Toelichting ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
26
Eindconclusie De resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek geven geen milieuhygiënische belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging.
4.4
Ecologie
4.4.1
Aanleiding en doel Het beschermen, ontwikkelen en beheren van natuurgebieden is niet altijd genoeg om de verscheidenheid aan planten- en diersoorten in stand te houden. Bovendien komen veel soorten ook buiten natuurgebieden voor. De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: ten eerste de bescherming van de biodiversiteit in Nederland, ten tweede decentralisatie van verantwoordelijkheden en ten derde vereenvoudiging van regels. Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. In de nieuwe Wet natuurbescherming blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komt te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het NNN of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Soortenbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: 1.
Vogels met jaarrond beschermde nesten; 2. Overige vogels; 3. Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I); 4. Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt; 5. Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt.
4.4.2
Doorwerking naar het plan Van belang is om na te gaan in hoeverre er sprake is of kan zijn van één of meerdere van de bovengenoemde ‘verboden activiteiten’. Ten behoeve van de uitvoering van het project is een quick scan flora en fauna uitgevoerd door Bureau Bleijerveld (datum 29 augustus 2019). De rapportage is als bijlage ingesloten. Gebiedsbescherming Hierna is de eventuele ligging van bovengenoemde natuurgebieden weergegeven, waarbij het plangebied met een rode marker is weergegeven.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
27
Natura-2000 gebied Rijntakken
NNN-gebied
Afbeelding 14 Ligging NNN-gebieden en Natura-2000 gebieden en de planlocatie (rode marker)
Het dichtst bij gelegen Natura-2000 gebied, Rijntakken, bevindt zich op 4,6 kilometer afstand van de locatie. Andere Natura-2000 gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand. Ten noorden en zuiden van de planlocatie bevinden zich enkele uitlopers van NNNgebieden, het dichtst bij gelegen uitloper, bevindt zich op 890 meter van het plangebied. Het plangebied zelf bevindt zich niet binnen het NNN, zodat er geen invloed is op deze gebieden en er geen nader onderzoek naar gebiedsbescherming noodzakelijk is. De planlocatie ligt enigszins binnen de externe invloedsfeer van het gebied Rijntakken. Daarom is er voor de aanlegfase en gebruiksfase een onderzoek naar de effecten van stikstofeffecten gedaan. Dit onderzoek is als bijlage ingesloten. Uit de AERIUS berekeningen volgt dat zowel vanwege de aanlegfase, als vanwege de gebruiksfase de stikstofdepositie op de omliggende stikstof- gevoelige Natura-2000 gebieden niet meer bedraagt dan 0,00 mol mol/ha/jaar. Er kan worden geconcludeerd dat er geen significante effecten zijn te verwachten. Soortenbescherming Van belang is om na te gaan in hoeverre er sprake is of kan zijn van één of meerdere van de bovengenoemde ‘verboden activiteiten’. Op de locatie waar gebouwd wordt zijn geen negatieve effecten te verwachten voor wat betreft broedvogels.
Gepland staat het tuinhuisje, de twee jonge bomen en coniferen te verwijderen ten bate van de nieuwbouw van een woonhuis. Er worden door de geplande ingrepen ook geen negatieve effecten verwacht op de overige beschermde soorten of aanwezige functies. Gedurende de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient ten alle tijde te worden voorkomen. Worden eventuele werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd, dan kunnen negatieve effecten op broedvogels uitgesloten worden. Als broedseizoen kan globaal de periode van 15 maart tot 15 juli worden aangehouden. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. In onderstaande tabel zijn de te nemen maatregelen en vervolgacties weergegeven.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
28
Afbeelding 15 Maatregelen en vervolgacties naar aanleiding van de quick scan
Er verdwijnen dus geen huisvestingsplaatsen van waardevolle soorten zoals bijvoorbeeld gierzwaluwen en vleermuizen. Aanvullend onderzoek naar flora en fauna is hierdoor niet nodig.
4.5
Geluid
4.5.1
Aanleiding en doel Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Op Europees niveau is het voornaamste doel op het gebied van geluidshinder dat niemand wordt blootgesteld aan geluidsniveaus die zijn of haar gezondheid en de kwaliteit van zijn of haar bestaan in gevaar brengen. Het doel van eventueel uit te voeren akoestisch onderzoek bij ruimtelijke plannen is het voorkomen van geluidshinder bij geluidsgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) door het aanhouden van voldoende afstand ten opzichte van geluidsproducenten (industrie, railverkeer etc.) of het treffen van andere maatregelen. De verplichting tot de eventuele uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai.
De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een projectafwijkingsbesluit indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het eventuele akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
29
4.5.2
Doorwerking naar het plan De mate waarin geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde). Onder deze waarde hoeft wettelijk gezien aan verkeerslawaai geen aandacht te worden besteed. Voor de beoordeling van het wegverkeer is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Alcedo B.V., deze is als bijlage ingesloten (Rapportnummer: 20186503.R01.V02, 21 december 2020). Uit de tekening van de nieuwe bedrijfssituatie blijkt dat rond de buitenopslag een wand van 3 meter hoog, bestaande uit betonnen legioblokken, wordt geplaatst. In het geluidsmodel is deze wand opgenomen als een reflecterend geluidsscherm van 3 meter hoog. De realisatie en het behoudt van deze wand (geluidsscherm) is vastgelegd in de planregels van dit bestemmingsplan. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde geluidsniveau bij de omliggende woningen voldoet aan de richtwaarden die gelden voor een gemengde woonomgeving uit de VNG Handreiking “Bedrijven en milieuzonering”. Hiermee wordt tevens voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Dit geldt eveneens voor maximale geluidsniveaus.
Bij de woningen Herenbrinksweg 6 en 6a wordt in de nachtperiode de voorkeursgrenswaarde die geldt voor inrichtingsgebonden verkeer met 2 dB overschreden. De overschrijding wordt veroorzaakt door de maishakselaar en de tractor met kiepwagen. Deze rijden alleen gedurende de maiscampagne mogelijk in de nachtperiode. De maximale grenswaarde van 55 dB(A) - of te wel 65 dB(A) etmaalwaarde - die geldt voor de nachtperiode, wordt niet overschreden. De geluidswering van de gevel van een bestaande woning bedraagt gemiddeld 17 tot 20 dB(A). Bij een geluidsbelasting van 42 dB(A) en een gevelwering (GA,k) van 17 dB(A) mag aangenomen worden dat het geluidsniveau in de betreffende woning ten gevolge van het inrichtingsgebonden verkeer lager is 25 dB(A). Hiermee wordt voldaan aan de eis voor het binnenniveau van 25 dB(A) in de nachtperiode (35 dB(A) etmaalwaarde). Op grond hiervan wordt het berekende geluidsniveau ten gevolge van het inrichtingsgebonden verkeer toelaatbaar geacht. Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de gewenste planrealisatie.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Aanleiding en doel Een gezonde buitenlucht is belangrijk voor de maatschappij. Tot op Europees niveau spant men zich daarom in om de luchtkwaliteit op orde te krijgen door middel van regels en normen. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Een groot aantal bouwprojecten, zoals wegverbredingen en de aanleg van bedrijventerreinen en nieuwbouwwijken, lagen en liggen daarom soms nog steeds stil. Doordat in overschrijdingsgebieden soms ook gewenste of noodzakelijke plannen en projecten worden stilgelegd, ontstond een discussie om gewenste en soms
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
30
noodzakelijke plannen toch doorgang te kunnen laten vinden. Dat heeft geresulteerd in nieuwe regels voor luchtkwaliteit. Het doel van het luchtkwaliteitonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie. De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.
4.6.2
Doorwerking naar het plan In voorliggend geval is sprake van functies met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit. In dit kader dient aangetoond te worden dat er geen feitelijke of dreigende overschrijding is van grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Tabel 1 Luchtkwaliteit ter hoogte van Herenbrinksweg 4 (GCN-kaarten RIVM)
In bovenstaande tabel zijn concentraties van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) weergegeven ter hoogte van het plangebied voor de jaren 2020 en 2030. Uit de tabel blijkt dat ruim wordt voldaan aan de grenswaarden van bijlage 2 Wm en dat bovendien wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. Gezien de activiteiten op de locatie en de daarbij te verwachten emissies naar de lucht is het voldoende aannemelijk dat ook met de bijdrage van deze activiteiten zowel nu als in de komende jaren ruim zal worden voldaan aan de grenswaarden. Hiermee wordt voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
31
art. 5.16 Wm. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingpslan.
4.7
M.E.R.-beoordeling
4.7.1
Aanleiding en doel De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een milieuvergunningsprocedure. In de bijlage 1 onderdeel D van het Besluit m.e.r. beoordelingsplicht zijn onder categorie D 11.2 voor aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkelingsproject drempelwaarden aangegeven waarboven een m.e.r. beoordelingsplicht geldt: - Een oppervlakte van 100 hectare of meer; - Een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen. Op 7 juli 2017 is een aanpassing van het Beluit m.e.r. in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D bijlage 1 van het Besluit. Dit betekent dat het bevoegd gezag ook voor activiteiten onder de drempelwaarden zich er van moet vergewissen dat deze geen aanzienlijke milieugevolgen hebben.
4.7.2
Doorwerking naar het plan Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee uitkomsten leiden: • Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; • Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Het plan omvat slechts de realisatie van een nieuwe schuur (waarbij een grotere oppervlakte wordt gesloopt). Op basis van de uitkomsten in dit hoofdstuk is inzichtelijk gemaakt dat er geen belangrijk nadelige gevolgen zijn voor de omgeving en het milieu. Verder hebben de locatie en de omgeving verder geen bijzondere kenmerken die geschaad worden door het initiatief. Gezien de aard van de ingrepen zijn verder geen negatieve effecten te verwachten, zodat op basis hiervan verder kan worden afgezien van het verrichten van een (vorm)vrije m.e.r.-beoordeling.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
32
4.8
Milieuhinder
4.8.1
Aanleiding en doel In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van geplande milieugevoelige functies, zoals woningen, ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende milieubelastende functies. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (uitgave 2009). Deze publicatie bevat onder meer lijsten met richtafstanden van diverse milieuhinderlijke activiteiten en stappenplannen voor concrete situaties. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure.
Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
4.8.2
Doorwerking naar het plan Voor doorwerking naar het plan moet het vanuit twee perspectieven worden beoordeeld: 1. Vanuit de omgeving naar het plangebied 2. Vanuit het plangebied naar de omgeving In afbeelding 4 van paragraaf 2.2 zijn de omliggende adressen weergegeven. Vanuit de omgeving naar het plangebied In de nabije omgeving van het plangebied liggen twee agrarische bestemmingen: de Lierderholthuisweg 30 en de Herenbrinksweg 3a. De agrarische bestemming aan de Lierderholthuisweg 30 betreft een rundveehouderij. Het agrarische bedrijf aan de Herenbrinksweg 3a is een paardenhouderij (de locatie heeft ook de functieaanduiding ‘paardenhouderij’). Voor veehouderijbedrijven moet de Wet geurhinder en veehouderij worden gehanteerd. Voor paarden en rundvee geldt de afstand van 50 meter en voor intensieve veehouderij wordt de afstand bepaald op basis van het aantal dieren met bijbehorende stalsystemen.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
33
Het agrarische bedrijf aan de Lierderholthuisweg ligt op 140 meter en voldoet dus ruimschoots aan de minimale afstand van 50 meter. De effecten van de Lierderholthuisweg zullen altijd eerder door andere geurgevoelige objecten worden belemmerd dan de Herenbrinksweg 4. Dit zijn de Lierderholthuisweg 32, 34 en 36 (woonbestemming) en de Herenbrinksweg 6 en 6a (ook woonbestemming). Het bedrijf aan de Herenbrinksweg 3a ligt op 110 meter en voldoet dus ruimschoots aan de minimale afstand van 50 meter. Naast agrarische bedrijven zijn er in de directe omgeving nog enkele andere milieubelastende functies aanwezig. Deze functies, het bijbehorende adres, de afstand tot de bedrijfswoning en de bijbehorende richtafstand is weergegeven in onderstaande tabel.
Tabel 2 Invloed activiteiten in omgeving van het plangebied anders dan agrarische bedrijven (interne werking)
Blijkens bovenstaande tabel wordt in alle gevallen voldaan aan de richtafstanden. Overige bedrijven liggen op nog grotere afstand.
Vanuit het plangebied naar de omgeving Dit plan maakt op de planlocatie een kleinschalig loonbedrijf, fouragehandel en hieraan gekoppelde detailhandel (agrarische detailhandel/ruitershop) mogelijk. Op basis van de VNG-handreiking is deze functie het beste in te delen onder de bedrijfsactiviteit ‘dienstverlening t.b.v. de landbouw o.a. landbouwloonbedrijven met bedrijfsoppervlak > 500 m²’ (SBI 2008-016-1). Dit betreft een milieucategorie 3.1 functie met de volgende richtafstanden: • • • •
Geur: 30 meter; Stof: 10 meter; Geluid: 50 meter; Gevaar: 10 meter.
De VNG-handreiking gaat in relatie tot de opgenomen functies echter uit van gemiddelde moderne bedrijfsactiviteiten Gezien de menging van verschillende relatief kleinschalige en lichte vormen van bedrijvigheid binnen het plangebied, wordt het in voorliggend geval reëel geacht om uit te gaan van een maximale milieucategorie 2 functie. Hiermee kunnen de hierboven genoemde richtafstanden worden verlaagd met één stap. Hiermee ontstaat het volgende beeld: •
Geur: 10 meter;
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
34
• • •
Stof: 0 meter; Geluid: 30 meter; Gevaar: 0 meter.
De dichtstbijzijnde (milieugevoelige functies) woningen zijn gelegen op de adressen Herenbrinksweg 3b/3c, 5 en 6/6a en liggen minimaal op respectievelijk 20, 20 en 3 meter van het bedrijf. Uitgaande van de direct hierboven weergegeven richtafstanden zijn de aspecten ‘stof’ en ‘gevaar’ weinig relevant meer. In dit kader wordt nog wel opgemerkt dat de fourageopslag inpandig plaatsvindt. Hiermee is het niet aannemelijk dat sprake zal zijn even stofhinder. Ten aanzien van mogelijk ‘gevaar’ wordt opgemerkt dat geen sprake is van een BEVI inrichting en/of de opslag van gevaarlijke stoffen waarvoor risicoafstanden in acht dienen te worden genomen. Daarnaast bevinden de bedrijfsgebouwen zich op grotere afstand (minimaal 20 meter) van de omliggende woningen dan wanneer uitsluitend wordt gemeten tussen de bestemmingsvlakken. Van onaanvaardbare risico’s voor omliggende woningen is hiermee geen sprake. Geur In relatie tot het aspect geur wordt niet aan de richtafstand voldaan ten aanzien van de woning aan de Herenbrinksweg 6/6a. Uit het inrichtingsplan (bijlage 1) blijkt echter dat de bedrijfsbebouwing, van waaruit mogelijke geuremissie optreedt, op grotere afstand is gelegen tot deze woning. Deze onderlinge afstand bedraagt circa 30 meter. Hiermee is ter plaatse van de woning aan de Herenbrinksweg 6/6a geen onaanvaardbare geurhinder te verwachten.
Ten aanzien van overige woningen wordt voldaan aan de richtafstand. Geluid In relatie tot het aspect geluid wordt niet aan de richtafstand voldaan ten aanzien van de eerder genoemde omliggende woningen. In dit kader is echter akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 4.5 en bijlage 5). Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat grotendeels wordt voldaan aan de geluidsnormen en dat geen sprake is van een geval van onaanvaardbare geluidhinder. De realisatie en het behoudt van het in het onderzoek genoemde betonnen wand (geluidsscherm) is vastgelegd in de planregels van dit bestemmingsplan. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Aanleiding en doel Nieuwe functies betekenen meestal ook dat er sprake is of zal zijn van een toename van verkeersbewegingen, alsmede ontstaat er een parkeerbehoefte. Uitgangspunt is dat nieuwe functies geen onevenredige extra hinder veroorzaken voor reeds aanwezige functies in de omgeving. Ook moet het nieuwe initiatief zorgen voor voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
35
4.9.2
Doorwerking naar het plan Voor de functie van bouwbedrijf moet er gezorgd worden voor voldoende eigen parkeergelegenheid. Hierbij is het gemeentelijke beleid “Parkeernormen Raalte 2015” leidend. Bij het oplossen van de parkeerbehoefte worden tien uitgangspunten gehanteerd: 1. Ruimtelijke mogelijkheid is leidend; 2. Initiatiefnemer verantwoordelijk voor oplossen parkeerbehoefte; 3. Parkeerbehoefte op eigen terrein oplossen; 4. Meervoudig gebruik van parkeerplaatsen; 5. Bezoekersparkeren openbaar toegankelijk; 6. Geen benadeling voor bestaande tekorten; 7. Sloop en herbouw; 8. Parkeren in het centrum van Raalte; 9. Norm voor binnen de bebouwde kom bij nieuwbouwlocaties; 10. Maatvoering parkeervakken. De hoogte van de parkeernormen is bepaald op basis van de landelijke parkeerkencijfers van het CROW en de locatie van het bouwinitiatief in Raalte. Landelijke parkeerkencijfers van het CROW Er bestaat geen landelijke wettelijk voorgeschreven normering voor parkeerplaatsen. Wel zijn er landelijke parkeerkencijfers. Dit zijn richtlijnen voor het toepassen van parkeernormen. De parkeerkencijfers zijn opgesteld door het CROW (Kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte). De parkeernormen van de gemeente Raalte zijn gebaseerd op CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'.
De parkeerkencijfers uit deze publicatie kennen een minimum en maximum normering. In de gemeente Raalte is geen sprake van een uitzonderlijke situatie, op grond waarvan een hoge of lage parkeerbehoefte verwacht mag worden. Om die reden wordt voor Raalte uitgegaan van het gemiddelde tussen het minimum en maximum kencijfer. Locatie van het initiatief Er is een verband tussen de vraag naar parkeerplaatsen en de stedelijkheidsgraad. In een meer stedelijk gebied is het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen (openbaar vervoer, fiets, lopen) beter, waardoor er minder vraag is naar parkeerplaatsen. Dit is aanleiding om bij de hoogte van de parkeernormen ook rekening te houden met de stedelijkheidsgraad. In dit geval van de winkel is sprake van het buitengebied. Normen om parkeerbehoefte te bepalen De parkeernormen zijn uitgewerkt voor een aantal type voorzieningen. De parkeernormen zijn gebaseerd op de CROW-publicatie 317. Het 'aandeel bezoekers' staat voor het percentage of aantal bezoekers waarmee in het kencijfer al rekening is gehouden. Het weergegeven kencijfer is dus inclusief bezoekersparkeren. Voor deze situatie geldt dat de bedrijfsvloeroppervlakte (BVO) 45 m2 is voor de winkel. Bij deze oppervlakte en functie geldt een de volgende norm: - 45 m2 / 100 x 2,7 = 1,2 parkeerplekken.
De norm 2,7 per 100 m2, is conform de parkeernorm voor een tuincentrum/groencentrum. Deze categorie is gekozen omdat dit als worst-case gezien kan worden. De ruitershop is zeker geen grootschalige detailhandel of een winkel voor levensmiddelen (die meer
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
36
parkeerplaatsen vereisen), maar meer een specifieke winkel, voor een specifieke doelgroep. De bezoekers komen vaak gericht om doelgericht een bepaald product te kopen en (snel) weer te vertrekken. Hierdoor is het aantal parkeerplaatsen, relatief gezien, niet zo groot. Totaal zijn er dus 2 parkeerplekken nodig. Er worden 6 parkeerplekken gerealiseerd, dat is dus ruim voldoende. Op het erfinrichtingsplan zijn de parkeerplaatsen duidelijk weergegeven.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
37
5
Wateraspecten
5.1
Geldend beleid water Voor het onderdeel water is diverse regelgeving van toepassing. Hierna wordt het relevante beleid voor de planlocatie aangeduid.
5.1.1
Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is het NWP 2016-2021 op enkele onderdelen gewijzigd. Tezamen geven beide documenten op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de NOVI wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Dit zijn de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan.
Daarnaast zijn alle voormalige vergunningstelsels opgegaan in één watervergunning en drie lozingenbesluiten om zo de regeldruk te verlagen.
5.1.2
Provinciaal beleid De Omgevingsvisie Overijssel bevat het provinciale waterbeleid en daarmee is dat ook het Regionaal Waterplan. De provincie omschrijft haar ambitie met het waterbeleid voor de komende jaren in één zin als volgt: ‘We willen onze watersystemen zo inrichten dat ze voldoende en goed water bevatten en dat ze voor lange tijd veilig zijn en bestand tegen klimaatverandering’.
5.1.3
Waterschapsbeleid Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regel stellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
38
5.1.4
Gemeentelijk beleid In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: • inzameling en transport van stedelijk afvalwater. • het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. • grondwater(maatregelen). Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits “vasthouden --> bergen --> afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving. De trits “schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd.
Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen.
Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
39
Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRWlichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.
5.2
Waterparagraaf Zoals hiervoor uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijkeplannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
5.2.1
Watertoets Ten behoeve van de watertoets is via het instrument www.dewatertoets.nl een wateradvies van het waterschap Drents Overijsselse Delta gevraagd. Hierbij is de ‘korte procedure’ van toepassing en kan gebruik worden gemaakt van de standaard waterparagraaf (zie bijlage). Voor wat betreft de overige waterhuishoudkundige aspecten wordt hieronder nader op ingegaan. Huishoudelijk afvalwater De bestaande woning is aangesloten op het drukriool van de gemeente. De hoeveelheid huishoudelijk afvalwater wijzigt niet, waardoor er geen nadelige gevolgen zijn. Hemelwater In de huidige situatie wordt overtollig hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd in de bodem. In de toekomstige situatie blijft deze situatie gehandhaafd. Er is 1.770 m2 aan gebouwen en 2.522 m2 aan onverhard terrein aanwezig. Totaal is er dus 4.292 m 2 aan gesloten verhardingen en daken van gebouwen. De benodigde capaciteit voor berging van het hemelwater is: 4.292 m2 x 24 mm/m2 = 103 m3. Het terrein loopt af, waarbij het hemelwater naar de bergingssloot (inzaksloot) loopt. De bergingssloot is 77 meter lang, waardoor er 154 m 3 bergingscapaciteit is. Dit is dus ruim voldoende. In het erfinrichtingsplan is dit duidelijk aangegeven. Het effect op het oppervlaktewaterbeheer is hierdoor nihil.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
40
Ontwatering Voor het houden van droge voeten onder normale omstandigheden is de grondwaterstand van belang. Volgens de bodemkaart komt is het grondwaterregime ter plaatse onderverdeeld in grondwatertrap VI. De bijbehorende gemiddelde hoogste grondwaterstand is 80 cm. Het gehele perceel is ongeveer NAP + 2,00. Er wordt alleen één nieuwe schuur gebouwd. Geadviseerd wordt voor het bouwpeil dezelfde hoogte aan te houden als de overige schuren. Afwatering in extreme neerslaggebeurtenissen Als gevolg van klimaatverandering nemen de extreme neerslaggebeurtenissen toe. Bij elk plan zal er een toets moeten plaatsvinden hoe hiermee wordt omgegaan om de risico’s te beperken. De woning wijzigt in dit plan niet. De nabijgelegen bergingssloot biedt ruim voldoende capaciteit. Het risico voor wateroverlast bij extreme neerslag is hierdoor klein.
5.3
Overstromingsrisico's Als gevolg van klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. De dijkringgebieden zijn vastgelegd in de nieuwe waterkaart. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De gevolgen van een overstroming zijn bepaald door inzicht te geven in de maximale waterdiepte tijdens een overstroming en de snelheid waarmee een gebied overstroomt. Potentieel overstroombaar gebied (middelgrote en kleine kans)
Afbeelding 16 Overstromingsrisico volgende de risicokaart Nederland met planlocatie (rode marker)
Onder overstroombaar gebied wordt verstaan: gebieden die normaal niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). De provincie Overijssel verplicht initiatiefnemers een overstromingsrisicoparagraaf op te stellen ten behoeve van het ruimtelijke plan. Op de Risicokaart van de provincie Overijssel is aangegeven dat het plangebied op de grens ligt van de zone met een middelgrote kan en kleine kans op overstromingen. Er kan op basis van deze informatie worden uitgegaan, dat er geen water in de woning komt te staan wanneer er een overstroming plaats vindt, omdat deze niet wijzigt.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
41
6
Hoofdstuk 6 Toelichting op de planregels In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. Een actueel bestemmingsplan met een heldere regeling draagt bij aan de handhaafbaarheid van de inrichting van het plangebied en geldt als toetsingskader voor het gebruik en de bouwmogelijkheden.
6.1
Inleiding De regels geven inhoud aan de aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij dit bestemmingsplan is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Raalte, zoals deze is vastgesteld op 8 juni 2012. Verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen die in het gebied voorkomen, in beeld gebracht. Ook zijn aanduidingen opgenomen voor specifiek in het gebied voorkomende elementen. Regels De opbouw van de regels is gelijk aan die van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw van de regels is als volgt: • hoofdstuk 'Inleidende regels' van de regels geeft de algemene bepalingen weer. Het betreft de 'Begrippen' (artikel 1), waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd. In artikel 2 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden; • in hoofdstuk 'Bestemmingsregels' zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per bestemming is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels er gelden.
Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitsbepalingen opgenomen (wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden); • in hoofdstuk ‘Algemene regels’ staan aanvullende bepalingen die, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, voor het hele plangebied gelden. Hierbij kan worden gedacht aan de algemene afwijkingsregeling, die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om op ondergeschikte punten van de regels in hoofdstuk 2 af te wijken; • hoofdstuk 'Overgangs- en slotregels' van de regels heeft betrekking op het overgangsrecht en de slotbepaling.
6.2
Bestemmingsregels Navolgend wordt de bestemming ‘Bedrijf’ toegelicht. Gelet op de aard en omvang van het bedrijf dient er een passende bestemming te worden toegekend. De bestemming ‘Bedrijf’ is in voorliggend geval het meest toepasselijk.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
42
Gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ zijn bestemd voor bedrijven vallende in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en de naar aard en omvang gelijk te stellen bedrijven en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. Een kleinschalig loonbedrijf, een fouragehandel met daaraan ondergeschikt agrarische detailhandel (een ruitershop) past binnen deze bestemming. Tot slot zijn er erf- en terreinafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, een en ander met inachtneming van de aangegeven maximale bouwhoogten. Voor de realisatie van het in het akoestisch onderzoek genoemde betonnen wand (geluidsscherm) is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
43
7
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
7.1
Economische uitvoerbaarheid Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening in werking getreden. Afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening verplicht de gemeente tot het verhalen van kosten bij grondexploitatie via een exploitatieplan, tenzij kostenverhaal anderszins is verzekerd. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan op grond achterwege kan blijven.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid In deze paragraaf worden, wanneer deze beschikbaar zijn en indien noodzakelijk, de resultaten van het overleg op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening uiteengezet. Provincie Overijssel Het plan is het kader van het vooroverleg naar de provincie gestuurd. Waterschap Het plan is via de watertoets afgestemd met het waterschap. Directe omgeving De directe omwonenden zijn geïnformeerd over de plannen, zij zijn op de hoogte van de geplande ontwikkelingen. Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor de duur van zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd. Na deze termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in dit bestemmingsplan weergegeven.
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
44
Bijlagen bij de toelichting Inrichtingsplan
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
45
Watertoets
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
46
Quick scan flora en fauna
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
47
Bodemonderzoek
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
48
Akoestisch onderzoek
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
49
AERIUS-berekening
Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, partiële herziening nr. 39, omgeving Herenbrinksweg 4 Ontwerp Toelichting
50