsbebouwing 2 m² Vanaf 501 m²-1.000 m² per m² vloeroppervlakte bedrijfsbebouwing 3 m² Voor het deel tussen 1.000 en 1.300 m² is eveneens een sloopeis van 3 m² per m² uitbreiding gehanteerd. Afbeelding 9: Afroming. Vrijkomende agrarische Afromingspercentage Te slopen Afroming Inzetbare sloopmeters bedrijfsbebouwing 0 - 1.000 m² Geen afroming 1.000 m² 0 m² 1.000 m² 1.000 - 2.000 m² 25% 1.000 m² 250 m² 750 m² > 2.000 m² 50% 2.749 m² 1.375 m² 1.374 m² Totaal 4.829 m² 1.625 m² 3.124 m²

In dit geval is er sprake van een afroming van 1.625 m² en resteren er 3.124 m² inzetbare sloopmeters. De nieuwe bedrijfshal heeft een oppervlakte van 1.300 m². Voor een nieuw bedrijfsrecht is 100 m² nodig. In dit geval is er sprake van een bestaand bedrijf en zijn geen inzetbare sloopmeters nodig voor het bedrijfsrecht. Voor de bouw van de bedrijfshal zelf is 3.400 m² (500*2 m²+800* 3 m²) nodig. Dit betekent een tekort van 376 m² aan sloopmeters. Op het perceel zou echter nog een bedrijfswoning gebouwd mogen worden met een inhoud van 600 m³. Voor een woning met een inhoud van 600 m³ zijn andersom geredeneerd 1.200 m² aan inzetbare sloopmeters vereist. In dit geval vervalt het recht om de woning te realiseren. Gelet daarop is ook voor dit aspect gekozen voor een maatwerkoplossing. Omdat er geen bedrijfswoning wordt gerealiseerd is de initiatiefnemer vrijgesteld om 376 m² sloopmeters aan te kopen.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

12

3.

Beleidskader

3.1.

Rijksbeleid

3.1.1. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven. Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen. Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden.

De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Met de NOVI wordt in beeld gebracht waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Daartoe zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen.

Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Ten behoeve van die afweging gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

13

▪ combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; ▪ kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; ▪ afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Planspecifiek Van de 21 nationale belangen is de opgave om de gebouwde omgeving in 2050 CO2-arm, klimaatbestendig en natuurinclusief te maken. Doordat er de vleeskalverhouderij wordt beëindigd, vindt er een aanzienlijke reductie plaats van ammoniak, geur en fijnstof. De planontwikkeling is verder niet in strijd met de uitgangspunten van de NOVI.

3.2.

Provinciaal beleid

3.2.1. Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld. De Omgevingsvisie is op 1 april 2021 in werking getreden. Met vaststelling van de Omgevingsvisie en de (Interim) Omgevingsverordening provincie Utrecht leggen Provinciale Staten de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast (Omgevingsvisie) en de juridische doorwerking hiervan (Omgevingsverordening). De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht bevat een uitwerking in thema's en in gebieden. De uitwerking is in 7 thema's gevat: ▪ stad en land gezond; ▪ klimaatbestendig en waterrobuust; ▪ duurzame energie; ▪ vitale steden en dorpen; ▪ duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; ▪ levend landschap, erfgoed en cultuur; ▪ toekomstbestendige natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie staan zowel de ambities, als de wijze waarop de provincie daar uitvoering aan wil geven. De uitwerking in gebieden valt uiteen in drie regio's: U16, Amersfoort en Foodvalley. Renswoude behoort tot de regio Foodvalley. In de uitwerking van het beleid brengt de provincie gebiedsgericht samenhang aan tussen de thematische ambities. Het bouwplan wordt gerealiseerd door middel van functieverandering.

Door de sloop van niet meer in gebruik zijnde voormalige agrarische bedrijfsbebouwing vindt een ontstening in het buitengebied van de Regio Food Valley plaats. Het nieuwe bedrijfsperceel wordt door middel van

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

14

gebiedseigen beplanting langs de perceelsgrenzen landschappelijk ingepast. Daarmee wordt de landschappelijke waarde van de Regio Food Valley versterkt en wordt een bijdrage aan de vitaliteit van het platteland gegeven. De onderhavige planontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Provincie Utrecht. 3.2.2. Omgevingsverordening Om de Omgevingsvisie in de praktijk goed te laten werken, zijn op onderdelen regels nodig. Deze regels zijn vastgelegd in één Omgevingsverordening. Deze verordening is op 1 januari 2024 samen met de Omgevingswet in werking getreden. Om de Omgevingsverordening actueel te houden, wordt de verordening regelmatig op onderdelen gewijzigd. Doel van de verordening is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. Hierbij kan worden gedacht aan het NatuurNetwerk Nederland (NNN) en bebouwingsmogelijkheden in het stedelijk en het landelijk gebied. Planspecifiek Het plangebied ligt in het 'landelijk gebied'. Verstedelijking is in principe alleen mogelijk in het stedelijk gebied. Op grond van artikel 9.3 van de Omgevingsverordening staat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen landelijk gebied geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

Verstedelijking wordt daarbij gedefinieerd als: 'de vestiging of uitbreiding van al bestaande stedelijke functies. Denk daarbij aan nieuwvestiging of de vergroting van de gebruiksoppervlakte of bebouwingsmogelijkheden ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. De LBV+-regeling is nog niet in de Omgevingsverordening verwerkt. Artikel 9.11 van de Omgevingsverordening bepaalt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied regels kan bevatten die toestaan dat op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bedrijfswoning en overige bedrijfsgebouwen een stedelijke functie, niet zijnde wonen, krijgen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: ▪ het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in het geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een Concentratiegebied glastuinbouw; ▪ door sloop wordt de oppervlakte van de fysiek aanwezige bebouwing met 50% gereduceerd, waarbij te behouden historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing niet in de berekening wordt betrokken, tenzij: ▪ het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening; of ▪ het gaat om een nieuwe functie die bijdraagt aan recreatieve beleving of recreatief gebruik waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat; ▪ het gaat om de hervestiging van één of

enkele bedrijven die op hun oorspronkelijke locatie een ruimtelijk obstakel vormden of de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantasten en die op de nieuwe locatie, nabij de kern, goed inpasbaar zijn; ▪ het gaat om vestiging van bedrijven die vanwege hun werkzaamheden met zwaar rijdend materieel zich voornamelijk richten op het landelijk gebied;

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

15

▪ er is sprake van twee of meer bouwpercelen waar de agrarische functie is beëindigd en op de betrokken bouwpercelen gezamenlijk wordt het vereiste slooppercentage van 50% wel gehaald; of ▪ de ruimtelijke kwaliteit wordt op een andere wijze verhoogd dan alleen door sloop van bebouwing, in een mate die een lager slooppercentage dan 50% rechtvaardigt; ▪ te handhaven en nieuw op te richten bedrijfsgebouwen worden zo compact mogelijk gesitueerd binnen het voormalige bouwperceel en het bouwperceel wordt evenredig met de oppervlakte gesloopte gebouwen verkleind; ▪ de bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden worden behouden; en ▪ de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. De planontwikkeling vindt weliswaar plaats in een landbouwontwikkelingsgebied. De LBV+regeling is er echter op gericht dat het bedrijfsmatig houden van dieren op die locatie wordt beeindigd. In dit geval neemt het bebouwingsareaal met 3.449 m² af. De nieuwe hal wordt aansluitend op het kantoorgedeelte van de bestaande bebouwing gerealiseerd, zodat de bedrijfsbebouwing compact op het perceel is gesitueerd.

In dit geval wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd doordat het bebouwingsareaal in de nabijheid van de Grebbelinie aanzienlijk gereduceerd. Het verkleinde bouwperceel wordt met gebiedseigen beplanting ingepast, waardoor de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden worden behouden en versterkt. De belangen van bestaande omringende functies worden door het bouwplan niet onevenredig aangetast. Uit de Omgevingsverordening vloeien verder geen specifieke aandachtspunten voor de restauratie van een monumentale boerderij en het bouwen van bedrijfsunits gedeeltelijk buiten het in het bestemmingsplan aangegeven bouwvlak. De Omgevingsverordening heeft daarom geen gevolgen voor de planontwikkeling.

3.3.

Regionaal beleid

3.3.1. Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (2005) In het Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (LOP) stellen de gemeenten Amerongen, Barneveld, Leersum, Leusden, Maarn, Renswoude, Scherpenzeel en Woudenberg het landschapsbeleid op elkaar af. Het LOP is een uitwerking van het voormalige reconstructieplan en het (oude) streekplan. Voor de Gelderse Vallei zet het LOP in op het versterken van het landschappelijke raamwerk. Hiervoor worden beplantingen langs wegen aangevuld, bosgebieden versterkt en het bekensysteem verder ontwikkeld. Een verbetering van het recreatief netwerk is een kans die verder uitgewerkt wordt in het LOP. Naast de ruimte voor landgoederen en landelijk wonen wordt bijzondere aandacht besteed aan het behoud van het agrarische karakter en de versterking van

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

16

streekeigen landschapselementen, zoals waterlopen en de EVZ en inpassingen van agrarische erven en ook kleinschalige natuurontwikkeling. Het LOP plaatst het gebied rond de Dashorsterweg binnen de gebiedsvisie van het 'landbouwontwikkelingsgebied in de vallei'. Uitgangspunt is het ontwikkelen van een grofmazig groen raamwerk met forse erfbeplantingen en daarmee ruimte bieden voor de ontwikkelingsperspectieven van agrariërs. Daarnaast wordt gestreefd naar het ruimtelijk en ecologisch ontwikkelen beken en wegen. Afbeelding 10: Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei.

Op de visiekaart van het LOP ligt het plangebied in het gebied dat is aangeduid als 'behouden en versterken van het broek- en heideontginningenlandschap' aan de grens met het gebied 'ontwikkelen kampenlandschap'. Het broek- en heideontginningenlandschap kent grootschalige intensieve (grondgebonden) bedrijven met de daarbij behorende functionele architectuur. De erven zijn ruimer en moderner dan in de oude kampenlandschappen en liggen vooral langs de wegen verspreid. Boerderijen, voormalige boerderijen, woningen en overige bebouwing staan individueel naast elkaar. Het meest voorkomende historische type boerderij is de langhuisboerderij of hallehuis, voorgevels zijn vaak op de weg gericht, de bijgebouwen staan achter het woongedeelte van de boerderij of de woning (ten opzichte van de weg)soms haaks op elkaar. Bij uitbreiding van het erf dient er naar te worden gestreefd bebouwing compact te clusteren en de typische orthogonale erfopbouw behouden. Voor de situering van de hal is de bestaande verkavelingsrichting als uitgangspunt gebruikt waardoor de orthogonale structuur van het landschap gehandhaafd blijft. 3.3.2. Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 Op 17 september 2024 heeft de gemeenteraad van Renswoude het regionaal afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 vastgesteld.

In dit afwegingskader functieveranderingsbeleid is vastgelegd hoe de deelnemende gemeenten om willen gaan met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Het beleid stelt agrarische bedrijven in staat om de bedrijfsvoering op een maatschappelijk en ruimtelijk verantwoorde wijze (gedeeltelijk) te beëindigen. Het wijzigen van

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

17

de agrarische functie in een andere functie, zoals een woon- of werkfunctie, is de daadwerkelijke functieverandering. Dit leidt op verschillende manieren tot kwaliteitsverbetering van het landelijk gebied. Door de sloopverplichting van overtollige bebouwing, landschappelijke inpassing bij hergebruik/nieuwbouw voor nieuwe woon- of werkfuncties, en natuurontwikkeling of landschapsverbetering in de wijdere omgeving. Op de slooplocatie kent de overtollige agrarische bebouwing een waarde. Deze waarde wordt sloopmeters genoemd. Nieuwe functies, zoals wonen, werken, het vergroten van de woninginhoud of oppervlakte aan bijgebouwen worden door de inzet van sloopmeters mogelijk gemaakt. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters. Dit betekent dat de vrijkomende sloopmeters niet één op één ingezet kunnen worden voor een nieuwe functie. De sloopmeters zijn door de reikwijdte van het functieveranderingsbeleid tussen de deelnemende gemeenten uitwisselbaar. In paragraaf 2.3 is een berekening opgenomen hoe in dit geval die sloopmeters zijn toegepast.

3.4.

Gemeentelijk beleid

3.4.1. Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 De Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 die op 3 juli 2018 is vastgesteld door de gemeenteraad van Renswoude loopt vooruit op de totstandkoming van de Omgevingswet. Het doel van de Omgevingsvisie is het creëren van een strategische visie voor de langere termijn voor de hele fysieke leefomgeving van Renswoude, die antwoord geeft op de vraag: Hoe ziet Renswoude er in 2030 uit? In de Omgevingsvisie wordt een aantal belangrijke thema's behandeld. Voor dit bestemmingsplan zijn met name de thema's buitengebied en voorzieningen van belang. Voor het buitengebied wordt geconstateerd dat het prachtige natuurlijke maar ook agrarische buitengebied een van de trekpleisters van de gemeente is. Het is belangrijk dat het buitengebied in balans blijft en dat kansen op het gebied van natuurontwikkeling en vrijkomende agrarische bebouwing worden benut. Daarnaast is het belangrijk dat ook agrariërs de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Alle ontwikkelingen in het buitengebied gaan altijd gepaard met het nodige onderzoek vooraf, het blijft immers maatwerk, waarbij nadrukkelijk aandacht geschonken wordt aan de belangen van agrariërs, landschaps- en natuurwaarden en een gezonde leefomgeving. Het doel is om hiertussen te allen tijde de juiste balans te vinden. Verrommeling van het buitengebied dient te allen tijde voorkomen te worden.

Als er agrarische bebouwing vrijkomt, kunnen hieraan uiteraard nieuwe functies worden toegekend zoals wonen of werken, maar er kan ook worden gekozen om bebouwing te slopen en de gronden te gebruiken voor naburige agrariërs die op zoek zijn naar extra gronden of voor natuurontwikkeling. De inpassing in het landschap en bescherming van aanwezige natuurwaarden is daarbij van groot belang, alsmede dat bij vrijkomende agrarische bebouwing alleen bedrijfsactiviteiten mogen

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

18

worden ontwikkeld die niet hinderlijk, gevaarlijk en/of schadelijk zijn voor de omgeving of het leefmilieu. Het agrarisch hulpbedrijf is al op het perceel Dashorsterweg 2 gehuisvest. De bedrijfsactiviteiten zijn derhalve niet vreemd in het gebied en zullen niet worden geïntensiveerd. Door de uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan worden de bebouwing en de bedrijfsactiviteiten meer aan het zicht onttrokken dan in de huidige situatie het geval is. Door de herinrichting van het erf en de landschappelijke inpassing, past de planontwikkeling binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.4.2. Welstandsnota In artikel 4.19 van de Omgevingswet is aangegeven dat 'als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, (…) de gemeenteraad beleidsregels vast[stelt] voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.' Via dit artikel is vastgelegd dat het welstandstoezicht onder de Omgevingswet loopt via het omgevingsplan. In artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet is overgangsrecht opgenomen waarin een welstandsnota na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelijkgesteld wordt aan een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet.

De gemeenteraad van Renswoude heeft op 22 juni 2004 de Welstandsnota vastgesteld. Het doel van de Welstandsnota is het behouden en waar mogelijk versterken van de ruimtelijke kwaliteit. In de Welstandsnota van de gemeente Renswoude zijn gebiedsgerichte criteria opgenomen. Met de gebiedsgerichte benaderingswijze zijn de karakteristieken van wijken en samenhangende gebieden in heel de gemeente vastgelegd en gewaardeerd. Hiermee moeten de ontwerpers van nieuwe bouwplannen rekening houden en het biedt de welstandscommissie handvatten voor het formuleren van een welstandsadvisering. De gemeente Renswoude heeft de welstandscriteria gedifferentieerd naar gebieden. Per gebied zijn specifieke criteria opgesteld. Voor het buitengebied, waartoe het plangebied behoort, zijn aanvullende criteria voor massa en vorm bebouwing en voor detaillering, kleur- en materiaalgebruik geformuleerd. ▪ Algemeen  de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. ▪ Massa en vorm bebouwing  de bebouwing wordt terughoudend vormgegeven;  de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw. ▪ Detaillering, kleur en materiaalgebruik  de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

19

De uiterlijke vormgeving van de nieuwe bedrijfsbebouwing zal worden de thans aanwezige bebouwing.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

20

4.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1.

Inleiding In het kader van de totstandkoming van dit TAM-omgevingsplan is onderzoek uitgevoerd naar verschillende milieu- en omgevingsaspecten om de uitvoerbaarheid van de planontwikkeling aan te tonen en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De betreffende rapportages maken als bijlage deel uit van deze motivering.

4.2.

m.e.r.-beoordeling Algemeen De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de Strategische milieubeoordeling-richtlijn. Onder een plan of programma wordt in ieder geval verstaan: een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er hoeft niet (meer) getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid (meer) gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Toetsing Het agrarisch hulpbedrijf is ter plaatse al aanwezig en wordt niet geïntensiveerd. Het bebouwingsareaal wordt per saldo aanzienlijk gereduceerd en de bebouwingsmogelijkheden worden aanzienlijk ingeperkt doordat het agrarisch bouwvlak in dit TAM-omgevingsplan wordt verwijderd. Gelet hierop is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Wellicht ten overvloede kan worden opgemerkt dat uit de samenvatting van de onderzoeken in dit hoofdstuk, volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten.

Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3.

Ladder voor duurzame verstedelijking Algemeen Om de ruimte zorgvuldig te benutten en overprogrammering te voorkomen is de "Ladder voor duurzame verstedelijking" geïntroduceerd. De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

21

Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de behoefte aan die ontwikkeling (trede 1) worden aangetoond. Indien die stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien (trede 2). Het begrip stedelijke ontwikkeling wordt daarbij als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Toetsing In de overzichtsuitspraak over de ladder (ABRvS 201608869/1/R3) is destijds bepaald dat, wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. In dit geval wordt voor de het agrarisch hulpbedrijf het bestaande kantoor van 182 m² uitgebreid met een bedrijfshal van 1.118 m². De oppervlakte van de uitbreiding is daarmee groter dan 500 m². In dit geval is echter sprake van een bestaand bedrijf op een bestaande locatie. Het betreft een bedrijf dat gelieerd is aan de agrarische sector, dat bovendien bedrijfsactiviteiten heeft, die minder goed passen op een bedrijventerrein.

Dit komt met name omdat het bedrijf bij calamiteiten op het gebied van dierziekten dienst zal doen in gevallen waarbij een gecertificeerde wasplaats in de regio nodig is. Door de meer geïsoleerde ligging in het buitengebied wordt kans op verspreiding van ziektekiemen/virussen nog verder gereduceerd. Gelet daarop is het gebruikmaken van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformaties van bestaande locaties elders niet van toepassing. Wellicht ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat door de planontwikkeling het bebouwingsareaal in dit geval aanzienlijk afneemt. De ladder hoeft daarom niet te worden doorlopen. Conclusie De planontwikkeling hoeft niet te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.4.

Duurzaamheid & gezondheid

4.4.1. Duurzaamheid De eisen met betrekking tot de milieuprestatie en energiezuinigheid van gebouwen zijn opgenomen in artikel 4.148-4.160 (Duurzaamheid) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierin is onder meer aangegeven dat een bouwwerk bijna energie neutraal (BENG) dient te zijn. Er gelden echter geen eisen voor de gebruiksfuncties 'industriefunctie', 'overige gebruiksfuncties' en 'bouwwerken geen gebouw zijnde'. Toetsing duurzaamheid Ten aanzien van de duurzaamheid gelden er geen eisen op grond van het Bbl.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

22

4.4.2. Gezondheid Ook de bevordering van gezondheid is een afwegingscriterium bij ruimtelijke ontwikkelingen. In dit hoofdstuk komt een aantal (milieu)aspecten, zoals geluidsoverlast, bodemverontreiniging, externe veiligheid, enzovoort, aan de orde waarbij de gezondheid van de toekomstige bewoners een rol speelt. Uit de uitgevoerde onderzoeken zijn geen belemmeringen naar voren gekomen ten aanzien van gezondheid. Daarnaast kan bij grotere planontwikkelingen ook gezondheidsbevordering gestimuleerd worden. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. Toetsing Door de beëindiging van deze intensieve veehouderij verbetert het woon- en leefklimaat van de directe omgeving. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er vanuit het oogpunt van gezondheid geen belemmeringen zijn voor de instandhouding van een goed woon- en leefklimaat. Voor het overige is het onderdeel van het bevorderen van de gezondheid minder relevant, omdat er geen leefomgeving op een groter schaalniveau wordt ingericht. 4.4.3. Conclusie Het aspect duurzaamheid en gezondheid levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.5.

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met verkeersgeneratie en -afwikkeling en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Toetsing De activiteiten van het agrarisch hulpbedrijf blijven gelijk en worden niet uitgebreid. Zowel voor wat betreft de verkeersgeneratie als voor de verkeersafwikkeling en de parkeerbehoefte zijn er geen veranderingen als gevolg van de planontwikkeling. Conclusie Het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling & parkeren levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6.

Flora & Fauna

4.6.1. Algemeen De natuur in Nederland wordt beschermd vanuit twee invalshoeken: bescherming van gebieden en bescherming van soorten. Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

23

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn(92/43/EEG). Het normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het Natuurbeschermingsrecht is ongewijzigd ten opzichte van de Wnb. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het 'beschermingsregime andere soorten' vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In verband met de planontwikkeling is daarom een verkennend onderzoek naar beschermde flora en fauna 2 uitgevoerd. 4.6.2. Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en wordt in Nederland beschermd door middel van de Omgevingswet. Deze wet biedt een beschermingskader voor de aangewezen beschermde gebieden.

Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden planologisch vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur(gebieden). Door verbindingen tussen natuurgebieden te maken, kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden over meer gebieden. De bescherming van het NNN bestaat hieruit (artikel 7.8, lid 2, Bkl): dat geen activiteiten worden mogelijk gemaakt die leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte of samenhang van het NNN. Toetsing gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Binnenveld, op ongeveer 6,4 km ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels zijn uit te sluiten.

De ontwikkeling vindt plaats op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten Natura 2000-gebied. Ter plaatse zijn geen kwalificerende habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels aanwezig en kunnen zich er ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden zal er tijdelijk sprake zijn

2

P.M.

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

24

van geluid, stof, trillingen en mogelijk bemaling. De werkzaamheden zijn van dien aard dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er vindt een beëindiging van de vleeskalverhouderij plaats, hetgeen zal leiden tot een vermindering van stikstofdepositie in de omgeving. De werkzaamheden voor wat betreft het slopen van de stallen en het vergroten van de opslag zijn minimaal. In verband met recente jurisprudentie met betrekking op intern salderen is wel een stikstofonderzoek3 uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd in het kader van de aanvraag om intrekking van de natuurvergunning. Hieruit blijkt dat er in sloop- en in de gebruiksfase sprake is van een stikstofdepositie op daarvoor gevoelige Natura2000-gebieden van 0,01 mol/hectare/jaar. 2.In de beoogde situatie blijft het transportbedrijf bestaan. De activiteiten van het transportbedrijf veroorzaken in die opzet een depositie van 0,01 mol (zie bijlage 5 bij de aanvraag om natuurvergunning). Dit deel van de depositie is ook aanwezig in de huidige situatie. In de gebruiksfase gaat er daarbij om dat een nieuw bedrijfsgebouw wordt gerealiseerd en de rijroutes op het erf wijzigen. Dat leidt per saldo tot een vergelijkbare depositie als in de huidige situatie voor het agrarisch hulpbedrijf.

Omdat intern salderen echter sinds 18 december 2024 vergunningplichtig is, moet ook hiervoor een natuurvergunning worden aangevraagd. Na intern salderen met de gebruiksfase en de aanlegfase in één jaar en een afroomfactor van 85% is er een forse afname van de depositie. De grootste afname bedraagt dan 1,47 mol/ha/jaar. Na intern salderen is externe werking uit te sluiten. Hiervoor is sinds de uitspraak van de RvS uit december 2024 wel een natuurvergunning nodig. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of de Groene Contour (GC). Hiervoor geldt geen externe werking. De planontwikkeling heeft daarmee geen negatieve effecten op de natuurwaarden van deze gebieden. Verder onderzoek of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig. Conclusie Uit het oogpunt van de gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de planontwikkeling. 4.6.3. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar

3

VanWestreenen B.V., Toelichting op aanvraag om omgevingsvergunning Natura2000- activiteit ten behoeve van het beëindigen van de vleeskalverhouderij en het verkrijgen van een opvolgfunctie aan de Dashorsterweg 2 te Renswoude, CdR – 14584 – gedeeltelijke intrekking Natura2000 activiteit Definitief, versie 1, Lunteren, 16 september 2025

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

25

ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing soortenbescherming Resultaten quickscan volgen nog. In het kader van de zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zoveel mogelijk te voorkomen. Voor sommige algemene, veel voorkomende soorten is in de provincie geen omgevingsvergunning vereist en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht. Dit betekent dat er voldoende zorg moet worden gedragen voor eventueel passerende individuen. Bijvoorbeeld door dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied te verplaatsen als ze tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen. Door de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van algemeen voorkomende vogelsoorten wordt voorkomen dat broedgevallen van broedvogels worden verstoord Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Voor het broedseizoen wordt echter geen standaardperiode gehanteerd, het gaat erom dat er geen broedende vogels worden verstoord.

Het uitvoeren van de werkzaamheden gedurende het broedseizoen is alleen mogelijk wanneer door een ecoloog van tevoren is vastgesteld dat in het plangebied geen broedgevallen aanwezig zijn. Veel algemene en beschermde diersoorten, zoals vleermuizen en uilen, zijn vooral actief tijdens de vroege ochtend, late avond en nacht. Indien extra verlichting wordt gebruikt, moet deze worden afgewend van aanwezige bebouwing en groenstructuren om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen. Het is aan te raden de verlichting tot een minimum te beperken en alleen te plaatsen waar het echt noodzakelijk is. Gebruik naar beneden gerichte lichtbronnen om lichtverstrooiing in de omgeving te voorkomen. 4.6.4. Conclusie De planontwikkeling heeft geen wezenlijke invloed op de gunstige instandhouding van beschermde soorten en/of gebieden. Het aspect flora en fauna levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7.

Luchtkwaliteit Algemeen Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ▪ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

Motivering Gemeente Renswoude – TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e Dashorsterweg 2 Renswoude

26

▪ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Toetsing Een toename van verkeersbewegingen is de belangrijkste factor die bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De activiteiten van het agrarisch hulpbedrijf blijven gelijk en worden niet uitgebreid. Daarom neemt het aantal verkeersbewegingen niet toe. Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2023, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (9,9 microgram per m³) en fijn stof (17,6 microgram per m³) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m³ bevinden. De concentratie zeer fijn stof (8,9 microgram per m³) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 20 microgram per m³. In het plangebied worden de grenswaarden derhalve niet overschreden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16186738/1