CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 ETFAL-onderbouwing

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Raadsvoorstel inzake het realiseren van 14 rijwoningen en 1 vrijstaande woning deelgebied Beekweide II9.249 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderbouwing BOPA Pinksterbloemweide, Renswoude Gemeente Renswoude

Colofon Gegevens over het project: Plannaam:

Onderbouwing BOPA Pinksterbloemweide Renswoude

Status:

Concept

Datum:

14 april 2026

Projectnummer Buro SRO:

SR250088

Projectmedewerkers

Dhr. T. Oostrom | Dhr. T. van Bruggen

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Gemeente Renswoude

Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:

’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Telefoon:

030-2679198

E-mail:

utrecht@buro-sro.nl

Internet:

www.burosro.nl

pagina 2 van 33

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding

5

1.1

Aanleiding en ambitie

5

1.2

Aanduiding projectgebied

5

1.3

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit

6

1.4

Leeswijzer

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8

2.1

Omgevingstafel

8

2.2

Participatie

8

3

Huidige situatie

9

4

Planbeschrijving

11

5

Toetsing aan omgevingsplan

13

5.1

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

13

5.2

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

14

6

7

Beleid

15

6.1

Rijksbeleid

15

6.2

Gemeentelijk beleid

15

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

17

7.1

Welstand

17

7.2

Verkeer en parkeren

17

7.3

Geluid

19

7.4

Activiteiten en milieuzonering

20

7.5

Luchtkwaliteit

22

7.6

Archeologie en cultuurhistorie

23

7.7

Bodem

23

7.8

Natuur

25

7.9

Ontplofbare oorlogsresten

28

8

Financiële haalbaarheid

31

9

Conclusie

32

pagina 3 van 33

BIJLAGEN Bijlage 1.

Verkeerskundig onderzoek Beekweide II 29-07-2019

Bijlage 2.

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 14-04-2026

Bijlage 3.

Archeologisch inventariserend veldonderzoek Beekweide II 23-09-2021

Bijlage 4.

Verkennend bodemonderzoek 20-08-2024

Bijlage 5.

Aanvullend bodemonderzoek 29-08-2025

Bijlage 6.

Quickscan flora en fauna 16-07-2024

Bijlage 7.

Soortgericht onderzoek 01-09-2025

Bijlage 8.

Stikstofdepositieonderzoek 25-03-2026

Bijlage 9.

Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten 18-06-2021

pagina 4 van 33

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en ambitie

De gemeente Renswoude is voornemens op een grotendeels onbebouwde locatie in het noorden van het stedelijk gebied van Renswoude een woonbuurt te realiseren. Deze ontwikkeling staat bekend als Beekweide II. Het plan omvat de realisatie van ca. 190 woningen, bestaande uit diverse woningtypen. Bij besluit van 15 februari 2022 heeft de raad van de gemeente Renswoude het bestemmingsplan ‘Beekweide II’ vastgesteld. Op dat moment was aan de Barneveldsestraat 16 een bedrijf gevestigd met daarbij horende milieucontouren. Op 29 maart 2023 heeft de Raad van State beoordeeld dat het bestemmingsplan moet worden vernietigd, omdat deze niet verenigbaar is met de bedrijfsactiviteiten. Hierop volgend is het bestemmingsplan ‘Herstelbesluit Beekweide II’ vastgesteld, waarin de gronden van het betreffende perceel van het bedrijf beschikken over de bestemming ‘Wonen – Uit te werken 1’ en de omliggende gronden binnen de milieucontour over de bestemming ‘Wonen – Uit te werken 2’. Deze uit te werken bestemmingen zijn uitgewerkt in de uitwerkingsplannen ‘Omgeving Barneveldsestraat 16’ en ‘Barneveldsestraat 16’. Onderhavige projectlocatie betreft het oostelijke deel van het voormalige bedrijfsperceel, waarvoor het uitwerkingsplan Barneveldsestraat 16 (vastgesteld op 3 september 2024) van toepassing is, dat gebaseerd is op het stedenbouwkundig plan Beekweide II.

Hierin beschikt de projectlocatie over een woonbestemming met bouwvlak. Onderhavig voornemen voorziet in de realisatie van 14 aaneengebouwde woningen en 1 vrijstaande woning. Dit plan wijkt echter af van het uitwerkingsplan ‘Barneveldsestraat 16’, dat onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Renswoude. Hierin werd namelijk uitgegaan van 14 woningen in totaal, waarvan 4 benedenbovenwoningen. Omdat het initiatief daarmee afwijkt van de mogelijkheden van het omgevingsplan is het een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, in welk kader een onderbouwing waarmee inzichtelijk wordt gemaakt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is vereist. De voorliggende onderbouwing voorziet daarin.

1.2

Aanduiding projectgebied

De projectlocatie bevindt zich in het noorden van het stedelijk gebied van Renswoude. Het projectgebied valt onder de kadastrale gemeente Renswoude, sectie C, en bestaat uit een gedeelte van het perceel 4222 en het perceel 3498. De locatie beslaat een totale oppervlakte van ca. 4.800 m². Navolgende afbeeldingen tonen de globale situering van de locatie.

pagina 5 van 33

Globale ligging projectlocatie, wit omkaderd (bron: beeldmateriaal.nl)

Globale begrenzing projectlocatie, rood omkaderd (bron: beeldmateriaal.nl)

1.3

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1.

Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.

2.

Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.

Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a.

met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl);

pagina 6 van 33

b.

als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.

In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken, die met zes weken verlengd kan worden. In sommige gevallen kan het college echter bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. Bij de uitgebreide procedure bestaat de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen.

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 3 omvat een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Aansluitend daarop wordt in hoofdstuk 6 het van toepassing zijnde beleidskader voor de locatie/het gebied verwoord. In hoofdstuk 7 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 8 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 9 een algehele conclusie getrokken.

pagina 7 van 33

2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

2.1

Omgevingstafel

Op 27 november 2025 heeft de initiatiefnemer een principeverzoek ingediend voor het realiseren van 14 grondgebonden rijwoningen en een vrijstaande woning. De gemeente Renswoude komt tot de conclusie dat het initiatief in beginsel aanvaardbaar is en dat in de ruimtelijke onderbouwing moet worden aangetoond dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op het planvoornemen is tevens positief geadviseerd door MooiSticht (MooiSticht, REN26-0009, d.d. 23 februari 2026).

2.2

Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De initiatiefnemer is in veel gevallen verplicht om te participeren met de betrokkenen. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit hoort een beschrijving van de wijze waarop de participatie plaats heeft gevonden en wat daarvan het resultaat is. Participatie

heeft

plaatsgevonden

over

het

gehele

planvoornemen

Beekweide

II.

Tevens

is

het

voorontwerpbestemmingsplan Beekweide II ter inspraak aangeboden. Hierbij is er de mogelijkheid geweest voor inspraak van eenieder, ook voor vooroverlegpartners. Er zijn diverse inspraakreacties binnengekomen, welke hebben geleid tot verschillende wijzigingen in het plan. Tevens is er een openbare presentatie gegeven en aan de hand van eventuele inspraakreacties zijn gesprekken met insprekers gehouden. Daarnaast is het volledige plan afgestemd met een klankbordgroep. Sinds 1 januari 2024 beschikt de gemeente Renswoude over de ‘Participatie- en inspraakverordening Renswoude’ en ‘Beleidsregels participatie wijziging omgevingsplan’. Hierin is beschreven in welke gevallen participatie aan de orde kan zijn of verplicht is. Eén van de gevallen waarvoor participatie verplicht is betreft de bouw van een omgevingsvergunning voor een BOPA die betrekking heeft op de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie. Dit is bij onderhavig initiatief aan de orde. Op 14 april vindt de buurtparticipatieavond plaats, conform de voorafgaande toestemming van de gemeente met betrekking tot de wijze van participeren en de participatiecirkel. Daarnaast heeft de initiatiefnemer de directe buren op nummer 14 en 16a persoonlijk over de plannen geïnformeerd, evenals ontwikkelaar De Bunte. Nummer 16 zal aanwezig zijn op de informatieavond. Ontwikkelaar De Mheen heeft nog niet gereageerd.

De verslaglegging van de participatieavond volgt.

pagina 8 van 33

3

Huidige situatie

Context Het projectgebied maakt deel uit van de gebiedsontwikkeling Beekweide II in het noorden van de kern Renswoude. Renswoude ligt op een strategische plek tussen de Lunterse Beek en de inundatiezone langs het Valleikanaal. De gemeente staat, naast het mooie dorp, met haar cultuurhistorische elementen, zoals het kasteel en de Koepelkerk, bekend om haar mooie en rustgevende buitengebied met de beken, de Grebbelinie in het schilderachtige Kampenlandschap van de Gelderse Vallei. Kenmerkend voor de omgeving is het onregelmatige patroon van akkers, weilanden en houtsingels. Renswoude heeft een goede ligging: goed bereikbaar vanaf de A12 en A30 en, in de luwte van Amersfoort/Ede-Veenendaal, in een aantrekkelijk landschap. Lange tijd bestond Renswoude uit het kasteel, de Grebbelinie en een woonlint, de Dorpsstraat. Later pas is het dorp uitgebreid met woningen en bedrijvigheid. Enkele jaren terug is de realisatie van Beekweide I, een woonbuurt in het noordoosten van Renswoude, voltooid. De groei van het dorp sluit aan op de kern en houdt rekening met de landschappelijke structuren in de omgeving. Projectgebied De projectlocatie is in de huidige planologische situatie bestemd als woonlocatie. In het verleden is het projectgebied in gebruik geweest als bedrijfslocatie, welke in de feitelijke situatie nog zichtbaar is.

Het projectgebied betreft de achterzijde, de oostkant, van het voormalige bedrijfsperceel. Op het terrein bevinden zich nog meerdere opstallen ten behoeve van de voormalige bedrijfsfunctie. Het gaat om een halfopen kapschuur en enkele paardenstallen. De kapschuur is opgebouwd met staalspanten en voorzien van golfplaten dakbedekking bestaande uit asbest. Daarin zijn landbouwvoertuigen gestald en liggen stapels hooibalen. De paardenstallen zijn twee lage schuren, met aan weerszijden paardenstallen. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie op het projectgebied.

De halfopen kapschuur en de paardenstallen (bron: Breur Ecologie & Onderzoek, juli 2024)

pagina 9 van 33

Foto van de paardenstallen en kapschuur, foto genomen vanaf voormalig gronddepotl (bron: Breur Ecologie & Onderzoek, juli 2024)

pagina 10 van 33

4

Planbeschrijving

Het voornemen bestaat om 14 grondgebonden rijwoningen en 1 vrijstaande woning te realiseren op de projectlocatie. Op de navolgende afbeelding is de beoogde situatie weergeven

Beoogde situatie (bron: Schippers Architecten, november 2025)

De nu voorliggende opzet vormt een minimale aanpassing op de verkaveling voor het projectgebied zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan Beekweide II en uitwerkingsplan ‘Barneveldsestraat 16’, dat weergegeven is op de navolgende afbeelding.

Uitsnede van het stedenbouwkundig plan Beekweide II, projectgebied globaal in rood weergegeven (bron: BDP, maart 2021)

pagina 11 van 33

Het wijkt daarbij af van de oorspronkelijk gehanteerde beukmaten, waardoor er 1 betaalbare woning in blok 2 extra gerealiseerd wordt. In blok 3 wordt tevens een smallere beukmaat gehanteerd. Het aantal tussenwoningen neemt zodoende toe van 5 naar 7 woningen. De in eerste instantie beoogde beneden-bovenwoningen op de koppen wijzigen in grondgebonden hoekwoningen. Het aantal kopwoningen neemt af van 4 naar 2 woningen. Daarmee wijzigt het totaal aantal van 9 woningen in blok 3 niet. Het programma bestaat dus uit:

▪

9 sociale koopwoningen

▪

3 betaalbare koopwoningen

▪

3 vrije sector koopwoningen

De stedenbouwkundige structuur, massa en oriëntatie van de woningen en de beeldkwaliteit sluiten nog steeds goed aan bij de uitgangspunten van het Stedenbouwkundig plan & Beeldkwaliteitplan Beekweide II. Navolgend zijn impressies van de beoogde woningen weergegeven.

Impressie straatbeeld van blok 1 en 2, aan de westzijde van de Pinksterbloemweide (bron: Schippers Architecten, november 2025)

Impressie straatbeeld van blok 3, aan de oostzijde van de Pinksterbloemweide (bron: Schippers Architecten, november 2025)

pagina 12 van 33

5

Toetsing aan omgevingsplan

5.1

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Renswoude. Voor de gebiedsontwikkeling Beekweide II is door BDP in opdracht van de gemeente Renswoude een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitsplan opgesteld. Daaropvolgend is het bestemmingsplan ‘Beekweide II’ vastgesteld, op 15 februari 2022. Op dat moment was op de projectlocatie Barneveldsestraat 16 een bedrijf gevestigd met daarbij horende milieucontouren. Op 29 maart 2023 heeft de Raad van State beoordeeld dat het bestemmingsplan moet worden vernietigd, omdat deze niet verenigbaar is met de bedrijfsactiviteiten. Hierop volgend is het bestemmingsplan ‘Herstelbesluit Beekweide II’ vastgesteld, waarin de gronden van het betreffende perceel van het bedrijf beschikken over de bestemming ‘Wonen – Uit te werken 1’ en de omliggende gronden binnen de milieucontour over de bestemming ‘Wonen – Uit te werken 2’. De bestemming ‘Wonen – Uit te werken 1’ is inmiddels uitgewerkt in een uitwerkingsplan en vastgesteld op 3 september 2024 als uitwerkingsplan ‘Barneveldsestraat 16’. De verbeelding van het volledige bestemmingsplan is navolgend weergegeven.

Verbeelding van het bestemmingsplan ‘Barneveldsestraat 16, projectgebied globaal in rood omkaderd (bron: Regels op de kaart)

In het uitwerkingsplan beschikt de projectlocatie over de bestemming ‘Wonen’. Tevens beschikt de projectlocatie over drie bouwvlakken met daarin de bouwaanduidingen ‘aaneengebouwd’, ‘gestapeld’ en ‘vrijstaand’. De bouwvlakken beschikken over maatvoeringen voor het maximum aantal wooneenheden. In totaal zijn er in het projectgebied 14 woningen toegestaan. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

pagina 13 van 33

a.

wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis gebonden beroep;

b.

de daarbij behorende tuinen, terreinen en erven;

c.

verkeers- en verblijfsactiviteiten, parkeervoorzieningen daaronder begrepen.

Voor het bouwen van woningen geldt: a.

b.

ter plaatse van de aanduiding 1

'vrijstaand' mogen woningen uitsluitend vrijstaand worden gebouwd;

2

'aaneengebouwd' mogen woningen uitsluitend aaneen worden gebouwd, in niet-gestapelde vorm;

3

'gestapeld' mogen woningen uitsluitend gestapeld worden gebouwd;

het aantal woningen ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' en 'gestapeld' mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;

c.

woningen mogen uitsluitend binnen bouwvlakken worden gebouwd met de voorgevels in of gekeerd naar de naar de weg gekeerde bouwgrenzen;

d.

binnen een bouwvlak mag tussen twee niet aaneen gebouwde woningen de afstand van elk van de woningen tot de onderlinge zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m bedragen of niet minder dan de bestaande afstand, indien die minder dan 3 m is;

e.

de goothoogte en de bouwhoogte van woningen mag niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.

5.2

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het plan past niet volledig binnen de mogelijkheden van het uitwerkingsplan ‘Barneveldsestraat 16’, dat onderdeel uitmaakt van het Omgevingsplan gemeente Renswoude. De beoogde woningen schikken zich binnen de bestaande bouwvlakken, echter overschrijdt het planvoornemen in blok 2 het maximum toegestane aantal woningen met één woning en wordt in blok 3 niet voldaan aan de voorgeschreven typologieën. Ter plaatse van de bouwaanduiding ‘gestapeld’ zijn immers geen gestapelde maar grondgebonden hoekwoningen beoogd. Gelet op deze strijdigheden is het project een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dient afgeweken te worden van het omgevingsplan. Voor het overige blijft het initiatief binnen de bestaande bouwvlakken, sluit het aan op de bestemming Wonen en blijft de ruimtelijke hoofdopzet in stand. De strijdigheid is daarmee beperkt tot het aantal woningen en de toegestane woningtypologie.

pagina 14 van 33

6

Beleid

Onderhavige aanvraag omgevingsvergunning heeft geen betrekking op een volledig nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, maar is specifiek gericht op het mogelijk maken van een beperkt aangepast programma. Er wordt één extra woning toegevoegd en er worden andere typologieën toegepast. De huidige stedenbouwkundige opzet is al in meerdere bestemmings-/uitwerkingsplannen uitgebreid getoetst aan nationale, provinciale, regionale en lokale wetgeving en beleidsrichtlijnen. Aangezien dit plan zich richt op een beperkte afwijking van het stedenbouwkundig plan vindt in dit hoofdstuk geen uitgebreide beleidstoets plaats, maar slechts een beknopte toets van de Ladder voor duurzame verstedelijking en het gemeentelijk woonbeleid.

6.1

Rijksbeleid

6.1.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Projectspecifiek Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Voorliggend voornemen voorziet in een toename van één woning ten opzichte van het programma dat toegestaan is conform het omgevingsplan. Daarmee hoeven de stappen van de ladder niet doorlopen te worden.

6.2

Gemeentelijk beleid

6.2.1 Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 Door de gemeenteraad van de gemeente Renswoude is op 3 juli 2018 de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030 vastgesteld. Het doel van de Omgevingsvisie is het creëren van een strategische visie voor de langere termijn voor de hele fysieke leefomgeving van Renswoude, die antwoord geeft op de vraag: Hoe ziet Renswoude er in 2030 uit? De gemeente Renswoude staat naast het mooie dorp met haar cultuurhistorische elementen zoals het kasteel en de Koepelkerk ook bekend om haar mooie en rustgevende buitengebied met de beken, de Grebbelinie, het

pagina 15 van 33

schilderachtige Kampenlandschap, het Coulissenlandschap en de Emminkhuizerberg. Naast de mooie fysieke leefomgeving kenmerkt de gemeente zich door een sterke saamhorigheid en nabuurschap. Er is sprake van menselijke maat, zorg voor elkaar, een sterk verenigingsleven en hechte kerkelijke gemeenschappen. Al deze kenmerken en karaktereigenschappen zorgen voor een goede leefbaarheid. Het voorgaande neemt natuurlijk niet weg dat er een aantal vraagstukken leeft binnen de gemeente. Deze vraagstukken komen aan bod in de Omgevingsvisie en hebben betrekking op de volgende thema's: wonen, werken, voorzieningen en het buitengebied. Daarbij krijgen bij ieder thema de navolgende doelstellingen in meer of minder mate een plek:

▪

Saamhorigheid, sociale cohesie en veiligheid

▪

Ruimtelijke kwaliteit en gezondheid

▪

Energietransitie

▪

Bereikbaarheid

Projectspecifiek Met voorliggend initiatief wordt een deel van een woonbuurt mogelijk gemaakt, waarmee het plan hoofdzakelijk betrekking heeft op het thema wonen. In de visie wordt aangegeven dat de gemeente wil werken aan een flexibele woningvoorraad waarin ruimte is voor alle doelgroepen, met specifieke aandacht voor starters en senioren. Daarbij wordt benadrukt dat er de afgelopen jaren onvoldoende voor deze doelgroepen is gebouwd en dat het wenselijk is dat inwoners zo lang mogelijk binnen de eigen gemeente kunnen blijven wonen. Het voorliggende plan voorziet, ten opzichte van het eerdere planvoornemen, in de toename van 1 woning. Deze toename komt tot stand door het gebruik van een smallere beukmaat in blokken 2 en 3. Daarmee wordt één extra woning toegevoegd aan het projectgebied. Dit draagt bij aan het woningaanbod in de gemeente en doorstroming op de woningmarkt. Er kan geconcludeerd worden dat het gewijzigde plan nog altijd in lijn is met de bepalingen van de Omgevingsvisie Renswoude 2018-2030.

pagina 16 van 33

7

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Voorliggende onderbouwing heeft betrekking op een beperkte afwijking van het Omgevingsplan gemeente Renswoude, zoals aan bod is gekomen in hoofdstuk 5. Gelet op de beperkte aard en omvang van het plan is een deel van de gebruikelijke aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu niet relevant. Navolgend worden enkel de aspecten behandeld waarvoor het gewijzigde programma gevolgen kan hebben.

7.1

Welstand

Artikel 22.29 lid 1 onder b (bruidsschat) bepaalt dat bestaande en nieuwe bouwwerken niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Veel gemeenten hebben deze welstandsnota waarin zij de beleidsregels hebben opgenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing. In het omgevingsplan kunnen welstandscriteria echter ook worden opgenomen in de ruimtelijke planregels, in plaats van in beleidsregels. Ook zijn er gemeenten die bepaalde gebieden hebben aangewezen die welstandsvrij zijn. Er vindt in deze gebieden dan geen welstandstoets plaats. Ook kunnen voor nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld specifieke welstandsregels gelden die zijn opgenomen in een beeldkwaliteitsplan.

Projectspecifiek De gemeente Renswoude heeft advies gevraagd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (MooiSticht). In het advies geeft MooiSticht aan dat op grond van de ingediende gegevens het project geen aanleiding geeft tot bezwaar. De aan MooiSticht voorgelegde opzet vormt een aanpassing op de verkaveling van Beekweide. Met de diverse aspecten zoals inpassing in de stedenbouwkundige structuur, oriëntatie en beeldkwaliteit is in ontwerp rekening gehouden. De woningontwerpen zijn op basis hiervan doorontwikkeld. Hiermee wordt goed aangesloten bij de uitgangspunten. Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen aansluit op de welstandscriteria.

7.2

Verkeer en parkeren

7.2.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Projectspecifiek Het planvoornemen leidt mogelijk tot een beperkte toename van de verkeersgeneratie. Met behulp van de kencijfers uit de CROW-publicatie 744 is berekend wat de verkeersgeneratie in de beoogde situatie is. Navolgende tabel geeft

pagina 17 van 33

een overzicht van de verkeersgeneratie van het eerdere plan conform uitwerkingsplan ‘Barneveldsestraat 16’. Er is uitgegaan van een niet stedelijk gebied in schil centrum, zoals ook wordt aangehouden in de Nota Parkeernormen van de gemeente Renswoude. Type Vrijstaande woning Rijwoning Rijwoning/bebo TOTAAL

Categorie CROW Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tussen/hoek Huur, huis, sociale huur

Aantal 1 4 9

Kengetal p.w. 8,1 7,4 5,4

Verkeersgeneratie 8,1 29,6 48,6 86,3

Berekening verkeersgeneratie voormalige plan op basis van de parkeernota gemeente Renswoude

Dit programma leidt tot een verkeersgeneratie van ca. 86,3 voertuigbewegingen per etmaal. Het gewijzigde planvoornemen voorziet in de toevoeging van één rijwoning. Daarnaast wordt het gehele programma koop in plaats van huur. Navolgende tabel toont de verkeersgeneratie in de beoogde situatie. Type Vrijstaande woning Rijwoning TOTAAL

Categorie CROW Koop, huis, vrijstaand Koop, huis, tussen/hoek

Aantal 1 14

Kengetal p.w. 8,1 7,4

Verkeersgeneratie 8,1 103,6 111,7

Berekening verkeersgeneratie beoogde situatie op basis van de parkeernota gemeente Renswoude

Het gewijzigde programma leidt tot een theoretische toename van (111,7-86,3=) 25,4 verkeersbewegingen per etmaal. Deze verkeersgeneratie wordt onderdeel van de volledige verkeersgeneratie van de gebiedsontwikkeling Beekweide II. Omdat deze gebiedsontwikkeling een forse toename met zich meebrengt en er in Renswoude verschillende projecten lopen is in het kader van bestemmingsplan Beekweide II inzichtelijk gemaakt of de bestaande wegenstructuur de verkeerstoename kan verwerken, of dat aanpassingen van het wegennet nodig zijn. Hiervoor is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd (Megaborn, d.d. 29 juli 2019, zie bijlage 1). Uit dit onderzoek blijkt dat de wegen in Renswoude over het algemeen voldoende capaciteit hebben om de toenemende verkeersintensiteiten vlot en veilig te verwerken. De realisatie van Beekweide II leidt niet tot capaciteitsproblemen bij de aansluitingen van Beekweide op de Barneveldsestraat aan de westzijde en de Ubbeschoterweg aan de oostzijde van Beekwijde II. Ook het kruispunt Dorpsstraat – Kastanjelaan heeft tot en met 2030 voldoende capaciteit na aanleg van Beekweide II. De beperkte toename die onderhavig plan met zich meebrengt heeft hiervoor geen gevolgen. Geconcludeerd kan worden dat het voornemen in het kader van het aspect verkeer uitvoerbaar is.

7.2.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden

pagina 18 van 33

verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Projectspecifiek Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen gemeente Renswoude’ (vastgesteld op 30 mei 2016). De autoparkeernormen zijn gebaseerd op de kencijfers van het CROW (publicatie 317). Om te waarborgen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte is het noodzakelijk dat aan de parkeernormen wordt voldaan. Onderhavig planvoornemen leidt tot een extra parkeerdruk van 1,7 parkeerplaatsen bovenop de reeds geprognotiseerde parkeerdruk voor de gebiedsontwikkeling Beekweide II. In overleg tussen KUDO en de gemeente Renswoude zijn afspraken gemaakt over het benodigde parkeerprogramma. Hierin is overeengekomen dat in onderhavig geval mag worden afgeweken van de parkeernorm en dat de gemeente zorg draagt voor de extra ontstane parkeerdruk in Beekweide II. De gemeente Renswoude gaf aan dat de extra parkeervraag die veroorzaakt wordt door het gewijzigde programma opgelost kan worden ter plaatse van de beoogde speeltuin en trottoir. De speeltuin wordt daarbij iets verkleind en het trottoir verlegd. Op de navolgende afbeelding is de locatie van de twee extra parkeerplaatsen in rood gemarkeerd.

Twee extra parkeerplaatsen, omkaderd in rood (bron: gemeente Renswoude)

Geconcludeerd wordt dat er sprake is van een passende parkeersituatie.

7.3

Geluid

De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

pagina 19 van 33

Het beschermen van een geluidgevoelig gebouw gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale

wegen,

gemeentewegen,

waterschapswegen,

hoofdspoorwegen,

lokale

spoorwegen

en

industrieterreinen.

Projectspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen, zoals bedoeld in art. 3.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Derhalve zal in beeld moeten worden gebracht wat de geluidbelasting op de woningen is. Het projectgebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de Barneveldsestraat, waardoor akoestisch onderzoek is uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 14 april 2026, bijlage 2). Uit dit onderzoek blijkt dat bij alle woningen voldaan wordt aan de standaardwaarde, waardoor aanvullende geluidwerende maatregelen niet aan de orde zijn. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geen belemmering voor de ontwikkeling vormt.

7.4

Activiteiten en milieuzonering

De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is.

De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Zones, waarden en afstanden Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden. Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen.

pagina 20 van 33

Gebiedstypen In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan. Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering. Hierdoor zijn er geen aanvullende planregels nodig die inwaartse zonering vormgeven, zoals die volgens deze handreiking wel gelden op een bedrijventerrein en andere werkterreinen. Het uitgangspunt in een gemengd gebied met wonen is dat hier alleen milieuhinderlijke activiteiten gevestigd worden, die naar aard en impact op de omgeving passend zijn.

In de basis mag het gebruik niet leiden tot milieuhinder buiten de grens van de bedrijfslocatie, dan wel verder reiken dan de overzijde van de openbare weg waaraan de activiteit ligt. De standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan (en in eerste instantie de Bruidsschat) bieden de basis om activiteiten wat betreft hun milieugebruiksruimte evenwichtig aan locaties toe te kunnen delen. Bestaande activiteit Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Dit kan bijvoorbeeld via een eigen functieaanwijzing met regels of met een maatwerkvoorschrift. Voor de bestaande activiteiten kan daarom een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Het moet gaan om een rechtmatige en feitelijk aanwezige geluid- of geurbelasting, ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan. Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:

▪

Luchtverontreiniging.

▪

Externe veiligheid en gevaar.

▪

Trillinghinder.

▪

Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.

▪

Lichthinder.

▪

Spuitzones.

▪

De hinder door verkeer aantrekkende werking.

pagina 21 van 33

Projectspecifiek Met het initiatief wordt één extra woning mogelijk gemaakt binnen reeds aanwezige bouwvlakken. Nu geen verschuiving plaatsvindt richting milieubelastende functies en de woningen niet dichter op milieuhinderlijke activiteiten worden gesitueerd, verandert de milieusituatie niet wezenlijk ten opzichte van het reeds planologisch afgewogen kader. Het project is derhalve in het kader van activiteiten en milieuzonering uitvoerbaar.

7.5

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Projectspecifiek De projectlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Wel is ten behoeve van 'een evenwichtige toedeling van functies’, met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK), gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het projectgebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van receptor 32163726_190 voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor NO2 en PM10 en 25 μg/m³ voor PM2,5. De specifieke concentraties over 2024 van fijnstof en stikstofdioxide in het projectgebied bedragen 13,4 μg/m³ (NO2), 9,0 μg/m³ (PM2,5) en 15,8 μg/m³ (PM10). De WHO-advieswaarden worden niet overschreden. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, dus ook in Nederland. Uiterlijk in 2030 moeten de jaargemiddelde concentraties PM2,5 en PM10 zijn gedaald naar respectievelijk 10 en 20 μg/m³. Voor NO2 gaat een nieuwe jaargemiddelde eis gelden van 20 μg/m³.

De specifieke concentraties over 2030 van fijnstof en stikstofdioxide in het projectgebied bedragen 10,8 μg/m³ (NO2), 7,7 μg/m³ (PM2,5) en 15,1 μg/m³ (PM10). Deze waarden liggen lager dan de concentraties in 2024 en blijven binnen de nieuwe grenswaarden voor 2030. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

pagina 22 van 33

7.6

Archeologie en cultuurhistorie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast zijn er algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen.

De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Projectspecifiek In 2019 is door Transect voor de gehele gebiedsontwikkeling Beekweide II een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, 19010049, d.d. 23 september 2021, zie bijlage 3). Op basis van het gecombineerde en geactualiseerde archeologisch vooronderzoek is vastgesteld dat het projectgebied een lage verwachting kent op het aantreffen van archeologische waarden uit alle periodes. Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen in het kader van het aspect archeologie uitvoerbaar is.

7.7

Bodem

Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

pagina 23 van 33

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).

Projectspecifiek Woningen zijn in het kader van het Bkl bodemgevoelige gebouwen. De projectlocatie beschikt reeds over een woonbestemming. Derhalve is er geen sprake van een strenger bodemgebruik ten opzichte van de huidige planologische situatie. Echter dient er bij de bouw van woningen middels bodemonderzoek aangetoond te worden dat de grond geschikt is voor het toelaten van de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Om die reden is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd welke navolgend wordt beschouwd. Verkennend bodemonderzoek Om vast te stellen of de bodem geschikt is voor de bouw van de nieuwe woningen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden de resultaten uit het verkennend bodemonderzoek beschouwd (Verhoeven Milieutechniek, B24.9265, d.d. 20 augustus 2024, zie bijlage 4). Voor het verkennend bodemonderzoek werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie, waarbij diverse bedrijfsactiviteiten, diverse verhardingen en bebouwing, en de aanwezigheid van asbesthoudende dakbedekking, aandachtspunten vormde. Op basis van de resultaten dient de verdachte hypothese te worden aangenomen, aangezien in het grondwater ter plaatse van de (voormalige) werkplaats met opslag smeerolie in lekbak en (voormalige) opslag-/ bergruimte met compressor en opslag olie in vaatjes, sterk verhoogde gehalten voor minerale olie en vluchtige aromaten zijn aangetoond.

Tevens kan niet uitgesloten worden dat hier zowel de grond als het grondwater

sterk

verontreinigd

is

geraakt

door

vluchtige

koolwaterstoffen

(VOCl).

Daarnaast

zijn

asbestverontreinigingen aangetoond, welke zich voornamelijk op het achter terrein bevinden. De verontreinigingen geven aanleiding tot vervolgonderzoek. Dit onderzoek wordt navolgend beschouwd. Aanvullend bodemonderzoek Naar aanleiding van het eerder uitgevoerde verkennende bodemonderzoek is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Navolgend zijn de resultaten uit het aanvullend bodemonderzoek opgenomen (Verhoeven Milieutechniek, B25.9501, d.d. 29 augustus 2025, zie bijlage 5). Op basis van de resultaten van het aanvullend onderzoek is Verhoeven Milieutechniek van mening dat de milieu hygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie voldoende in beeld is gebracht. Geconcludeerd kan worden dat de eerder aangetroffen sterke verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten in het grondwater (inpandig ter plaatse van de voormalige werkplaats) is bevestigd. Aangezien in de grond ter plaatse van de kern en eromheen, in het diepere grondwater en in het grondwater uit de omliggende peilbuizen geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters (minerale olie en vluchtige stoffen) zijn aangetoond, is sprake van een lokale grondwaterverontreiniging.

pagina 24 van 33

Voor wat betreft de aangetroffen grondwaterverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten zijn mogelijk wel vervolgstappen noodzakelijk. Bij toekomstige herontwikkeling dient rekening gehouden met eventuele humane risico’s als gevolg van inhalatie binnenlucht. Indien ter plaatse van de aangetroffen verontreiniging nieuwbouw wordt gerealiseerd, dient voorafgaand de grondwaterverontreiniging te worden gesaneerd om eventuele risico’s (uitdamping) weg te nemen. Op 7 en 8 april heeft er ook nog een proefsleuvenonderzoek naar asbest in puin plaatsgevonden, evenals een aanvullend bodemonderzoek ter plaatse van het voormalig gronddepot. De resultaten van dit onderzoek zijn nog niet beschikbaar. Desalniettemin staat dit verlening van de omgevingsvergunning niet in de weg, omdat de verontreinigingssituatie op het perceel grotendeels in beeld is. Daarnaast is de initiatiefnemer voornemens het perceel geschikt te maken voor het woongebruik, door alle uiteindelijk geconstateerde ernstige verontreinigingen te saneren conform een saneringsplan. De gemeente Renswoude kan dit desgewenst borgen in de vergunningsvoorschriften bij de omgevingsvergunning. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, mits de noodzakelijke onderzoeken en sanering(en) voorafgaand aan de herontwikkeling van de gronden plaatsvinden.

7.8

Natuur

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.

Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪

aanwezige dier- en plantensoorten;

pagina 25 van 33

▪

typen natuurlijke habitats;

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

▪

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Projectspecifiek Soortenbescherming De voorgenomen ontwikkeling gaat gepaard met de sloop van bestaande bebouwing en een nieuwe terreininrichting. Er is een quickscan natuur uitgevoerd, om de gevolgen voor beschermde flora en fauna in beeld te brengen. De quickscan is als bijlage aan de onderbouwing toegevoegd en de resultaten hiervan worden navolgend beschouwd (Breur Ecologie & Onderzoek, QS24041v1, d.d. 16 juli 2024, zie bijlage 6). Quickscan Flora & Fauna Uit de quickscan flora & fauna komt naar voren dat het projectgebied potentie biedt voor de aanwezigheid van verschillende beschermde soorten. Er is dan ook aanvullend onderzoek nodig naar de volgende soorten/soortgroepen: vogels (huismus, kerkuil, steenuil, boerenzwaluw), vleermuizen (gebouwbewonende soorten), steenmarter, kleine marters (bunzing & wezel) en de haas en konijn. Indien deze soorten inderdaad in het projectgebied aanwezig zijn dan dient men een vergunning aan te vragen voor werkzaamheden die verbodsbepalingen overtreden ten aanzien van deze soorten. Het projectgebied is ook geschikt als nesthabitat voor algemene broedvogels. Nesten van deze vogels zijn alleen beschermd wanneer zij in gebruik zijn. Bij het plannen van de werkzaamheden wordt daarom aangeraden om rekening te houden met het broedseizoen van grofweg maart tot en met half juli. Soortgericht onderzoek

pagina 26 van 33

Naar aanleiding van de mogelijke functie die het projectgebied kan vervullen voor de hierboven genoemde soorten is een soortgericht onderzoek uitgevoerd door Breur Ecologie & Onderzoek. De resultaten hiervan worden navolgend beschouwd en zijn tevens opgenomen als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing (Breur Ecologie & Onderzoek, d.d. 16-07-2024, zie bijlage 7). Bij het terreinbezoek van de quickscan werd al vastgesteld dat het projectgebied functioneert als verblijfsplaats voor een kerkuil. In het projectgebied bevindt zich een jaarrond beschermde verblijfplaats van de kerkuil in de centraal gelegen kapschuur. Ook de aanwezigheid van een paar steenuilen is aangetoond. Aan de achterzijde van het projectgebied bevindt zich in het dak van de paardenstallen de vermoedelijke nestplaats. Óók deze verblijfsplaats beschikt over een jaarronde bescherming. Overige beschermde soorten zijn niet aanwezig in het projectgebied, of het terrein vervult geen essentiële functie als leefgebied. Conclusie en aanbeveling Ten aanzien van de ontwikkeling van het terrein aan de Barneveldsestraat 16 te Renswoude dient men een vergunning van de Omgevingswet aan te vragen voor het wegnemen van nest-/verblijfplaatsen van de steenuil en kerkuil. Voor het verkrijgen van een vergunning zijn de volgende zaken van belang:

▪

Er dient een wettelijk belang ten grondslag te liggen aan de ontwikkeling.

▪

Er dient een pakket aan mitigerende maatregelen genomen te worden om negatief effect op beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen en te verminderen. Hierbij kan gedacht worden aan: o

Het werken buiten de kwetsbare periodes (broedseizoen)

o

Zorgen voor alternatieve nest/verblijfplaatsen

Al deze zaken dienen goed onderbouwd in een activiteitenplan te worden beschreven, op basis van dit activiteitenplan kan men de vergunning aanvragen. Dit activiteitenplan is opgesteld d.d. 10-11-2025 en in dezelfde maand verstrekt aan de provincie Utrecht middels een aanvraag voor een omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit. Deze aanvraag loopt nog. Gebiedsbescherming De afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ bedraagt 5,7 km. Het initiatief gaat gepaard met stikstofuitstoot in de aanlegfase en in de gebruiksfase. Aangetoond moet worden dat het initiatief geen significant negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Overige effecten zoals licht, geluid en optische verstoring kunnen op voorhand uitgesloten worden. Er is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat het planvoornemen geen negatieve effecten heeft op stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden (Buro SRO, d.d. 25 maart 2026, zie bijlage 8). Deze berekening is uitgevoerd voor zowel de beoogde ontwikkeling aan de Barneveldsestraat (9 seniorenwoningen en een vrijstaande woning) als onderhavige ontwikkeling aan de Pinksterbloemweide. In totaal gaat het om de ontwikkeling van 25 woningen.

Voor de stikstofemissie van de aanlegfase is gerekend met de uitstoot die ontstaat als gevolg van de te gebruiken mobiele werktuigen, de voertuigbewegingen van personeel en materialen van en naar de bouwplaats, het stationair draaien van het vrachtverkeer en de koude starts van het licht verkeer. Uit de berekening voor deze aanlegfase volgt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de Natura 2000-gebieden zijn.

pagina 27 van 33

Bij het berekenen van de stikstofemissie van de gebruiksfase is gerekend met de uitstoot die ontstaat als gevolg van de verkeersgeneratie en de koude starts van het licht verkeer. Uit de berekening voor de gebruiksfase volgt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de omliggende Natura 2000-gebieden zijn. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie die plaatsvindt in de aanlegen gebruiksfase geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Met het oog op de bepalingen omtrent Natura 2000-gebieden uit de Omgevingswet en AMvB’s is het plan derhalve uitvoerbaar. Houtopstanden Er zijn geen houtopstanden op de projectlocatie aanwezig waarvoor een melding- of vergunningplicht geldt in het geval van kappen. Conclusie Het project is uitvoerbaar voor wat betreft soortenbescherming, mits door de provincie Utrecht een vergunning flora en fauna-activiteit wordt verstrekt. Dit staat de verlening van de omgevingsvergunning voor ‘afwijken van de regels van het omgevingsplan’ echter niet in de weg. Uit het stikstofdepositieonderzoek middels de AERIUS-calculator blijkt dat het planvoornemen geen significante gevolgen voor Natura-2000 gebieden heeft. Gesteld kan worden dat het planvoornemen in het kader van het aspect natuur uitvoerbaar is.

7.9

Ontplofbare oorlogsresten

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks Ontplofbare Oorlogsresten (hierna: OO) gevonden. Onder OO wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. Voorheen werden OO ook wel aangeduid als Niet Gesprongen Explosieven. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen.

Planspecifiek Om in beeld te brengen of er in het plangebied potentie is voor aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten is een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd (AVG Explosieven Opsporing, 2162051, d.d. 18 juni 2021, zie bijlage 9). Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er indicaties zijn voor de mogelijke aanwezigheid van geschutmunitie in delen van de planlocatie. Op navolgende kaart is het verdachte deel weergegeven.

pagina 28 van 33

Onderzoeksgebied ontplofbare oorlogsresten (bron: AVG Explosieven Opsporing)

De werkzaamheden buiten de verdachte gebieden kunnen onder reguliere condities uitgevoerd worden. In het verdachte gebied, waar ook onderhavige projectlocatie zich in bevindt, is opsporing van ontplofbare oorlogsresten op basis van een detectieonderzoek nodig. In 2025 zijn voor het grootste deel van het verdachte gebied opsporingswerkzaamheden uitgevoerd. Hiervan is een proces-verbaal gemaakt (AVG, 140000439-PVO-01, d.d. 1 september 2025, zie bijlage 10). In het proces-verbaal is het volgende verdachte gebied/onderzoeksgebied opgenomen.

pagina 29 van 33

Hieruit blijkt dat een deel van het plangebied binnen het onderzoeksgebied ligt en nog onderzocht moeten worden. Dit staat echter de verlening van de omgevingsvergunning niet in de weg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16897080/1