Toelichting
Tekst van het document
In totaal zijn er in totaal 6 boringen en 11 inspectiegaten gegraven, waarvan in totaal 4 boringen zijn verdiept en 2 boringen zijn afgewerkt met een peilbuis (PB 1 en PB A1). Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: Gehele terrein (2940 m2 ) - de bovengrond (BG I) is zeer licht verontreinigd met PAK; - de bovengrond (BG II) is zeer licht verontreinigd met lood; - de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 1) is licht verontreinigd met barium; - gat 7 is niet verontreinigd met asbest; - MM FF - 01 en MM FF - 02 zijn niet verontreinigd met asbest. Deellocatie A: voormalige bovengrondse dieseltanklocatie (circa 10 m2 ) - de bovengrond (A - BG) is zeer licht verontreinigd met minerale olie; - het grondwater (PB A1) is niet verontreinigd met minerale olie of vluchtige aromaten of naftaleen.
25
Deellocatie B: asbestverdachte druppelzone (circa 17 m2 ) - mengmonster MM FF - B is niet verontreinigd met asbest. In de bovengrond (BG I, BG II en A - BG) en in het grondwater (PB 1) zijn enkele licht verhoogde concentraties aangetoond. In de ondergrond (OG) en in het grondwater (PB A1) zijn geen gehalten boven de achtergrondwaarden gemeten. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden is het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de geplande bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin). Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanherziening en de nieuwbouwplannen. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
4.5 Geluid Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woning en andere geluidgevoelige objecten.
Langs een (toekomstige) verkeersweg ligt een planologisch aandachtsgebied (de zone). Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde is 48 dB. Toets aan initiatief Het plangebied aan de Lemelerveldseweg 5 heeft een geluidbelasting van 51 dB. Deze geluidbelasting wordt geproduceerd door het wegverkeer in de nabije omgeving. Naar aanleiding van deze geluidsbelasting is een onderzoek uitgevoerd. Resultaten uit onderzoek Geluidsmeester heeft in juni 2023 een geluidsonderzoek uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai op de locatie van het plangebied, zie bijlage 5. Wegverkeerslawaai
26
De locatie is gelegen, buiten de bebouwde kom, en binnen de wettelijke geluidzone van de Lemelerveldseweg, Oude Dalfsterweg, Verversweg, Kroepanweg en de Rondweg Heino (N35). In het kader van de ruimtelijke procedure is onderzocht of er ter plaatse van de te realiseren woning wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Omgevingsdienst IJsselland heeft aangegeven dat de Verversweg en de Kroepangweg niet in het regionale model zijn opgenomen en daardoor akoestisch niet relevant zullen zijn. De Verversweg en de Kroepang zijn dan ook in voorliggend onderzoek niet nader beschouwd. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van het verkeer op de Lemelerveldseweg en op de Oude Dalfsterweg voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Voor deze wegvakken zijn er dan ook geen akoestische belemmeringen geconstateerd. De geluidbelasting van de Rondweg Heino (N35) bedraagt ten hoogste 51 dB. Daarmee wordt de voorkeurwaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden daarom wordt er een hogere waarde procedure gevolgd van maximaal 53 dB. Railverkeerslawaai In de nabijheid van het plangebied ligt geen spoor. Hierdoor is railverkeerslawaai niet van toepassing.
Cumulatie In voorliggend onderzoek is de cumulatie met de wegen die de voorkeurswaarde niet overschrijden, in het kader van een goed woon- en leefklimaat, inzichtelijk gemaakt. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 55dB Lden (excl. aftrekr art. 110g Wgh). Rekening houdende met de aftrek art. 110g Wgh. van de verschillende wegen is de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 52 dB Lden. Dit is niet hoger dan de geluidbelasting van uitsluitend de Rondweg Heino (N35). Er is derhalve geen sprake van relevante cumulatie. De beoordeling is uiteindelijk aan de gemeente. Advies omgevingsdienst Vanwege de geluidsgevoelige functie adviseert de Omgevingsdienst om een binnenniveau te realiseren van 33 dB. Middels nader uit te voeren akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de betrokken gevels moet worden aangetoond in hoeverre het aanbrengen van geluid reducerende maatregelen aan de gevels van de te realiseren geluidsgevoelige bestemming noodzakelijk is. Hogere grenswaarde Het college van burgemeesters en wethouders van Raalte heeft een beslissing genomen voor de hogere grenswaarde, in bijlage 6 is de ontwerpbeschikking toegevoegd. Wanneer een hogere grenswaarde wordt verleend, dienen in de gevels van de woningen zodanige voorzieningen te worden opgenomen dat in de verblijfsgebieden een binnenniveau van 33 dB niet overschrijdt.
Bij de bepaling van de voorzieningen dient uitgegaan te worden van het optredende geluidsniveau (Lden) op de gevel van de woningen. In de bijlage van het rapport van het akoestisch onderzoek is een figuur met overzicht van de gecumuleerde geluidsbelastingen opgenomen. Met nader uit te voeren akoestisch onderzoek zal moeten worden aangetoond welke geluidsreducerende gevelvoorzieningen dienen te worden toegepast zodat het binnenniveau van 33 dB niet overschreden zal worden. Naar aanleiding van het advies is er in de bouwregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen, zodat het binnennivaeu van 33 dB niet wordt overschreden.
27
Conclusie Het plan is op basis van het aspect geluid uitvoerbaar.
4.6 Water
Beleidskader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: -
Inzameling en transport van stedelijk afvalwater. Het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. Grondwater(maatregelen).
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft de beleidskaders (ambities) en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen):
De trits ‘vasthouden --> bergen --> afvoeren’ houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Als dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.
De trits ‘schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken’ omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoonhouden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en ook het zuiveringsrendement worden verhoogd.
Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is.
Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het ‘watertoets proces’. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties.
28
Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Analyse In het kader van onderliggend initiatief heeft een digitale watertoets plaatsgevonden (zie bijlage 7) op 16 juni 2023. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Dit houdt in dat de planvorming doorgang kan vinden onder voorwaarde dat de standaard waterparagraaf uit het watertoetsresultaat wordt toegepast. Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht.
Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Door onderliggend initiatief blijft het verhard ongeveer gelijk, er wordt voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt en hiervoor in de plaats komt een nieuwe woning met bijgebouwen. Hiermee heeft het initiatief geen negatieve invloed op de waterhuishouding in het plangebied. Overstromingsrisico paragraaf Als gevolg van klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. De dijkringgebieden zijn vastgelegd in de nieuwe waterkaart. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De gevolgen van een overstroming zijn bepaald door inzicht te geven in de maximale waterdiepte tijdens een overstroming en de snelheid waarmee een gebied overstroomt. In de omgevingsverordening (2.14.3) heeft de provincie Overijssel aangegeven dat voor gebieden met het risico op overstroming een onderbouwing in het bestemmingsplan moet worden opgenomen in de vorm van een overstromingsrisicoparagraaf. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen minder snel en ondiep onderlopende gebieden en snel diep onderlopende gebieden.
Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die gelegen zijn binnen deze dijkring kunnen alleen voorzien in het realiseren van grootschalige ontwikkelingen als er in het bestemmingsplan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op de lange termijn voldoende is gewaarborgd. De overstromingsrisicoparagraaf moet inzicht bieden in: de risico's bij een overstroming; de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico's te voorkomen dan wel te beperken. Het plan ligt in een dijkringgebied 53 Salland. Dit dijkringgebied loopt een risico op overstroming als resultaat van haar situering in de lage delen en haar ligging ten opzichte van de primaire waterkering van de IJssel. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De gevolgen van een overstroming zijn bepaald door inzicht te geven in de maximale waterdiepte tijdens een overstroming en de snelheid waarmee een gebied overstroomt, zie daartoe de risicokaart. Hieruit blijkt dat er een extreem kleine kans op
29
overstromingsgevaar met een maximale waterdiepte tot minder dan 1,5 meter. De wettelijke norm voor de dijkring is een overschrijdingskans van 1:100.000 per jaar. Het overstromingswater zal doorgaans de weg van de minste weerstand volgen en derhalve zullen eerst de laaggelegen gebieden onder water lopen. Afhankelijk van hoe snel het water kan worden afgevoerd kan in het plangebied overstroming plaatsvinden. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de dijkringen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Het voorliggende plangebied aan de Lemelerveldseweg 5 is goed ontsloten en een overstroming is naar alle redelijkheid goed te voorspellen. Hierbij kunnen bewoners vluchten naar de eerste verdieping van de woning of via de ontsluitingswegen een hoger gelegen plek zoeken. Conclusie Het aspect water vormt geen beperking voor onderliggend initiatief.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’
De omgeving van het plangebied wordt getypeerd als ‘rustige woonwijk’/’rustig buitengebied’, zodat voor milieuzonering de reguliere richtafstanden van de brochure Bedrijven en milieuzonering van de VNG, uitgave 2009, worden aangehouden. Analyse Bij het herzien van de bestemming wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving? (Externe werking); 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? (Interne werking). Externe werking
30
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woonen leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In dit geval worden de woningen binnen het plangebied aangemerkt als milieugevoelige functies. In de omgeving van het plangebied liggen een aantal agrarische bedrijven. Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’, veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Het aspect geur wordt apart behandeld in paragraaf 4.8. De meest nabijgelegen bedrijvigheid betreft het agrarische bedrijf aan de Verversweg 2, waarvan het bouwvlak op een afstand van circa 160 meter van het plangebied is gelegen. Het betreft een varkenshouderij, waarvoor richtafstanden gelden voor geur van 200 meter, stof van 30 meter, geluid van 50 meter en gevaar van 0 meter.
Daarmee wordt aan de meeste richtafstanden voldaan, behalve die van geur. Voor geur van veehouderijen is echter de geurnormering van de Wgv van toepassing en leidend boven de richtafstand. Uit de beoordeling in paragraaf 4.8 blijkt overigens dat aan de vereiste afstanden van de Wgv wordt voldaan. Overige agrarische bedrijven zijn op veel grotere afstand (meer dan 200 meter) van het plangebied gelegen, zodat daarvoor ook aan de richtafstanden voor agrarische bedrijven (maximale richtafstand van 200 meter) wordt voldaan. Op een afstand van circa 650 meter in oostelijke richting is nog wel een industrieel bedrijf van milieucategorie 2 (maximale richtafstand van 30 meter) toegestaan en op het in westelijke richting op circa 730 meter afstand gelegen industrieterrein zijn bedrijven van maximaal milieucategorie 3.2 (maximale richtafstand van 200 meter) mogelijk. Aan de richtafstanden voor de industriële bedrijven wordt ook ruimschoots voldaan.
31
Figuur 4.2 afstand tot omliggende bedrijven (bron: PDOK-viewer) Conclusie Bedrijven- en milieuzonering is geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.8 Geur Beleidskader
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. Volgens de wet gelden verschillende normen, afhankelijk of de locatie al dan niet is gelegen in een concentratiegebied of binnen dan wel buiten de bebouwde kom. De standaardnormen uit de Wgv zijn in figuur 4.3 opgenomen.
Figuur 4.3 Tabel met geurnormen volgens de Wgv
32
Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruik. Analyse Op 26 juni 2023 is er door de Omgevingsadviseurs een geuronderzoek uitgevoerd. Deze is aangepast op 31 augustus, zie bijlage 8. De berekende voorgrondgeurbelasting voor het nieuwe geurgevoelige object is ten hoogste 1,2 OUE/m3. Dit komt overeen met ‘< 5%’ geurgehinderden en een zeer goede milieukwaliteit. De normstelling uit de Wet geurhinder en veehouderij (8 OU) gaat uit van 20 - 25% geurgehinderden en een tamelijk slechte milieukwaliteit. In onderhavige situatie is er dus sprake van een lager percentage geurgehinderden ten opzichte van de normstelling uit de Wgv. En ook is er sprake van een betere milieukwaliteit ten opzichte van de normstelling uit de Wgv. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat er sprake is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect geur vanuit veehouderijen vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Externe veiligheid Beleidskader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’ Analyse Aan hand van de atlas van de leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In figuur 4.4 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
33
Figuur 4.4 Risicobronnen in de omgeving van het plangebied (bron: Atlas van de leefomgeving) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 130 meter van opzichte van de N35 waar ook gevaarlijke stoffen worden vervoerd middels tankwagens. Daarom moet wel getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Langs de N35 ligt geen PR-contour of plasbrandaandachtsgebied. Wel ligt de locatie binnen 200 meter van de weg. Het GR dient dan op grond van artikel 7 en 8 van het Bevt te worden verantwoord en te berekend. Alvorens een berekening uit te voeren met het rekenprogramma RBM II, mag eerst worden getoetst aan de vuistregels van de Handleiding risicoanalyse transport (HART). Uit de toetsing aan de vuistregels blijkt, dat overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of 10% van deze waarde bij lange niet is te verwachten. De beperkte toename van het aantal personen door de gewenste nieuwe woning (2,4 personen) binnen het invloedsgebied van de N35, zal hier geen afbreuk aan doen.
Een verdere verantwoording van het GR is daarom niet noodzakelijk. Advies veiligheidsregio Op 8 augustus 2023 is er om advies gevraagd aan Veiligheidsregio IJsselland over het plan. Op 18 augustus 2023 is hier een advies op gekomen. Naar aanleiding van het advies is er in de bouwregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen om gebruik te maken van mechanische ventilatie. Ook worden de toekomstige bewoners van de woning geattendeerd op de risico’s. Het volledige rapport is opgenomen in bijlage 9. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.
4.10 Luchtkwaliteit Beleidskader
34
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
-
Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Analyse Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven hierboven kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Conclusie
35
Het plan is uitvoerbaar op basis van het aspect luchtkwaliteit.
4.11 Verkeer & parkeren Beleidskader Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de effecten op de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. In dit geval wordt voor de parkeerbehoefte aangesloten bij de uitgangspunten uit de nota ‘Parkeernormen Raalte 2015’, en voor de verkeersgeneratie bij de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren (december 2018)’ van het CROW. De kencijfers van het CROW zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Bij het gebruik van kencijfers moet rekening worden gehouden met onder meer de bereikbaarheidskenmerken van de locatie. Ook de stedelijkheidsgraad is van invloed op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en dus op de hoogte van het parkeerkencijfer. Onder stedelijkheidsgraad wordt verstaan het aantal adressen per vierkante kilometer. In de vermelde publicatie van het CROW worden parkeerkencijfers weergegeven onderverdeeld naar functies, de stedelijke zone en de stedelijkheidsgraad. Analyse Verkeersgeneratie en ontsluiting Met het voorliggende plan wordt er één extra wooneenheid toegestaan.
Om de ontsluiting naar de woning mogelijk te maken wordt er een extra in/uitrit aan de Verversweg gerealiseerd. De Verversweg beschikt over voldoende capaciteit om het verkeer te kunnen afwikkelen. Parkeerbehoefte In het voorliggende plan wordt er 1 woning toegevoegd aan het plangebied. Op basis van de nota ‘parkeernormen Raalte 2015’ geldt voor deze functie de volgende parkeernorm: Woningtype Koop, vrijstaande woning
Locatie Buitengebied
Parkeernorm 2,4 p.p. waarvan 0.3 bezoeker
De extra parkeerbehoefte in het plangebied komt hiermee uit op 2,4 parkeerplaatsen. Het nieuwe erf is ruim genoeg opgezet om op eigen terrein in deze parkeerbehoefte te kunnen voorzien. In het erfinrichtingsplan (bijlage 1) zijn deze parkeerplaatsen ingetekend. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren.
4.12 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of
36
onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de Dlijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: - Een oppervlakte van 100 hectare of meer, - Een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of - Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en de bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen.
Analyse Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend plan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.13 Conclusie Op basis van uitgevoerde onderzoeken en een analyse van de beoogde situatie blijkt dat ruimtelijke en milieukundige aspecten geen belemmering vormen voor de herziening van het bestemmingsplan ter realisatie van onderliggend plan aan de Lemelerveldseweg 5 te Heino. Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
37
5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 5.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In de directe omgeving van beide plangebieden bevinden zich voornamelijk agrarische erven en woningen. Met onderliggend initiatief worden deze agrarische bedrijven niet in de bedrijfsvoering beperkt. Daarnaast zijn de belanghebbenden in de directe omgeving van de plangebieden door initiatiefnemers op de hoogte gesteld van onderliggend initiatief. Hierop kwamen geen bezwaren op het plan.
5.3 Economische uitvoerbaarheid
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat ruimtelijke plannen economisch uitvoerbaar moeten zijn. De gemeente Raalte heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin is vastgelegd dat de kosten voor de procedure, de landschappelijke inpassing en eventuele kosten voor planschade volledig voor rekening van de initiatiefnemers komen. Het is niet nodig een exploitatieplan vast te stellen, omdat het kostenverhaal met een ontwikkelingsovereenkomst is geregeld. De economische uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling is hiermee voldoende gegarandeerd.
5.4 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan worden gerealiseerd.
38
6 Vooroverleg 6.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
6.2 Provincie Overijssel
Omdat met alle Overijsselse gemeenten woonafspraken zijn gemaakt, is voor de kleine woningbouwplannen de voortoets in de vooroverlegfase vervallen. Het gaat om plannen met minder dan 7 woningen. Alle overige woningbouwplannen (meer dan 6 woningen) moeten wel voor het vooroverleg aan de provincie worden aangeboden. Onderhavig bestemmingsplan betreft een woningbouwplan voor één woning. Vooroverleg met de provincie is dan ook niet noodzakelijk. Het ontwerpbestemmingsplan zal wel op de gebruikelijke manier ter kennisgeving aan de provincie worden aangeboden.
6.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta Vooroverleg met het Waterschap heeft plaatsgevonden via het invullen van de digitale watertoets op 16 juni 2023. De uitkomsten van de watertoets hebben ertoe geleidt dat de korte procedure van toepassing is. De bestemming en de grootte van het plan hebben geen invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. De standaard waterparagraaf is te vinden in bijlage 7.
6.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan eenieder een zienswijze op het plan indienen.
39
7 Wijze van bestemmen 7.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de juridische regeling (de regels en de verbeelding) van dit bestemmingsplan is vormgegeven. Met betrekking tot de regels en de verbeelding is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Raalte geconsolideerd'. Ten aanzien van het bestemmingsplan is een viertal regels opgenomen: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en een slotregel.
7.2 Verantwoording van de regels 1. Inleidende regels
Dit hoofdstuk bevat twee artikelen: Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 2. Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. Artikel 3 Agrarisch De gronden binnen het plangebied die bij de woonbestemming zijn gelegen hebben de bestemming 'Agrarisch’. Deze gronden zijn voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, alsmede voor bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, (erf)ontsluitingen en voet- en fietspaden, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het tijdelijk bergen van water. Artikel 4 Wonen De bestaande woningen en bijbehorende bijgebouwen en tuinen zijn voorzien van de bestemming Wonen. De inhoudsmaat voor woningen bedraagt maximaal 750 m³.
Artikel 5 Waarde-Archeologie-2 De voor ‘Waarde-Archeologie-2’ aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologische verwachtingszone met een middelhoge archeologische verwachting. Artikel 6 ‘Waarde-Landschap-1’ De voor ‘Waarde-Lanschap-1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), bestemd voor behoud, versterking en ontwikkeling van waarden die samenhangen met de essen.
40
3. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de algemene regels: Artikel 7 Anti-dubbelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaren verschillen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw. Artikel 8 Algemene bouwregels Dit artikel bevat een aantal algemene bouwregels. Artikel 9 Algemene gebruiksregels Naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State is gebleken dat wonen in bijgebouwen is toegestaan als dit niet expliciet is uitgesloten. Omdat dit niet gewenst is, wordt in deze gebruiksregel wonen in bijgebouwen uitgesloten. Ook zijn prostitutiebedrijven en permanente bewoning van recreatiewoningen en plattelandskamers niet toegestaan. Artikel 10 algemene afwijkingsregels Algemene afwijkingsregels zijn opgenomen voor zaken die niet voor één specifieke bestemming gelden, maar in meerdere bestemmingen voorkomen en bijvoorbeeld gekoppeld zijn aan een aanduiding. In dit bestemmingsplan zijn o.a. algemene afwijkingsregels opgenomen voor kleinschalige windturbines. Tevens is er een afwijkingsregel opgenomen voor de herbouw van woningen buiten bestaande fundamenten.
Indien aangetoond kan worden dat aan de voorkeursgrenswaarde en de overige voorwaarden wordt voldaan, is herbouw buiten de bestaande fundamenten toegestaan. Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Naast de algemene afwijkingsregels zijn er ook algemene wijzigingsregels die in dit artikel worden beschreven. Artikel 12 Overige regels In dit artikel zijn twee overige regels opgenomen. Eén omtrent de werking van wettelijke regelingen en één omtrent het toegelaten gebruik in afwijking van de bestemming. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de regels betreffende overgangsrecht en de slotregel. Artikel 13 Overgangsregels Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in lid 13.1. Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk met afwijking van het bevoegd gezag. Het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik staat in artikel 13.2. Het betreft de overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Artikel 14 Slotregel Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald
41
8 Bijlagen Bijlage 1 Erfinrichtingsplan Bijlage 2 Quickscan Flora & Fauna Bijlage 3 Stikstofberekening Bijlage 3a AERIUS berekening gebruiksfase Bijlage 3b AERIUS berekening ontwikkelfase Bijlage 4 Bodemonderzoek Bijlage 5 Geluidsonderzoek Bijlage 6 Hogere grenswaarden ontheffing Bijlage 7 Watertoets Bijlage 8 Geuronderzoek Bijlage 9 Veiligheidsregio IJsselland advies Bijlage 10 Ontwerpbeschikking HGW
42