Toelichting
Tekst van het document
Het uitvoeren van de voorgenomen activiteit gedurende de gebruiksfase, leidt echter niet tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. De voorgenomen activiteit leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft dan ook geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Als gevolg van de ontwikkel- en gebruiksfase vindt er geen toename van depositie plaats in Natura 2000- gebied. Er zijn geen rekenresultaten die leiden tot een significant negatief effect op deze natuurgebieden. De voorgenomen activiteiten in de ontwikkel- en gebruiksfase leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. Conclusie Onderliggend initiatief is op basis van de aspecten flora & fauna uitvoerbaar.
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’ Toets aan initiatief Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de omgeving van het plangebied zijn geen risicofactoren te zien. Er zijn geen relevante buisleidingen aanwezig. Het naastgelegen spoor is geen route voor goederenvervoer.
28
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen beperking voor onderliggend initiatief.
4.7 Geluid Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten.
Langs een (toekomstige) verkeersweg ligt een planologisch aandachtsgebied (de zone). Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde is 48 dB. Toets aan initiatief Het plangebied aan de Molenweg 12 en 14 in Heino heeft een geluidsbelasting van 57 dB. Deze geluidsbelasting wordt geproduceerd door de weg- en railverkeer in de nabije omgeving. Naar aanleiding van deze geluidsbelasting is een onderzoek uitgevoerd. Resultaten uit onderzoek Geluidsmeester heeft in juni 2023 een geluidsonderzoek uitgevoerd naar het weg- en railverkeerslawaai op de locatie van het plangebied, zie bijlage 2. Wegverkeerslawaai De locatie is gelegen buiten de bebouwde kom en binnen de wettelijke geluidzones van de Molenweg, Brederhorstweg en de Nieuwe Wetering. Uit de resultaten blijkt dat uitsluitend de geluidbelasting van de Molenweg, met ten hoogste 56 dB Lden, de voorkeurswaarde van 48 dB Lden overschrijdt. Redelijkerwijs zijn er geen doelmatige en/of effectieve maatregelen in de vorm van bron en overdracht mogelijk om de geluidbelasting te reduceren tot de voorkeurswaarde. Voor het realiseren van de wooneenheden wordt het bevoegd gezag verzocht de benodigde hogere waarde van 56 dB Lden als gevolg van het verkeer op de Molenweg vast te stellen.
Railverkeerslawaai De locatie ligt binnen de wettelijke geluidzone van het spoortraject Zwolle - Heino. Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting van het spoortraject ten hoogste 55 dB Lden op de te realiseren wooneenheden bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 55 dB Lden. Er zijn dan ook met betrekking tot railverkeer geen belemmeringen geconstateerd. Er hoeft dan ook geen hogere waarde te worden vastgesteld. Cumulatie weg- & railverkeerslawaai
29
De gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van weg- en railverkeer bedraagt op de maatgevende gevel ten hoogste 61 dB (excl. aftrek art. 110g Wh.). Dit is niet hoger dan de geluidbelasting van uitsluitend de Molenweg. Er is daarom geen sprake van andere relevante geluidbronnen. De uiteindelijke beoordeling is echter aan het bevoegd gezag. Advies Omgevingsdienst Vanwege de geluidsgevoelige functie adviseert de Omgevingsdienst om een binnenniveau te realiseren van 33 dB. Middels nader uit te voeren akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de betrokken gevels moet worden aangetoond in hoeverre het aanbrengen van geluid reducerende maatregelen aan de gevels van de te realiseren geluidsgevoelige bestemming noodzakelijk is. Het nader onderzoeken van akoestisch onderzoek is te realiseren met de verbouwing. Dit is op basis van het bouwbesluit de verplichting voor het in gebruik nemen van de nieuwe functie. Hogere grenswaarde Het college van burgemeesters en wethouders van Raalte heeft een beslissing genomen voor de hogere grenswaarde, in bijlage 5 is de ontwerpbeschikking toegevoegd. Wanneer een hogere grenswaarde wordt verleend, dienen in de gevels van de woningen zodanige voorzieningen te worden opgenomen dat in de verblijfsgebieden een binnenniveau van 33 dB niet overschrijdt.
Bij de bepaling van de voorzieningen dient uitgegaan te worden van het optredende geluidsniveau (Lden) op de gevel van de woningen. In de bijlage van het rapport van het akoestisch onderzoek is een figuur met overzicht van de gecumuleerde geluidsbelastingen opgenomen. Cumulatie is niet van toepassing omdat er geen sprake is van meerdere soorten geluidbronnen. Gelet op het feit dat er nieuwbouw wordt gepleegd en dat de gemiddelde geluidwering van gevels minstens 25 dB bedraagt wordt gesteld dat het binnenniveau niet zal worden overschreden. Conclusie Het plan is op basis van het aspect geluid uitvoerbaar.
4.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: - Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); - Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: - Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
30
-
Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Toets aan initiatief Gezien de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de hierboven beschreven ontwikkelingen uit de lijst NIBM, kan worden gesteld dat voorliggend plan ‘niet in betekende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Conclusie Het plan draagt in niet betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het initiatief is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
4.9 Water Beleidskader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: -
Inzameling en transport van stedelijk afvalwater. Het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. Grondwater(maatregelen).
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft de beleidskaders (ambities) en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater.
31
Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits ‘vasthouden --> bergen --> afvoeren’ houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Als dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving. De trits ‘schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken’ omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoonhouden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en ook het zuiveringsrendement worden verhoogd. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem).
Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het ‘watertoets proces’. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Toets aan initiatief Dit plan heeft in principe een geen/minimale invloed op de waterhuishouding.
Naar aanleiding van het invullen van de watertoets blijkt dat het Waterschap geen belang heeft bij het initiatief, omdat het gaat om alleen een functiewijziging (bijlage 6). Er wordt geen bebouwing gesloopt of gebouwd, ook wordt er geen verharding toegevoegd. Conclusie Het aspect water vormt geen beperking voor dit plan.
4.10 Verkeer & parkeren Beleidskader Het Gemeentelijk Verkeer- en vervoersplan (GVVP) is opgebouwd uit drie onderdelen. Een ambitiedocument, de uitwerking van het beleid en een uitvoeringsprogramma. Het ambitiedocument (vastgesteld door het college in
32
oktober 2015) bevat een korte terugblik op de afgelopen jaren en kijkt vooruit naar de ontwikkelingen die de gemeente te wachten staan. Daarnaast zijn de landelijke en provinciale kaders geschetst. Op basis van de ontwikkelingen en kaders is geschetst welke richting het verkeer en vervoerbeleid moet krijgen en wat de ambities zijn op hoofdlijnen. In de uitwerking van het beleid zijn de ambities vertaald in programma's en concreet toe te passen richtlijnen ten aanzien van inrichting van wegen, parkeren, fietsinfra en de wensen ten aanzien van het openbaar vervoer. In het uitvoeringsprogramma is aangegeven welke projecten de meeste prioriteit hebben, of er subsidiemogelijkheden zijn en in hoeverre koppeling met onderhoud mogelijk is. Aangegeven wordt welke projecten de komende jaren daadwerkelijk uitgevoerd worden. Het uitvoeringsprogramma is een dynamisch document dat periodiek (driejaarlijks) geactualiseerd wordt. Bij nieuwe ontwikkelingen of een wijziging van een bestaande bestemming moeten de consequenties wat betreft parkeren goed in beeld worden gebracht. De gemeente stelt in de regel eisen aan de hoeveelheid en de kwaliteit van de bijbehorende parkeervoorzieningen. Om rechtsongelijkheid te voorkomen en duidelijkheid te scheppen voor burgers en ontwikkelaars is een eenduidig beleid ten aanzien van de parkeereisen nodig.
In de Kadernota Parkeernormen Raalte 2015 is bepaald dat voor intramurale zorgwoningen (zorgwoningen voor mensen met een zwaardere zorgindicatie (dag verzorging) de categorie verpleeg-/verzorgingshuis van toepassing is. In de Kadernota zijn voor de gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen, waaronder de verpleeg/verzorgingstehuizen vallen, de volgende normen opgenomen. Analyse Parkeerbehoefte Op de locatie worden 16 zorgappartementen toegevoegd. In de huidige situatie waren dit twee woningen. Om te bepalen wat de verkeersgeneratie is in de huidige situatie, is gebruikt gemaakt van CROW. Het plangebied ligt in het buitengebied en is vergelijkbaar met een verpleeg- en verzorgingstehuis. In het schema staat dat parkeercijfers voor het buitengebied niet van toepassing zijn, daarom worden de parkeercijfers van de categorie 'rest bebouwde kom' aangehouden. Voor 16 zorgappartementen is 0,6 parkeerplaats per wooneenheid van toepassing. Dit maakt dat er 10 parkeerplaatsen nodig zijn. In de afbeelding hieronder is te zien dat er 11 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
33
Figuur 4.2 Uitsnede inrichtingsplan parkeerplaatsen
Verkeersgeneratie en ontsluiting De ontwikkeling van het plan met 16 woon-zorg appartementen leidt tot een beperkte toename van verkeersbewegingen ten opzichte van het huidige gebruik. Overdag werken er 4 medewerkers in de ochtenddienst. In de middag werken 5 medewerkers, waarvan 1 blijft voor de nachtdienst. Daarnaast is er een pendelbusje die 2 keer per dag vertrekt. In het weekend werken per dag 5 medewerkers. Daarnaast wordt 1 keer per week het vuilnis opgehaald, 1 keer per week wordt medicatie gebracht, 1 keer per week komt een leverancier het medische afval ophalen en 1 keer per week een pakketdienst. Daarnaast heeft 1 van de bewoners een auto, deze bewoner rijdt ongeveer 3 keer per week een ritje. Daarnaast is sprake van incidenteel verkeer door bezoekers. Het plangebied is te bereiken via de Molenweg. Vanaf de N35 is het plangebied (de Molenweg) te bereiken via de Zwolseweg. Vanaf Lierderholthuis is het plangebied te bereiken via de Lierderholthuisweg en Herenbrinksweg. Dit wegennet is ruim voldoende toereikend voor de beperkte toename van verkeer. Conclusie Het voorziene plan is op basis van de aspecten verkeer en parkeren uitvoerbaar.
34
4.11 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. • De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. • Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. • De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de Dlijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r.
Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: - Een oppervlakte van 100 hectare of meer, - Een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of - Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en de bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. Toets aan initiatief Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend plan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze paragraaf kan als zodanig beschouwd worden.
4.12 Conclusie Op basis van uitgevoerde onderzoeken en een analyse van de beoogde situatie blijkt dat ruimtelijke en milieukundige aspecten geen belemmering vormen voor de herziening van het bestemmingsplan ter realisatie van onderliggend plan. Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
35
36
5 Wijze van bestemmen 5.1 Algemeen In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
5.2 Opzet van de regels Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
5.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: • Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. • Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
5.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: -
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;
37
-
Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc Nadere eisen: burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan plaats en afmetingen van de bebouwing; - Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bouwmogelijkheden. - Specifieke gebruiksregels: elk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn; - Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. In paragraaf 5.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor een bepaalde bestemming is gekozen.
5.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: • • -
• • • • -
Anti-dubbeltelregel (Artikel 4) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 5) In dit artikel zijn regels opgenomen omtrent bestaande afstanden en maten die afwijken van de afstanden en maten uit de bestemmingsregels. Hierin is geregeld dat bestaande maten en afstanden als meer, dan wel minder mogen worden aangehouden als deze meer, dan wel minder bedragen dan op basis van de bestemmingsregels is toegestaan. Tevens zijn regels omtrent overschrijding van bouwgrenzen, herbouw woningen, afstand tot de weg ven voldoende parkeergelegenheid opgenomen. Algemene gebruiksregels (Artikel 6) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. In het artikel is uiteengezet welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met de bestemming worden aangemerkt. Algemene afwijkingsregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Het gaat om regels omtrent mantelzorg, herbouw woningen buiten bestaande funderingen en kleinschalige windmolens.
Algemene wijzigingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken de herbouw van woningen buiten bestaande funderingen mogelijk. Overige regels (Artikel 9) In dit artikel wordt aangegeven dat wettelijke regelingen waarnaar in dit bestemmingsplan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast is een regeling ten aanzien van parkeren opgenomen.
5.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
5.3 Verantwoording van de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij
38
het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In onderstaande paragraaf worden de verschillende bestemmingen nader onderbouwd. Maatschappelijk Binnen de bestemming Maatschappelijk is gekozen voor een specifieke bestemming. Specifieke maatschappelijke functies, die vanwege de geldende regels niet onder de algemene maatschappelijke bestemming behoren te vallen, zijn voorzien van een aparte bestemming. Van de gebruiksregels kan afgeweken worden ten behoeve van nevenfuncties. Waarde – Archeologie 2 Om de archeologische waardevolle gebieden veilig te stellen, gelden er op deze gronden beperkingen ten aanzien van het bouwen voor de met deze bestemming samenvallende bestemmingen. Bouwen is uitsluitend toegestaan indien uit onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of dat de waarden voldoende worden veiliggesteld.
Daarnaast geldt er een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. De regeling is niet van toepassing op bestaande bouwwerken voor zover ingeval van herbouw gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundamenten. In alle overige gevallen is de regeling van toepassing voor het oprichten van nieuwe bebouwing of uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 50 cm met een groter oppervlak dan 2.500 m² (Waarde - Archeologie - 1) en 5.000 ha (Waarde - Archeologie - 2). De dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 3 is opgenomen voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in gebieden zoals opgenomen op de Archeologische Monumenten Kaart. In deze gebieden is deze regeling te allen tijde van toepassing. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is niet noodzakelijk voor werken en werkzaamheden die betrekking hebben op normaal beheer en onderhoud overeenkomstig de toegekende bestemming.
39
6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk agrarische erven en woningen. Met onderliggend initiatief worden deze agrarische bedrijven niet in de bedrijfsvoering beperkt. Daarnaast zijn de belanghebbenden in de directe omgeving van het plangebied zijn door initiatiefnemer op de hoogte gesteld van dit initiatief. Er kwamen geen bezwaren op het plan.
6.3 Economische uitvoerbaarheid In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat ruimtelijke plannen economisch uitvoerbaar moeten zijn. De gemeente Raalte heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin is vastgelegd dat de kosten voor de procedure, de landschappelijke inpassing en eventuele kosten voor planschade volledig voor rekening van de initiatiefnemers komen. Het is niet nodig een exploitatieplan vast te stellen, omdat het kostenverhaal met een ontwikkelingsovereenkomst is geregeld. De economische uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling is hiermee voldoende gegarandeerd.
6.4 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.
40
7 Vooroverleg 7.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
7.2 Provincie Overijssel In dit plan is sprake van het toevoegen van 16 zorgappartementen in bestaande bebouwing. Omdat met alle Overijsselse gemeenten woonafspraken zijn gemaakt, is de voortoets in de vooroverlegfase noodzakelijk. Het gaat om het toevoegen van 16 zorgappartementen. Alle woningbouwplannen (groter dan 6 woningen) moeten voor het vooroverleg aan de provincie worden aangeboden. Hiermee betreft het een plan met meer dan 7 woningen. Vooroverleg met de provincie is dan ook noodzakelijk. De reactie van de provincie is in de volgende alinea te lezen. De provincie staat positief tegenover het initiatief. De voorzieningen en activiteiten passen geheel binnen de bestaande bebouwing en erfsetting. De erfgebonden dagbesteding vindt de provincie een positief element van het plan, omdat daardoor weinig verkeersaantrekkende werking optreedt. Deze vorm van hergebruik van een bestaand erf past in het omgevingsbeleid van de provincie Overijssel.
7.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta Vooroverleg met het Waterschap heeft plaatsgevonden via het invullen van de digitale watertoets op 27 juni 2023, bijlage 6. Deze toets resulteerde in een positief wateradvies van het waterschap Drents Overijsselse Delta. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat er geen waterschapsbelang is.
7.4 Inspraak Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd.
7.5 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal conform artikel 3.8 lid 1 Wro gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd. Eenieder wordt hiermee in de gelegenheid gesteld om te reageren op het ontwerpbestemmingsplan. Na deze termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze toelichting weergegeven.
41
8 Bijlagen 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6 8.7 8.8
Bijlage 1 Erfinrichtingsplan Bijlage 2 Stikstofberekening Bijlage 2a AERIUS berekening gebruiksfase Bijlage 2b AERIUS berekening ontwikkelfase Bijlage 3 Geluidsonderzoek Bijlage 4 Ontwerpbeschikking hogere grenswaarde Bijlage 5 Geuronderzoek Bijlage 6 Watertoets
42