Vergunningsaanvraag met bijlagen-deel1
Tekst van het document
5.2 Spuiterij •
De spuiterij kan, gezien de gebruiksoppervlakte van als 1 brandcompartiment worden uitgevoerd
•
Hoofdfunctie industriefunctie met nevenfunctie bijeenkomst/kantoorfunctie < 100m2
•
Het betreft een industriefunctie, welke volgens BB artikel 2.83 lid 1 niet groter is dan toegestane 2.500m2.
•
De nevenfunctie kantoor kan in hetzelfde brandcompartiment, volgens BB artikel 2.83 lid 8, gezien het feit dat nevenfunctie < 100m2
•
Er is voldoende afstandsbijdrage, volgens BB artikel 2.84 lid 8/10, kunnen de buitengevels met een brandscheiding van 0 minuten worden uitgevoerd.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 26 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 5.3 Sprinklerpompkamer Aan de sprinklerpompruimte zijn de volgende voorwaarden gesteld: •
•
• • • •
De constructie een minimale WBDBO van 60 minuten bezitten en dient te voldoen aan klasse A1, volgens NEN 13501. Omdat het doel van de brandwerendheideis voor sprinklerpompruimten bestaat uit het beschermen van de sprinklerruimte tegen invloeden van buitenaf, wordt de WBDBO-eis toegepast van buiten naar binnen (de pompruimte wordt zelf beveiligd door sprinkler). De WBDBO-eis betekent niet dat er eisen worden gesteld aan de brandwerendheid op bezwijken van de draagconstructie van de aangrenzende bouwdelen. In dit project voldoet een bouwkundige scheiding van 60 minuten brandwerendheid van buiten naar binnen, gezien vanuit de sprinklerpompruimte. Aan voorzijde pompkamer (zijde toegangsdeur) en linkerzijgevel mogen binnen een afstand van 10 m van het pompgebouw geen brandbare goederen en/of (licht) ontvlambare goederen buiten worden opgeslagen. Op basis hiervan hoeven deze zijden geen brandwerende voorzieningen te hebben. De gevels resp. wanden “stramien W resp. stramien 03 grenzen aan het hoofdgebouw en dienen derhalve wel met een brandwerende scheiding te worden uitgevoerd. De ruimte moet uitsluitend voor de sprinklerwatervoorziening bestemd zijn. De ruimte moet voorzien in een afvoervoorziening om lek- en testwater adequaat af te kunnen voeren. De temperatuur moet op ten minste 10°C worden gehouden (in dit geval d.m.v. elektrische verwarming).
Er dienen voorzieningen te worden gemaakt om voldoende ventilatielucht aan te voeren voor verbrandingslucht dieselmotor en om de temperatuur in de pompkamer niet hoger dan 49o Celsius te laten worden.
5.4 Ruimtes boven verlaagd plafond hoofdgebouw Aanwezig in kantoren en nevenruimten (geheel gesloten constructie, geen toepassing van roosterplafonds, openingen voor ventilatiedoeleinden zijn toegestaan. De loze ruimten mogen conform FM 1-12 ongesprinklerd blijven mits wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in UPD brandbeveiligingsinstallaties
5.5 Ongesprinklerde bouwkundige kasten hoofgebouw Bouwkundige kasten (incl. meterkasten) mogen ongesprinklerd blijven indien deze niet betreedbaar zijn (max. 0,45 m1 diep) en geheel bouwkundig gescheiden van de gesprinklerde ruimten (zowel horizontaal als verticaal).
5.6
Toiletten en doucheruimten hoofgebouw
Toiletten en doucheruimten mogen ongesprinklerd blijven, mits de plafonds en wanden van een onbrandbare constructie (klasse A1 conform NEN-EN-13501-1) zijn. Er is/mag verder geen vuurlast aanwezig zijn in de toiletten, waardoor risico op brand verwaarloosbaar klein is. Mindervalidentoiletten en voorruimtes dienen wel gesprinklerd te worden.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 27 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 5.7 Ongesprinklerde schachten hoofdgebouw Ongesprinklerde bouwkundige schachten (niet zijnde een liftschacht) mogen niet betreedbaar zijn en moeten in materialen klasse A of B volgens NEN-EN 13501-1 zijn uitgevoerd. De betreffende schacht mag niet door scheidingen tussen brandcompartimenten voeren.
5.8 Watervoorraad De uitpandig op te stellen watertanks hoeven niet brandwerend te worden beveiligd van het gebouw. Door de grote massa van het water, zal het uren duren, voordat de vanaf het naastgelegen gebouw invloed heeft op de constructie van de tank.
5.9 Aantoonbaarheid/ dossiervorming toepassing criteria Het is aan de aannemer om van de toe te passen constructie onderdelen een dossier op te bouwen en deze aan de opdrachtgever beschikbaar te stellen waaruit blijkt op welke wijze invulling is gegeven aan de NEN6069;2011+A1+C1: 2019. Op verzoek van toezichthoudende instanties (omgevingsdienst, gemeenten, veiligheidsregio, inspectie instelling etc.) dient deze informatie eveneens beschikbaar te zijn. De eigenaar/gebruiker dient deze informatie vast te leggen in haar bouwdossier zodat deze informatie ook in de gebruiksfase beschikbaar is.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 28 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 6
Beperking ontstaan en ontwikkeling van brand 6.1 Algemeen Het bouwbesluit stelt eisen aan de beperking voor het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de beperking van de ontwikkeling van brand en rook.
6.2 Beperking van ontstaan van een brandgevaarlijke situatie Het Bouwbesluit beoogt in afdeling 2.8 het beperken van brandgevaarlijke situaties door het stellen van kwaliteitseisen aan materialen. Gezien het feit dat er geen gasaansluiting gerealiseerd worden en dus geen verbrandingstoestellen/stookplaatsen aanwezig zijn, zal dit geen beperkingen opleveren en hoeven er geen voorzieningen getroffen te worden.
6.3 Beperking van ontwikkeling van brand en rook Het Bouwbesluit beoogd in afdeling 2.9 dat een onverhoopt ontstane brand met daarbij behorende rook zich niet snel kan ontwikkelen. Hiervoor zijn in het bouwbesluit eisen gesteld aan de brandklasse van de toegepaste materialen. Voor het project dienen de volgende uitgangspunten gehanteerd te worden e.e.a. volgens NEN-EN13501-1): •
Artikel 2.67: Binnen oppervlakten (wanden en plafond), dienen te voldoen aan brandklasse D en rookklasse s2 Beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
•
Artikel 2.68: Buitenoppervlakten dienen tot 2,5 meter hoogte (i.v.m. verblijfsgebied > 5 m) t te voldoen aan brandklasse B, hierboven brandklasse D bepaald volgens NEN-EN 13501-1 Het deel van een zijde van een constructieonderdeel dat grenst aan de buitenlucht en hoger ligt dan 13 m, voldoet aan brandklasse B, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
•
Artikel 2.68: Buitenoppervlakte van een deur, een raam, een kozijn en een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel dienen te voldoen aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
•
Artikel 2.69: Beloopbaar vlak, dient aan bovenzijde van de vloeren en trappen (en evt. hellingbaan) die grenst aan de binnenlucht aan rookklasse s1fl en brandklasse Dfl, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
•
Artikel 2.69a: Elektrische leidingen dienen te voldoen aan brandklasse Dca en eventuele pijpisolatie voldoet aan brandklasse D1, beide bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
6.4 Vrijgestelde onderdelen Omdat in een ruimte ook plinten, armaturen, wandcontactdozen en andere kleine constructieonderdelen toegepast moeten kunnen worden, is in het Bouwbesluit omschreven dat maximaal 5% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen per ruimte de hiervoor genoemde eisen voor materialen niet van toepassing zijn. Deze uitzonderingsregel geldt niet voor aankleding of inrichting. Alleen als de aankleding van een ruimte een onderschikte bijdrage levert aan het brandgevaar, gelden er geen eisen voor die aankleding. Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 29 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 7
(Brand)veiligheidsinstallaties 7.1 Brandmeldinstallatie Om ervoor te zorgen dat alle gebruikers in het plan bij brand tijdig worden gealarmeerd, dient er conform afdeling 6.5 van het Bouwbesluit een brandmeldinstallatie te worden voorzien in het hoofdgebouw. • • • •
• •
De brandmeldinstallatie moet volgens NEN 2535 Het beheer en de controle van de brandmeldinstallatie moet voldoen aan NEN 2654-1. De brandmeldinstallatie heeft een ontruimingsalarminstallatie De brandmeldinstallatie moet zijn voorzien van een directe doormelding volgens, in overeenstemming met NEN 2535 naar een particuliere alarmcentrale (PAC). De doormelding moet door de PAC behandeld worden overeenkomstig het Protocol versie 3.1 “Automatische Branddoormelding via PAC naar RAC” opgesteld door “Federatie Veilig Nederland” De brandmeldinstallatie heeft een ontruimingsalarminstallatie Door het toepassen van gecombineerde lussen t.b.v. sprinkler-, brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie dient de brandmeldinstallatie te zijn voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandmeldinstallaties (i.v.m. negatieve invloed van brandmeldontruimingsalarminstallatie op de sprinklerinstallatie):
De brandmeldinstallatie zal bestaan uit: • Een niet automatische bewaking • Inspectiecertificaat; • Geen doormelding naar brandweer; Er kan hierbij bij verdere indeling van het kantoor sprake van een enkelzijdige vluchtroute (volgens BB 1 art. 6.20 lid 5). Deze dienen dan aanvullend te worden voorzien van een ruimtebewaking. Ook dienen deuren in brand- en rookscheidingen zelfsluitend te zijn. Indien er echter aanvullend wordt voorzien in deuren, welke met bijvoorbeeld kleefmagneten opengehouden worden, dan dient betreffende deur van objectbewaking te worden voorzien. Voor exacte uitgangspunten en randvoorwaarden wordt verwezen naar UPDbrandbeveiligingsinstallatie.
Toelichting: Gezien de oppervlakte van de spuiterij (industriefunctie < 2.500m2) en hoogste vloer (< 1,5 m) hoeft de spuiterij niet te worden voorzien van een brandmeldinstallatie. De vluchtwegen vanuit hoofdgebouw en spuiterij zijn verder geheel onafhankelijk van elkaar.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 30 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 7.2 Ontruimingsalarminstallatie Artikel 6.23 van Bouwbesluit 2012 geeft aan dat wanneer volgens artikel 6.20 een brandmeldinstallatie vereist is, ook een ontruimingsalarminstallatie vereist is. De brandmeldinstallatie en de sprinklerinstallatie geven sturing naar de ontruimingsalarminstallatie. Concreet betekent dit dat het hoofdgebouw moet worden voorzien van: Volgens NEN2575 stromingsschema B.1 een luidalarminstallatie type B Een luidalarminstallatie type B wordt ontworpen als een ontruimingsalarminstallatie die in een brandmeldinstallatie is geïntegreerd, of met een brandmeldinstallatie is gecombineerd. Het is bij zowel de geïntegreerde als gecombineerde installatie toegelaten om de energievoorziening te combineren. De ontruimingsinstallatie dient verder te voldoen aan onderstaande kenmerken: • • •
De ontruimingsalarminstallatie moet volgens NEN 2575 Het beheer en de controle van de ontruimingsalarminstallatie moet voldoen aan NEN 2654-2. Door het toepassen van gecombineerde lussen t.b.v. sprinkler-, brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie dient de ontruimingsalarminstallatie te zijn voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema ontruimingsalarminstallaties (i.v.m. negatieve invloed van brandmeldontruimingsalarminstallatie op de sprinklerinstallatie):
Voor exacte uitgangspunten en randvoorwaarden wordt verwezen naar de UPDbrandbeveiligingsinstallaties.
Toelichting Het hoofdgebouw zal uit 1 stuur- en ontruimingsalarmeringszone bestaan. De spuiterij valt buiten het ontruimingsgebied (separaat bouwwerk)
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 31 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 7.3 Sprinklerinstallatie Uit de berekening “grotere brandcompartimentering” volgens NEN6079 volgt een sprinklerbeveiliging uitvoering “Normaal” in het hoofdgebouw. Dit betekent dat de sprinklerinstallatie voldoet aan de volgende kenmerken: • Volledige sprinkler bewakingssysteem; • Enkelvoudige watervoorziening (1 bron 100% van de benodigde capaciteit en 1 pomp, 100% van de benodigde capaciteit) • Normaal leidingsysteem. • Brandmeldingen vanuit sprinkler dienen te geschieden via een automatische doormelding naar PAC: De doormelding moet door de PAC behandeld worden overeenkomstig het Protocol versie 3.1 “Automatische Branddoormelding via PAC naar RAC” opgesteld door “Federatie Veilig Nederland” ** • Het VBB-systeem moet volgens een van toepassing zijnde vigerende norm zijn uitgevoerd. • Het VBB-systeem moet zijn voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema VBB-systemen. • Het beheer en de controle van het VBB-systeem moet voldoen aan een van toepassing zijnde vigerende norm. Aanvullende voorwaarden: • Omloopleiding rondom de alarmkleppen Om faalkansen tgv de alarmkleppen te verkleinen zal aanvullend een omloopleiding rondom de alarmkleppen worden aangebracht. Bij onderhoud/reparatie aan alarmklep zal er ten aller tijden de beveiliging in stand worden gehouden.
De volledige uitgangspunten en certificatieprocedure van deze sprinklerinstallatie zijn omschreven in de UPD -brandbeveiligingsinstallaties.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 32 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 7.4 Noodverlichtingsinstallaties In het gehele bouwwerk (hoofdgebouw en spuiterij) dient een verlichtingsinstallatie (minimaal 1 lux op vloerniveau) aanwezig te zijn in elke verblijfsruimte en in besloten ruimten waardoor een beschermde vluchtroute of beschermde route voert. In het bouwwerk dient verder noodverlichting (minimaal 1 lux op vloerniveau) aanwezig te zijn op de volgende plaatsen: • In ruimten die bestemd zijn voor meer dan 75 personen. • Alle vluchtwegen tot aansluitend terrein vanaf de ruimte bestemd voor 75 personen • Alle beschermde (vlucht)routes. Dit zijn alle (vlucht)routes na het verlaten van een subbrandcompartiment. Op de omgevingsvergunningstekening is aangegeven in welke ruimten noodverlichting aanwezig dient te zijn. De projectering in de betreffende ruimten dient nader uitgewerkt te worden. Bij oplevering dient er een meetrapport aan de opdrachtgever afgegeven te worden waaruit blijkt dat er volgens, in overeenstemming met het bouwbesluit is geprojecteerd. Na het uitvallen van de reguliere voorziening voor elektriciteit moet de noodverlichtingsinstallatie binnen 15 seconden gedurende minimaal 60 minuten een verlichtingssterkte geven van ten minste 1 lux op vloerniveau. De noodverlichtingsinstallatie dient in het gebruik adequaat te worden beheerd, onderhouden en gecontroleerd.
De controle en onderhoudsrapportages dienen opgenomen te worden in een logboek Nadere eisen Arbowet Buiten de voorschriften uit het bouwbesluit kunnen vanuit Arbowetgeving aanvullende eisen opgelegd worden aan de noodverlichtingsinstallatie. Deze eisen maken geen onderdeel uit van deze rapportage. Met name in productieruimten waar minder dan 75 personen aanwezig zijn maar waar met verhoogde risicowerkzaamheden worden uitgevoerd of waar met spanningen wordt gewerkt worden al snel nadere eisen gesteld. Voorbeeld: Daar waar de machinerichtlijn een hogere eis stelt voor snelheid van inschakelen van de noodverlichting en de verlichtingssterkte zal de zwaarste eis prevaleren in de projectrealisatie. • In dit bouwwerk betreft het, onder ander de sprinklerpompkamer en lift. .
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 33 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 7.5 Vluchtrouteaanduiding Het volledige bouwwerk (hoofdgebouw en spuiterij) dient te worden uitgerust met een vluchtrouteaanduiding De vluchtrouteaanduiding moet voldoen aan en geplaatst worden volgens de NEN 3011 en de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838. Door de architect is de gehele vluchtrouteaanduiding op tekening weergegeven. Na het uitvallen van de reguliere voorziening voor elektriciteit moet de vluchtrouteaanduiding binnen 15 seconden gedurende minimaal 60 minuten voldoen aan de zichtbaarheid aspecten conform NEN‐EN 1838 (artikel 5.2 tot en met 5.6). De vluchtrouteaanduiding dient in het gebruik adequaat te worden beheerd, onderhouden en gecontroleerd. De controle‐ en onderhoudsrapportages dienen opgenomen te worden in een logboek. •
Een vluchtrouteaanduiding is aangebracht op een duidelijk waarneembare plaats.
•
De projectering van de vluchtrouteaanduiding is op de omgevingsvergunningstekeningen uitgewerkt. Opgemerkt wordt dat bij langere zichtafstanden gekozen kan worden om op tussenliggende afstanden extra vluchtrouteaanduiding aan te brengen of grotere afmetingen toe te passen. In de NENEN 1838 wordt de afmetingen van een vluchtwegarmatuur gekoppeld aan zichtlengten. Voor intern verlichte armaturen geldt factor 200 wat voor een 100 mm hoog armatuur neerkomt op een maximale kijkafstand van 20 meter. De projectie in het productieafdelingen dient hierop gebaseerd te zijn.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 34 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 7.6 Brandslanghaspels 7.6.1
Algemeen
Volgens, in overeenstemming met afdeling 6.7 van het Bouwbesluit wordt het plan van brandslanghaspels voorzien, waarmee een dekkend patroon verkregen wordt. De statische druk van een brandslanghaspel mag niet minder dan 100 kPa bedragen. De capaciteit dient ten minste 1,3 m³/h te bedragen bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspel(wagens), die zijn aangesloten op dezelfde voorziening voor drinkwaterleiding.
7.6.2
Productieruimten incl. spuiterij
Onderstaande ruimten worden voorzien van haspelwagens. • • • • • • •
Productiehal 0.37 Magazijn 0.39; Aluminium opslag 041 Parados 0.45; Hout- en meubelafdeling 1.23 Werkplaats 0.33 Spuiterij 0.100
Deze haspelwagens, bezitten een slanglengte van 40m-1” en 15m1- ¾”. indeling is gebaseerd op een ingedeelde ruimte en daarom een dekking van 60 m aangehouden (40m + 15 m slanglengte+ 5m worp = 60 m). De brandslanghaspels worden op de drinkwaterinstallatie aangesloten. ** Kantoorgedeelte spuiterij wordt aanvullend voorzien van een handblustoestel, zoals besproken met brandweer.
7.6.3
Overige ruimten (Kantoorruimten en productieruimten)
De brandslanghaspels in de kantoren en overige ruimten (0.54, 0.58, 0.48 en 0.49) worden gesitueerd in de verkeersruimten en bij vluchtdeuren en de slanglengte van de brandslanghaspel bedraagt 30m- ¾” – 6mm1 Indeling is gebaseerd op een ingedeelde ruimte en daarom een dekking van 35 m1 aangehouden bij een slanglengte van 30m1 (30m1 slanglengte + 5m1 worp= 35m1) De brandslanghaspels worden op de drinkwaterinstallatie aangesloten.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 35 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 7.7 Draagbare blusmiddelen Mobiele handblustoestellen hebben in het algemeen slechts een aanvullende functie op de voorgeschreven brandslanghaspels. Andere blusmiddelen kunnen nodig zijn als er als gevolg van het gebruik van een gebouw een situatie kan ontstaan waarbij water als blusmiddel ontoereikend of gevaarlijk is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een kans op een vloeistofbrand of bij hoge elektrische spanningen. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt in de volgende brandklasses en blusstoffen:
7.8 Aanduiding blusmiddelen Blusmiddelen dienen voor in het bouwwerk aanwezige personen direct zichtbaar zijn. Een blusmiddel dat bijvoorbeeld is ingebouwd in een kast, of is aangebracht in een ruimte met allerlei zichtbelemmeringen, zoals magazijnstellingen, moet zijn aangeduid door een pictogram.
Aanduiding brandslanghaspels en draagbare blusmiddelen
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 36 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 7.9 Brandweerafnamepunten Er worden voor inzet brandweer voorzien in 2 brandweeraansluitingen. Deze hebben een capaciteit van 1.000 liter/minuut gedurende 60 minuten (bij gebruik van 1 brandweeraansluiting) Bovengenoemde aansluitingen zullen op de volgende stramienen worden aangebracht. • •
Ter plaatse van deur in rookscheiding, aan kantoorzijde stramien O-024; Aan achterzijde ter plaatse van brandweerneveningang (binnenzijde) stramien X-011
Voor de aansluiting op de sprinklerinstallatie moeten de volgende randvoorwaarden worden aangehouden: •
•
• • • •
De brandkranen moeten zijn voorzien van afsluitbare aansluitmogelijkheid met een doorlaat van ten minste 67 mm, voorzien van een Storzkoppeling (nokafstand van 81 mm). In verband met hoge druk van sprinklerinstallatie dient er een reduceer te worden aangebracht, waardoor de druk te reduceren is tot ~5 Bar (nader met brandweer af te stemmen) Bij de aansluiting moet een waarschuwingsbord worden aangebracht met “brandweer aansluiting” en eventueel aangevuld met de tekst “gebruik leidt tot een brandalarm”. Aangezien de brandkranen worden aangesloten op de sprinklerinstallatie moet er worden gerekend met gelijktijdigheid. De brandkranen kunnen vanaf bovenliggend sprinklernet worden “afgetakt”. De gekozen uitvoering dient vooraf ter goedkeuring te worden voorgelegd aan aan de brandweer.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 37 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 8
Voorzieningen hulpdiensten 8.1 Algemeen De terreinindeling, ligging van het bouwwerk op het perceel, bluswatervoorziening, opstelplaatsen brandweer en de brandweeringangen zorgen in samenhang met elkaar dat er voorzieningen aanwezig zijn die het mogelijk maken voor de brandweer om bij brand op te treden. Naast deze eisen heeft brandweer Nederland in twee publicaties een nadere uitwerking gegeven van de maatregelen die getroffen dienen te worden om doeltreffend optreden mogelijk te maken. Dit betreft het handboek brandbeveiligingsinstallaties en de handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Deze boekwerken zijn geen wetgeving maar geven wel inzicht in de voorzieningen die voor de brandweer nodig zijn om repressief op te kunnen treden. Hieronder volgt een algemene omschrijving van de voorzieningen welke vervolgens in de subparagrafen verder uitgewerkt worden.
8.2 Toegang tot het bouwwerk De toegang tot het terrein (voor de brandweer) is via het ‘openbare’ wegennet vanuit meerdere richtingen benaderbaar. De hoofdingang en ook de brandweeringang van dit bouwwerk is via een afsluitbare schuifpoort. Buiten werktijd is deze toegangspoort gesloten Bij een brandmelding vanuit de sprinklerinstallatie zal de poort er plaatse van stramien GG-028 worden vrijgegeven (daarna handmatig door hulpdiensten openen). Een bouwwerk voor het verblijven van personen heeft, volgens artikel 6.36 van het bouwbesluit, minimaal 1 brandweeringang. Dit zal voor dit bouwwerk entree kantoor zijn. Deze wordt met een rood flitslicht aangeduid (vanaf openbare weg zichtbaar). Voor de toetreding tot het pand wordt gebruik gemaakt van een “push sleutelbuis”. Bijvoorbeeld: https://www.gyzs.nl/kruse-sleutelbuis-rvs-met-push-24v-diameter-51-x-diepte235mm.html Deze bevindt zich in de buitengevel van het kantoor bij entree Bij een brandmelding vanuit de sprinklerinstallatie zal de sleutelbuis vrijgegeven worden. Daarna is deze door een simpele druk aan de voorzijde te openen. In deze sleutelbuis zit een generieke sleutel, waarmee alle brandweer(neven)ingangen zijn te openen.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 38 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 8.3 Brandweer(neven)ingang(en) Een bouwwerk voor het verblijven van personen heeft, volgens artikel 6.36 van het bouwbesluit, minimaal 1 brandweeringang. Er worden verder meerdere brandweerneveningangen voorzien. Deze nevenbrandweeringang moeten aan de buitenzijde worden aangeduid door middel van een voor de brandweer herkenbare codering (nummering of belettering) en voldoende vrij (ca. 2 m) worden gehouden.
8.4 Brandmeldpaneel In de entree 0.001 wordt voor de hulpdiensten een geografisch brandmeldpaneel opgesteld. Op de aanwezige geografische brandmeldpaneel kunnen hulpdiensten nauwkeuriger bepalen waar evt. brandhaard zich bevindt. Onderverdeling van de sprinkler- en detectiezones staan in UPD brandbeveiligingsinstallaties aangegeven. Het brandmeldpaneel moet als een geografisch paneel zijn uitgevoerd. Op het brandmeldpaneel moeten de meldingen van de sprinkler- en brandmeldinstallatie zijn weergegeven. Voor de optische indicaties moeten de volgende kleuren zijn gebruikt: • Brand: rood • Aanwezigheid primaire en secondaire energievoorziening: groen • Technische en supervisiemelding: geel • Sprinklerpomp in bedrijf: groen De geografisch panelen moet zo zijn ontworpen en aangebracht dat de ligging van het gebouw correspondeert met de horizontale projectie van het paneel ten opzichte van de waarnemer. Eveneens moet op het geografisch paneel ten minste worden aangegeven: • de contouren van de bouwdelen; • de noordpijl; • de detectiezones, door optische indicatoren binnen de contouren van de bouwdelen; • de plaats waar men zich bevindt (brandweerpaneel); • de plaats van de brandweeringang; • de plaatsen van eventuele neveningangen; • de plaatsen van de trappenhuizen; • de plaats van de alarmkleppen, stromingsschakelaars en brandweeraansluitpunten.
Herstelmogelijkheid door brandweer op paneel is niet vereist en tevens is bediening van ventilatie op paneel niet vereist. Voor brandmeldpanelen in productie worden gegeven dient deze ter goedkeuring aan de bevoegde autoriteit (brandweer) te worden voorgelegd. Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 39 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 8.5 Gecombineerde sprinkler- brandmeldcentrale De gecombineerde sprinkler-, brandmeldcentrale wordt in de pompkamer opgesteld. Via de centrale in de pompkamer vinden de doormeldingen van storingen, supervisie en brand. Alle brandmeldingen dienen te geschieden via een automatische doormelding naar PAC De doormelding moet door de PAC behandeld worden overeenkomstig het Protocol versie 3.1 “Automatische Branddoormelding via PAC naar RAC” opgesteld door “Federatie Veilig Nederland”
8.6 Bediening/signaleringspaneel (nevenpaneel) Het geografisch brandmeldpaneel is tevens nevenpaneel voor de interne organisatie.
8.7
Bluswatervoorziening
Een bouwwerk dient toereikende bluswatervoorziening te hebben. Het bouwbesluit omschrijft naast deze functionele eis twee prestatie eisen: • •
De afstand tussen de bluswatervoorziening en de brandweeringang is ten hoogste 40 meter en De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
De term ‘toereikende bluswatervoorziening’ wordt in het handboek brandbeveiligingsinstallaties nader toegelicht (Hoofdstuk 5). Voor het realiseren van de bluswatervoorzieningen zijn meerdere opties mogelijk die elk hun eigen mogelijkheden en beperkingen hebben: 1) Toepassen van brandkranen aangesloten op openbaar drinkwaternet 2) Geboorde putten waarbij het bluswater onttrokken wordt aan het grondwater (met of zonder opvoerpomp). 3) Toepassen van een bluswaterriool met brandputten waarbij het bluswater via een buizenstelsel onttrokken wordt aan het open water. 4) Open water, waar rechtstreeks water uit kan worden onttrokken (vijvers, grachten, rivieren, kanalen) 5) Toepassen van brandkranen, waarbij het bluswater via een buizenstelsel wordt gevoed door de watervoorziening van de sprinklerinstallatie. Bovengenoemde opties zijn met de brandweer besproken en optie 5 is toepasbaar in deze situatie.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 40 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid Primaire bluswatervoorzieningen zijn voorzieningen die door de eerste brandweereenheid zelfstandig opgebouwd en gebruikt kunnen worden. De brandweer beschikt over materieel en middelen om de bluswatervoorziening in stand te houden. Voor dit bouwwerk worden hierbij 2 brandweeraansluitpunten gerealiseerd, zoals omschreven en benoemd onder paragraaf 7.9 Deze bluswatervoorzieningen zijn binnen 3 minuten beschikbaar en levert minimaal 60 m³/uur bij afname gedurende 1 uur.
8.8 Bereikbaar bouwwerken voor hulpdiensten Een bouwwerk dient geschikte verbindingswegen te hebben voor voertuigen van de brandweer en andere hulpdiensten omdat de toegang tot het bouwwerk op meer dan 10 meter van de openbare weg ligt. Het bouwbesluit omschrijft de eisen voor een verbindingsweg met de volgende prestatie eisen: • Een breedte van ten minste 4,5 meter •
Een verharde weg van ten minste 3,25 meter geschikt voor een massa van 14.600 kilogram
•
Een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter.
•
Verbindingsweg dient een doeltreffende afwatering te hebben.
•
Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten dienen door hulpdiensten snel en gemakkelijk te worden geopend (handmatig of automatisch).
8.9 Opstelplaatsen hulpdiensten Er wordt voor dit bouwwerk in minimaal 2 opstelplaatsen voorzien. •
Aan voorzijde van het kantoor ter plaatse van entree.
•
Aan achterzijde van het hoofdgebouw ter plaatse van de pompkamer
De 2 opstelplaatsen moeten voldoen aan: • Een breedte > 4meter en een lengte van >10 meter; •
Geschikt is voor een voertuig met een massa van 15.000 kg met een asbelasting van 10 ton
•
Een vrije hoogte > 4,2 meter.
Een opstelplaats voor een blusvoertuig moet altijd vrijgehouden worden, zodat hulpverleningsdiensten er altijd gebruik van kunnen maken. Gezien het feit dat de opstelplaatsen onderdeel uitmaken van een rijweg, hoeven er geen aanvullende markeringen te worden aangebracht. Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 41 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 8.10 Droge blusleiding en brandweerlift Er wordt in het hoofdkantoor, in de nabijheid van de balie op de begane grond. voorzien in een nevenpaneel. Gedurende werktijden is hier iemand aanwezig en dient voor alarmering (brand-, storing- en supervisiemeldingen) van de interne organisatie.
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 42 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 9
Organisatorische aspecten 9.1 Gefaseerd opleveren Ontvluchting, alarmering, bereikbaarheid en toetreding voor hulpdiensten moet tijdens de bouw en na gereedkomen van het bouwwerk, zijn geborgd. Ook alle vereiste brandveiligheidsinstallaties moeten bij een gefaseerde bouw functioneel in bedrijf zijn.
9.2
Omgevingsvergunning en melding brandveilig gebruik
Gezien het feit dat aan de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit 2012 is voldaan op basis van een beroep op gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid is het gebruik meldingsplichtig en vanwege het aantal aanwezige personen.
9.3 Gelijkswaardigheidsbepaling Bij de gebruiksfase van het bouwwerk dient de gelijkwaardige oplossingen blijvend in stand te worden gehouden. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de eigenaar/gebruiker(s).
9.4 Ontruimingsplan Vanwege de voorgeschreven brandmeldinstallatie (en dus ook een ontruimingsalarminstallatie) moet tijdens de gebruiksfase een ontruimingsplan aanwezig zijn. Door de gebruiker moet voor ingebruikname een ontruimingsplan worden opgesteld.
9.5 Zorgplicht Voorgeschreven brandbeveiligingsinstallaties, • Functioneren overeenkomstig de van toepassing zijnde voorschriften, • Worden adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd en • Worden zodanig gebruikt dat er geen gevaar ontstaat voor de gezondheid en veiligheid. Tijdens de gebruiksfase van het bouwwerk is de eigenaar/gebruiker verantwoordelijk voor het boven gestelde. In dit kader wordt bij ingebruikname geadviseerd een logboek brandveiligheid aan te leggen waarin minimaal de volgende documenten worden opgenomen: • Afschrift gebruiksmelding; • Overzicht buitengebruikstellingen, onderhouds- en controleactiviteiten, storings- en alarmmeldingen van vereiste brandbeveiligingsinstallaties; • Document aanvullende behandeling constructieonderdelen; • Inspectiecertificaat sprinkler, brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie; • Ontruimingsplan; • Verslag van gehouden ontruimingsoefeningen (jaarlijkse frequentie); • Overige relevante documenten ten aanzien van brandveiligheid. .
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 43 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 10
Overzicht akkoordverklaringen Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte versie 1.1 is tot stand gekomen in opdracht en met goedkeuring van:
Opdrachtgever/gebruiker: Naam: Adres: Postcode/Plaats: Contactpersoon:
Datum: Handtekening:
Het masterplan is geaccordeerd door: Bevoegd gezag/(veiligheidsregio) Naam: Adres: Postcode/Plaats: Contactpersoon:
Datum: Handtekening:
Verzekeraar Geen eisende partij
Het Masterplan is opgesteld door: Opsteller rapport DE BRAND1HEID B.V. Roseweert 2 8105 BR Luttenberg A.E.M. (August) Habers 06-14482942
Referentie: Toetsing brandveiligheid “Roelofsen Horse Trucks” te Raalte
blz. 44 van 44
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid DE BRAND1HEID B.V. Roseweert 2 8105 BR LUTTENBERG info@brand1heid.nl www.brand1heid.nl
Nieuwbouw bedrijfspand “Roelofsen horsetrucks” te Raalte UitgangsPuntenDocument Sprinkler-, brandmeld- ontruimingsalarminstallatie Datum
:
21-07-2023
Ref.
:
22.35UPD
Versie
:
1.3
Opsteller
:
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 1 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid Inhoudsopgave
Pag.
1
Algemeen
7
1.1
Inleiding
7
1.2
Primaire en afgeleide doelstellingen
8
1.3
Certificering
10
1.4
Betrokken partijen
11
1.5
Aanvullende eisen opdrachtgever
11
2
Beschrijving van het object
12
2.1
Gebouwkenmerken
12
2.2
Belendingen
14
2.3
Bouwaard-specificaties
15
2.4
Installaties op het dak
17
2.5
Proces-omschrijving
18
2.5.1
Productiehal 0.37
18
2.5.2
Magazijn 0.39
19
2.5.3
Aluminium opslag en bewerkingscentrum 0.41
19
2.5.4
Draagarmstellingen (long goods)
21
2.5.5
Groot plaatmateriaal in stellingen
20
2.5.6
Hout- en meubelafdeling 1.23
22
2.5.7
Parados 0.45
23
2.5.8
Kraanbanen
23
2.5.9
Werkplaats 0.33
24
2.5.10
Wasstraat 0.35
24
2.5.11
Showroom 0.26
25
2.5.12
Kantoren
25
2.5.13
Ruimten voor opslag
25
2.5.14
Dakterras
25
2.5.15
Vides kantoor
26
2.5.16
Laden/lossen
26
2.5.17
Buitenterrein
26
2.5.18
Heftrucks
26
2.5.19
Li-ion batterijen
27
3
Ontwerpcriteria sprinklerinstallatie
28
3.1
Goederenclassificatie
28
3.2
Voorschriften
35
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 2 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 3.3
Omvang van de beveiliging.
38
3.3.1
Laagspanningsruimtes
38
3.3.2
Ruimtes boven verlaagd plafond
38
3.3.3
Ongesprinklerde bouwkundige kasten
38
3.3.4
Trappen, loopbruggen en bordessen
39
3.3.5
Toiletten en doucheruimten
39
3.3.6
Ongesprinklerde schachten
39
3.3.7
Ongesprinklerde liftschachten
39
3.3.8
Ongesprinklerde luifels
40
3.4
Risicobeoordeling “magazijngedeelte” 0.37 (H< 10,7 m)
41
3.5
Risicobeoordeling productie- montagehal 0.37 (H< 10,7 m)
42
3.6
Risicobeoordeling magazijn 0.39 (H< 10,7 m)
43
3.7
Risicobeoordeling aluminium opslag 0.41 (H< 10,7 m)
44
3.8
Risicobeoordeling Parados 0.45 (H < 9m)
45
3.9
Risicobeoordeling hout- en meubelafdeling 1.23 (H< 4,5 m)
46
3.10
Risicobeoordeling werkplaats 0.33 (H < 9,1m)
47
3.11
Risicobeoordeling wasstraat 0.35 (H < 9,1m)
48
3.12
Risicobeoordeling kantoorgedeelten
49
3.13
Risicobeoordeling showroom 0.26 (H < 9,1m)
50
3.14
Risicobeoordeling bergruimten in kantoren (H < 6.1m)
51
3.15
Techniekruimtes (indien van toepassing)
51
3.16
Loze ruimte boven verlaagd plafonds (indien noodzakelijk)
52
3.17
Pompkamer 0.38
53
3.18
Obstructies
53
4
Organisatorische maatregelen
54
4.1
Belemmeringen onder sprinklers opslag
54
4.2
Vrije ruimte onder sprinklers
56
Vrijstaande l
57
4.3
egbordstellingen (shelf storage)
57
4.4
Legborden en roosters in open frame racks (stellingen)
57
4.5
Benodigde trekkanalen bij toepassen open frame racks
58
4.5.1
Enkele stelling, optie 1
59
4.5.2
Enkele stelling optie 2
60
4.5.3
Enkele stelling optie 3
61
4.5.4
Dubbele stelling optie 1
62
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 3 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 4.5.5
Dubbele stelling optie 2
63
4.5.6
Dubbele stelling optie 3
64
4.6
Gangpaden open frame racks
65
4.7
5-zijdig gesloten brandbare bakken in open frame racks
65
4.8
5-zijdig gesloten onbrandbare bakken in open frame racks
65
4.9
Algemeen niet toegestane goederen
65
5
Systeembeschikbaarheid sprinkler
66
6
Alarmkleppen, simuleren brandalarm
67
6.1
Sectie-indeling
67
6.2
Simuleren brandalarm
67
6.3
Overige bluswatervoorzieningen
68
7
Watervoorziening
69
7.1
Uitvoering
69
7.2
Vereist pompcapaciteit/inhoud watervoorraad
70
7.3
Pompcapaciteit (1 stuks, 100% van benodigde capaciteit)
70
7.4
Watervoorraad
70
7.5
Brandweeraansluiting (suppletie sprinklerinstallatie)
71
7.6
Vereiste suppletie
71
7.7
Aansluiting op openbaar drinkwaternet
71
7.8
Diameter testleiding en zuigleiding
71
7.9
Hydraulische berekeningen
71
7.10
Spoelen en afpersen
71
8
Sprinklermeldinstallatie
72
8.1
Meldcentrale
72
8.2
Toegang tot het terrein/bouwwerk
72
8.3
Geografisch brandmeldpaneel
73
8.4
Bediening/signaleringspaneel (nevenpaneel)
73
9
Brandmeldinstallatie algemeen
74
9.1
Eisen vanuit bevoegd gezag
74
9.2
Voorschriften brandmeldinstallatie
75
9.3
Prestatie-eis brandgrootte
76
9.4
Prestatie-eis voor ongewenste en onechte brandmeldingen
76
9.5
Prestatie-eis voor systeembeschikbaarheid
76
9.6
Detectiezone-indeling
76
9.7
Stuurzones
76
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 4 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 9.8
Sturingen
77
9.9
Deurvastzetinrichtingen (indien aanwezig)
77
9.10
Ontgrendeling (vlucht)deuren/ toegangscontrole (indien aanwezig)
78
9.11
Automatische toegangsdeuren (schuifdeuren)
78
9.12
Algemeen
78
9.13
Overbrugging stuurfuncties
79
9.14
Aarding
79
9.15
Functiebehoud transmissiewegen
79
9.16
Autonomietijd energievoorziening
79
9.17
Doormelding brandalarm
79
9.18
Doormelding storingen en supervisiemeldingen
79
10
Ontruimingsalarminstallatie algemeen
80
10.1
Eisen vanuit bevoegd gezag
80
10.2
Voorschriften ontruimingsalarminstallatie
80
10.3
Activering
81
10.4
Prestatie-eis geluidsniveau toonsignaal
81
10.5
Prestatie-eis systeembeschikbaarheid
81
10.6
Alarmeringszone-indeling
81
10.7
Bedieningspaneel ontruimingsalarm (BPOA)
81
11
Bouwkundige voorzieningen
82
11.1
Normtechnische verwijzingen
82
11.2
Ongesprinklerde ruimten
82
11.3
Doorvoeringen
82
11.4
Vorstgevaar
82
11.5
Bevestiging aan de constructie
82
11.6
Draftcurtain (warmtegordijn)
83
11.7
Sprinklerpompruimte
83
12
Alarmopvolging
84
12.1
Alarm- en storingsopvolging – interne organisatie
84
12.2
Alarm- en storingsopvolging – externe organisatie
84
13
Eindinspectie
85
14
Continuering certificering
85
15
Beheer en onderhoud sprinklerinstallatie
85
16
Buitenbedrijfstellingen
86
17
Overzicht akkoordverklaringen
87
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 5 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid
Versiebeheer Wanneer veranderingen optreden in het pand, kan dit aanleiding zijn tot een gedeeltelijke of gehele herziening van de sprinkler-, brandmeld- of ontruimingsalarminstallatie. De eigenaar/gebruiker is verantwoordelijk voor het actueel houden van dit rapport. De eigenaar/gebruiker dient er zorg voor te dragen dat inzichtelijk is welke aanpassingen er in dit rapport zijn aangebracht en dat steeds kenbaar is welke versie van het rapport geldig is. Hiertoe dienen eventuele wijzigingen herleidbaar te zijn.
In onderstaande is een overzicht opgenomen van de opgestelde versies van dit rapport
Versie Concept
Uitvoering
Datum 05-07-2022
1.0
19-10-2022
1.1
05-12-2022
1.2
19-12-2022
1.3
17-07-2023
Wijziging
Gewijzigd ontwerp
Dit rapport kan eerst worden aangemerkt als definitief nadat het door de eisende partijen is gevalideerd c.q. goedgekeurd.
Disclaimer:
Opdrachten zijn door DE BRAND1HEID B.V. aanvaard en uitgevoerd in overeenstemming met de "Rechtsverhouding opdrachtgever en adviseur" - DNR 2011. De DNR 2011 is op 21 juli 2011 gedeponeerd ter griffie van de Rechtbank Amsterdam onder nummer 78/2011. De DNR 2011 is te downloaden op www.nlingenieurs.nl/dnr. De aanbevelingen in dit rapport zijn vrijblijvend, DE BRAND1HEID B.V. kan niet aansprakelijk worden gesteld door haar opdrachtgevers of elk ander persoon of organisatie voor verlies of schade die (mogelijk) is veroorzaakt door de informatie verstrekt in dit rapport. Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 6 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 1
Algemeen 1.1 Inleiding In het nieuw te bouwen pand “Roelofsen Horsetrucks” aan de Heesweg/Hertzstraat te Raalte, is een sprinkler-, brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie voorzien. De uitgangspunten voor bovengenoemde installaties zijn verwoord in dit UitgangsPuntenDocument. De beveiliging moet worden gecertificeerd conform het ‘CCV Inspectieschema Brandbeveiliging (laatst vigerende versie). Hiertoe moet de sprinklerbeveiliging voldoen aan de betreffende sprinklervoorschriften en worden goedgekeurd door een NEN-EN-ISO/IEC 17020 type-A geaccrediteerde inspectie-instelling. Inspectie-instelling dient verder te beoordelen of het basisontwerp van een brandbeveiligingssysteem in een bouwwerk overeenstemt met de algemene eisen. Deze algemene eisen worden aangeduid als “afgeleide doelstelling”
Bij het opstellen van dit UPD is o.a. gebruik gemaakt van: • Masterplan brandveiligheid met ref. 22.35MPB • Plattegronden, situatietekening en doorsnedes-tekeningen opgesteld door SEC architecten (vigerende versies)
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 7 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 1.2
Primaire en afgeleide doelstellingen
Primaire doelstelling sprinkler De primaire doelstellingen, zoals opgenomen in Europese en Nederlandse wet- en regelgeving op brandveiligheidsgebied zijn: - Veilig vluchten; - Schadebeperking. Een bouwwerk moet conform het Bouwbesluit zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat bij brand: - Het draagvermogen van het bouwwerk gedurende een bepaalde tijd behouden blijft; - Het ontstaan en de ontwikkeling van vuur en rook binnen het bouwwerk zelf beperkt blijft; - De gebruikers het bouwwerk kunnen verlaten; - De veiligheid van de hulpploegen in acht wordt genomen. Afgeleide doelstelling sprinkler Aangezien de sprinklerbeveiliging wordt gerealiseerd als een gelijkwaardig alternatief voor het beperken van de uitbreiding van brand, zoals bedoeld in de betreffende afdeling uit het Bouwbesluit 2012, is de volgende afgeleide doelstelling voor de sprinklerbeveiliging geformuleerd: Een beginnende brand in een vroeg stadium detecteren, signaleren en onder controle houden zodat het bestrijden ervan door de interne en externe brandbestrijdingsorganisaties kan plaatsvinden waardoor schade wordt beperkt, binnen de context van het basisontwerp De sprinklerbeveiliging zal aan deze afgeleide doelstellingen worden getoetst, welke daarmee de basis vormt voor de certificatie.
De sprinklerinstallatie heeft verder als doel om te voorzien in: • Persoonlijke veiligheid bij brand van personeel en de interne- en externe brandbeveiligingsorganisatie, • Het beperken van schadelijke gevolgen voor het milieu; • Het verminderen van het risico op interruptie van de bedrijfscontinuïteit ten gevolge van brand; • Het sturen van brandbeveiligingsinstallaties. De sprinklerinstallatie dient verder als gelijkwaardige oplossing voor: • Beheersbaarheid van brand: realiseren van grotere brandcompartimenten (beperking uitbreiding van brand); • Sterkte bij brand: reductie brandwerendheid op bezwijken draagconstructie onder brandomstandigheden; • Realiseren functiebehoud van transmissiewegen (NPR 2576);
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 8 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid Primaire doelstelling brandmeldinstallatie De primaire doelstellingen zijn veilig vluchten en het beperken van de omvang van de brand, en brand- en rookschade. Afgeleide doelstelling brandmeldinstallatie Een beginnende brand tijdig ontdekken, lokaliseren en signaleren, waarna de aangesloten brandbeveiligingsvoorzieningen tijdig in werking worden gesteld, binnen de context van het basisontwerp. Concrete doel van de installatie: • • •
Persoonlijke bescherming Sturen van brandbeveiligingsinstallaties. Het sturen van objecten in de vorm van kleefmagneten en branddeuren
Primaire doelstelling ontruimingsalarminstallatie De primaire doelstellingen zijn veilig vluchten
Afgeleide doelstelling ontruimingsalarminstallatie Tijdig in voldoende mate akoestisch en/of optisch informatie geven aangaande de ontruiming, om veilig vluchten te initiëren, binnen de context van het basisontwerp.
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 9 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 1.3 Certificering Voor de sprinkler-, brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie wordt een geldig inspectiecertificaat verlangd dat is afgegeven op grond van het CCV-Inspectieschema Brandbeveiliging. Het verkrijgen van een inspectiecertificaat is een proces waarin onder andere de uitgangspunten van de brandbeveiligingssystemen moeten zijn vastgelegd in een “Basisontwerp”. Dit UitgangsPuntenDocument (het “Basisontwerp”) beschrijft de eindsituatie en de daarop afgestemde bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen in relatie tot de in dit UitgangsPuntenDocument omschreven brandveiligheidssystemen. Overige (brand)veiligheidsmaatregelen, volgend vanuit wet- en regelgeving en/of eisen en wensen van de opdrachtgever vallen buiten de reikwijdte van dit document. De aanwezigheid van een ‘Inspectiecertificaat’ tbv de brandmeld- en ontruimingsinstallatie is geen vereiste vanuit de wet- en regelgeving. Gezien de koppeling van de brandmeldinstallatie met de sprinklermeldcentrale is hier echter wel voor gekozen.
Doel certificering Het doel van het certificeringsysteem is dat de betrokken partijen, zoals het bevoegd gezag en de opdrachtgever, erop kunnen vertrouwen dat een brandbeveiligingssysteem onder de heersende omstandigheden naar verwachting functioneert.
Inspectiefrequentie De inspectiefrequentie van de sprinkler-, brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie is vastgesteld op jaarlijks overeenkomstig de regeling Bouwbesluit 2012.
Instandhouding gedurende gebruiksfase Bovengenoemde gelijkwaardige oplossingen en afgeleide doelstellingen worden in de gebruiksfase in stand gehouden door het jaarlijks laten certificeren van de sprinkler-, brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie (inspectie-certificaat), dit door een onafhankelijke inspectie-instelling type A. Hiermee wordt de gelijkwaardigheid in de gebruiksfase in stand gehouden. Het bevoegd gezag ontvangt van de gebruiker/eigenaar van bovengenoemde inspecties een inspectierapport, waarin de bevindingen van de inspecties zijn vastgelegd. Hiermee wordt geborgd dat de gelijkwaardigheid in de gebruiksfase in stand wordt gehouden
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 10 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 1.4 Betrokken partijen De volgende partijen zijn bij de totstandkoming van dit document en uiteindelijke certificering betrokken: •
Overheid (eisende partij)
Betreffende het voldoen aan de bouwvoorschriften, zoals omschreven in o.a. bouwbesluit 2012
•
Eigenaar (eisende partij)
Betreffende bedrijf continuïteit en beperking van schade
•
Gebruiker (eisende partij)
Betreffende bedrijf continuïteit en beperking van schade
•
DE BRAND1HEID (adviserend)
Opstellen uitgangspunten brandbeveiligingssysteem
•
Inspectie-instelling (toetsend)
Toetsing aan afgeleide doelstellingen en inspectie brandbeveiligingssysteem
• Installateur
Installatie en onderhoud installatie
. Bemerking: Eventuele adviezen of eisen vanuit de verzekeraar zijn in dit rapport niet opgenomen.
1.5 Aanvullende eisen opdrachtgever Op verzoek van opdrachtgever dient het leidingwerk, welke “in zicht **” wordt gemonteerd eventueel in RAL 9010 uitgevoerd te worden. De onderlinge koppelingen mogen dan echter gegalvaniseerd uitgevoerd worden. ** leidingwerk in pompkamer mag echter in het “rood” uitgevoerd worden, incl. het leidingwerk boven het verlaagd plafond in het kantoorgedeelte.
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 11 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 2
Beschrijving van het object 2.1 Gebouwkenmerken Het te beveiligen bouwwerk wordt als 1 brandcompartiment uitgevoerd en opgebouwd uit de volgende gebruiksoppervlaktes (BVO): BVO begane grond industriefunctie BVO 1e verdieping industriefunctie BVO Hoofdgebouw industriefunctie
10.528 1.411 11.939
m2 m2 m2
BVO begane grond kantoorfunctie BVO 1e verdieping kantoorfunctie BVO Hoofdgebouw kantoorfunctie
1.876 1.037 2.913
m2 m2 m2
BVO Hoofdgebouw totaal
14.852
m2
•
De maximale hoogte bedraagt ~ 9.700mm in productiehal 0.40, magazijn 0.41, opslag 0.43, (hoogste punt, bovenkant staaldak);
•
De maximale hoogte bedraagt ~ 8.000mm in werkplaats 0.35 en wasstraat 0.38 (hoogste punt, bovenkant staaldak);
•
De maximale hoogte bedraagt ~ 5.000mm in Parados 0.45 (hoogste punt, onderkant betonvloer);
•
Hout- en meubelafdeling op 5.280mm+ peil De maximale hoogte bedraagt ~ 4.500mm (hoogste punt, bovenkant staaldak);
•
De maximale hoogte bedraagt ~ 8.000mm in showroom 0.34 (onderkant plafond)
•
Kantoren etc. op resp. 0mm+ en 3.885mm+ peil; De maximale hoogte bedraagt ~ 9.500mm in de vides
•
Het hoofdgebouw wordt als 1 “NEN6079 brandcompartiment” uitgevoerd;
•
Het hoofdgebouw wordt geheel gesprinklerd met een uitpandig watervoorziening voor de sprinklerinstallatie met bovengrondse stalen watervoorraadtanks (uitvoering “normaal”);
•
In verband met de vlucht/loopafstanden worden de kantoren in hoofdkantoor als aparte (sub)rookcompartimenten uitgevoerd. De WRD (weerstand tegen rookdoorgang) dient te bestaan uit een weerstand tegen rookdoorgang met criteria Ra; Ra is een maat voor het tegenhouden van koude rook (kamertemperatuur);
•
Magazijnstellingen hoger dan 3m aanwezig in de bedrijfshal;
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 12 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid •
Er wordt voorzien in een afzuigsysteem in houtafdeling (motafzuiging) met een afzuigkanaal naar cycloon-afzuiginstallatie (afstand > 10m);
•
Aan voorzijde van het kantoorgedeelte is een dakterras, aan voorzijde open en het dak grotendeels open (niet besloten ruimte);
•
Er zijn geen technische ruimten groter dan 50 m2 aanwezig;
•
Geen (separate) ruimten met opslag van gevaarlijke stoffen aanwezig;
•
Er wordt voorzien in een afzuigsysteem in houtafdeling (motafzuiging) met een afzuigkanaal naar cycloon-afzuiginstallatie (afstand > 10m);
•
Het terrein is afgesloten met hekwerken en poorten.
Naast bovenstaande te beveiligen bouwwerk worden de onderstaande onbeveiligde spuiterij gerealiseerd (afstand ~70m).
Spuiterij (BC-03) • De spuiterij een separaat brandcompartiment en is opgebouwd uit de volgende gebruiksoppervlaktes (BVO): BVO spuiterij industriefunctie • • • • •
2.324
m2
De maximale hoogte spuiterij bedraagt ~ 8.500mm De maximale hoogte kantoor resp. kantine bedraagt ~4.700mm+ Peil Alle gebruiks- en verblijfsgebieden op 0.000mm+ peil Hoofdfunctie industriefunctie met bijeenkomst/kantoorfunctie < 100m2 Separate ruimte voor opslag gevaarlijke stoffen aanwezig (volgens PGS15)
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 13 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 2.2 Belendingen De te realiseren bouwwerken zijn gelegen aan de Heesweg/Hertzstraat te Raalte en worden geheel ingesloten door 4 openbare wegen. Hierdoor is er meer dan voldoende afstandsbijdrage, waardoor kans op brandoverslag naar naastgelegen buurpercelen niet aanwezig is. •
Naast de genoemde bouwwerken zijn er op het terrein diverse (afval)containers, een fietsenstalling en eventuele traforuimten aanwezig. De afstanden van bovengenoemde onderdelen tot de brandcompartimenten bedraagt meer dan 10 meter;
•
De onderlinge afstand tussen hoofdgebouw en spuiterij bedraagt ~75 meter. Door deze afstand is kans op brandoverslag tussen de beide brandcompartimenten niet aanwezig;
•
Halverwege hiervan staat een afzuigunit/cycloon en afvalcontainer t.b.v. afzuiging stof en houtkrullen vanuit de houtbewerkingsafdeling Deze unit is d.m.v. een afzuigkanaal verbonden met het beveiligde bouwwerk (hoofdgebouw) Brandoverslag via het afzuigkanaal is gezien de afstand tevens niet te verwachten (van afzuigunit naar beveiligd pand). Bij een brandmelding vanuit sprinkler- of brandmeldinstallatie wordt deze installatie afgeschakeld.
•
Geparkeerde auto’s, vrachtwagens, fietsenstallingen en trafo staan op een afstand van minimaal 10 meter uit het beveiligd pand. Er zijn geen loadingdocks aanwezig, waar vrachtwagens langdurig tegen het pand geparkeerd staan.
•
In de directe nabijheid van de buitengevels van het beveiligde pand is verder geen opslag van brandgevaarlijke goederen aanwezig. Als brandbare buitenopslag gelden ook (verrijdbare) afvalcontainers (tenzij geheel in staal uitgevoerd, gesloten en niet vanuit het gebouw toegankelijk).
•
Op het dak worden warmtepompen, luchtbehandelingsinstallaties en eventueel toekomstige PV-panelen opgesteld. Hiervoor worden aanvullende voorzieningen voor getroffen Om een onbeheersbare dakbrand vanuit bovengenoemde onderdelen te voorkomen wordt er aanvullend voorzien in: Stalen dakplaten met FM approved PIR isolatie, eventuele cannelurevulling Toplaag 60mm minerale wol harde persing PVC dakbedekking 1,5mm
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 14 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 2.3 Bouwaard-specificaties Luifels
Ter plaatse van kantoor en showroom, oversteken. Hier vindt geen opslag plaats
Gevels
Geïsoleerd prefab betonpaneel als “plint” Boven plint: stalen sandwichpanelen Kantoor: Aluminium vliesgevel Gevelisolatie: Sandwichpaneel met PIR-isolatiemateriaal (brandklasse B)
Brandscheiding
Buiten de pomkamer niet aanwezig, alleen rookscheidingen. Tussen spuitafdeling en beveiligd pand is deze brandscheiding d.m.v. afstand gerealiseerd. De pompkamer zal gedurende 60 minuten worden beschermd tegen brand vanaf buitenzijde
Dak
Stalen geprofileerde dakplaten, isolatie en kunststof dakbedekking. Stalen dakplaten met FM approved PIR isolatie Toplaag 60mm minerale wol (harde persing PVC dakbedekking 1,5mm Een vlak dak (hellingshoek 1,6O) Voorzien van pv-panelen (eventueel toekomstig)
Dakopbouwen
Niet overkapte technische ruimten: Warmtepompopstellingen en luchtbehandelingskast.
Vloeren:
Beton incl. de kantoorvloeren
Trappen
Staal
Bordessen
In productieruimten zijn loopbordessen aanwezig, gesloten uitgevoerd
Hoofddraagconstructie: Staal Kruipruimtes
Niet aanwezig
Vide/daklichten
In kantoor is ter plaatse van trapgat een vide aanwezig, Lichtstraten zijn niet aanwezig.
Verlaagde plafonds:
In kantoorgedeelte en natte groepen (rasterplafonds)
Vorstgevaar
Niet aanwezig, minimaal 5o Celsius
Technische installaties Afzuigunits, Kraanbanen in productie hal Verlichting, noodverlichting en wandcontactdozen Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 15 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid Brandhydranten
2 stuks interne brandweeraansluitingen op de sprinkler aangesloten.
Brandslanghaspels
Niet op de sprinklerinstallatie aangesloten (op openbaar drinkwaterleiding)
Ventilatie kantoor
De uitvoering van de ventilatie-installatie betreft een mechanisch toeen afvoer voersysteem welke 100% buitenlucht toevoert en afvoert. De buitenlucht wordt (indien nodig) verwarmt via een warmtewisselaar. Er vindt geen recirculatie van lucht plaats.
Verwarming
De bedrijfshallen wordt verwarmd middels een luchtverwarmingssysteem. Inblaassysteem door middel van nozzles De verwarming (en koeling) voor het kantoor is gerealiseerd met behulp van een elektrisch aangedreven luchtwarmtepomp in combinatie met een VRF-klimaatsysteem.
Transportsystemen
Heftrucks en overige transportmiddelen Kraanbanen (geen automatische transportsystemen)
Toegang
De toegang tot het terrein is afgesloten door elektrisch te openen hekwerken. De toegangen tot het bouwwerk zijn mechanisch vergrendeld (van buiten naar binnen).
Deursluitsystemen
In de rookwerende scheidingsconstructies zijn mechanische deursluitsystemen (drangers) op de deuren toegepast.
Gas
Er is geen gasaansluiting aanwezig, derhalve ook geen stookruimten.
Lift
Er is een personenlift aanwezig in kantoor en een goederenlift t.p.v. houtbewerkingsafdeling.
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 16 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 2.4 Installaties op het dak Er wordt een sprinklerinstallatie toegepast als onderdeel van de gelijkwaardigheid. Er moet worden voorkomen dat een brand zich buiten het bereik van de sprinklerinstallatie kan uitbreiden. De isolatie zou bijvoorbeeld kunnen gaan branden door werkzaamheden, PV-panelen, een installatie op het dak. Indien een brand zich in de isolatie kan voorplanten kan dit zorgen voor brand in het gebouw of mogelijk zelfs op meerdere plekken in het gebouw. Dit kan doordat brandende isolatie kan uit de dakplaten loopt of de brandbare pyrolysegassen kunnen vrijkomen en ontsteken. De sprinklerinstallatie is ontworpen om een beginnende brand te beheersen. Indien er brand ontstaat in de isolatie welke doorslaat naar binnen of er brand ontstaat in meerdere plekken in het gebouw is er geen sprake meer van een beginnende brand. De kans is dan ook aanwezig dat de sprinklerinstallatie de brand niet kan beheersen. Het is daarom noodzakelijk dat de isolatie uit zichzelf dooft nadat de sprinkler is geactiveerd. Een brand in de isolatie valt buiten het bereik van de sprinkler en ook voor de brandweer is het moeilijk om een dergelijke brand voldoende snel te kunnen blussen. Om deze reden is isolatie, waarin een brand zich niet zelfstandig kan voortplanten noodzakelijk bij deze gelijkwaardigheid.
Om hier aan te voldoen wordt het dak als volgt uitgevoerd: • • •
Stalen dakplaten met FM approved PIR isolatie, eventuele cannelurevulling Toplaag 60mm minerale wol harde persing PVC dakbedekking 1,5mm
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 17 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 2.5 Proces-omschrijving 2.5.1
Productiehal 0.37
Het pand wordt ingericht t.b.v. productie van specifieke, klantgerichte en op maat gebouwde paardenvrachtwagens (horsetrucks). Er is in deze productiehal 1 productielijn aanwezig, waar een “kale” chassis wordt voorzien van een opbouw. De afdeling wordt voorzien van 3 kraanbanen (stramien 03 t/m 015), voorzien van 1 of 2 “1,5 tons” boven- of onderloopkranen per kraanbaan. Bediening van deze kranen vindt elektrisch of radiografisch plaats. In deze ruimte (stramien 03-015 / S t/m X) zijn open frame racks (open stellingen), draagarmstellingen en legborden aanwezig zijn (max. tot stramien S). De open frame racks zijn open uitgevoerd, geen dichte legborden hierin. Er vindt hier opslag van maximaal “niet gekartonneerd, niet geexpandeerde kunststoffen” plaats in legborden of op de vloer gestapeld (of onderste niveau van open frame racks). In de stellingen (open frame racks) vindt opslag van maximaal “gekartonneerd, niet geexpandeerde kunststoffen” plaats. Opslag van schuimkunststoffen (in vorm van bijvoorbeeld stoelen) en banden vindt hier niet plaats. Daarnaast vindt er opslag in zogenaamde draagarmstellingen plaats met in basis onbrandbare materialen. In het overige gedeelte van de productiehal vindt montage resp. productie plaats, waar beperkte opslag aanwezig is, wat kan worden beoordeeld als lage opslag (low-piled).
De vrachtwagens kunnen worden beoordeeld als “manufacturing and assembly of trucks” of mobile homes” volgens FM datasheet 3-26.
Referentie: Brandbeveiligingsinstallaties “Roelofsen Horsetrucks” te Raalte
blz. 18 van 87
DE BRAND1HEID Specialist in brandveiligheid 2.5.2 Magazijn 0.39 In het afgescheiden magazijn vindt opslag van maximaal “niet gekartonneerd, niet geexpandeerde kunststoffen” plaats in legborden of op de vloer gestapeld (of onderste niveau van open frame racks). In de stellingen (open frame racks) vindt opslag van maximaal “gekartonneerd, niet geexpandeerde kunststoffen” plaats. Er zijn hierbij vrijstaande legborden aanwezig (shelf storage) en dichte legborden in stellingen. Opslag van schuimkunststoffen (in vorm van bijvoorbeeld stoelen) en banden vindt hier niet plaats.
2.5.3 Aluminium opslag en bewerkingscentrum 0.41 In deze afgescheiden ruimte vindt opslag van hoofdzakelijk metaal plaats. Deze zijn eventueel in karton verpakt of op houten pallets (Goederenclassificatie maximaal Class III commodity) Deze worden opgeslagen in/op legborden, of op de vloer gestapeld, of in stellingen (open frame racks) Er zijn hierbij vrijstaande legborden aanwezig (shelf storage) en dichte legborden in stellingen. Daarnaast wordt er een CNC bewerkingsmachine opgesteld. De bewerkingsmachine is voorzien van een gesloten machine-omkasting. Deze machine hoeft niet van een sprinklerbeveiliging te worden voorzien. Gezien de oppervlakte van deze machine is de bovenliggende sprinklerinstallatie in staat om een mogelijke brand in deze machine te beheersen (minimale sproeivlak vele malen groter dan oppervlakte van bovengenoemde machine), waardoor kans op een onbeheersbare brand verwaarloosbaar klein is. Bovengenoemde is tevens van toepassing voor (verplaatsbare) afzuigkappen.