CConstaterende datRenswoude
Koppel je AI →
Document · PDF

B1. Special 'Water' Staat van Utrecht

Gemeenteraad 16 januari 2024, gemeente RenswoudeBij agendapunt: Ingekomen stuk B: Samenvatting en special 'water' Staat van Utrecht15.687 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Kennismaken met de wateropgaven in de provincie Utrecht

Foto omslag: Hoog water in de Lek. Bron: Beeldbank Provincie Utrecht

Verantwoording Dit rapport is tot stand gekomen op basis van een groot aantal bronnen, zoals opgenomen in de bijlage. Experts op het gebied van waterbeheer afkomstig van onder andere provincie- en gemeente Utrecht, waterschap en waterleidingsbedrijven hebben meegedacht en meegelezen op de inhoud. De eind­ verantwoordelijkheid voor deze tekst ligt bij de Staat van Utrecht, een onafhankelijk samenwerkingsverband tussen de provincie Utrecht en de gemeente Utrecht. De Staat van Utrecht richt zich op het aanbieden van op wetenschap gebaseerde kennis voor brede doelgroepen, variërend van beleidsprofessionals en maatschappelijke organisaties tot geïnteresseerde inwoners.

2

Inhoud

Inleiding

5

Kernboodschappen van de special (samenvatting)

7

Deel I Grote wateropgaven: de basis

12

1

2

Waterveiligheid 1.1 Dijken en gemalen in de provincie Utrecht 1.2 Klimaatverandering noodzaakt versterkte inzet op waterkeringen 1.3 Onderlinge verbondenheid: het Watersysteem

13 13

Waterkwantiteit 2.1 Belangrijke verschillen tussen zoet-, zout-, grond- en oppervlaktewater 2.2 Grote hoeveelheden water benut in de totale economie 2.3 Zoet watertekorten 2.4 Probleem van de verzilting 2.5 Zeespiegelstijging 2.6 Voorkomen van grondwatertekorten

17

14 15

17 19 20 21 22 23

3

Waterkwaliteit 3.1 Waterkwaliteit onder druk: achtergronden in het kort 3.2 Kwaliteitsbepaling: Kader richtlijn water (KRW) 3.3 Chemische kwaliteit van het water 3.4 Ecologische kwaliteit van het water 3.5 Kwaliteit van het grondwater: zorg om ‘vergrijzing’

Deel II Afgeleide water­opgaven voor provincie, regio’s, gemeenten en huishoudens

25 25 26 27 28 30

32

4

Beheerstructuur van de wateropgaven 4.1 Complexe algemene beheerstructuur 4.2 Bijzondere status van de waterschappen 4.3 Utrechtse wateren

33 33 34 37

5

Drinkwater: grenzen aan productiemogelijkheden in zicht 5.1 Drinkwatergebruik 5.2 Drinkwaterproductie 5.3 Controle op het drinkwater

39 39 40 41

6  Het afvoeren van water: opgaven rond waterzuivering en waterberging 6.1 Rioolwaterzuivering en het probleem van overbelasting 6.2 Waterberging in de openbare ruimte 6.3 Waterberging door inwoners

43 43 45 47

7

48

Watergericht werken in de openbare ruimte 7.1 Gemeenten en het klimaatproof maken van stedelijke gebieden 7.2 Nieuwe richtlijn Rijksoverheid: water- en bodemsturend werken

48 49

Bronnen

51

Colofon

54

Inleiding

Nieuw tijdperk van wateropgaven Wie over water praat kan heel veel verschillende aspecten bedoelen. In de praktijk valt het onderwerp uiteen in talloze toepassings- en beheersgebieden; denk bijvoorbeeld aan drink­ water, dijkversterking, hemelwaterafvoer en blauwalgen in zwemwater. In een niet zo heel ver verleden, konden de meeste beheersvraagstukken op het gebied van water bijna geheel door deskundigen worden gereguleerd. Zij hadden de kennis en kunde, en ook de bestuurlijke bevoegdheden, om orde op zaken te houden. Burgers stonden vaak op afstand en lieten het ‘waterwerk’ graag over aan deze groepen experts. Sinds enkele decennia zijn de tijden gekeerd. Klimaatverandering, toenemende bewustwording rondom milieuproblematiek, Europese samenwerking en nieuwe specialistische kennis brengen de wateropgaven dichter bij huis. De opgaven dringen steeds verder door in de poriën van het alledaagse leven. Denk aan dreigende tekorten van drinkwater, toenemende overstromingsrisico’s en de onomkeerbare schade aan de ecosystemen die wij nodig hebben voor een gezonde leefomgeving. De wateropgaven zijn, met andere woorden, niet langer alleen een zaak van specialisten. Er is steeds bredere inzet nodig om de problemen het hoofd te bieden. We

hebben het dan bijvoorbeeld over nieuwe aanpakken op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook over inwoners die hun percelen watervriendelijker kunnen inrichten. In de transformatie van wateropgaven die bijna geheel door deskundigen konden worden gereguleerd naar het nieuwe tijdperk waarin wateropgaven iedereen raken, moeten bruggen worden geslagen in kennis- en informatieoverdracht. Waar deskundigen elkaar onderling makkelijk vinden en in vaktaal kunnen praten over bijvoorbeeld ‘het kwelwater dat voor verzilting zorgt’ of over ‘wadi’s die tot aan het maaiveld reiken’, levert dit voor niet-ingewijden vraagtekens op. Het zou mooi zijn als de wateropgaven, met hun achtergronden en hun kenmerken, voor zoveel mogelijk groepen begrijpelijk zijn. In deze special willen we proberen daar wat handreikingen voor doen. Dat kan uiteraard alleen maar met hele grove pennenstreken. Achter alle soorten watervraagstukken gaan enorme hoeveelheden gespecialiseerde (wetenschappelijke) kennis schuil die bibliotheken kunnen vullen. In deze special blijven we, om in watertermen te blijven, uitsluitend aan de oppervlakte en duiken we nergens de diepte in.

5

Onderwerpen die we aan de orde stellen zijn: • De drie soorten waterproblemen die aan de basis liggen van al het watermanagement in heel Nederland (en ver daarbuiten). Dat zijn de opgaven rondom waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit. Deze hoofdopgaven staan alle in relatie tot klimaatverandering en milieuproblematiek. • Vervolgens kijken we naar enkele hieruit voortvloeiende uitdagingen op provinciaal, regionaal, gemeentelijk en inwonersniveau. Specifiek waar het gaat om drinkwater­ productie, rioolwaterzuivering en waterberging. Ook hier speelt de impact van klimaatverandering en milieuproblematiek een centrale rol. • We lichten de bestuurlijke- en beleidsmatige inrichting toe. Welke overheden en organisaties zijn globaal aan zet voor alle opgaven en hoe wordt het waterbeheer breder verankerd? We proberen alle informatie zoveel mogelijk toe te spitsen op het Utrechtse provinciale grondgebied. Op die manier hopen we de kennis zo concreet en levend mogelijk te maken. In de samenvatting aan het begin van deze special zetten we de hoofdlijnen op een rij in de vorm van een dertiental kernboodschappen.

6

Kernboodschappen van de special (samenvatting)

1.

2.

Maatschappelijke transformatie watervraagstukken: Sinds enkele decennia voltrekt zich een maatschappelijke transformatie op het gebied van waterbeheer. Konden watervraagstukken vroeger in de praktijk bijna geheel door waterprofessionals beheerd en gereguleerd worden, nu is daar een breed maatschappelijk veld voor nodig. De omvang van de opgaven is sterk verbreed, mede onder invloed van klimaatverandering en bewustwording over milieuproblematiek. Er is nu meer samenwerking nodig met deskundigen op bijvoorbeeld ecologisch gebied, ontwerpers in de ruimtelijke ordening en met inwoners in het algemeen. Uiteenlopende uitdagingen per soort water: Om het water­ beheer en de waterproblematiek goed te kunnen duiden, is het nodig om onderscheid te maken tussen ten eerste zoet en zout water en ten tweede tussen oppervlakte- en grondwater. Zout water is er in het algemeen in overvloed, terwijl voor zoet water soms grote tekorten dreigen. Voor oppervlaktewateren (zoals zichtbaar in rivieren, meren, beken, sloten en vijvers) gelden grotendeels andere problematieken dan voor grond­ water. Bij oppervlaktewateren spelen aspecten als zorg voor de flora en fauna, risico’s op overstromingen, problemen bij droogte. Bij grondwater gaat het om bijvoorbeeld het op peil kunnen houden van de drinkwatervoorziening, maar ook om de vraag welke plekken zich goed lenen voor landbouw, stedelijke

bebouwing, warmtewinning of bepaalde productieprocessen. Een gemeenschappelijke uitdaging voor zowel zoet-, zout-, grond- en oppervlaktewater is in ieder geval de zorg voor de waterkwaliteit. 3.

Waterveiligheid behoeft extra inzet: Onder invloed van de klimaatverandering is er sprake van steeds heftiger wordende regenbuien, langere perioden van droogte en hitte en van zeespiegelstijging. Dit zorgt voor grotere schommelingen in waterpeilen van rivieren en kanalen en legt extra druk op bestaande waterkeringen, zoals dijken. Om de waterveiligheid te kunnen borgen (en zorgen dat iedereen ‘droge voeten houdt’) is extra inspanning nodig: een teveel aan water moet door de dijken blijvend kunnen worden opgevangen, en een teveel aan droogte mag de kwaliteit van de dijklichamen niet aantasten. Ook bodemdaling speelt een rol en maakt het extra ophogen van dijken noodzakelijk. Bodemdaling vindt vooral plaats door volumevermindering van veengronden (inklinking), en vormt een onomkeerbaar proces.

4.

Zoet watertekorten en de gevolgen: Zoet watertekorten doen zich in Nederland steeds meer voor doordat er (1) meer vraag komt naar zoet water door de groei van het aantal bedrijven en huishoudens, (2) er zich vaker en langduriger, door klimaatverandering, periodes van droogte en hitte voordoen, 7

(3) er sprake is van toenemende verzilting. Dit laatste houdt in dat het zoute (zee)water steeds verder het zoete rivierwater terug- en binnendringt. Dit proces wordt versterkt door de zeespiegelstijging. Naar verwachting stijgt de zee langs de Nederlandse kust met maximaal 1,27 meter tot het jaar 2100. Afgezien van gevolgen voor huishoudens en bedrijven (de drinkwatervoorziening komt in het gedrang), hebben zoet watertekorten ook impact op elektriciteitsproductie (waar bijzonder grote hoeveelheden koelwater bij nodig zijn), de landbouw (er is onvoldoende water om akkers te besproeien waardoor sommige gewassen niet kunnen overleven), de scheepvaart (door lage waterstanden kan men niet uitvaren, of alleen lichter beladen) en de natuur. Deze heeft te lijden onder verdroging waardoor bomen en heide kunnen afsterven en er onvoldoende drinkwater is voor dieren. 5.

8

Problemen rondom waterkwaliteit: De waterkwaliteit is met name in de afgelopen eeuw op indringende wijze achteruit gegaan. Weliswaar zijn er vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw steeds strengere normen en regels gesteld aan bijvoorbeeld het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater en het opslaan van afval in de bodem, voorgaande chemische vervuilingen laten nog steeds hun sporen na in bodem en grondwater. Daarnaast is er sprake van de opkomst van relatief nieuwe groepen chemische stoffen waarvan de

mate van schadelijkheid nog niet uitputtend wetenschappelijk is vastgesteld. Hierdoor ontbreekt bij een deel ervan nog een precieze normering die wettelijk verankerd is. De zogenoemde PFAS-stoffen zijn hier een voorbeeld van. Vervuiling van het water vindt eveneens plaats door depositie uit vervuilde lucht en door medicijnresten die via ontlasting en urine in het riool en oppervlaktewater komen. Specifiek speelt daarnaast dat een teveel aan nutriënten zoals stikstof en fosfor een schadelijke rol spelen bij de waterkwaliteit. Hierdoor raakt het natuurlijke evenwicht van de onder water levende flora en fauna bedreigd. 6.

Groeiende aandacht ecologische aspecten van water: In aansluiting op het bovenstaande wordt gezien dat sinds het midden van de vorige eeuw er toenemende aandacht groeit voor ecologische aspecten van water. Het besef is doorgedrongen dat goed waterbeheer meer omvat dan zorgen voor de juiste kwantiteit en letten op fysisch-chemische aspecten. Waterbeheer moet ook de zorg inhouden voor de waterbodem, de oevers en de flora en fauna onder water. Waterbeheer is daarmee een veel gecompliceerdere opgave geworden, en een beroep gaan doen op tal van nieuwe wetenschappelijke disciplines. Inmiddels vormen natuurbeheerders en landbouwexperts belangrijke partijen bij de diverse wateropgaven.

7.

Uitdagende Europese richtlijnen middels de Kader Richtlijn Water: Sinds het jaar 2000 is de zogeheten Kader Richtlijn Water (KRW) van kracht, uitgevaardigd door de Europese Unie. Ook Nederland heeft zich hieraan gecommitteerd en de bepalingen in de wetgeving verankerd. De KRW vereist dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in heel Europa in 2027 op orde is en doelt op zowel de ecologische aspecten van water (vooral gericht op flora en fauna) als de chemische aspecten (verontreinigende stoffen). Recente metingen in Nederland wijzen in de richting dat we de gestelde normen niet overal op tijd zullen halen. Er is zeker sprake van verbetering van de waterkwaliteit, maar vooral het volgens sommigen strenge Europese ‘one-out-allout’-principe, waarbij de waterkwaliteit pas als goed wordt beoordeeld als álle kwaliteitsaspecten gezamenlijk op orde zijn, blijkt in veel situaties in Nederland nog een te hoge lat. Voor de provincie Utrecht geldt bijvoorbeeld in 2022 dat met betrekking tot de chemische of ecologische kwaliteit van water, uitgaande van het one-out-all-out-principe, geen van de KRWoppervlaktewaterlichamen aan de gestelde normen voldoet. Wordt specifiek naar de biologische kwaliteitselementen gekeken als onderdeel van de ecologische kwaliteit dan bevinden 9 van de 60 KRW-oppervlaktewaterlichamen zich in een goede toestand, 35 matig, 13 ontoereikend en 3 slecht.

8.

Complex netwerk samenwerkingsrelaties waterbeheer: Het waterbeheer in de provincie Utrecht vindt plaats door relatief veel partijen, hetgeen een complex netwerk aan samenwerkingsrelaties met zich meebrengt. Het gaat om (1) de Rijksoverheid, die met name betrokken is via uitvoeringsorganisatie Rijkswaterstaat Midden Nederland. Deze beheert hoofdvaarwegen in Utrecht zoals de Lek en het Amsterdam-Rijnkanaal. (2) De Provincie Utrecht die met name provinciale vaarwegen beheert, de brede waterbelangen borgt en (deels) vergunningen verleent op het gebied van grondwateronttrekkingen. (3) Gemeenten zijn verantwoordelijk voor met name rioleringsstelsels, het beheer van eigen vijvers, beken en meren en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. (4) Drinkwaterbedrijven (Vitens, Oasen en Waternet) die zorgen voor de waterwinning in het gebied en de productie van drinkwater. (5) Waterschappen: deze beheren onder andere de waterkeringen, het waterpeil en ook de afvalwaterzuivering. De positie van waterschappen in ons land is vrij uniek te noemen. Ze vormen een eigen, democratisch gekozen bestuurslaag waarin diverse belanghebbende partijen zoals de landbouwsector en natuurbeheerders vertegenwoordigd worden. Binnen de provincie Utrecht zijn vier waterschappen actief: Amstel, Gooi en Vecht, De Stichtse Rijnlanden, Rivierenland, Vallei en Veluwe.

9

9.

Grenzen aan hoeveelheid op te pompen grondwater in zicht: Wat de drinkwaterproductie in de provincie Utrecht betreft, komen de grenzen aan wat hiervoor (op verantwoorde wijze) kan worden opgepompt, steeds meer in zicht. Dit brengt enerzijds het risico met zich mee dat in de toekomst huishoudens en bedrijven in tijden van droogte, op piekmomenten onvoldoende bediend kunnen worden. De vraag aan huishoudens is dan ook om wijs met drinkwater om te gaan. Anderzijds speelt de vraag of er voldoende drinkwater kan worden geproduceerd om nieuwe, nog te bouwen woonwijken te voorzien. Het aanvragen van nieuwe vergunningen hiervoor (bij de provincie) brengt strikte afwegingskaders in beeld. Bijvoorbeeld in hoeverre de bodem en natuur door een teveel aan oppompen uit evenwicht zou kunnen raken en in hoeverre er nog fysieke ruimte is binnen de provincie om extra waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden aan te wijzen.

10. Opgaven rond het afvoeren van afvalwater: Rioleringsstelsels die huishoudelijk afvalwater afvoeren, waren tot de jaren zeventig van de vorige eeuw ook gemaakt om regenwater af te voeren. Hierdoor komt, bij dit type stelsels, als het geregend heeft het afvalwater gemengd met hemelwater aan bij de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s). Deze vermengingen leveren sterke schommelingen op in de vervuilingsconcentraties die door de rwzi’s moeten 10

worden verwerkt en opgelost, waardoor er sprake is van milieubelastende inefficiëntie. Daarnaast speelt dat door het samengaan van regenwater en afvalwater in één rioleringssysteem er soms meer water moet worden afgevoerd dan waar het stelsel op berekend is. In het geval van bijvoorbeeld grote hoosbuien, die als gevolg van de klimaatverandering vaker voorkomen, geeft dit risico op ‘overstort’ waarbij vervuild water in openbare oppervlaktewateren terecht komt. Genoemde problemen geven urgentie aan het anders inrichten van met name de hemelwaterafvoer. 11. Belang van vasthouden van hemelwater: Om problemen rondom overbelasting van rioleringssystemen te voorkomen, evenals wateroverlast in de openbare ruimte én om te zorgen dat het grondwater voldoende aangevuld blijft, worden er inmiddels steeds meer maatregelen getroffen om hemelwater vast te houden, ofwel te ‘bergen’. Dit houdt in dat er via speciale ingrepen in de bodem, snel veel regenwater wordt opgevangen dat daarna pas langzaam verder wordt afgegeven aan de diepere lagen in de grond. Een bekende vorm van waterberging in de openbare ruimte vormen de zogenaamde wadi’s (Water Afvoer Drainage en Infiltratie). Deze kunnen er uitzien als een soort greppels in de natuur, maar ook als een groenstrook midden in een woonstraat. Onder die groenstrook

zijn dan bijvoorbeeld korven aangelegd die gevuld zijn met grind (‘infiltratiekoffers’). Ook bij woonhuizen wordt het waterbergen sterk aanbevolen, met name door gemeenten. Bewoners kunnen dit zelf realiseren door met name het afkoppelen van de regenpijpen van de riolering, het vervangen van tegels uit vooren achtertuinen door begroeiing en het bedekken van daken met speciale watervasthoudende beplantingen zoals sedum. 12. Gemeentelijke wateropgaven verbreed: Gemeenten raken in toenemende mate betrokken bij het klimaat- en waterproof maken van de verstedelijkte gebieden. Sinds 2017 zijn ze in het kader van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) ook verplicht om, samen met de waterschappen, zogenaamde klimaat-stresstesten uit te voeren. Knelpunten op het gebied van wateroverlast moeten in kaart gebracht worden, evenals de mogelijke gevolgen van andere weersextremen zoals uitzonderlijke droogte en hitte. Het nieuwe aanleveringsmoment voor de stresstesten is 2025. Centrale input voor de testen vormen de nieuwe KNMI-klimaatscenario’s die in oktober 2023 zijn uitgekomen. Hierin staat uitgewerkt welke weersomstandigheden er de komende 50 tot 100 jaar verwacht kunnen worden op lokaal niveau. Differentiëren naar gemeenten apart is van groot belang. Gemeenten hebben alle hun eigen wateropgaven. Het noordoostelijke deel van de provincie Utrecht heeft bijvoorbeeld, als gevolg

van hoogteverschillen, te maken met grotere hoeveelheden neerslag per jaar dan het zuidelijke deel van de provincie. Ook de mate waarin een gemeente verstedelijkt is, speelt een rol bij de mate waarin de hitte ’s nachts kan blijven hangen. 13. Nieuwe koers met water- en bodemsturend werken: Om alle waterproblematiek integraal aan te pakken heeft de Rijksoverheid eind 2022 een belangrijke nieuwe ruimtelijke koers gelanceerd die ‘Water- en bodem sturend werken’ wordt genoemd. In de kamerbrief hierover wordt gesteld dat water en bodem in de toekomst meer sturend moeten worden voor de ruimtelijke ordening. Dat betekent dat er niet zomaar meer ontwikkeld kan worden zonder eerst goed te kijken naar het belang van een gezond bodem- en waterbeheer. Nieuwe generaties mogen niet te lijden krijgen onder uitputting van de bodem of anderszins verkeerde keuzes. Ook mag een actie op de ene locatie (bijvoorbeeld grondwateronttrekking, gebruik van gewasbeschermingsmiddelen) niet leiden tot onbedoelde effecten elders. Met deze beleidslijn zal er in de toekomst ook bij locatiekeuze van nieuwe woningbouw en bedrijventerreinen, gericht rekening moeten worden gehouden met de kansen en beperkingen van het hele watersysteem. Het ziet er naar uit dat ‘water’ net als eerder in de Nederlandse geschiedenis, zichtbaar een van de belangrijkste speerpunten wordt van onze inrichting. 11

Deel I

Grote wateropgaven: de basis Als het om water en waterbeheer gaat, zijn er drie grote water­ opgaven. Die van de waterveiligheid, de waterkwantiteit en waterkwaliteit. Alle drie de opgaven zijn de afgelopen decennia onder steeds grotere druk komen te staan door met name klimaatverandering en bewustwording over milieuproblematiek. Ter wille van de overzichtelijkheid bespreken we de opgaven in afzonderlijke hoofdstukken. In de praktijk wordt er door de waterbeheerders ook veel integraal aan gewerkt.

12

1

Waterveiligheid

Waterveiligheid heeft te maken met de vraag of het voor bewoners veilig is om te kunnen wonen, werken en recreëren, zonder dat zij te maken krijgen met overstromingen. Dijken en gemalen spelen daar een essentiële rol in. Klimaat­verandering en bodemdaling maken het noodzakelijk extra maatregelen te nemen om de waterveiligheid geborgd te houden. Ook is het noodzakelijk om de onderlinge verweven­heid van waterproblemen in een hele regio scherp in beeld te hebben. Het gaat dan om aandacht voor het over­ koepelende watersysteem.

1.1

dijken langs de Nederrijn, de Lek, de Eem en de randmeren van het IJsselmeer. In totaal ligt er ongeveer 80 kilometer aan primaire waterkeringen in de provincie. Regionale waterkeringen bevinden zich bijvoorbeeld langs kanalen en regionale rivieren. Deze zijn eveneens in beheer van de waterschappen. In de provincie ligt in totaal 578 kilometer aan regionale waterkeringen. Wat betreft gemalen in Utrecht, hier zijn er 187 van, waarvan er 116 in bedrijf. Gemaal Vleuterweide, gemeente Utrecht

Dijken en gemalen in de provincie Utrecht

De meest in het oog springende instrumenten om waterveiligheid in een gebied te garanderen, vormen de dijken en gemalen. Tezamen worden deze waterkeringen genoemd. Dijken zorgen er voor dat achterliggend land beschermd blijft tegen overstromingen. Gemalen zijn inrichtingen die het waterpeil van een gebied reguleren en zorgen dat de gewenste waterstand gehandhaafd blijft. Binnen de provincie wordt onderscheid gemaakt tussen primaire en regionale waterkeringen. Primaire water­keringen zijn de dijken langs de grote rivieren. Het Rijk legt hiervoor de normen vast, het beheer ligt bij de waterschappen. In Utrecht gaat het hierbij om de

Bron: www.acampo-architecten.nl

13

De provincie en waterschappen bepalen over het algemeen in samenspraak welke belangen en functies aan de waterkeringen worden toegekend. Op basis hiervan worden normen opgesteld over bijvoorbeeld de gewenste waterpeilen.

Dijken in de provincie Utrecht: primaire en regionale waterkeringen

Eemnes

Meer weten? • Waterveiligheid | provincie Utrecht (provincie-utrecht.nl) • Veilige dijken – HDSR • Sterke Lekdijk – HDSR • Verbeteren van de Grebbedijk - Vallei en Veluwe (vallei-veluwe.nl) • De Nederlandse Gemalen Stichting

Bunschoten De Ronde Venen Baarn Amersfoort

Stichtse Vecht

Soest De Bilt Leusden

Woerden

1.2 Klimaatverandering noodzaakt versterkte inzet op waterkeringen

Zeist

Utrecht

Woudenberg Renswoude

Montfoort

Bunnik

IJsselstein

Oudewater

Utrechtse Heuvelrug Veenendaal

Nieuwegein Houten Lopik

Wijk bij Duurstede

Vijfheerenlanden

primaire keringen regionale keringen regionale rijkskering

Bron: Provincie Utrecht (2023)

14

Rhenen

Naast het reguliere onderhoud aan waterkeringen, zorgen klimaat­ veranderingen en bodemproblematiek ervoor dat er extra inzet nodig is om de kwaliteit hiervan te borgen. Wat betreft klimaat­ veranderingen gaat het vooral om de steeds verder toenemende schommelingen in de weersomstandigheden. Er worden voor de toekomst steeds heftigere regenbuien voorspeld én langere perioden van droogte. Beide aspecten leiden tot een groter over­ stromingsgevaar. Door de heftigere en meer langdurige regenval stromen er grotere hoeveelheden water door de rivieren dan oorspronkelijk voorzien en waar bestaande waterkeringen op zijn toegerust. Dit betekent dat extra gewerkt moet worden aan de watersystemen om ze weer veilig te krijgen. Daarnaast heeft ook de toenemende droogte belangrijke impact op de dijken. Dit zorgt er voor dat regenwater eerder wegstroomt van het oppervlak dan het in de dijk kan trekken. Er vindt daarmee minder directe wateropslag plaats. Bij teveel vochtverlies kunnen de dijken hun stabiliteit en dus betrouwbaarheid verliezen. Momenteel worden in de provincie Utrecht onder andere de dijken langs de Nederrijn en de Lek versterkt.

Alhoewel de grote dijken zich in het algemeen vooral buiten de stedelijke kernen bevinden, en het kan lijken of daar het meest ‘gezorgd’ moet worden voor de waterveiligheid, zijn ook gemeenten aan zet voor waterveiligheid binnen de bebouwde kom. Aan hen wordt gevraagd om in kaart te brengen hoe hun waterveiligheid er precies voor staat. Dit wordt uitgewerkt in zogenaamde klimaatstresstesten. [Zie: Gemeenten en het klimaatproof maken van stedelijke gebieden]

Versterking Lekdijk tussen Amerongen en Schoonhoven (2017-2029)

2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029

Indicatieve planning deelprojecten Sterke Lekdijk

1. Wijk bij Duurstede - Amerongen 2. Salmsteke 3. Culemborgse Veer - Beatrixsluis 4. Salmsteke - Schoonhoven 5. Jaarsveld - Vreeswijk 6. Irenesluis - Culemborgse veer 7. Nieuwegein

V V V VP P P V V VP P P R V V V VP P V V V P V V V V V V V V

P PR R R R R P R R R P P PR R R P P PR R R V P P PR R P P PR R

R R R R R R R

verkenningsfase planuitwerkingsfase realisatiefase

Meer weten? • Bodemdaling | provincie Utrecht (provincie-utrecht.nl) • Zakken van de bodem: steeds hoger op de agenda - Bodem+ (bodemplus.nl) • Grondwaterstand - Unie van Waterschappen

V P R gebaseerd op plan van aanpak

Bron: HDSR

Naast klimaatveranderingen speelt ook bodemproblematiek een rol bij de waterveiligheidsopgaven. In veel gebieden met veengrond, vindt op grotere schaal bodemdaling plaats. Op de kaart op pagina 16 is te zien in welk deel van de provincie Utrecht deze veengrond aanwezig is. Kenmerkend voor veengrond is dat het kan gaan oxideren (aan zuurstof binden of verbranden). Daarmee vindt er volumekrimp plaats en ‘klinkt’ de bodem in. Per jaar kan de bodem tussen de 0,5 en 1 cm dalen. Deze daling betreft ook de dijken zelf en maakt het blijvend ophogen hiervan noodzakelijk.

1.3

Onderlinge verbondenheid: het Watersysteem

Het realiseren van waterveiligheid is nooit gebonden aan één plek. Alle wateren in een regio staan direct of indirect met elkaar in verbinding en als zich op één plek een probleem voordoet, kan dit op (zeer) korte of lange termijn doorwerken naar andere plekken. Hieruit kunnen onveilige of onwenselijke situaties voortkomen zoals een overstroming of uitdroging. Door menselijk ingrijpen zoals waterpeilbeheer, bemalingen, stuwen en pompen kan ervoor gezorgd worden dat er een (gewenst) evenwicht ontstaat en dat bijvoorbeeld een dreigend tekort aan water in de ene kant van de regio, gecompenseerd kan worden door toevoer van water uit de andere kant van de regio. Deze onderlinge samenhang van waterstromen vormt een onderdeel van het zogenaamde watersysteem. Het gehele watersysteem bestaat ook uit aspecten zoals oevers, waterbodems en waterafhankelijke flora en fauna.

15

Veengrond in de provincie Utrecht

Eemnes Bunschoten De Ronde Venen Baarn Stichtse Vecht

Soest

Amersfoort

De Bilt Leusden

Woerden Zeist

Utrecht

Woudenberg Renswoude

Oudewater

Montfoort IJsselstein

Utrechtse Heuvelrug

Bunnik

Veenendaal

Nieuwegein Houten

Lopik

Wijk bij Duurstede

Vijfheerenlanden

dun veen klei op veen veen overig

Bron: BRO (2023)

16

Rhenen

Het watersysteem binnen de provincie Utrecht kan als divers worden betiteld. In het oosten van de provincie wordt bijvoorbeeld met grote stuwen gewerkt om het waterpeil te reguleren. Het westen van de provincie kenmerkt zich vooral door veel poldersystemen, waar ofwel veel water moet worden ‘bijgepompt’ of ‘weggepompt’. Zou dit wegpompen niet gebeuren, dan zou het hele gebied onder water komen te staan en er niet meer gewoond of gewerkt kunnen worden. Door het zich vaker voordoen van hevige regenval – als gevolg van klimaatverandering – moeten de pompen soms harder werken dan eerder voorzien. Tegelijkertijd wordt gezien dat in tijden van grote droogte, er in de directe omgeving te weinig water is om aan te voeren bij een tekort. Om de klimaatgerelateerde problemen op dit hogere, regionale niveau op te lossen wordt er gekeken naar de robuustheid van het grotere watersysteem en worden hierop aanpakken ontwikkeld. Op de Utrechtse Heuvelrug is men bijvoorbeeld aan de slag gegaan met een zogenaamde ‘Blauwe agenda’. Meer weten? • Waterveiligheid | provincie Utrecht (provincie-utrecht.nl) • Provincie Utrecht (2022): Blauwe agenda Utrechtse Heuvelrug. Een ambitiedocument.

2

Waterkwantiteit

Waterkwantiteit gaat over het feit dat we soms met meer of juist minder water te maken hebben dan we zouden willen. Om de problemen op dit gebied in perspectief te plaatsen, moeten we onderscheid maken naar zoet-, zout-, grond- en oppervlaktewater. Ook moet gekeken worden naar wie de grote watergebruikers zijn in ons land zoals energieproducenten en (overige) industrie. Belangrijke ontwikkelingen die impact hebben op de waterkwantiteit zijn naast extreme droogte, verzilting en de stijging van de zeewaterspiegel.

2.1 Belangrijke verschillen tussen zoet-, zout-, grond- en oppervlaktewater Om problemen rond de waterkwantiteit te begrijpen is het nodig onderscheid te maken tussen de belangrijkste soorten water. De meest elementaire indeling zijn enerzijds die tussen zoet water en zout water en anderzijds die tussen grondwater en oppervlaktewater. Zout oppervlaktewater is vooral zeewater en afgezien van dat we erop kunnen varen, in kunnen zwemmen en vissen, wordt het vooral in enorme hoeveelheden gebruikt als koelwater voor

energievoorzienende bedrijven. Koelwater speelt een heel grote rol bij de productie van elektriciteit en in de (petro)chemische industrie. Nadat het water de koelfunctie heeft verricht, stroomt het deels weer terug naar de oorspronkelijke bron. Industrieën die van grote hoeveelheden koelwater afhankelijk zijn, vestigen zich in toenemende mate dicht bij zee, om zo steeds minder aanspraak te hoeven maken op het schaarser wordende zoete water uit rivieren. Voor de provincie Utrecht geldt dat er, vanwege de ligging geen zout (zee)water voor economisch gebruik voorhanden is. Dat betekent echter niet dat er geen problemen spelen op het gebied van het zouter worden van Utrechts water. Daar komen we in de paragraaf ‘verzilting’ op terug. Zoet oppervlaktewater stroomt in rivieren, kanalen en meren, en bevat een fractie van het aandeel chlorides als zout water. Gemiddeld is in Nederland het chloridegehalte van zoet water tussen de 50 en 130 mg per liter. Zeewater bevat gemiddeld 18.000 mg chloride per liter. Het zoete water wordt net als zout water, veel in industrieën gebruikt. Zoet oppervlaktewater dat men wil benutten voor economische en/of huishoudelijke doelen (zoals voor drinkwater) wordt ingenomen in zogenaamde inlaat- of innamepunten voor oppervlaktewater. Binnen de provincie Utrecht bevinden deze zich onder andere in Nieuwegein en Nieuwersluis.

17

De Lek bij Jaarsveld, aan de overkant Vijfheerenlanden.

Grondwater is water dat aan de oppervlakte onzichtbaar is, en zich (diep) in de grond bevindt. Voor economisch/huishoudelijk gebruik moet dit altijd opgepompt worden. Feitelijk gaat het tot op grote diepten om zoet water, dat in principe schoner is dan dat door de rivieren stroomt. Dit zeggen we met voorzichtigheid, want steeds 18

Bron: Beeldbank Provincie Utrecht

duidelijker komt aan het licht dat veel grondwater lang niet meer zo schoon is als vroeger. Hier komen we op terug in het hoofdstuk over waterkwaliteit. Het opgepompte grondwater komt vooral terecht bij waterleidingbedrijven. Deels gaat het echter rechtstreeks, zonder eerst het waterleidingsbedrijf te hebben gepasseerd, naar

andersoortige bedrijven. Bijvoorbeeld landbouwbedrijven die het gebruiken voor het beregenen van gewassen, bedrijven die het grondwater benutten als koel- of schoonmaakwater, en bedrijven die het water gebruiken als grondstof, zoals frisdrankfabrikanten. Het water dat wordt opgepompt door de waterleidingbedrijven wordt aan zowel huishoudens als bedrijven geleverd. Grondwater speelt daarmee, in samenhang met de totale bodemopbouw, een belangrijke rol bij de inrichting van het landschap. Het bepaalt de mogelijkheden die er zijn voor wonen, drinkwatervoorziening, natuur en landbouw. De provincie Utrecht beschikt over een grote voorraad kwalitatief goed grondwater die geschikt is voor vele doeleinden. De gemeente Amsterdam wordt bijvoorbeeld voor een derde van het drinkwatergebruik bevoorraad uit Utrechts grondwater. Er zijn schone grondwatervoorraden aanwezig in de Utrechtse Heuvelrug, maar ook in diepere, door kleilagen beschermde zandlagen in het westelijk deel van de provincie Utrecht. Meer weten? • Grondwater | provincie Utrecht (provincie-utrecht.nl) • Waar komt uw drinkwater vandaan? | Waternet

2.2 Grote hoeveelheden water benut in de totale economie De vraag is wie al dit zoete, zoute en grondwater in Nederland precies gebruiken en in welke mate. De totale hoeveelheid water die jaarlijks wordt benut en economische waarde heeft voor vooral industrie, huishoudens en agrarische sectoren, is gigantisch te noemen. Het CBS kwam voor 2021 uit op 6.600 miljoen m3 zout oppervlaktewater, 7.000 miljoen m3 zoet oppervlaktewater en 990 miljoen m3 grondwater. Zoals in bijgaand figuur te zien is, wordt 6% van al dat water door huishoudens gebruikt. 62% gaat naar de

energievoorziening (met name als koelwater), 31% naar overige economische activiteit en 1% naar landbouw. Overigens stroomt uiteraard een groot deel van het verbruikte water ook weer terug de wateren en bodem in. Een deel van het (gebruikte) water verdampt. Totale economische benutting oppervlaktewater (zoet en zout) en grondwater in Nederland, 2021

1% 1% energievoorziening

6%

economie overig huishoudens landbouw overig/verlies

31% 62%

Bron: CBS

De vraag of we als land voldoende water hebben, moet in het perspectief van functie, doelgroep en regio beschouwd worden. Zo zullen scheepvaart en industrie in het algemeen vooral geraakt worden bij tekorten aan oppervlaktewater als gevolg van droogte. We kunnen ook spreken over tekorten aan ‘passend’ oppervlaktewater waar het gaat om recreatie- en zwemwater. Door bevolkingstoename en langere en warmere zomers, ontwikkelt zich hier in toenemende mate vraag naar. De natuur- en landbouwsectoren zullen in de praktijk vaak eerder geraakt worden door tekorten aan grond­ water. Voor de provincie Utrecht geldt specifiek dat drink­water bijna geheel uit onttrokken grondwater bestaat (en dus niet uit oppervlaktewateren). Bij dreigende tekorten aan onttrekkings­ mogelijkheden, ontstaat er op dit gebied in de provincie een kwetsbare situatie. Hier komen we op terug in hoofdstuk 5. 19

Meer weten? • Waterstromen in de Nederlandse economie (cbs.nl) • Hoe gebruiken we ons water? (cbs.nl) • Minder zoetwatergebruik en rioolwaterzuivering op peil (cbs.nl) • Koelwatergebruik en warmtelozing door elektriciteitscentrales, 1981-2021 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl)

2.3

Zoet watertekorten

Met een beeld van de wijde zeeën en oceanen voor ogen, is het vreemd om te horen dat er sprake is van een dreigend watertekort. Toch speelt dit wel degelijk wereldwijd, maar gaat het hierbij voornamelijk om zoet water. Zoals gesteld bevat zoet water honderd(en) malen minder zout, uitgedrukt in chlorides, dan zout water en zijn er tot op heden nog geen gemakkelijke, goedkope of snelle manieren om van zout water zoet water te maken. De oorzaak van de zoet watertekorten zijn divers. Enerzijds gaat het om een steeds verder toenemende economische en huishoudelijke vraag naar zoet water, anderzijds gaat het om het feit dat er met name in de zomers vaker en langere periodes van droogte voorkomen. Dit zorgt ervoor dat er minder neerslag valt, veel vocht in de lucht verdampt en rivieren uitdrogen. Belangrijke processen daarnaast die de tekorten in ons land sterk aanjagen zijn die van het zouter worden van zoet water (verzilting) en de stijging van de zeespiegel. Deze onderwerpen behandelen we in de volgende paragrafen apart. Er kunnen diverse soorten problemen optreden als de normale zoet water-toestroom voor langere tijd stagneert. Zoals al gesteld betekent dat voor de industriesector dat er een tekort aan koelwater komt (en/of aan water met de juiste koele temperatuur),

20

waardoor bijvoorbeeld de productie van elektriciteit van tijd tot tijd moet worden beperkt. Voor huishoudens geldt dat de drinkwatervoorziening dan in het gedrang kan komen. Dit betekent onder andere dat tuinen minder gesproeid kunnen worden, er minder lang gedoucht kan worden en men het advies krijgt extra zorgvuldige met het kraanwater om te gaan, iets dat uiteraard ook voor bedrijven geldt. Voor de landbouw betekent het dat er dan soms onvoldoende water is om akkers te besproeien, waardoor sommige gewassen niet goed kunnen overleven. De watertekorten leiden dan ook tot minder productie. Voor de scheepvaart betekent het dat men bij lage waterstanden niet kan uitvaren en/of minder zwaar beladen moet varen. Dit heeft diverse economische gevolgen. Voor de natuur geldt dat deze veel te lijden heeft. Stromende beken vallen droog, venen verdrogen, bomen en heide sterven af en er is onvoldoende drinkwater voor dieren. Tenslotte komt door watertekort ook de stabiliteit van veendijken in het gedrang waarmee risico’s op overstroming in latere perioden toenemen. Mocht een droogteperiode in ons land lang aanhouden, dan is het niet langer mogelijk om alle functies optimaal te blijven bedienen. Dan moet er gekozen worden wie of wat er prioriteit heeft. Hiervoor is een officiële (in de wet verankerde) ‘verdringingsreeks’ opgesteld.

Deze bestaat uit vier hoofdcategorieën waarbinnen prioriteiten kunnen worden ‘afgepeld’. Zo komt bijvoorbeeld de leveringszekerheid van drinkwater voor de leveringszekerheid van water voor energievoorziening. Meer weten? • Watertekort - Helpdesk water • Minder zoetwatergebruik en rioolwaterzuivering op peil (cbs.nl) • Verdringingsreeks bij watertekort - Kenniscentrum InfoMil

2.4

Probleem van de verzilting

Een grote zorg op het gebied van (dreigende) zoetwatertekorten, is het feit dat zoet water in Nederland steeds zouter aan het worden is. Dit wordt verzilting genoemd. Het gaat dan om de toename van het chloridegehalte in het oorspronkelijk zoete water. Globaal worden er twee manieren onderscheiden waarop deze verzilting plaatsvindt; externe verzilting en interne verzilting. Bij externe verzilting gaat het om een proces waarbij zeewater steeds verder landinwaarts stroomt en zich op die manier vermengt met het (zoete) rivierwater. Dit kan gebeuren als riviermonden minder water dan gebruikelijk transporteren in perioden van droogte of als gevolg van het wegvallen van volume door het slinken van gletsjerijs. Ook de zeespiegelstijging speelt een rol. Het rivierwater kan dan minder ‘tegendruk’ bieden aan het instromende zeewater. Het zeewater dringt zich als een zouttong in het zoete water. Deze vorm van verzilting heeft veel gevolgen voor de inname van zoet water door onder andere drinkwaterbedrijven. Deze moeten dan andere bronnen aanspreken om de kwantiteit en kwaliteit van het drinkwater te kunnen garanderen. Ook zijn er nadelige effecten op de landbouw, met name voor zoetwatergevoelige teelten zoals die van fruit, bomen en bollen. De tweede vorm van verzilting is bodem-intern van aard en treedt op doordat zout kwelwater vanuit de diepere grondlagen aan de oppervlakte komt.

Kwelwater is water dat zich onder druk uit de bodem naar boven beweegt tot het aan de oppervlakte is gekomen. Het gaat daarbij om water uit de diepere bodems, dat vaak brak tot zout is en nog resteert uit de tijd dat de zee zich zo’n 5.000 jaar geleden terug ging trekken uit wat we nu Nederland noemen. Van

oorsprong was dit type grondwater vrijwel onbeweeglijk genesteld in de diepere bodemlagen, maar als gevolg van droogmakerijen en inpolderingen door de eeuwen heen, in beweging gekomen. Uit hun evenwicht gehaalde grondwaterpakketten zorgen voor een sterke toestroom van zout grondwater. Deze vorm van verzilting is volgens deskundigen een zo goed als onomkeerbaar proces en hiertegen zijn dan ook niet of nauwelijks maatregelen te treffen. Als de verzilting blijft toenemen, komt de kwantiteit van het zoete water onder druk te staan. Het wordt door veel deskundigen dan ook als een belangrijk thema gezien om dit proces zoveel mogelijk tegen te gaan. Het wordt ook wel de zoetwateropgave genoemd. Voor de provincie Utrecht geldt in deze context dat deze onderdeel vormt van de zogeheten Klimaatbestendige Wateraanvoervoorziening (KWA), waarmee zoet water via de Leidsche Rijn – Oude Rijn en de Hollandse IJssel naar het westen van het land wordt gevoerd. Dit als de aanvoer van zoet water vanuit de Rijn door droogte te beperkt is. Meer weten? • Vragen en antwoorden over verzilting bij droogte en watertekort | Publicatie | Rijksoverheid.nl • Twynstra en Gudde (2019); Handreiking Verzilting | Hydrotheek (wur.nl) • Verzilting: een bedreiging voor ons drinkwater? - Drinkwaterplatform • Klimaatbestendige Wateraanvoervoorziening - Wikipedia

21

2.5

Zeespiegelstijging

Niet alleen verzilting, maar ook de verwachte zeespiegelstijging zal belangrijke impact hebben op de zoetwatercapaciteit in Nederland. Modelberekeningen van met name het KNMI geven (voor Nederland) aan dat de temperatuur de komende decennia nog verder zal blijven stijgen – ook al wordt er optimaal ingezet in het voorkomen hiervan. Met de temperatuurstijging zal ook de zeespiegel stijgen, wat vooral voor een land als Nederland bijzonder veel directe consequenties heeft. Dát de zeespiegel gaat stijgen is vooral het gevolg van de opwarming van de oceanen (warm water zet uit en neemt meer ruimte in), smeltende berggletsjers en smeltend landijs op Groenland en Antarctica. Nationaal en internationaal worden er berekeningen uitgevoerd en schattingen gemaakt van de mate van stijging. Het KNMI houdt momenteel Zeespiegelstijging in Nederland, ontwikkelingen en prognoses, 1900–2100

130 cm 120 110 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0 -10 -20 -30 1900

rekening met een stijging langs de Nederlandse kust in het jaar 2100 van maximaal 1,27 meter. Hoe verder de zeespiegel stijgt, hoe zwaarder de duinen, dijken en stormvloedkeringen in het land belast zullen raken. Ook kan water uit rivieren, polders en binnenwateren steeds minder op natuurlijke wijze naar de zee stromen en moeten daarvoor op termijn steeds meer pompen worden ingezet. De kwantiteit van benodigd en gewenst water zal sterker onder druk komen te staan. Zo zal de rivierafvoer in de Rijn volgens KNMI-scenario’s voor het jaar 2050 in de winter tussen de 15% en 30% toenemen, en in de zomer tot 15% afnemen. Voor de Maas neemt de gemiddelde afvoer in de winter naar verwachting eveneens toe, tussen de 10% en 25%. In de winter zal dus meer water afgevoerd moeten worden, terwijl in de zomer juist minder water beschikbaar is. Wat de precieze directe en indirecte consequenties zijn van de zeespiegelstijging voor de wateren in Utrecht is nog niet in kaart gebracht. Binnen de provincie wordt in 2024 een bovenregionale stresstest uitgevoerd om de gevolgen in beeld te brengen. Meer weten? • KNMI - Zeespiegelstijging • KNMI - Klimaatdashboard • Kennisprogramma Zeespiegelstijging | Deltaprogramma | Deltaprogramma • De laatste inzichten uit het IPCC-rapport over oceanen en de cryosfeer, november 2019 | KNMI specials (rijksoverheid.nl)

1920

1940

Jaargemiddelde Trend metingen Bron: KNMI (2023)

22

1960

1980

2000

2020

2040

Lage uitstootscenario 49 cm (26-80 cm) Hoge uitstootscenario 87 cm (60-127 cm)

2060

2080

2100

2.6

Voorkomen van grondwatertekorten

Dreigende tekorten aan water hebben niet alleen betrekking op oppervlaktewater, maar kunnen ook in bodems en bij grondwater optreden. Het belang van het voorkomen van tekorten aan grond­ water, wordt onder meer in de Europese Kaderrichtlijn Water (zie hiernavolgende paragraaf over waterkwaliteit) expliciet aan de orde gesteld. Een van de basisuitgangspunten van de KRW is dat de natuur niet mag verslechteren en dat de grondwatervoorraad niet mag afnemen. Om dit te borgen mag er niet meer water aan de grond onttrokken worden dan weer terugstroomt via neerslag. Dit betekent enerzijds dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met door mensen uitgevoerde grondwateronttrekkingen die plaatsvinden voor onder andere drinkwater en landbouw. Anderzijds is meer aandacht nodig voor het beter in de bodem vasthouden van de neerslag. Snelle waterafvoer moet worden vertraagd en infiltratie van de neerslag in de bodem moet worden bevorderd. Op dit laatste komen we nog terug in de paragrafen over waterberging. Meer weten? • Grondwater en de KRW - Helpdesk water • Wateroverlast en watertekort | provincie Utrecht (provincie-utrecht.nl) • Capaciteitsuitbreiding Klimaatbestendige Wateraanvoer - HDSR

De Venen.

Bron: Beeldbank Provincie Utrecht

23

24

3

Waterkwaliteit

Waterkwaliteit gaat over de mate waarin water ook echt geschikt is voor alle doelstellingen waarvoor het gebruikt moet worden. De Europese Kader Richtlijn Water (KRW) is sinds het jaar 2000 leidend in het bepalen hoe de gewenste kwaliteit er uit ziet. Nederland heeft zich hieraan gecommitteerd en deze uitgangspunten in wetten verankerd. Er vinden systematisch evaluerende metingen plaats naar zowel grondwater als oppervlaktewateren. Uitkomsten uit 2021 en 2022 laten momenteel een vrij ongunstig beeld zien met betrekking tot het behalen van de gewenste kwaliteitsdoelen in het jaar 2027. Dat neemt niet weg dat er op deelgebieden al zeker belangrijke vooruitgangen worden geboekt.

3.1 Waterkwaliteit onder druk: achtergronden in het kort Ons oppervlaktewater, en deels ook grondwater, is in de loop der eeuwen op een indringende manier verontreinigd geraakt. Grotendeels zijn nationale en internationale industrieën hier de oorzaak van, en hierachter mensen in het algemeen. Ondanks dat er vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw steeds strengere normen en regels gesteld worden aan het lozen van industrieel afvalwater en bijvoorbeeld het opslaan van afval in de bodem verboden is, is

de impact van dit soort vroegere activiteiten nog steeds aanwezig. Restanten van stoffen uit de tijden dat er nog geen beperkingen golden, zijn nog steeds terug te vinden in bodems, grondwater en oppervlaktewateren. Veel van dit soort verontreinigende stoffen zijn inmiddels geïdentificeerd en wettelijk genormeerd. Echter is er ook sprake van een toenemend aantal verontreinigende chemische stoffen waarvan de mate van schadelijkheid nog niet uitputtend (wetenschappelijk) is vastgesteld. Dit worden ‘opkomende stoffen’ genoemd, waarvan PFAS-stoffen het meest bekend zijn. Hier wordt momenteel nog veel onderzoek naar gedaan en gewerkt aan exacte, wettelijke maatregelen en normeringen. Niet alleen industriële lozingen zorgen voor verontreiniging van de wateren, ook door vervuilde lucht en neerslag belanden schadelijke stoffen in het water (depositie), en ook huishoudens dragen bij aan de watervervuiling. Denk hierbij bijvoorbeeld aan medicijnresten die via ontlasting en urine in het riool komen. Vanuit de landbouw komen gewasbeschermingsmiddelen in de bodem en het gronden oppervlaktewater. Vooral ook spelen de zogeheten nutriënten stikstof en fosfor een rol bij de druk op de waterkwaliteit. Dit zijn voedingsstoffen voor planten om te groeien en behoren van nature thuis in het water, maar door toedoen van de mens zijn de hoeveelheden hiervan soms sterk toegenomen.

Bij hogere concentraties stikstof en fosfor kunnen veel plant- en diersoorten die oorspronkelijk in en rond het water voorkomen, niet meer gedijen. 25

Een goede kwaliteit van water vraagt niet alleen om de afwezigheid van verontreinigende stoffen, maar vooral ook om de aanwezigheid van voldoende zuurstof. Zuurstofrijk water is in het algemeen kwali­ tatief sterker dan zuurstofarm water. Daarom kijken deskundigen naar de aan- of afwezigheid van ‘zuurstofbindende’ stoffen in het water. Het is een verzamelnaam voor stoffen die een (scheikundige) verbinding met de zuurstofmoleculen in het water aangaan. Net als nutriënten geldt voor zuurstofbindende stoffen dat deze de kwaliteit van water onder druk zetten omdat een tekort aan zuurstof het natuurlijke evenwicht van de onder water levende flora en fauna bedreigt. Een tekort aan zuurstof in het water kan ook het gevolg zijn van hitte en droogte. Als er minder water door de rivieren stroomt als gevolg van langdurige droogte, en het ook warm weer is, neemt de kans op slechtere waterkwaliteit toe. Er is dan een grotere ‘voedingsbodem’ voor bepaalde bacteriën die bijvoorbeeld botulisme kunnen veroorzaken. Dit kan leiden tot vergiftigingen waar met name watervogels en vissen aan kunnen sterven. Bij stilstaand water is droogte en hitte ook een ideaal klimaat voor de groei van blauwalgen. Hier kunnen mensen en dieren ziek van worden en kan leiden tot stank. Dit water is ongeschikt om in te zwemmen, bij te recreëren of om landbouwgronden mee te beregenen.

Meer weten? • Vijf vragen en antwoorden over nutriënten en waterkwaliteit | PBL Planbureau voor de Leefomgeving • Gewasbeschermingsmiddelen | Risico’s van stoffen (rivm.nl) • Gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater 2013-2021 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl) • Medicijnresten in water | Medicijnen | Rijksoverheid.nl • Hoe werken we samen aan schoon en gezond water? - HDSR • Waterkwaliteit - Unie van Waterschappen 26

3.2 Kwaliteitsbepaling: Kader richtlijn water (KRW) De kwaliteit van het water (zoet-, zout- en grondwater) kan sinds enkele decennia in Nederland niet besproken worden zonder verwijzing naar de Kader Richtlijn Water. Deze is in december 2000 door de Europese Unie uitgevaardigd en vereist dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in heel Europa eind 2015 op orde is, met een uitstelmogelijkheid tot eind 2027. Nederland heeft als Europese lidstaat de wettelijke plicht om de KRW te verankeren in de wetgeving en deze door te laten werken in alle watergerelateerde beleidsplannen. Het wordt momenteel als waarschijnlijk gezien dat we in Nederland de gestelde KRW-normen niet overal op tijd zullen gaan halen. De Kader Richtlijn Water bedoelt met ‘kwaliteit’ zowel de ecolo­ gische aspecten van water (vooral gericht op flora en fauna) als de chemische aspecten (verontreinigende stoffen). Voor grondwater stelt de KRW, zoals al eerder genoemd, naast chemische kwaliteit ook eisen aan de kwantiteit. Bij de uitvoering van de KRW zijn zowel de provincies, waterschappen, gemeenten als Rijkswaterstaat in Nederland betrokken. De waterschappen stellen bijvoorbeeld ecologische doelen op voor oppervlaktewateren, die door de provincie worden gecontroleerd en vastgesteld. Provincies staan met name ook voor grondwater(bescherming) aan de lat.

Gemeenten hebben verantwoordelijkheid voor het halen van de waterkwaliteitsdoelen ten aanzien van de wateren die ze in beheer en onderhoud hebben. Voor het beoordelen van de waterkwaliteit wordt uitgebreid gemonitord in de belangrijkste wateren van de provincie. Hiervoor zijn speciale ‘KRW-water­lichamen’ aangewezen, waaraan doelen zijn gekoppeld. Door herhaalde metingen wordt de kwaliteitsontwikkeling gevolgd. Overigens streven waterbeheerders in de provincie Utrecht ook in overige wateren naar verbetering van de kwaliteit.

De KRW benoemt in haar reglementen een aantal belangrijke basisprincipes, namelijk: er mag geen sprake zijn van achteruitgang van de waterkwaliteit, iedereen moet zijn eigen vervuiling aanpakken (geen afwenteling) en het ‘one-out-all-out’ principe, Gemonitorde wateren in de provincie Utrecht ten behoeve van KRW

Bunschoten

Eemnes

De Ronde Venen

Meer weten? • Europese Kaderrichtlijn Water | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl) • Waterkwaliteit KRW, 2022 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl) • Waterbeleid | provincie Utrecht (provincie-utrecht.nl) • Witteveen & Bos (2022): Gaat Nederland de KRW-doelen halen? Een analyse op KRW-doelbereik en inzicht in mogelijke consequenties | Hydrotheek (wur.nl)

Baarn Amersfoort Soest

Stichtse Vecht De Bilt

Leusden

Woerden Utrecht

Zeist

3.3

Woudenberg

Chemische kwaliteit van het water

Renswoude

Monfoort Oudewater

hetgeen betekent dat de waterkwaliteit pas goed is als alle kwaliteitsaspecten in orde zijn. Bij kwaliteitsmetingen binnen de KRW wordt, zoals gesteld, globaal verschil gemaakt tussen de chemische en ecologische kwaliteit. Deze laatste omvat, naast biologische aspecten ook (overige) fysisch-chemische aspecten. We bespreken hieronder de belangrijkste normeringen vanuit de KRW, en noemen zowel de (landelijke) uitkomsten van metingen zoals die door het Compendium voor de Leefomgeving werden gepubliceerd, als resultaten voor de provincie Utrecht.

IJsselstein

Bunnik

Utrechtse Heuvelrug

Nieuwegein

Veenendaal Houten

Lopik

Wijk bij Duurstede Rhenen

Vijfheerenlanden

Bron: Informatiehuis Water (2023)

De chemische kwaliteit van het oppervlaktewater wordt, volgens KRW-maatstaven gemeten aan de hand van 33 specifieke stoffen, ook wel ‘prioritaire stoffen’ genoemd. Voorbeelden van deze stoffen zijn benzeen, cadmium, nikkel en kwik. De chemische waterkwaliteit op basis van deze stoffen is in heel Nederland in 2021 in 90% van de gemeten oppervlaktewateren, onvoldoende. Het feit dat (enkele) prioritaire stoffen nog in het oppervlaktewater worden aangetroffen, wil volgens deskundigen niet zeggen dat deze recent nog geloosd werden. Deze komen grotendeels nog voor door lozingen uit periodes dat hier nog geen verbod of normeringen voor bestonden. Het feit dat veel wateren in 2021 nog als onvoldoende moesten worden beoordeeld, heeft hoofdzakelijk te maken met één of twee specifieke stoffen die niet aan de norm voldoen. 27

Voor de provincie Utrecht geldt dat met betrekking tot de chemische kwaliteit van water, uitgaande van het one-out-all-out principe, geen enkel KRW-oppervlaktewaterlichaam aan de gestelde normen voldoet. Het gaat om 2 tot 9 stoffen per waterlichaam die de norm overschrijden. In totaal overschreden 10 verschillende stoffen in meetjaar 2021 de norm, waarvan er 7 ‘ubiquitair’ zijn. Ubiquitaire stoffen zijn al decennia in het milieu aanwezig, moeilijk afbreekbaar en komen wereldwijd in het milieu voor. Over deze stoffen wordt apart gerapporteerd, zodat inzichtelijk is of de water­kwaliteit met betrekking tot de overige stoffen verbetert. De 3 niet-­ubiquitaire stoffen zijn de PAK fluorantheen en de insecticiden heptachloor/heptachloorepoxide en sypermethrin. Deze drie stoffen overschrijden de norm in respectievelijk 40%, 100% en 27% van de Utrechtse KRW-waterlichamen. Meer weten? • Chemische waterkwaliteit KRW, 2021 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl) • Provincie Utrecht (2022): Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022–2027

3.4

Ecologische kwaliteit van het water

Bij de ecologische kwaliteit van het water wordt vooral gekeken naar de mate waarin de flora en fauna daarin kan gedijen. De bredere aandacht voor ecologische schade aan het water is vooral in de tweede helft van de vorige eeuw sterk toegenomen. Het besef begon toen door te dringen dat waterbeheer meer omvat dan zorgen voor goede kwantiteit en letten op fysischchemische aspecten. Waterbeheer moet ook de zorg inhouden voor de waterbodem, de oevers en de flora en fauna onder water. Waterbeheer is daarmee een veel gecompliceerdere opgave geworden, en een beroep gaan doen op tal van nieuwe wetenschappelijke disciplines. 28

Of oppervlaktewateren in Nederland wel of niet voldoen aan alle gewenste ecologische kwaliteitseisen is nooit in één keer in zijn algemeenheid te beantwoorden. Dit hangt ook samen met de vraag welke specifieke ‘doelen’ men aan de wateren zou willen koppelen, bijvoorbeeld om deze (extra) geschikt te houden voor karperachtige vissen of voor een speciaal natuurgebied. Hier kunnen dan ‘doelhoogten’ voor worden bepaald, waaraan normenreeksen voor fysische, chemische en biologische gesteldheid worden verbonden. Dat geeft een basis om op te meten en te handelen. Voor het meten van de ecologische kwaliteit van het water, wordt binnen de KRW onderscheid gemaakt tussen een check op ‘biologie’, ‘fysischchemische situatie’ en aanwezigheid van ‘overige stoffen’. Voor de biologische kwaliteit van de oppervlaktewateren wordt gekeken naar de mate waarin vissen, waterplanten, algen en macro­ fauna voorkomen. Macrofauna bestaat uit ongewervelde dieren die met het blote oog te zien zijn, zoals kevers, slakken, wormen en weekdieren. In 2022 wordt vastgesteld dat de biologische kwaliteit van het oppervlaktewater in 103 van de 741 Nederlandse onderzochte wateren goed te noemen is (14%).

Als belangrijkste oorzaken voor de matige tot slechte biologische kwaliteit van de Nederlandse oppervlaktewateren worden de aanwezigheid van (nutriënten) stikstof en fosfor genoemd en de onnatuurlijke inrichting van het water. Met dit laatste wordt gedoeld op het feit dat veel beken, meren en kanalen strakke oevers hebben met weinig mogelijkheden voor natuurlijke habitat voor planten en dieren. Waar het de fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlakte­ water betreft, wordt deze gemeten aan de hand van de mate waarin stikstof, fosfor, zuurstof en chlorides in het water aanwezig zijn en hoe het gesteld is met de zuurgraad, temperatuur en doorzichtig­ heid van het water. Voor heel Nederland geldt in 2021 dat de ­fysisch-chemische kwaliteit van het oppervlaktewater in 41% van de onderzochte wateren goed te noemen is. Voor het deel dat matig

Prinses Beatrixsluis, Lekkanaal, Nieuwegein. Bron: Beeldbank Provincie Utrecht

29

tot slecht beoordeeld is, geldt net als voor het gebrek aan de biologische kwaliteit, dat vooral de aanwezigheid van nutriënten stikstof en fosfor hier belangrijk aan bijdragen. Nutriënten zijn afkomstig uit onder meer spoeling vanaf landbouw­gronden en natuurbodems, uit atmosferische depositie en riool­waterzuiveringsinstallaties. Voor de groep ‘overige stoffen’ waarop de ecologische water­ kwaliteit wordt beoordeeld, geldt dat in 2021 voor heel Nederland bijna alle onderzochte wateren niet aan de KRW-normen voldoen. De onvoldoende kwaliteit wordt vaak veroorzaakt door één of enkele stoffen. In totaal zijn er in Nederland 77 soorten stoffen gemeten, waaronder zilver, boor, koper en ammonium. Voor de provincie Utrecht geldt dat geen van de KRW-oppervlakte­ waterlichamen voldoet aan de norm waar het 3 tot 8 ‘overige stoffen’ betreft. Seleen, arseen, kobalt en ammonium overschrijden de norm in driekwart van het aantal waterlichamen. Wordt alleen naar de biologische kwaliteitselementen gekeken dan bevinden 9 van de 60 waterlichamen zich in een goede toestand, 35 matig, 13 ontoereikend en 3 slecht.

Meer weten? • Biologische waterkwaliteit KRW, 2021 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl) • Fysisch-chemische waterkwaliteit KRW, 2021 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl) • Provincie Utrecht (2022): Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022–2027 • Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden (HDSR) (2021): KRW-maatregelenplan 2022-2027 • Gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater 2013-2021 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl) • STOWA (2007): Referenties en maatlatten voor natuurlijke watertypen voor de kaderrichtlijn water 30

3.5 Kwaliteit van het grondwater: zorg om ‘vergrijzing’ Ook het grondwater is onderdeel van de KRW-metingen. De grondwaterkwaliteit staat in toenemende mate onder invloed van landbouw, industrie, afvalwater uit rioolwaterzuiveringsinstallaties en luchtverontreiniging. Het grondwater wordt daarmee belast met zouten, metalen en voedingsstoffen (nutriënten), maar ook met gewasbeschermingsmiddelen, verdelgingsmiddelen, medicijnresten en tal van huishoudelijke – en industriële ‘opkomende’ stoffen waaronder die in de PFAS-groep. Dit wordt aangeduid als ‘vergrijzing’ van het grondwater. De voorraad schoon grondwater neemt daardoor af. Gemiddeld duurt het jaren (van enkele tot tientallen) voordat ‘vers’ neergedaald water op het bodemoppervlak, weggezakt is tot het niveau van de diepliggende putten voor drinkwater. Bij het meten van de grondwaterkwaliteit (op 10 en 25 meter diepte), kan men alle sporen van voorgaande jaren terugvinden. Er kan als het ware teruggekeken worden in de tijd, en soms worden er nog stoffen gevonden die allang niet meer worden gebruikt, maar wel in de bodem zijn achtergebleven. In heel Nederland verspreid worden tal van verontreinigende stoffen in lage concentraties in het grondwater aangetroffen. Plaatselijk worden sommige stoffen in hoge concentraties aangetroffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13665052/1