Vergunningsaanvraag met bijlagen-deel2
Tekst van het document
Archeologisch materiaal
Niet van toepassing.
Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur
Niet van toepassing.
Amateurarcheologen
Niet van toepassing.
Soort onderzoek
Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven
Uitvoerder
ADC ArcheoProjecten
Uitvoeringsperiode
2008
6
Wilbourn, 2006.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 3 van 27
Rapportage
Benthem, van A., 2008: Raalte Boetelerenk De Zegge VII: Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (ADC Rapport 1638), Amersfoort.
Bewaarplaats vondsten/documentatie
ADC ArcheoProjecten Amersfoort
Resultaten specialistisch onderzoek Archeobotanisch
Niet van toepassing.
Archeozoölogisch
Niet van toepassing.
Fysisch-antropologisch
Niet van toepassing.
Fysisch-geografisch
Niet van toepassing.
Geofysisch
Niet van toepassing.
Archeologisch materiaal
Tijdens dit onderzoek is in werkput 6 een vindplaats aangetroffen. De vindplaats bestaat uit enkele paalsporen die mogelijk tot een structuur horen. Door het gebrek aan vondstmateriaal was het niet mogelijk deze sporen te dateren. Verder is in het esdek vondstmateriaal daterend uit 10e - 19e eeuw verzameld. Uit een greppel in put 3 (S7) is 15e- eeuws aardewerk aangetroffen.
Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur
Niet van toepassing.
Amateurarcheologen
Niet van toepassing.
4 4.1
ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 7
Locatie, recente ingrepen en verstoringen Het onderzoeksgebied (± 15.000 m²) ligt op de Boetelerenk, en wordt omsloten door de straten Heesweg, Hertzstraat, Lumenweg en Wattstraat, circa 1,7 kilometer ten zuidoosten van de kern van Raalte in de gelijknamige gemeente (figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte tussen 5,6 en 8,2 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Raalte, sectie F nummer 6130. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 27 F (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het onderzoeksgebied X = 216.623/Y = 487.682. Het plangebied is momenteel braakliggend land (figuur 3). Over het algemeen bestaat de bodemopbouw uit een podzolbodem afgedekt door een plaggendek op dekzand. Fysiek-landschappelijke, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken Het plangebied bevindt zich binnen een gebied dat voornamelijk gevormd is gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien. Dit is een uitgestrekt relatief laaggelegen dekzandlandschap die ten westen wordt begrensd door het rivierenlandschap van de IJssel en ten oosten door het stuwwallenlandschap van de Sallandse heuvelrug. Binnen het dekzandlandschap (figuur 5) komen verspreid tal van dek7
Stiekema, van der Velde & Zuidhoff, 2007; van Benthem, 2008.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 4 van 27
zandruggen voor die een min of meer noord-zuid oriëntatie hebben. Deze dekzandruggen zijn ontstaan door opgedroogd rivierzand dat tijdens het Pleniglaciaal door poolwinden opstoven en verderop weer neersloeg, meestal op de flanken van natuurlijke hoogten zoals rivierduinen. Dit dekzand wordt Oud Dekzand genoemd. Gedurende Oude Dryas vond min of meer hetzelfde plaats en dit wordt Jong Dekzand genoemd. Op de Bodemkaart (figuur 6) bestaat het plangebied voor een groot deel uit hoge zwarte enkeerdgronden. Het zuidelijke deel van het plangebied bestaat uit beekeerdgronden. De hoge zwarte enkeerdgronden zijn ontstaan door de langdurige toepassing van bemesting. Plaggenbemesting werd toegepast van de Middeleeuwen en was veelal een vermenging van mest uit de potstallen en bijvoorbeeld heideplaggen. In dit uitgestrekt dekzandlandschap werd het water niet via beken of andere stromen afgevoerd maar via dalvormige laagten. Deze dalvormige laagten ontstonden door stromend water die zich langzaam maar zeker in het landschap insneden. Na verloop van tijd ontstonden hier moerassen zoals het gebied ten zuiden van de Boetelerenk, de Boetelerbroek. Het zuidelijke deel bestaat uit beekeerdgronden en direct ten zuiden van het plangebied is eveneens een laagte aanwezig. In dergelijke laagten komen zeer ijzerrijke lagen en ijzeroer voor.
In de bodemopbouw zorgt de ijzerbijmeging voor een laag roodzand, welke veelvuldig in verband worden gebracht met ijzerovens. Regionale archeologische context (figuur 7) Op het industrieterrein De Zegge hebben in de jaren ’90 en 2003 verschillende opgravingen plaatsgevonden. In 1993 is een urnenveld uit de midden-IJzertijd en een deel van een huisplattegrond opgegraven. Ten noorden van de Boetelerenk bevindt zich een smalle dekzandrug, De Zegge. Deze dekzandrug heeft een oost-west oriëntatie en loopt in het westen toe uit op de Raalterenk. Bij de ontwikkeling van de gelijknamige industrieterrein, ten oosten van Raalte zijn diverse vindplaatsen waargenomen. Hierbij zijn ten minste een huisplattegrond en enkele bijgebouwen aangetroffen. Het huisplattegrond kan gerekend worden tot het type Hijken (Oss-Ussen 2) en wordt op basis van het vondstmateriaal gedateerd in de vroeg- / midden-IJzertijd. Op de Boetelerenk zelf zijn bewoningssporen uit de late Bronstijd tot en met de vroeg-Romeinse tijd aangetroffen. De restanten betreffen in ieder geval twee huisplattegronden met een mogelijk LateBronstijd datering en een vroege IJzertijd datering en een grote hoeveelheid spiekers. Daarnaast is vondstmateriaal aangetroffen dat in de late IJzertijd - vroeg Romeinse tijd gedateerd kan worden.
Vermoedelijk hebben op de hogere delen van de Boetelerenk enkel akkers gelegen en vond bewoning plaats op de flanken van de dekzandrug. Tijdens een onderzoek in 2003 op de Boetelerenk zijn resten aangetroffen van een ijzerproductieveld. Verder zijn twee hutkommen en een klein bijgebouw waargenomen. De vondstverspreiding is 25 x 25 m en er zijn geen bewoningssporen aangetroffen. Het is mogelijk dat er zich op de Boetelerenk meerdere ovenvelden aanwezig zijn. De aangetroffen resten kunnen in de Romeinse tijd gedateerd worden. Verder zijn nog eens ten minste drie huisplattegronden en diverse bijgebouwen uit de vroege en volle Middeleeuwen gedocumenteerd. Op grond van aanvullende informatie van een booronderzoek en historisch kaartmateriaal kon worden geconcludeerd dat de aangetroffen resten onderdeel zijn van een geïsoleerde boerenhoeven en zicht beperkte tot de omvang van de aanwezige dekzandkop. Op circa 500 m ten westen van onderhavig plangebied is in natte context een muntschat aangetroffen bestaande uit 48 zilveren munten en enkele fibulae. De munten, waarvan het merendeel is geslagen te Dorestad en Aquitanië, dateren rond 860 en zijn afkomstig uit de periode van Lodewijk de Vrome (814 - 840) tot Karel de Kale (840 - 877). De muntschat betreft mogelijk een verlatings- of stichtingsritueel.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 5 van 27
Tijdens een proefsleuvenonderzoek in 2008 uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten is één proefsleuf (werkput 6) van 181 x 5 m te midden van het onderzoeksgebied gezet. Hierbij is in de zuidelijke helft van de sleuf een sporencluster aangetroffen. Het betreffen tien (paal)kuilen die mogelijk de wand van een gebouw vormen. Door het ontbreken van vondstmateriaal is een datering van de sporen niet mogelijk geweest.8 4.2
Aard en ouderdom van de vindplaats(en)
Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische resten laag voor resten uit het Paleolithicum tot en met het Neolithicum en de Nieuwe tijd en hoog voor resten vanaf de Bronstijd tot en met de Volle Middeleeuwen. 4.3
Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)
Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied Idem, met een maximum van ca. 15.000 m2 (totale omvang plangebied). 4.4
Structuren en sporen
Op grond van het archeologische vooronderzoek blijkt dat resten van bewoning in het plangebied terug kunnen gaan tot in Bronstijd. De verwachte resten kunnen onder meer bestaan uit akkerlagen, nederzettingssporen, grafvelden en rituele plaatsen. De verwachtte grondsporen kunnen bestaan uit paalsporen, muurresten, uitbraaksleuven, beer- en/ of waterputten, afvalkuilen en perceelsscheidingen. 4.5
Anorganische artefacten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal (metaal, glas, keramisch bouwmateriaal, leem, etc.) verwacht worden. 4.6
Organische artefacten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, dierlijk en menselijk botmateriaal, hout, textiel en leer. Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 120 cm -mv en de bodem sterk ontkalkt is, 8
Van Benthem, 2008.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 6 van 27
weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 120 cm -Mv, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Het merendeel van het plangebied bevindt zich in een gebied met een grondwatertrap van VII* en op een dekzandrug. Op dit deel is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. In het uiterst zuidelijke deel bevinden zich beekeerdgronden met grondwatertrap III*. Hier kunnen organische artefacten goed geconserveerd in de bodem aanwezig zijn. 4.7
Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten
Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat organisch materiaal onverkoold buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.8
Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen
De archeologische resten uit de perioden Bronstijd tot en met Volle Middeleeuwen worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. Archeologische sporen worden direct onder het eerddek verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. 4.9
Gaafheid en conservering
Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Door de lage grondwaterspiegel in het grootste deel van het plangebied zal eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische restenniet tot slecht geconserveerd zijn en deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen. Deze resten kunnen wel in het zuidelijk deel van het plangebied voor komen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijk aanwezige structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Dit zal het archeologische onderzoek moeten uitwijzen.
5 5.1
DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING Doelstelling
Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 7 van 27
conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Mochten er archeologische waarden worden aangetroffen in het onderzoeksgebied dan is het de bedoeling dat er direct wordt doorgestart naar een opgraving. Deze opgraving beperkt zich tot de in het proefsleuvenonderzoek vastgestelde gebied van de vindplaats. Doel van het proefsleuvenonderzoek is een inventarisatie, karakterisering en documentatie van aanen afwezigheid van archeologische waarden in een door een niet-archeologische bodemverstorende activiteit te verstoren gebied. Hiermee wordt inzicht gekregen in de archeologische betekenis van het gebied en vindt een registratie van de aangetroffen/of afwezige waarden. Er wordt alleen onderzoek gedaan binnen de voor de ondergrondse sloop- en bouwwerkzaamheden geplande ontgravingsdiepte en –oppervlakte. 5.2
Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders
Het in dit PvE omschreven onderzoek is inventariserend van karakter en heeft niet als primair doel voort te bouwen op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het OverijsselsGelders zandgebied.9 Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 2. De dynamiek van het Nederlandse landschap 3. Gebruik van het water 4. Occupatie en adaptatie in het rivierengebied en langs de kust 5. Sociale en economische differentiatie 6. Emigratie, immigratie, acculturatie 7. De archeologie van het rituele 8. Conflictarcheologie 9. Dodenbestel en grafmonumenten 10. De vroegste bewoning van Nederland 11. Overgang Laat-Paleolithicum - Vroeg-Mesolithicum 12. Neolithisatie proces (‘Neolithisering’) 13. De verankering van het boerenbestaan 14. De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw 15. De limes: inrichting en interactie 16. Overgang Romeinse tijd naar Vroege-Middeleeuwen 17. ‘Frankisering’ en kerstening 18. Dorpsvorming 19. De ontwikkeling van steden 20. De relatie stad – platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens - materiële cultuurrelaties 23. Netwerken en infrastructuur Uit het Paleolithicum en Mesolithicum worden in het plangebied in principe geen sporen van jagersverzamelaars verwacht.
Sporen uit het Neolithicum worden evenmin verwacht, maar het landschap wordt vanaf deze periode door de mens op diverse wijzen ingericht en gebruikt. De nalatenschap van deze inrichting en het gebruik daarvan geeft ons de mogelijkheid inzicht te krijgen in het leef- en denkpatroon van de bewoners gedurende de Late-Prehistorie en de Middeleeuwen. De vraagstellin9
http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 8 van 27
gen bij dit thema beslaan een breed geheel. De aandacht bij het onderzoek naar het natuurlijke landschap is vooral gericht op de niet door de mens beïnvloede omgeving c.q. die aspecten van de natuur die uiteindelijk het menselijk handelen hebben beïnvloed. Bij dit onderzoeksthema staat de ontstaanswijze van het gebied centraal. Er kan namelijk naast de landschappelijke ligging van de vindplaatsen ook een beeld van de ruimere regio verkregen worden. 5.3
Vraagstelling
De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting. Bij het Inventariserend Veldonderzoek Proefsleuven dienen de onderstaande onderzoeksvragen te worden beantwoord. 5.4
Onderzoeksvragen
5.4.1 Algemeen 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? 2. Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? 3. Zijn er aanwijzingen voor ijzerproductie uit de Romeinse tijd? 4. Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? 5. Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Raalte aanscherpen? 6. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 7. In welke mate zijn de onderzoeksgebieden verstoord? 8. Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats(en) (licht dit toe)? 9. Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? 10. Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? 11. Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? 12. Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten? De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA versie 4.1, bijlage IV Waarderen van vindplaatsen.
Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. 5.4.2 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaatsen. Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 13. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 14. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site-patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) o Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag? o de vondst- en spoordichtheid
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 9 van 27
o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie o wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt? 15. Als er sporen van ijzerproductie worden aangetroffen. Hoe staan deze in verhouding tot de ijzerproductie die reeds in de gemeente Raalte (Heeten-Hordelman en op de Boetelerenk) bekend zijn? 5.4.3 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaatsen in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 16. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? 17. Waar bevindt zich binnen het plangebied het eerddek? Als eerddek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 18. Wat is de dikte en wanneer is dit eerddek aangelegd? 19. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 20. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 21.
In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 5.4.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het eventuele vervolgonderzoek. Het is hierbij van belang om te weten of de vindplaats geschikt is voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysischantropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De hiervoor geselecteerde monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden. 5.5
Aanbeveling
Op basis van de resultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: • behoud in situ; • definitieve onderzoek; • vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen maken.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 10 van 27
6 6.1
STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN Strategie
In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een (Senior) KNAarcheoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Overijssels-Gelders zandgebied, of in vergelijkbare regio’s. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door een KNA-archeoloog als dagelijks wetenschappelijk leider die ervaring heeft met onderzoek in het Overijssel-Gelders zandgebied, of in vergelijkbare regio’s, bijgestaan door minimaal een veldtechnicus/archeoloog. In het onderzoeksgebied worden 13 proefsleuven aangelegd van 25 x 4 meter (figuur 8). Hiermee wordt 1.300 m2, ongeveer 8,5 % van het onderzoeksgebied onderzocht. Op basis van het vooronderzoek word verwacht dat de werkputten tot een diepte van circa 80 cm beneden het maaiveld worden gegraven. Op dit niveau wordt het archeologisch sporenniveau verwacht.
Bij de plaatsing van de proefsleuven is rekening gehouden met de aangetroffen grondsporen in werkput 6 uit voorgaande proefsleuvenonderzoek in 2008 door ADC ArcheoProjecten. Het onderhavig onderzoek is mede hierdoor een aanvulling op de resultaten uit 2008 en zal een bijdrage leveren in de waardering van de reeds aangetroffen vindplaats. Doordat in het zuidelijk deel het landschap opgehoogd gaat worden, vervalt een deel van het eerder afgesproken puttenplan. Dit komt er op neer dat de twee meest zuidelijke proefsleuven komen te vervallen. In de overige delen van het plangebied wordt het archeologisch sporenniveau op een diepte van circa 80 cm beneden het maaiveld verwacht. Omdat het landschapsreliëf binnen het plangebied met enkele centimeters kan verschillen en het archeologisch niveau dus hoger of lager dan 80 cm beneden het maaiveld kan voorkomen, wordt rekening gehouden met een bufferzone. Een bufferzone van 30 cm bovenop de 80 cm beneden het maaiveld houdt in dat in het plangebied archeologisch onderzoek vereist wanneer bodemingrepen dieper dan 50 cm beneden het maaiveld. Onder toezicht van een KNA-archeoloog, dient bij het proefsleuvenonderzoek laagsgewijs ontgraven te worden. Mocht er in deze proefsleuven een vindplaats worden aangetroffen dan dient er overleg plaats te vinden met de bevoegde overheid over een vervolgonderzoek.
Wanneer de vindplaats behoudenswaardig is, dient deze opgegraven te worden. In welke vorm het vervolgonderzoek zal plaatsvinden, wordt nader bepaald. Dit betekent dat er rekening mee gehouden moet worden dat al tijdens het proefsleuvenonderzoek, bij het aantreffen van een bepaald complex, de onderzoeksvragen uit dit document aangevuld moeten worden specifiek gericht op de aard en ouderdom van de aangetroffen vindplaats. 6.2
Methoden en technieken
Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA versie 4.1. Voorwerk
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 11 van 27
• Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. • Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) door het aanvragen van een OM-NR. • Het definitieve PvE wordt door de uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. Veldwerk • Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09. • Verspreid over het terrein worden 13 proefsleuven aangelegd, 25 x 4 meter. Hiermee wordt circa 8,5 % van het plangebied onderzocht. • Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die ervaring heeft met archeologisch werk. Indien deze niet voorhanden is dient de machinist extra goed geïnstrueerd en begeleid te worden door de (Senior) KNA-archeoloog. • Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak. • De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. • Naar eigen inzicht van de archeoloog kunnen proefsleuven verplaatst worden ten behoeve van de waardering van het plangebied of vanwege grote verstoringen.
• Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. • Er wordt uitgegaan van de aanleg van één vlak tot een diepte van 80 tot maximaal 120 cm beneden het maaiveld. • Mocht het noodzakelijk zijn om een tweede vlak aan te leggen dan dienen de sporen in het eerste vlak afgewerkt te zijn, met kosten van eventueel meerwerk. • De bouwvoor wordt gescheiden gehouden van de overige grond en als laatste teruggestort. • In verband met de mogelijkheid dat de mogelijke vindplaats(en) behouden blijft/blijven, ex-situ, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. • Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd. • Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. • De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens.
• Tijdens het onderzoek wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. • Vondsten gedaan bij de aanleg van de proefsleuven worden in vakken van 5 x 4 meter per bodemlaag verzameld. • Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd. • Stortvondsten worden per proefsleuf onder een vondstnummer verzameld. • Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 12 van 27
• Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld. • Tijdens de ontgravingswerkzaamheden wordt per haal van de graafmachine het dan voorliggende vlak met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. Dit geldt eveneens voor de uitgekomen grond. • Het discriminatieniveau van de metaaldetector dient zo laag mogelijk gehouden te worden. • De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker. • Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden als puntvondst ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. • Daarnaast dient de stort met een metaaldetector te worden onderzocht. • Bij het waterpassen van het vlak om de 5 m, wordt telkens ook het maaiveld direct buiten de proefsleuven meegenomen. • De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo goed mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst. Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk.
• Alle aanpassingen van het proefsleuvenonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid. • Er wordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. • Bij het aantreffen van meer dan drie stuks bewerkt vuursteen in situ in een vak van 4 x 4 meter, dient er rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van een vuursteenconcentratie. In een dergelijk geval worden verspreid over de vermoede concentratie vier megaboringen gezet, diameter 15 cm. De grond wordt gezeefd met een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Het boren vindt plaats tot een diepte waarop in twee achtereenvolgende boringen geen artefacten meer worden aangetroffen. Bij positieve resultaten wordt het vlak niet verder verdiept, omdat een vuursteenvindplaats met een andere opgravingsstrategie moet worden opgegraven. • Na documentatie worden de proefsleuven weer gedicht. 6.3
Omgang kwetsbare vondsten en monsters
Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNALeidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal.” In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient een specialist betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden; ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNA-leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk en de opslag gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de specialist. 6.4 • •
Structuren en grondsporen Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven). De sporen worden getekend; de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en wordt de hoogte ten opzichte van NAP bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of Total Station getekend worden.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 13 van 27
•
• • •
• • • • •
•
• •
• • • 6.5
Sporen in het vlak worden gedocumenteerd; de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op daartoe geëigende formulieren, conform KNA versie 4.1. Van de aangetroffen sporen wordt een aantal gecoupeerd met als doel de kwaliteit vast te stellen. De sporen worden vooralsnog niet afgewerkt. Greppels en geïsoleerde sporen worden gecoupeerd en gedocumenteerd. Grondsporen die deel uit maken van een (gebouw)structuur of grote concentraties grondsporen dienen daarentegen in eerste instantie alleen (selectief) te worden gecoupeerd en niet te worden afgewerkt. Dit heeft als doel de datering en de conservering zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, waarbij de archeologische resten zoveel mogelijk intact gehouden worden. Dit ter beantwoording van de onderzoeksvragen. Aangetroffen graven (inhumaties/crematies) worden gedocumenteerd conform KNA versie 4.1, de graven worden niet geborgen. Aangetroffen funderingen, vloeren en water- of beerputten dienen aanvankelijk behouden te blijven. Na documentatie worden de sporen weer dicht gegooid. De coupes dienen individueel gewaterpast te worden. Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden.
Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). De vulling van sporen uit de Steentijd dient te worden gezeefd over een maaswijdte van 3 mm. Muurwerk moet worden ingemeten, gefotografeerd en onderzocht op constructieve aard, omvang en ouderdom conform KNA versie 4.1. Baksteengrootte, metselverband en tienlaagsmaat dient op een bouwsporenformulier genoteerd te worden, indien deze bepaald kunnen worden. Bodemlagen moeten ten opzichte van eventueel muurwerk afzonderlijk worden beoordeeld. Bij putten dient het onderscheid gemaakt te worden tussen water-, afval- en beerputten. Indien de vulling een vondstcomplex bevat, wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld. Kansrijke sporen worden bemonsterd. Aardwetenschappelijk onderzoek
Het aardwetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een fysisch-geograaf of een archeoloog met aantoonbare ervaring op de hier verwachte bodem en geologie. Van de proefsleuven dient een lengte profiel te worden onderzocht op mogelijke verstoringen, het bewoningsniveau en de mate waarin de eventuele vindplaats is opgenomen in de enkeerdgrond/de bouwvoor. Van het lengteprofiel wordt om de 25 meter een profielkolom van een 1 meter breed tot 30 centimeter in de schone C aangelegd en gedocumenteerd. Mochten er tussen de kolommen grote verschillen zitten dan dient het tussenliggende deel aangelegd en gedocumenteerd te worden om overgangen vast te leggen. Er dienen twee profielopnames per proefsleuf te worden gedocumenteerd, bij een gelijke opbouw in de proefsleuf volstaat de aanleg van één profiel. 6.6
Anorganische artefacten
• Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 14 van 27
• Archeologisch relevante vondsten en/of vondststrooiingen en/of clusters artefacten worden ter plaatse ingemeten en voorzien van een X-, Y-, en Z-waarden. • Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1. • Omdat nog niet bekend is hoeveel – en welke – archeologische vondsten en resten er zullen worden aangetroffen, is het niet mogelijk om een verantwoorde inschatting te maken van het aantal te verwachten kwetsbare vondsten en monsters. Daarom is, in overeenstemming met de KNA 4.1, Protocol 4001, PS07, er voor gekozen om voor de conservering van kwetsbaar vondstmateriaal een voorlopige stelpost op te nemen van € 1.000 (ex. BTW). 10 • Bij de vondst van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. • Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van wat er verwacht wordt of kan worden, is overleg nodig tussen de bevoegde overheid, de opdrachtgever en de depothouder, op aangeven van de opdrachtnemer. De depothouder maakt zijn wensen ten aanzien van selectiedeselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de opdrachtgever.
Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide extra kosten aan bod. De opdrachtnemer wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid. Zo nodig informeert de depothouder (/eigenaar) tevens de depotbeheerder. Binnen twee dagen vanaf het moment van aantoonbaar melden/persoonlijk contact met/bij de depothouder dient een reactie ten aanzien van het wel/niet meenemen van het materiaal door de depothouder te zijn gegeven. Bij het uitblijven van een reactie binnen de afgesproken termijn mogen de overige partijen beslissen of zij het materiaal wel/niet uit het veld meenemen. • Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerende archeologen representatief worden geselecteerd. 6.7 •
Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen, worden verzameld. Indien mogelijk worden vondsten uit verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per proefsleuf verzameld. Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA versie 4.1. De organische artefacten dienen in het veld op zodanige wijze te worden verzameld zodat ze na determinatie en uitwerking een antwoord geven op de gestelde onderzoeksvragen. Bij de vondst van bijzondere organische artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking en conservering ter hand genomen wordt. Voor conservering dient de opdrachtgever rekening te houden met een stelpost van € 1.000,-.11
• • •
• 6.8 •
Organische artefacten
Archeozoölogische en -botanische resten Uit relevante, kansrijke contexten (bijvoorbeeld sporen of vondststrooingen met veel verkoold materiaal en andere paleo-ecologische resten) dienen monsters genomen te worden ten behoeve van analyse door specialisten (archeobotanisch onderzoek).
10
Dit is een indicatieve prijs waaraan geen rechten ontleend kunnen worden.
11
Dit is een indicatieve prijs waaraan geen rechten ontleend kunnen worden.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 15 van 27
• • • • 6.9
Monstername ten behoeve van absolute dateringsmethoden gebeurt uitsluitend indien de aangetroffen archeologische sporen en materialen niet op andere wijze te dateren zijn. De monsters worden nog niet gezeefd. In overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever zal worden bepaald of analyse van de monsters noodzakelijk is. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. Deze werkzaamheden dienen als verrekenbare post te worden opgenomen. Overige resten
Het is mogelijk monsters te nemen voor onder meer micromorfologisch, botanisch, diatomeeën, mijten, insecten onderzoek, pollen en nonpalynomorfe pollen (NPP) analyse en geochemisch, onderzoek. Deze monsternames dienen te geschieden op basis van interpretatie door de Senior KNAarcheoloog indien noodzakelijk in samenspraak met de daartoe ter zakekundige specialist en worden alleen genomen wanneer dit noodzakelijk is ter beantwoording van de onderzoeksvragen. 6.10 Dateringstechieken Belangrijke sporen, die niet met behulp van vondsten kunnen worden gedateerd, kunnen, indien zij organisch materiaal bevatten, met behulp van een 14C-datering worden gedateerd. Daartoe dienen monsters van kansrijke lagen of materialen te worden genomen. Een andere mogelijkheid om de ouderdom vast te stellen, is door middel van Optical Stimulated Luminescence (OSL-datering). 6.11 Bouwstenen Een bouwsteen is gedefinieerd als een logische of logistieke informatie-eenheid van de documentatie van een gravend onderzoek. Deze bouwstenen definiëren de wijze van documenteren van de basisgegevens van een specifiek (waarnemings)proces of een specifieke activiteit binnen een archeologisch onderzoek, te weten administratieve (bijvoorbeeld: project en OM-nr) en ruimtelijk-geografische (de positie en ruimtelijke begrenzing).
Een bouwsteen, of een combinatie van bouwstenen, kan bijvoorbeeld de vorm hebben van een analoge (papieren) lijst of veldtekening, maar ook van een digitale databasetabel of een kaartlaag in een CAD- of GIS-toepassing. Van de werkzaamheden in het veld dienen dag- en weekrapporten te worden bijgehouden. Tevens dienen sporen op spoorformulieren, vondsten op vondstformulieren, monsters op monsterformulieren, tekeningen op tekeningformulieren en foto’ s op fotoformulieren te worden geregistreerd. 6.12 Complexiteit De complexiteit van het archeologisch onderzoek is standaard. De mogelijkheid van het voorkomen van meerdere perioden is het enige dat het onderzoek gecompliceerd kan maken. 6.13 Beperkingen Vanwege het inventariserende karakter van het proefsleuvenonderzoek mogen grotere structuren (bijvoorbeeld beschoeiingen, muurresten en putten) niet verwijderd worden. Door deze beperking kan mogelijk niet op alle onderzoeksvragen een duidelijk antwoord gegeven worden. Het nader uitwerken van materiaalgroepen en het conserveren van artefacten gebeurt nadat er een selectie- en waarderingsrapport is geschreven waarin de voorgenomen uitwerkingen worden verwoord en beargumenteerd. Uiteindelijke uitwerking en conservering wordt in overleg met en na goedkeuring van de opdrachtgever en de bevoegde overheid gedaan.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 16 van 27
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 17 van 27
7 7.1 • • •
•
•
•
7.2
UITWERKING EN CONSERVERING Structuren, grondsporen en vondstspreidingen De structuren en grondsporen worden zodanig uitgewerkt dat de vraagstelling kan worden beantwoord. Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. De analyse van de sporen is gericht op het herkennen van structuren, het toekennen van een betekenis aan de individuele sporen en/of structuren, het vinden van patronen in de materiële cultuur en het dateren van de betreffende sporen. Beschrijving structuren en grondsporen: o verspreiding en diepteligging; o beschrijving aard, fysieke kwaliteit en ouderdom (zo mogelijk). De aangetroffen lagen, grondsporen en structuren dienen per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de beantwoording van de vraagstellingen. Tevens dienen de lagen, grondsporen en structuren te worden meegenomen in de interpretatie en in de conclusie(s). Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart voorzien van het landelijke coördinatengrid en topografie. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. Analyse aardewetenschappelijke gegevens
Aardwetenschappelijke analyse vindt indien mogelijk plaats in het veld op basis van het bestudeerde profiel. Deze analyse zal in de regel worden uitgevoerd door de KNA-archeoloog. De veldgegevens van het vlak en de profielen moeten uitgewerkt worden in tekeningen en kaarten met een overzichtelijke codering conform KNA versie 4.1. De bodemlagen moeten duidelijk worden aangegeven in de profielen met daaraan gekoppeld een (globale) datering. 7.3 • •
• • • • •
Anorganische artefacten De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën. De anorganische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. • Aardewerk: determinatie per periode, eventueel op type. • Grofkeramiek: determinatie periode, eventueel op type. • Natuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig/gebruikstype. • Metaal (ook slakmateriaal): op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode. Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd. Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken. Niet te determineren metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context worden gevonden, worden geröntgend ten behoeve van de determinatie, selectie (i.v.m. mogelijke conservering) en screening van de inhoud.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 18 van 27
•
7.4 •
•
• • •
7.5 •
• •
• •
7.6
De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. Organische artefacten Organische artefacten worden door specialisten geanalyseerd tot op het niveau dat noodzakelijk is om de vraagstelling uit het PvE te beantwoorden. • Bewerkt hout (artefacten en constructiehout): determinatie op houtsoort, artefacttype, beschrijving van bewerkingssporen, eventueel datering. • Bot: determinatie op diersoort, botelement, artefacttype, eventueel datering. Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. Vondsten worden beschreven conform het ABR. Vondsten worden beschreven en gewaardeerd. De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. Archeozoölogische en -botanische resten Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking archeozoölogische en botanische resten worden gesteld, wordt verwezen naar de KNA versie 4.1. In aanvulling daarop, wanneer het voor het onderzoek relevant is, worden van dateerbare (grond)sporen met mogelijk goed geconserveerd archeologisch materiaal en van relevante vondstlagen (bijvoorbeeld uit beerputten) monsters genomen voor botanisch, 14C, dendrochronologisch en paleo-ecologisch onderzoek.
Van de kwalitatief goede grondmonsters zal een specialist samen met de KNA-archeoloog de monsters scannen op potentie in relatie tot de beantwoording van de vraagstelling. Na afloop van het veldwerk zal in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden vastgesteld welke monsters dienen te worden geanalyseerd. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden. Het specialistenrapport dient (integraal) in de standaardrapportage te worden opgenomen en geïntegreerd te worden in beantwoording van onderzoeksvragen en synthese van het onderzoek. Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.)
De beeldrapportage van de uitwerking bestaat (minimaal) uit de volgende afbeeldingen: • Uitsnede topografische kaart met het onderzoeksgebied. • Kaarten met de ligging van het plangebied en de belangrijkste structuren en grondsporen. • Allesporenkaart (ASK), weergegeven per periode. • Eventueel coupe-/profieltekeningen en/of foto’s. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid). • Toevoegen indien relevant: Een afbeelding van het plangebied met daarop weergegeven de zones die in aanmerking komen voor behoud in situ/vervolgonderzoek en/of vrijgave.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 19 van 27
8 8.1 • •
•
•
8.2
RAPPORTAGE Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eind-/evaluatierapport Direct aansluitend aan het veldwerk dient met de uitwerking van de veldgegevens te worden begonnen. Indien archeologische waarden zijn aangetroffen dient er een evaluatierapport te worden opgesteld, met kosten van eventueel meerwerk. Dit plan dient voorgelegd te worden aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid ter goedkeuring. Bij geen of weinig sporen zal er een overleg plaatsvinden tussen archeologisch projectleider en het bevoegd gezag over de noodzaak van een evaluatie. In dat geval zal besloten moeten worden of het opstellen van een evaluatie zinvol is of dat direct aan het eindrapport kan worden begonnen. Binnen 12 weken na einde van het veldwerk, bij het aantreffen van geen of weinig (= <10 sporen van kleine omvang, niet in verband) sporen, of de goedkeuring van het uitwerkingsplan dient een conceptrapport te worden opgeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken, in het bijzonder wanneer analyse van vondstmateriaal meer tijd vraagt. Procedure toetsing standaardrapport door de bevoegde overheid
Opdrachtgever en de bevoegde overheid ontvangen ieder één exemplaar van het conceptrapport ter keuring. De op- en aanmerkingen van beide partijen dienen te worden verwerkt en leiden tot de definitieve versie van het rapport. 8.3
Inhoud standaardrapport
Het rapport dient minimaal de volgende onderdelen te bevatten. • •
• •
•
• • • • •
Een korte samenvatting van de resultaten van het voorgaand onderzoek. Een paragraaf waarin staat vermeld wat voor soort plan het betreft, welke ontwikkelingen er gaan plaatsvinden en tot welke diepte verstoring gaat plaatsvinden en in welke fase van de planprocedure het plan zich bevindt. Een overzichtskaart - met landelijke coördinaten - met de begrenzingen van het plangebied (minimaal 1:25.000). Een gedetailleerde (overzichts)kaart - met landelijke coördinaten - met de ligging van de proefsleuven (en de eventuele opgraving), waarop de hoofdstructuren van de archeologische sites herkenbaar staan aangegeven. Een kaart van het plangebied waarop: o het areaal van de archeologische sites staat aangegeven (indien van toepassing) o het areaal van verstoorde bodemprofielen in het plangebied staat aangegeven (indien van toepassing) Een paragraaf met (verantwoording) methode en technieken. Een paragraaf met de vraagstelling en de doelstelling van het archeologisch onderzoek. Een paragraaf over eerder gedane archeologische vondsten in het plangebied of in de nabijheid van het plangebied. Een paragraaf over de fysische-geografie van het plangebied.
De resultaten van het onderzoek dienen te worden geleverd in de vorm van een standaardrapport inclusief vlaktekeningen (zie hieronder) en indien noodzakelijk profieltekeningen, vondstenlijsten (zie hieronder), sporenlijsten (zie hieronder) en monsterlijsten.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 20 van 27
• • •
•
•
• • • • • 8.4 • • •
• •
8.5 • •
• • •
De vlaktekeningen van de proefsleuven - met landelijke coördinaten - waarop de grondsporen (uitgesplitst naar periode) herkenbaar staan afgebeeld inclusief hun nummer. Relevante coupetekeningen en/of foto’s. De vondstenlijst waarin per archeologisch artefact (AF) staat aangegeven: 1. het spoor waarin het AF is aangetroffen, 2. de conserveringstoestand van het AF (verbrand, vorst schade, geërodeerd, etc.), 3. de determinatie, 4. de datering van het AF en 5. een beschrijving van het AF (l. x b. x h., baksel/materiaal, versiering, bewerkingssporen, etc.). De sporenlijst waarin staat aangegeven: 1. het soort spoor, 2. de (conserverings-)toestand van het spoor, 3. de datering van spoor en 4. welke vondstnummers er in aanwezig zijn. Een paragraaf van vindplaatsbeschrijvingen met daarin in ieder geval de volgende thema’s: de omvang en ligging, de datering, de vondstomstandigheden, de aard van de vondsten, de conservering en de diepteligging. Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten. De eventuele beperkingen van de toegepaste methode. Een paragraaf met de antwoorden op de onderzoeksvragen Een waardering van de nieuwe sites volgens de KNA versie 4.1. Een paragraaf met conclusies en aanbevelingen ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek. Kwaliteit De uitvoerende instantie is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de rapportage.
Het archeologische onderzoek vindt plaats op basis van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid en maatschappelijk integer handelen. Aanbevelingen en waardeoordelen van de uitvoerende instantie is onafhankelijk ten opzichte van alle partijen en niet onderhevig aan goedkeuring van de opdrachtgever en/of de bevoegde overheid. De opdrachtgever kan geen eisen stellen of beperkingen opleggen aan de inhoud, de conclusies en de aanbevelingen. De bevoegde overheid kan alleen verbeteringen eisen bij aantoonbare tekortkomingen in de wetenschappelijke kwaliteit van de verslaglegging. Wanneer toetsende overheid en auteur tot verschillende conclusies komen, worden beide met wetenschappelijke argumentatie in het eindrapport weergegeven. Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport Het rapport wordt uitgegeven door de uitvoerende instantie en in de huisstijl van deze instantie. Van het conceptrapport wordt één exemplaar aan de opdrachtgever geleverd en één exemplaar aan de bevoegde overheid. De opdrachtgever wordt in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren op de rapportage. De bevoegde overheid zal het rapport toetsen aan het PvE en de KNA 4.1. Na verwerking van eventuele op- of aanmerkingen wordt het definitieve rapport opgeleverd.
De rapportage wordt uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van opmerkingen door de bevoegde overheid definitief opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken. De resultaten van het onderzoek dienen een brede toegankelijkheid te krijgen. Na het verwerken van opmerkingen zal het standaardrapport digitaal worden verstuurd aan de opdrachtgever, de
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 21 van 27
Gemeente Raalte, de adviseur van de gemeente, dhr. O. Satijn, het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Overijssel, de Provincie Overijssel, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de lokale heemkundekring.
9
(DE)SELECTIE EN CONSERVERING
9.1
Selectie materiaal voor uitwerking
De selectie van vondsten en monsters wordt gedaan in het licht van de vraagstelling, onder verantwoording van de Senior KNA-archeoloog. De gemaakte selectie wordt in het evaluatierapport beschreven. 9.2 •
• •
9.3 • •
10
Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Alle organische en anorganische artefacten die hiervoor in aanmerking komen, zoals houten en leren objecten en metalen voorwerpen, dienen te worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken met instemming van de eigenaar van de vondsten, de provincie. De Senior KNAarcheoloog kan een voorstel tot de selectie maken, waarin hij op onderbouwde wijze aangeeft, waarom bepaalde voorwerpen niet hoeven te worden gedeponeerd. Als het depot daarmee instemt kunnen deze voorwerpen verwijderd worden. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden hoeven niet geconserveerd te worden. Tijdelijke opslag van geselecteerde vondsten dient zo te geschieden dat de kwaliteit ervan niet achteruit gaat. (Eerste) selectie vindt plaats door de uitvoerende instantie (Senior KNA-archeoloog, dan wel materiaalspecialist). Selectie materiaal voor conservering In overleg met de bevoegde overheid wordt bepaald welke voorwerpen voor conservering in aanmerking komen. Voor de conservering gelden bovendien de aanleveringseisen van het Archeologisch Depot van de provincie Overijssel.
DEPONERING
10.1 Eisen betreffende depot •
Alle vondsten zijn vanaf het moment van vinden eigendom van de provincie (Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten), tenzij zij gedaan zijn in een gemeente met een eigen erkend depot (zie ook Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten) dan wel van de Staat indien zij buiten het grondgebied van enige gemeente zijn gevonden. In deze gevallen valt het eigendom toe aan respectievelijk gemeente of Staat. De projectleider kan na de uitwerking het depot voorstellen een deel van de vondsten te selecteren voor definitieve verwijdering uit de collectie, mits wetenschappelijk verantwoord en op advies van een deskundige specialist. De selectie dient representatief te zijn voor het geheel van het verzameld materiaal binnen de aangetroffen materiaalcategorie. Het is wenselijk om van het materiaal dat wordt verwijderd bepaalde basisinformatie te registreren (zoals aantal, gewicht etc.), alvorens het te deselecteren. Deze representatieve selectie maakt deel uit van het evaluatierapport en dient altijd ter goedkeu-
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 22 van 27
• •
•
ring voorgelegd worden aan het bevoegd gezag en de depothouder (/eigenaar). Het is aan de beheerder van het depot om over de definitieve verwijdering te beslissen. Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerend archeologen representatief worden geselecteerd. Opgegraven vondstcomplexen (onderzoeksdocumentatie en vondsten) worden zo compleet mogelijk aangeleverd. De vondsten, monsters en documentatie dienen binnen een periode van 2 jaar na afronding van het veldwerk te worden overgedragen aan het Archeologisch Depot van de Provincie Overijssel, conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA versie 4.1. De (eind)resultaten van het onderzoek worden verwerkt in ARCHIS.
10.2 Te leveren product Standaard-/conceptrapport is een rapport volgens de vigerende versie van de KNA-specificatie volgens onderstaande bepalingen in dit hoofdstuk van dit PvE. Bij het eindproduct hoort een bewijs (af te geven door de ontvangende instantie) van overdracht van vondsten en documentatie. 10.3 E-depot Conform KNA 4.1 wordt ook een digitale versie van het rapport aangeleverd aan en opgenomen in het zogenaamde E-depot onder vermelding van het onderzoeksmeldingsnummer.
11
RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN
11.1 Personele randvoorwaarden •
•
•
•
• •
Het onderzoek moet worden verricht door een daarvoor gecertificeerd bedrijf conform BRL 4000 en de protocollen 4003 en 4004, onder leiding van personeel dat in het beroepsregister is ingeschreven. Het team dat het onderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog als projectleider, met ervaring met onderzoeken in het Overijssel-Gelders zandgebied, of in vergelijkbare regio’s. De Senior KNA-archeoloog is aanwezig bij de aanleg van het eerste vlak. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door minimaal een KNA-archeoloog, als dagelijks wetenschappelijk leider, met ervaring met onderzoeken in het Overijssel-Gelders zandgebied, of in vergelijkbare regio’s, en minimaal een veldtechnicus/archeoloog. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een medewerker met ervaring. De door de archeologisch uitvoerder in te zetten functionarissen zoals Senior KNA-archeoloog, KNA-archeoloog en specialisten dienen over aantoonbare kennis te beschikken over nederzettingen en vondstmateriaal van de aan te treffen archeologische periode(n). De graafwerkzaamheden worden uitgevoerd door een kraanmachinist met aantoonbare ervaring op de Overijssel-Gelders zandgronden. Indien deze niet voorhanden is, dient de machinist te worden begeleid door een Senior KNA-archeoloog. De veldploeg dient qua samenstelling te voldoen aan de KNA versie 4.1.
Dit is minimaal een KNAarcheoloog Ma en een KNA-archeoloog Ba, Senior veldtechnicus. Een fysisch geograaf met een specialisatie in Overijssel-Gelders zandgronden of een archeoloog met relevante fysisch-geografische ervaring wordt ingezet voor de interpretatie van ingewikkelde bodemprofielen.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 23 van 27
• •
•
De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische en archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden. Zowel voor veldwerk als voor de uitwerking, conservering en rapportage is de aanwezigheid van een Senior KNA-archeoloog en een specialist met periode-/materiaal- of gebiedspecifieke kennis en/of ervaring vereist. Uitwerking en rapportage dienen te geschieden door materiaalspecialisten (zoals fysischantropoloog, aardewerkdeskundige, archeozoöloog, archeobotanicus) en (indien noodzakelijk) en fysisch-geograaf, met aantoonbare ervaring op het gebied van de door hen te onderzoeken materiaalgroep/categorie.
11.2 Overlegmomenten Indien tijdens het veldwerk sporen, structuren of vondsten worden aangetroffen waarvan de aard, omvang of complexiteit niet voorzien was, wordt direct contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Er vindt dan op korte termijn een bijeenkomst plaats, waarop de archeologisch uitvoerder, de opdrachtgever en de bevoegde overheid een vervolgstrategie bepalen. 11.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie •