Vergunningsaanvraag met bijlagen-deel2
Tekst van het document
5. Toets aan ruimtelijke en milieukundige aspecten 5.1 Algemeen Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. In dat kader dient te kunnen worden aangetoond dat de afwijking van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt onder meer het toekomstige gebruik afgezet tegen ruimtelijke en milieukundige omstandigheden ter plaatse en in de omgeving. In het volgende hoofdstuk vindt deze toets plaats voor aspecten die voor onderliggend project relevant zijn.
5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.2.1 Archeologie Kader In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Daarnaast dient aangetoond te worden dat het voorziene plan geen afbreuk doet aan bestaande cultuurhistorische waarden. Analyse In het geldende bestemmingsplan heeft een deel van de gronden binnen het projectgebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting’. De voor Waarde - archeologische verwachting aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (in voorliggend geval ‘Bedrijf’) mag alleen worden gebouwd ten behoeve van aanvullend of definitief archeologisch onderzoek. Daarom heeft in het kader van voorliggend plan een archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek is als bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat een aanvullend proefsleuven onderzoek moet plaatsvinden.
Het archeologisch vervolgonderzoek dient plaats te vinden door een daarvoor binnen de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie gecertificeerd bedrijf. Op basis van dit proefsleuvenonderzoek kan een op basis van in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) voorgeschreven criteria waardering van vindplaatsen (waardestelling) plaatsvinden. Aan de hand van de gegevens uit dit proefsleuvenonderzoek wordt conform deze specificatie de waardestelling vervaardigd. Er wordt bekeken welke waardestellende elementen op de vindplaats(en) aanwezig zijn en wat de kwaliteit daarvan is. Vervolgens wordt dit afgezet tegen wat al bekend is over vergelijkbare sites in de regio en in de betreffende periode. Er wordt op basis van de waardering een selectieadvies opgesteld, waarbij de opsteller zich strikt op inhoudelijk archeologische argumenten dient te baseren. Het advies betreft het vervolgtraject, bestaand uit (1) het vrijgeven van een locatie, (2) het behoud (fysiek beschermen) of (3) opgraven. Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, de gemeente, die uiteindelijk een
25
selectiebesluit moet nemen. Het selectiebesluit en de te nemen maatregel (opgraven, fysiek beschermen of vrijgeven) is voorbehouden aan de bevoegde overheid. Voor het uitvoeren van het proefsleuvenonderzoek is een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen nodig. Het Programma van Eisen (PvE) geldt als officieel (door de gemeente als bevoegd gezag goedgekeurd) document op basis waarvan de uitvoering van het voor het verlenen van de omgevingsvergunning noodzakelijke archeologische onderzoek volgens de daartoe geldende regels (de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) dient plaats te vinden. Na de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek neemt de gemeente als bevoegd gezag op basis van het uitgevoerde onderzoek een selectiebesluit: vrijgave of vervolgonderzoek (eventueel opgraven), waar en onder welke voorwaarden. Ook voor het eventueel uitvoeren van het archeologische onderzoek in de vorm van een opgraving is een (nieuw) door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen nodig. De bevoegde overheid (gemeente Raalte) heeft ingestemd met het advies van ADC ArcheoProjecten om een vervolgonderzoek uit te laten voeren. Wanneer behoudenswaardige archeologische resten worden aangetroffen en deze ex situ behouden dienen te blijven zal een archeologische opgraving plaats moeten vinden.
Met de regioarcheoloog is afgestemd dat het vervolgonderzoek uitgevoerd gaat worden bij de start van de graafwerkzaamheden. Daarbij zal archeologisch toezicht aanwezig zijn.
5.2.2 Monumentenzorg In de toelichting van ruimtelijke plannen moet naast een toets aan archeologie ook een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en/of monumenten rekening is gehouden. Analyse Het plangebied kent geen beschermd dorpsgezicht, ook kent het geen rijks- en gemeentelijke monumenten. Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Overijssel blijkt dat er ook geen andere cultuurhistorische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Conclusie Het project is op basis van het aspect ‘cultuurhistorie’ uitvoerbaar. Ten aanzien van archeologie dient voorafgaand aan de bouwkundige werkzaamheden volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie proefsleuvenonderzoek plaats te vinden, en dient dit onderzoek vervolgens volgens dezelfde norm te worden uitwerkt, gerapporteerd en eventuele vondsten te worden gedeponeerd volgens de eisen van het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Overijssel.
5.3 Flora en fauna Kader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale 26
natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd. Analyse Soortenbescherming Voorafgaand aan de uitvoering van de plannen dient te worden onderzocht of binnen en in de nabijheid van het plangebied streng beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast. In het kader van voorliggend plan heeft daarom een ecologische quickscan plaatsgevonden. Deze ecologische quickscan is als bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. De quickscan Wet natuurbescherming heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in de volgende tabel In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Op basis van deze bevindingen wordt geconcludeerd dat geen sprake is van verstoring van beschermde soorten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
27
Gebiedsbescherming In de volgende tabel is het (mogelijke) effect op de instandhoudingsdoelstellingen van natuurgebieden en houtopstanden weergegeven:
Voor wat betreft bescherming van Natura 2000-gebieden geldt dat er gezien de afstand (+/- 1 kilometer) tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in combinatie met de aard van de plannen externe effecten als gevolg van toename van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten zijn. Middels een aanvullend onderzoek middels de AERIUS-calculator is bepaald of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Uit de uitgevoerde Aerius-berekening (opgenomen als bijlage 5 van deze ruimtelijke onderbouwing) blijkt dat het plan zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op natuurgebieden. Conclusie Het project is op basis van de aspecten ‘soortenbescherming’ en ‘gebiedsbescherming’ uitvoerbaar.
5.4 Bodem Kader Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Voor een bestemming zoals wonen, gelden andere normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Analyse In het kader van voorliggend plan heeft een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. De onderzoeksresultaten zijn als bijlage 6 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie ‘onverdacht’ (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Over het algemeen is er sprake van aanwezigheid van een humeuze toplaag met een gemiddelde dikte van 1,0 m, waarbij deze varieert van 0,5 m tot lokaal 1,5 m. Deze laag is bestaat uit zeer fijn, zwak siltig 28
zand en is deels zwak roesthoudend. Onder de humeuze laag bevindt zich de originele ondergrond, bestaande uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand, dat deels roest-/oer-/gleyhoudend is. Lokaal is de ondergrond zwak grindig. Zintuiglijk zijn in de grond, met uitzondering van de bovengrond van het centraal noordelijk deel (zwak puinhoudend), geen verontreinigingen aangetroffen. Onderzoek naar asbest heeft tijdens de voorgaande bodemonderzoeken reeds plaatsgevonden. Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat de locatie niet verdacht is voor asbest. In de bovengrond en de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie als ‘onverdacht’ kan worden aangemerkt, wordt aanvaard. Conclusie Het project is op basis van het aspect ‘bodemkwaliteit’ uitvoerbaar.
5.5 Geluid Kader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. Analyse Ten aanzien van voorliggend project dient getoetst te worden in hoeverre het project akoestische effecten heeft voor de omgeving en in hoeverre omgevingsfactoren akoestisch effect veroorzaken op de voorziene functie.
Effect op functie Wegverkeerslawaai Wat betreft geluid veroorzaakt door het wegverkeer, spoorweglawaai en industrielawaai is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op gevels van woningen en daarmee gelijk te stellen geluidgevoelige objecten. Voorliggend project maakt in de vorm van een bedrijf geen geluidgevoelig object mogelijk. Geconcludeerd kan worden dat onderzoek naar akoestisch effect op het plangebied niet nodig is. Effect vanuit functie Bepalend voor de inrichting van het plangebied zijn de bestaande woningen (hindergevoelige objecten) in de omgeving van het plangebied. Het gaat om de volgende woningen: -
Heesweg 55/57 Heesweg 61 Achterweiweg 1 Achterweiweg 2 29
Om voor deze woningen ook in de toekomst een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen, is een inwaartse zonering toegepast in het geldende bestemmingsplan. Ter plaatse van het plangebied geldt dat op een deel van de gronden bedrijven tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan en gedeeltelijk (overgrote deel) bedrijven tot categorie 4.1. Ten aanzien van bedrijven in de categorie 3.2 geldt een richtafstand van 100 meter. Ten aanzien van bedrijven in categorie 4.1 geldt een richtafstand van 200 meter voor geluid. Ten aanzien van voorliggend plangebied geldt dat alle vier de woningen zoals hiervoor aangegeven, op meer dan 200 meter van het plangebied liggen. Het plan voldoet daarmee aan de richtafstanden voor geluid. Ondanks het gegeven dat wordt voldaan aan de richtafstand, heeft in het kader van voorliggend plan onderzoek plaatsgevonden naar industrielawaai ten gevolge van het plan. Het onderzoek is als bijlage 7 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt. De inrichting valt volledig onder de werksfeer van het Activiteitenbesluit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt getoetst aan de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (verder: publicatie). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte heeft geen geluidbeleid vastgesteld met betrekking tot industrielawaai.
De inrichting is gelegen op het gezoneerde industrieterrein ‘De Zegge’. Ter uitvoering van de berekening is het zonemodel voor ‘De Zegge’ opgevraagd bij de zonebeheerder, de Omgevingsdienst IJsselland. De berekeningen zijn uitgevoerd conform methode II.8 van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM, 1999), op aangeven van de Omgevingsdienst is hierbij het softwarepakket Geo-milieu versie 2022.41 gehanteerd. Het hoogst berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bedraagt 28 dB, 23 dB en 23 dB voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode ter hoogte van omliggende woningen. Het hoogst berekende maximale beoordelingsniveau ter hoogte van omliggende woningen bedraagt 43 dB in de dagperiode. Op 50 meter afstand van de inrichtingsgrens bedraagt het berekende langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten hoogste 43 dB, 36 dB en 36 dB voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het hoogst berekende maximale beoordelingsniveau op 50 meter afstand bedraagt 64 dB in de dagperiode. Hiermee wordt voldaan aan zowel de richtlijnen voor stap 2 uit de VNG-publicatie als de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidsniveau ter hoogte van bestaande woningen en op 50 meter afstand van de inrichting voldoet aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie en grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.
Verwacht mag worden dat de uitbreiding van de inrichting inpasbaar is binnen de zone. Conclusie Het uitgevoerde akoestische onderzoek is door de omgevingsdienst beoordeeld. Hieruit volgt dat de gemelde bedrijfssituatie van Roelofsen aan de Hessenweg op het gezoneerde bedrijventerrein de Zegge in Raalte inpasbaar is en acceptabel is. De geluidsemissie die de inrichting op grond van de melding van de omgeving veroorzaakt wordt toelaatbaar geacht. De inrichting is passend in haar
30
omgeving. Het opleggen van maatwerkvoorschriften is niet noodzakelijk. Het project is op basis van het aspect ‘geluid’ uitvoerbaar.
5.6 Water Kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Analyse In het kader van voorliggend project is een digitale watertoets uitgevoerd. De resultaten zijn als bijlage 8 opgenomen en leiden ertoe dat de ‘normale’ procedure doorlopen moet worden. Naar aanleiding daarvan heeft afstemming met de gemeente plaatsgevonden. De gemeente heeft een aantal aandachtspunten voor de verdere uitwerking meegegeven. DWA: Er moet een rioleringsplan worden opgesteld. De initiatiefnemer gaat dit nog doen. HWA: Er moet 20mm water worden vastgehouden en geïnfiltreerd op eigen terrein. Daar wordt bij
het realiseren van de waterberging (wadi) rekening mee gehouden. De dimensionering van de wadi wordt nader bepaald o.b.v. de 20mm bergingseis van de Gemeente Raalte. E.e.a. wordt uitgewerkt in de waterhuishoudkundige tekening na goedkeuring op de situatietekening. Hoogtes: De norm is om panden 30cm hoger aan te leggen dan de openbare ruimte. In dit geval leidt
dit tot nog een groter hoogteverschil. De gemeente kan een uitzondering maken zolang de waterveiligheid niet in het geding komt. Met andere woorden: Afstromend water moet nooit het pand kunnen raken. Hier is in het ontwerp rekening mee gehouden. Overstorten: HWA overstorten spreiden om uitspoeling van de wadi te voorkomen. (3 overstorten,
afhankelijk van het ontwerp) Overstort niet in de wadi maar naast de wadi d.m.v. putten met open deksel, zodat het water zoveel mogelijk spreidt voordat het de wadi inkomt. Als bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing is het rioleringsplan op de inrichtingstekening weergegeven. Tevens zijn hierop de wadi’s weergegeven, waarbij de berekening van de capaciteit is weergegeven. Conclusie
Het plan is op basis van het aspect ‘water’ uitvoerbaar.
5.7 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste 31
afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Het plangebied maakt een bedrijf mogelijk die deels valt onder de noemer ‘vervaardigen van auto’s, aanhangwagens en opleggers’, onderdeel ‘carosseriefabriek’. Dit is een bedrijfscategorie 4.1. Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 200 meter ten opzichte van milieugevoelige functies. In paragraaf 5.5 is onderbouwd dat zich binnen deze richtafstand geen milieugevoelige functies bevinden. Een deel van het bedrijf kent echter categorie 3.2 (en een kleinere richtafstand). Zie onderstaande afbeelding, binnen de gele stippellijn.
Binnen dit deel van het plangebied vinden bedrijfsmatige activiteiten plaats in de vorm van service en onderhoud, een wasstraat en een klein deel van de productielijn. Voor deze functies geldt een kleinere richtafstand dan 200 meter ten opzichte van milieugevoelige functies. Binnen 200 meter van deze zone 32
bevinden zich ook geen milieugevoelige functies, waardoor dit deel van het bedrijf geen negatieve invloed op de omgeving heeft. Ter plaatse van de autospuiterij (noordelijke gebouw, bedrijfscategorie 3.1) geldt een richtafstand van 50 meter ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies. Zie de volgende tabel. Die afstand wordt ruimschoots gehaald
Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar.
5.8 Externe veiligheid Kader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’ Analyse In het kader van voorliggend project is de risicokaart geraadpleegd. Op de volgende afbeelding is een uitsnede uit deze kaart weergegeven.
33
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich twee bedrijven waar een gastank is opgeslagen (het distributiecentrum van Jumbo en Salland Olie) en één bedrijf waar vuurwerk is opgeslagen (Overkampsweg 30). Gezien de aard, omvang en locatie van deze risicobronnen lijkt er geen aanleiding om het bouwplan hier op aan te passen. Er wordt voorgesteld om hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag. Als zich een calamiteit voordoet kunnen werknemers en bezoekers zich vlot en tijdig in veiligheid stellen. Het gebouw wordt zodanig gebouwd dat er voldoende vluchtwegen zijn. Mensen kunnen zich goed in veiligheid brengen. Ook zijn er vanaf het projectgebied voldoende wegen om het gebied snel te verlaten in geval van een calamiteit. Conclusie Het project lijkt op basis van het aspect ‘externe veiligheid’ uitvoerbaar. Aan het bevoegd gezag wordt gevraagd dit onafhankelijk te toetsen.
5.9 Luchtkwaliteit Kader Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Analyse Het plan betreft de realisatie van een bedrijfsgebouw. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
34
5.10 Verkeer en parkeren Kader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer en parkeren. De gemeente Raalte heeft haar parkeerbeleid verwoord in het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ waarin de ‘Parkeernormen Raalte 2015’ leidend is. De gemeente heeft als doel om ontwikkelingen te toetsen op kwaliteit. Het toepassen van de parkeernormen kan in de praktijk tot tegenstrijdige effecten leiden. Omdat het de bedoeling van de gemeente is dat de normen een positieve invloed hebben op de bereikbaarheid, leefbaarheid en de economische ontwikkeling, is in bepaalde situaties een bredere belangenafweging dan alleen parkeren nodig. In dergelijke gevallen kan het college van burgemeester en wethouders een bouwinitiatief goedkeuren, zonder dat de parkeerbehoefte volledig wordt gerealiseerd. Analyse Bereikbaarheid Voorliggend projectgebied is via de bestaande langgerekte wegenstructuur op het bedrijventerrein goed bereikbaar. De vrachtwagens die het terrein willen bereiken kunnen via de bestaande wegen en de nieuw aan te leggen inritten eenvoudig op het terrein komen. In de toekomstige situatie is sprake van de volgende aantallen verkeersbewegingen rondom het plangebied1.
Dit verkeer wordt veroorzaakt door circa 75 personeelsleden per dag die met de auto komen, bezoekers en vrachtwagens en overige leveranciers. De bestaande wegenstructuur kan dit eenvoudig 1
Bron: ervaringscijfers van Roelofsen Horse Trucks voor het toe- en afgaande verkeer.
35
verwerken. Ten behoeve van het plan worden vier inritten gerealiseerd. De uitvoering van de in- en uitritten vindt plaats op basis van het PvE van de gemeente Raalte, zoals opgenomen als bijlage 2 van deze ruimtelijke onderbouwing. Hiermee is geborgd dat de inritten zowel voor auto’s als vrachtauto’s goed bereikbaar zijn. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat per bedrijf 1 uitrit gerealiseerd mag worden. Dit is gebaseerd op de oorspronkelijke verkaveling van het bedrijventerrein. Daarbij ging men (zoals te lezen in de toelichting van het vigerende bestemmingsplan) uit van bedrijven met een oppervlakte van maximaal 10.000 m2. Voor bedrijven van een dergelijke omvang voldoet één inrit veelal. In voorliggend plan zijn meerder kavels samengevoegd, waardoor meerdere uitritten nodig zijn voor een goede en efficiënte spreiding van de ontsluiting van het bedrijf. Dit draagt bij om een efficiënt werkproces te kunnen garanderen, maar ook om stromen van bezoekers, werknemers en vrachtwagens te kunnen scheiden. Omdat alle uitritten aansluiten op de bestaande infrastructuur, heeft dat geen negatief ruimtelijk effect. Parkeren Om de parkeeropgave te bepalen wordt door de gemeente Raalte gebruik gemaakt van de ‘Parkeernormen Raalte 2015’. Deze normen zijn afgeleid van de meest actuele normen van de CROW.
Het hanteren van de parkeernormen is alleen van toepassing bij ontwikkelingen en nieuw- en verbouwplannen. Wanneer een omgevingsvergunning wordt aangevraagd toetst de gemeente of aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. Die voorwaarden behelzen onder andere dat in voldoende mate voorzien wordt in parkeercapaciteit ten behoeve van het bouwplan. De parkeernormen zijn bedoeld als normenkader van de gemeente Raalte. Met deze norm is aan de hand van de vierkante meters van de verschillende bedrijfsonderdelen het aantal parkeerplaatsen bepaald:
36
Deze parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het eigen terrein. Op de inrichtingstekening (bijlage 1) is dat weergegeven. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte en parkeeropgave. Conclusie Het project is op basis van de aspecten ‘Verkeer en parkeren’ uitvoerbaar.
5.11 Mer-beoordeling Kader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r.
Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. In dit hoofdstuk is inzichtelijk gemaakt dat er geen belangrijk nadelige gevolgen zijn voor de omgeving en het milieu. Verder hebben de locatie en de omgeving geen bijzondere kenmerken die geschaad worden door het project. Gezien de aard van de ingrepen zijn verder geen negatieve effecten te verwachten, zodat op basis hiervan verder kan worden afgezien van het verrichten van een (vorm)vrije m.e.r.-beoordeling.
37
6. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van dit plan heeft afstemming met de gemeente Raalte plaatsgevonden. De gemeente Raalte heeft aan een enkele omwonende een toelichting op het plan gegeven. In het kader van de procedure van de omgevingsvergunning worden direct belanghebbenden (omliggende bewoners en bedrijven) op de hoogte gesteld van het plan.
6.3 Economische uitvoerbaarheid Onderliggend initiatief wordt uitgevoerd op risico van een commerciële partij. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het initiatief zijn voor rekening van deze initiatiefnemer.
38
Bijlagen Bijlage 1. Inrichtingsplan landschap Bijlage 2. PvE inrit Bijlage 3. Archeologisch onderzoek Bijlage 4. Ecologische quickscan Bijlage 5. Aerius-berekening Bijlage 6. Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7. Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 8. Digitale watertoets
39
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl
Struikensingel - typologie: inheemse struiken, hoogte 200-400 cm - aanplant van bosplantsoen - plantafstand 125x125 cm - te beplanten oppervlakte: 715 m2
2 Boomrijen op de parkeerplaats, 11 bomen - boomsoort: 5 st. Tilia cordata, Linde en 6 st Carpinus betulus, Haagbeuk - gemixte aanplant - aanplant in grasstrook met extensief beheer - boombescherming met twee drie kniepalen, diameter 10 cm - boommaat 20-25cm stamomtrek, twee boompalen met gietrand
Haag - type gemengde haag, mix van vijf soorten - oppervlakte 160 m2, 9 st/m2 - beheerhoogte: 120 cm Kabels en leidingen tracé (stroom) (bestaand) Grasberm, gemeente Haag, type blokhaag - meerder posities - type gemengde haag, mix van vijf soorten - oppervlakte 340 m2, 9 stuks/m2 - beheerhoogte 120 cm Primaire bluswatervoorziening - max. 40 meter vanuit brandweeringang.
Trafo
8 ,1
1m
8,32 m
Trafokast - 630 kVa - afmetingen: 2x2x2,4 m
X 216576,21m Y 487795,97m
Secundaire route brandweer
14
m
+N
,9 7 27
.1 5
5m 4 ,6
e il
6 13
8.0
5 13
4 13
NA
3 13
Bomenrij langs Heesweg (aanplant door Gemeente Raalte) - inheemse boomsoorten, type laanboom - mix van twee boomsoorten, 50-50%, bomensoorten nog nader vast te stellen door Gemeente - boomhoogte en omvang: 1e grootte - plantafstand 15 m1 - boommaat bij aanplant: stamomtrek 20- 25 cm
P
2
10
5
13
1 13
0
4
V lo
0+
7m
9
7.4
2 10 1
50
0 10
52
44
53
43
2 3
42
4
41
5
40 39
6
36
8
+N
37
7
AP
38
.6 5
9
35
:7
m 10
2 ,5
e il
11
m ,7 2 11
m 0c
25
24
10 0-
2 ,5 22 m
26
23
.5 )h
27
21
28
19 13
ee em ,g rm be as Gr
(he
14
es ter s
)h
15
.5
0-
16
10
32
17
0c m
31
18
30
n te
29
2 ,5
20
m
ng nti pla be Sie r
NA P
11
Sie r
be
pla
12
nti
ng
5+ 76 34
33
Primaire bluswatervoorziening - max. 40 meter vanuit brandweeringang.
35
P 2+
NA
7.5
0+
7 m NA
37
38 39 40
7 .6
10
m 2 ,5
P
36
m 0c 10 0.5 )h es ter s (he be Sie r
9 8
0c m
44
Dubbele bomenrij (bestaand) - situering is indicatief
t He
nti be
pla 1
r tz
ng
s tr
(he
4
pil atie nic mu om tc me gb
oo
m
Beplantingslijst bosplantsoen
aa
5
2 ,5
m
es ter s
6
)h
.5
0-
7
10
45 46 47 48
5m
7.5
0+
NA
P
Haag - type gemengde haag, mix van vijf soorten - lengte: 110 m1 - dubbele plantrij, 6 st/m1 - beheerhoogte: 100 cm - beheerbreedte: 100 cm,
Bomen op kantoorparkeerplek P1 - droogte/hitte bestendig - boomhoogte en omvang: 2e grootte - boomsoort: 4 st Parrotia persica, IJzerhoutboom - boommaat bij aanplant: stamomtrek minimaal 20- 25 cm
ee em ,g m
,9 3 18
6
X 216621,9m Y 487576,52m
7
P3
Sortiment gemengde (mix) haag, zonder doornen (blokhagen en hagen) Lengte heggen: 160 m1 x 6 st/m1 = 960 st Oppervlakte blokhagen: 500 m2 x 9 st/m2 = 4.500 st Totaa aamtal planten: 4.500 st 20% Acer campestre Veldesdoorn 900 st 20% Carpinus betulus Haagbeuk 900 st 20% Ligustrum vulgare Wilde 900 st 20% Cornus sanguinea Rode kornoelje 900 st 20% Fagus sylvatica Groene beuk 900 st
200 st 200 st 200 st 200 st 200 st 200 st 200 st 200 st 200 st 200 st
t or po uif
at
15
76
ch
4m 5 ,6
fm
Sortiment: Typologie: bosplantsoen 10% Amelanchier lamarckii Krent 10% Carpinus betulus Haagbeuk 10% Cornus mas Gele kornoelje 10% Cytisus scoparius Brem 10% Ilex aquifolium Hulst 10% Ligustrum vulgare Wilde liguster 10% Lonicera periclymenum Klimkamperfoelie 10% Rubus idaeus Framboos 10% Sambucus laciniata Peterselievlier 10% Sorbus aucuparius Lijsterbes
X 216617,62m Y 487568,94m
14
ns
11 He - h kw e o o rk 1 2 g te , d 1 2 m ubb ele 3 s ta a
16
ke
10
P
Bestaande watergang met bomen - insteekhoogte: 5.15+ NAP - bomen indicatief aangegeven
3m
Haag - type gemengde haag, mix van vijf soorten - lengte: 50 m1, - dubbele rij, 6st/m1 - beheerhoogte: 100 cm - beheerbreedte : 100 cm,
he
NA
5 ,0
5m
rm 2m
5
9
5+
3 ,9
be 4 ,5
8
5.3
P1
as
lo
Geografisch brandmeldpaneel
Bestaande eik
5m
g
Gr
rs i
4
at
an
n te
P
3
tr a
ing
Begrenzing beheergebied initiatiefnemer - oppervlakte: 4,53 ha.
m
er
1
7m
cm
2m
5m
49 ,1 7
1 C1
nd
a te
Huidige kroonprojectie
2
ns
0
Sla 21
NA
we
me
10
Sortiment inheemse struiken In te oppervlakte: 3.000 m2 Plantafstand 125x125 cm
ra kB lpla
P
Lu
ng pla
nti
iep e rd fv sie Be 11 drijf .80 sh 5 2 al inc lu
5+
W
s te
ng
Op
ga
NA
te r
0+
wa
7.3
de
ofd
Geografisch brandmeldpaneel
5 ,2
trafo kast 2*2*2.4m 630kVa
X 216578,85m Y 487599,36m
1 D
0-
1 A1
76
an
.5
m
Secundaire route brandweer
s ta
(he
i ep Ka 3.0 ntoo 04 r m2
00 28
i ng
5 ) ns ge
14 15 16
20
,3 4
)h
5m
19
18
17
5 .3
12
Be
Ho
inc lus
.v . t.b m²
2 3 4 m
6 tw a vra en ard (pa tie uc ro d
13
Op s
12
tel p
laa
11
ts p
Secundaire route brandweer
Insteek, 6,35+ NAP
7.30+ NAP
rs
Push sleutelbuis
ief
n e le an ep nn zo
1 at 3 ,9
m
er kw He
P NA 5+
Insteek, 6,35+ NAP
s te
Flitslicht primaire brandweeringang
r
Lo
o rt
Secundaire route brandweer
k
9 ,5
8m
1 D
ee
6m
41
po
3
uif
he
ch
2
ns
ve rd
ke
42
he
ke
op
43
Lo
X 216626,07m Y 487694,78m
ch
8 9 10
Benodigde capaciteit: 29.9479 m2 verhard oppervlak en daken x 0,02 = 589,6 m3
(h
es ter s
Secundaire route brandweer
n
a fm
7 Wadi - oppervlakte bodem 600 2 - insteek ca. 6.35+ NAP - instroom hoogte 6.00+ NAP - overstorthoogte; 6.35+ NAP - peil bodem: 500+ NAP - bergingscapaciteit berkening: zie doorsnede tekening
in g
g
Sie r
ts e
an
in g
ing
s ta le He - h kw e o o rk g te , d 2m ubb e
Bestaande bomen (indicatief aangegeven)
nt
e rp
12 13 14
els
m ,3 2 85
,5
p la
15
ne
0m 14
be
16
rs o
7.00+ NAP
Weiland (demonstratie terrein)
er
V lo
32
21
fie
ng
rs m
25
Si
cé
aa
t or po uif
in e
ns
ch
n ta
op
24
ra
17
75
igi
Co
20
23
gt
X 216734,85m Y 487710,05m
X 216630,91m Y 487702,52m
fzu
19
m
idin
18
g,
ta
18
22
,4 7
n le
Secundaire route brandweer
Pe
lin
mo
ge
m
16
,3 1
rm
Secundaire route brandweer
32
be
m
le
19
ta l
15
21
62
be
6m
as
oo
Ka
20
ns
14
Gr
34
33
m 2 ,5 31 29 28 27 26 25
ts e
13
P4
gb
22
5m
me
X 216609,23m Y 487705,84m
17
Kadastrale perceelsgrenzen
9m
75 76
m
12
20
te
F ie
11 m
20
23
8m
en
24
5 ,9
1m
10
2 ,5
5m
30
68 69 70 71 72 73 74
X 216614,12m Y 487713,38m
9
5m
1
54 55 56 57 58 59 60 61
62 63 64 65 66 67
82 81 80 79 78 77
6 ,4
Greppel - voorkomen van ongewenst gebruik door externen - breedte 1,5 m van insteek tot insteek - diepte 50 cm
45
97 96 95 94 93 92 91 90 89
88 m 87
2 ,5 86 85 84 83
5 12 6 12 7 12 8 12
er
8 1 ,9
46
51
98
11 1 11 2 11 3 11 4 11 5 11 6 11 7 11 8 11 9 11 m 0
2 ,5
12
1 12 2 12 3 12 4 12
P NA
7m
at
0+
we
tr a
7.0
lp
nd
7
47
99
10 0
Sp 2.3 uite 6 0 ri j m2
P NA 7.3
0+
s te
ra
tts
Op
lak B
6
Sla
s te
m
5
P2 5m
3 4
Primaire bluswatervoorziening - max. 40 meter vanuit brandweeringang. X 216675,33m Y 487748,52m
Op
,9 2
Wa
32
2
g
Secundaire route brandweer
5m
X 216572,81m Y 487720,22m
1
we
r
5m
X 216545,22m Y 487738,17m
es
ee
Primaire bluswatervoorziening - max. 40 meter vanuit brandweeringang.
He
dw
Bomen -2 st Ulmus laevis Steeliep - plantafstand 13 m1 - maat 20-25 cm stamomtrek - twee boompalen met gietrand
8m
5m
P
an
6 ,7
1 ,3
NA
49
10
7 10 8 10 9
X 216555,33m Y 487763,76m
0+
48
6 10
13
10
,7 1
3
m
10
12
Br
te
:7
13
be
cé
e rp
7
Ka
een
8 13
tra
gem
9 13
ing
m,
0 13
leid
ber
Primaire bluswatervoorziening - max. 40 meter vanuit brandweeringang.
1 14
le n
Gra s
2 14
X 216608,4m Y 487775,1m
Struikensingel - typologie: inheemse struiken, hoogte 200-400 cm - aanplant van bosplantsoen - plantafstand: 125x125 cm - te beplanten oppervlakte: 160 m2
3
AP
14
lpla k
Bomen - 2 Tilia cordata 'Greenspire' Linde - plantafstand 15 m1 - maat 20-25 cm stamomtrek - twee boompalen met gietrand
Lo
op
17 18
5+
NA
19
Primaire bluswatervoorziening - max. 40 meter vanuit brandweeringang.
X 216635,55m Y 487557,39m
20
1 B1
21
1 A1
P
Terreinverlichting
1 C1
22 ,2 9
m
23
10
24 25 26 27 28
Uitgangspunten: Nota parkeernormen Raalte, 2015 Parkeernormen auto per stedelijk zone Functie: rest bebouwde kom Hoofdgroep: werken
Bestaande inlandse eik - bescherming van de wortelzone - oppervlakte 45 m2 - onder de boom aanplant van: - 20 stuks Rhododendron catawbiense 'Boursault' - 10 stuks Sorbus aucuparia Lijsterbes - 10 stuks Acer campestre Veldesdoorn
totaal A
B
Bedrijf, arbeidsextensief 1 Bedrijfsruimte, productie paardenvrachtwagens 2 Bedrijfsruimte, spuiterij Totaal bedrijf Kantoor, commerciële dienstverlening 1 Oppervlakte kantoor met baliefunctie 2 Oppervlakte kantoor zonder baliefunctie Totaal kantoor Totaal kantoor en bedrijf Totaal gehele bedrijf (afgerond)
vl.opp/bruto/m2 11936 2360
norm/100 m2 BVO 1,1 1,1
vl.opp/bruto/m2 930 2070
norm/100 m2 BV) 3,6 2,6
131,30 25,96 157,26 33,48 53,82 87,30 244,56 245,00
Struikensingel - aanplant op talud/grondwal/bestaande rand van openbare wadi - typologie: inheemse struiken, hoogte 200-400 cm - aanplant van bosplantsoen alsmede natuurlijke ontwikkeling op de oeverranden - plantafstand 125x125 cm - te beplanten oppervlakte: 1.250 m2
Realisatie op eigenterrein A.
B
Auto parkeerplekken 1 Parkeerplek P1 (kantoor) 2 Parkeerplek P2 (bedrijf en kantoor)
st 49 143
3 Parkeerplek P3 (bedrijf) 4 Parkeerplek P4 (bedrijf) Totaal Fietsparkeren, overdekte fietsenstalling met stroomvoorzieningen 1 Aantal fietsparkeerplekken, plekbreedte 80 cm
28 25 245 75
PP met laadpaal 4 st 8 st
PP met voorbr. Laadpaal 12 st ( nr. 13 t/24) 12 at (nr. 1 t/m 12 21 (1 t/m 21) 13 st (129 t/m 143)
IV Plek 4
de
wa
7.5
te r
ga
0+
NA
P
ng
Mast met armatuur - masthoogte 6 en 8 m - armatuur: Norton ( KFA LED 84 2000LM) - terreinverlichting nog nader af te stemmen met openbare verlichting Gemeente Raalte
P
Parkeernorm kantoor en bedrijfspand Heesweg 41 Raalte
an
1 B1
NA
s ta
5+
Be
5 .3
Inrit met duiker - nader te detailleren
Bestaande bomenrij langs Lumenstraat - situering is indicatief
Struikensingel met enkele bomen Aan te planten bosplantsoen - aanplant op talud/grondwal - typologie: inheemse struiken, hoogte 200-400 cm - aanplant van bosplantsoen - plantafstand 125x125 cm - te beplanten oppervlakte: 925 m2 Aan te planten bomen Aanplant maat: 18-20, met gietrand en twee boompalen 3 stuks Acer campestre, Veldesdoorn 3 stuks Carpinus betulus, Haagbeuk
Landschappelijke inpassing Brandvoorzieningen in het terrein Parkeervoorzieningen auto en fiets Hoogtepeilen NAP Situering gebouwen in XY coördinaten Situering in/-uitritten en breedten Hemelwater infiltratie voorziening Situering hekwerken Bijlage: doorsnede tekening
Lokatie: Heesweg 41 8102 NB Raalte (Heesweg-Lumenstraat-Hertzstraat-Wattstraat) Gemeente Raalte Kadastraal: sectie F, nummer 613 Datum: 22 november 2023 Schaal: 1:500, A0 formaat Gewijzigd: - 21 december 2023 - 28 februari 2024 - 5 maart 2024 - 18 april 2024 Onderleggers: - BGT kaart - kadastrale kaart - kaart is noordgericht
Harry ten Have
Tuin- en Landschapsadviseur
Spanjaardsdijk 53 7433 PW SCHALKHAAR Tel. 0570 532 000 Fax 0570 532 465 Mobiel 0651 346 628
E-Mail info@harrytenhave.nl Internet www.harrytenhave.nl
Reko verwerken op de tekening
Domein Ruimte
PROGRAMMA VAN EISEN DE BOETELERENK TE RAALTE
Programma van Eisen Proefsleuvenonderzoek De Boetelerenk Raalte In de gemeente Raalte
Opdrachtgever
Bouwbedrijf Aan de Stegge Twello Postbus 69 7390 AB Twello
PvE nummer
15513.001
Versienummer
D1
Status
Definitief
Datum
13 september 2022
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opstellers
(KNA-archeoloog)
Paraaf
Autorisatie
(Senior
KNA-
archeoloog) Paraaf
© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Econsultancy Programma van Eisen
Programma van Eisen Locatie
de Boetelerenk
Projectnaam
de Boetelerenk Raalte
Plaats binnen archeologisch proces ●IVO – Proefsleuven (IVO-P) Opsteller
Naam, adres, telefoon, e-mail
Auteur Econsultancy b.v. Vestiging Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a, 8013 NE Zwolle T: 038 - 7820540 E: Senior KNA-archeoloog Econsultancy b.v. Vestiging Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a, 8013 NE Zwolle T: 038 - 7820540 E: Opdrachtgever
datum
paraaf
13 september 2022
13 september 2022
Naam, adres, telefoon, e-mail Bouwbedrijf Aan de Stegge Twello Postbus 69, 7390 AB Twello De heer T: 0571-277331 E:
Goedkeuring bevoegde overheid
Naam, adres, telefoon, e-mail
● Gemeente
Gemeente Raalte Zwolsestraat 16, 8101 AC Raalte T: 0572 347799 E: info@raalte.nl
Adviseur namens de bevoegde Naam, adres, telefoon, e-mail overheid
datum
paraaf
datum
Paraaf
Het Oversticht Postbus 531, 8000 AM Zwolle T: E: Kennisgeving /eigenaar
Depothouder Naam, adres, telefoon, e-mail
11-5-22
datum
Paraaf
Provinciaal depot bodemvondsten Overijssel Bergpoortstraat 193, 7411 CV Deventer T: 0570-644173 E: archeologisch.depot@oversticht.nl
Econsultancy Programma van Eisen
INHOUDSOPGAVE LITERATUUR EN BIJLAGEN ........................................................................................................... 6 1
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED .................................................... 1
2
AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK ...................................................... 2 2.1 2.2 2.3
Aanleiding ..................................................................................................................... 2 Motivering ..................................................................................................................... 2 Besluit .......................................................................................................................... 2
3
EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK ................................................................................. 3
4
ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ................................................................................... 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
5
DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING ................................................................................. 7 5.1 5.2 5.3 5.4
5.5 6
Doelstelling ................................................................................................................... 7 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders ................................................. 8 Vraagstelling ................................................................................................................. 9 Onderzoeksvragen........................................................................................................ 9 5.4.1 Algemeen........................................................................................................ 9 5.4.2 Periode en sites .............................................................................................. 9 5.4.3 Landschap en bodem .................................................................................... 10 5.4.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek........................................................... 10 Aanbeveling ................................................................................................................ 10
STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ...................................................................... 11 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13
7
Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ....................................... 4 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ...................................................................... 6 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ......................................................... 6 Structuren en sporen .................................................................................................... 6 Anorganische artefacten ............................................................................................... 6 Organische artefacten ................................................................................................... 6 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten ....................... 7 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .................................................. 7 Gaafheid en conservering ............................................................................................. 7
Strategie ..................................................................................................................... 11 Methoden en technieken ............................................................................................. 11 Omgang kwetsbare vondsten en monsters .................................................................. 13 Structuren en grondsporen.......................................................................................... 13 Aardwetenschappelijk onderzoek ................................................................................ 14 Anorganische artefacten ............................................................................................. 14 Organische artefacten ................................................................................................. 15 Archeozoölogische en -botanische resten ................................................................... 15 Overige resten ............................................................................................................ 16 Dateringstechieken ..................................................................................................... 16 Bouwstenen ................................................................................................................
16 Complexiteit ................................................................................................................ 16 Beperkingen ............................................................................................................... 16
UITWERKING EN CONSERVERING.................................................................................... 18 15513.001
7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 8
RAPPORTAGE..................................................................................................................... 20 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5
9
Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eind-/evaluatierapport ...... 20 Procedure toetsing standaardrapport door de bevoegde overheid ............................... 20 Inhoud standaardrapport ............................................................................................. 20 Kwaliteit ...................................................................................................................... 21 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport .................... 21
(DE)SELECTIE EN CONSERVERING .................................................................................. 22 9.1 9.2 9.3
10
Structuren, grondsporen en vondstspreidingen ........................................................... 18 Analyse aardewetenschappelijke gegevens ................................................................ 18 Anorganische artefacten ............................................................................................. 18 Organische artefacten ................................................................................................. 19 Archeozoölogische en -botanische resten ................................................................... 19 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) ............................................. 19
Selectie materiaal voor uitwerking ............................................................................... 22 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering ..................................................... 22 Selectie materiaal voor conservering ........................................................................... 22
DEPONERING ..................................................................................................................... 22 10.1 Eisen betreffende depot .............................................................................................. 22 10.2 Te leveren product ...................................................................................................... 23 10.3 E-depot ....................................................................................................................... 23
11
RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN ........................................................... 23 11.1 11.2 11.3 11.4
12
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ....................................... 25 12.1 12.2 12.3 12.4
13
Personele randvoorwaarden ....................................................................................... 23 Overlegmomenten ...................................................................................................... 24 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ....................................................... 24 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ......................................................... 24
Wijzigingen tijdens het veldwerk .................................................................................. 25 Belangrijke wijzigingen ................................................................................................ 25 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk .................................... 25 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering ......................................... 25
AANVULLENDE EISEN ........................................................................................................ 26 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ..................................................... 26 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk ..................................................................................... 26 13.3 Ontplofbare Oorlogsresten (OO (voorheen NGE) en veldgraven ................................. 26
15513.001
LITERATUUR EN BIJLAGEN Literatuur Benthem, van A., 2008: Raalte Boetelerenk De Zegge VII. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (ADC Rapport 1638), Amersfoort. Stiekema, M., H.M. van der Velde & F.S. Zuidhoff, 2007: Raalte - De Zegge VII: Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen en geofysisch onderzoek (ADC Rapport 796), Amersfoort. Wilbourn, D., 2006: Geophysical Survey Report. Raalte - De Zegge VII (DW Consulting 2006/01), Barneveld. Bronnen Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 2.0; internetsite, april 2022. http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20 Figuren Figuur 1: Situering van het plangebied binnen Nederland Figuur 2: Detailkaart van het plangebied Figuur 3: Luchtfoto van het plangebied Figuur 4: Werkput 6 proefsleuvenonderzoek ADC ArcheoProjecten Figuur 5: Uitsnede geomorfologische kaart Figuur 6: Uitsnede bodemkaart Figuur 7: Uitsnede archeologische gegevenskaart Figuur 8: Proefsleuvenplan Figuur 9: Proefsleuvenplan met werkput 6 van voorgaande proefsleuvenonderzoek Bijlagen Bijlage 1: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen
15513.001
1
1 2
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED
Projectnaam
15513.001
Provincie
Overijssel
Gemeente
Raalte
Plaats
Raalte
Toponiem
de Boetelerenk
Kaartbladnummer
27 F
Centrum x,y–coördinaat
X : 216.623 / Y: 487.682
Provinciale verwachtingskaart Atlas van Overijssel
Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting.
Archeologische beleidskaart Raalte
Het plangebied ligt voor ruim driekwart in zone met een hoge archeologische verwachting. De zuidelijke hoek bevindt zich in een zone met een lage archeologische verwachting
CMA/AMK-status
n.v.t.
Archis-monumentnummer
n.v.t.
Archis-waarnemingsnummer
n.v.t.
Oppervlakte plangebied1
ca. 45.000 m2
Oppervlakte onderzoeksgebied2
ca. 15.000 m2
Huidig grondgebruik
Braakliggend land
Voorgenomen bodemingrepen
De bouw van een berijfspand
NAP-hoogte maaiveld
5,6 - 8,2 m +NAP
Grondwatertrap
VII* en III*
Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 1 van 27
2
AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK
2.1
Aanleiding
Op de planlocatie, aan de Boetelerenk te Raalte wordt een bedrijfspand gerealiseerd. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte van circa 31 ha worden bebouwd.3 De diepte van de ontgraving varieert sterk en ligt tussen de 30 en 2 m. Deze ontgravingsdiepte is volledig afhankelijk van het landschapsreliëf. In het zuidelijke deel van het plangebied is het landschap zeer laag gelegen. Ter plaatse zal de grond aangevuld en opgehoogd worden. 2.2
Motivering
Bij het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden Bronstijd tot en met Volle Middeleeuwen (2000 v. Chr. - 1250 n. Chr.) hoog en laag voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum (35.000 v. Chr. - 2000 v. Chr.) en LateMiddeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd (1250 - 1950 n. Chr.). Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase, blijkt dat over het algemeen de bodemopbouw bestaat uit een plaggendek met een podzolbodem op een dekzandrug. De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat de archeologische verwachting zoals deze in het bureauonderzoek is opgesteld gehandhaafd blijft. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek heeft ADC ArcheoProjecten geadviseerd om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P).4 In 2008 heeft ADC ArcheoProjecten een inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd op een terrein ten oosten van het plangebied en in een deel van het huidige plangebied. In werkput 6, die in het huidige onderzoeksgebied was aangelegd, zijn enkele archeologische grondsporen aangetroffen. Door het ontbreken van vondstmateriaal kunnen de sporen niet worden gedateerd.
Geadviseerd werd om in dit deel van het plangebied een vervolgonderzoek uit te laten voeren.5 De gemeente heeft in een mail naar de opdrachtgever laten weten om in het onderzoeksgebied een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren van circa 15 proefsleuven met een afmeting van 25 x 4 m. 2.3
Besluit
De bevoegde overheid (gemeente Raalte) heeft ingestemd met het advies van ADC ArcheoProjecten om een vervolgonderzoek uit te laten voeren. De bevoegde overheid heeft besloten om een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren voorafgaand aan en ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouw. Wanneer behoudenswaardige archeologische resten worden aangetroffen en deze ex situ behouden dienen te blijven zal een archeologische opgraving plaats moeten vinden. Op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek zal door de bevoegde overheid een besluit worden genomen met betrekking tot een eventueel vervolg.
3
Stiekema, van der Velde & Zuidhoff, 2007.
4
Stiekema, van der Velde & Zuidhoff, 2007.
5
Van Benthem, 2008.
PvE 15513.001 versie D1
Pagina 2 van 27
3
EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK
Soort onderzoek
Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek
Uitvoerder
ADC ArcheoProjecten
Uitvoeringsperiode
2007
Rapportage
Stiekema, M., H.M. van der Velde & F.S. Zuidhoff, 2007: Raalte De Zegge VII: Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen en geofysisch onderzoek (ADC Rapport 796), Amersfoort.
Bewaarplaats vondsten/documentatie
ADC ArcheoProjecten Amersfoort
Resultaten specialistisch onderzoek Archeobotanisch
Niet van toepassing.
Archeozoölogisch
Niet van toepassing.
Fysisch-antropologisch
Niet van toepassing.
Fysisch-geografisch
Niet van toepassing.
Geofysisch
De twee lineaire sporen zijn alleen echt zichtbaar als een rij uitgelijnde stippen. Hun nauwheid en regelmaat suggereert dat ze van moderne oorsprong zijn. Een mogelijke verklaring is dat het om een soort ondergrondse pijpen gaat, misschien plastic buizen die op regelmatige afstanden zijn verbonden met metalen hulpstukken. Het zouden deze metalen hulstukken zijn die in het overzicht als stippen worden weergegeven. De enkele concentratie van kenmerken is zeer onregelmatig en heeft geen echte vorm. Het is onwaarschijnlijk dat dit spoor van historische betekenis is en niets anders kan zijn dan bouwpuin of een willekeurige concentratie van objecten. Het is zeer onwaarschijnlijk dat het enige spoor dat in het onderzoek wordt gezien, in verband kan worden gebracht met oude ijzerproductiefaciliteiten.6