Toelichting
Tekst van het document
4.3.3 Omgevingsverordening De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie er aan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. In artikel 2.1.6 van de verordening is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) opgenomen. Daarin staat dat bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – kunnen voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. Aan de geboden ontwikkelruimte worden dus voorwaarden verbonden om ruimtelijke kwaliteit te handhaven danwel in voorkomende gevallen de gewenste ruimtelijke kwaliteit te kunnen realiseren. Het gaat hierbij in alle gevallen in ieder geval om een goede ruimtelijke inpassing van de ontwikkeling. Een en ander moet nader worden onderbouwd in een bij het ruimtelijk plan behorende toelichting. Verder moet het plan landschappelijk ingepast worden en landschap ontsierende bebouwing 27
verwijderd worden. Hiervoor dient een erfinrichtingsplan opgesteld te worden als basis voor ruimtelijke inpassing. Onder het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls vallen ook die gevallen van hergebruik van vrijkomende agrarische bouwpercelen waarbij de nieuwe functie vraagt om aanpassing van de bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting. In die gevallen is de inpassing van de functie op basis van de gebiedskenmerken onvoldoende en wordt een extra investering verwacht in de ruimtelijke kwaliteit van het erf en de omgeving. Voorliggend initiatief betreft de transformatie van een perceel waar in het verleden een tuincentrum was gevestigd, naar een locatie voor woningbouw. Het gaat om een totale herinrichting van het perceel, waarbij de oorspronkelijke bedrijfswoning behouden blijft en als reguliere woning wordt bestemd. Het overige terrein, waar het tuincentrum was gevestigd, wordt herontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Er is geen sprake van een grootschalige uitbreiding van een bestaande (woon)functie, maar van het toevoegen van woningen in het overgangsgebied van kern naar het buitengebied. Dit gebeurt op basis van een goede landschappelijke inpassing door sloop van een deel van de voormalige bedrijfsmatige bebouwing en verwijdering van oppervlakteverharding.
Op basis van het eerder besproken inrichtingsplan en bijbehorend beplantingsplan (zie hoofdstuk 3) is sprake van een goede landschappelijke inpassing. Hiermee is onderbouwd dat de nieuwe ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Het inrichtingsplan en het inrichtingsplan zijn is als voorwaardelijke verplichting aan de regels van het bestemmingsplan gekoppeld waardoor er sprake is van rechtszekerheid. De opzet van het plan is door de ketenpartners aan de Omgevingstafel IJsselland positief beoordeeld. De invulling van het gebied is ruim van opzet, er is sprake van veel groen, het plan is landschappelijk goed ingepast en er is sprake van een aanvullend gemengd woonmilieu t.o.v. bestaand woningaanbod. Omdat het plan positief is beoordeeld heeft de gemeente Raalte geen extra maatschappelijke investeringen gevraagd aan de initiatiefnemer.
4.4 Regionaal beleid 4.4.1 Woonagenda West-Overijssel 2021-2025 De provincie Overijssel, de Overijsselse gemeenten en hun partners werken al jaren samen aan een kwantitatieve en kwalitatieve balans op de woningmarkt. Voor de periode 2021-2025 is dit vastgelegd in twee regionale Woonagenda's: een voor West-Overijssel en één voor Twente. In de Woonagenda voor West-Overijssel wordt de gezamenlijke inzet van de gemeenten en provincie geschetst. Voor West-Overijssel betekent een toekomstbestendige woningmarkt: 1. een inclusieve woningmarkt: wonen voor iedereen 2. een toekomstbestendige leefomgeving: sterke steden en vitale kernen en buitengebied 3. een duurzaam en circulair woningbestand. Vertaling naar het plan Met de ontwikkeling van voorliggend plan wordt een divers en kwalitatief woningaanbod gecreëerd. Er wordt aangesloten bij de lokale en regionale behoefte voor huidige en toekomstige inwoners van Heino. De ontwikkeling biedt een woonmilieu met unieke woonkwaliteiten voor de regio. Aan de rand 28
van Heino is het rustig wonen met een goed voorzieningen niveau en een goede bereikbaarheid. De behoefte aan dergelijke woonmilieus is groot. Het toevoegen van dit woonmilieu draagt bij aan de vitaliteit en economie van Heino. Het plan is niet expliciet benoemd in de lijst met sleutelprojecten voor West – Overijssel. Conclusie De ontwikkeling is in lijn met de regionale Woonagenda West-Overijssel 2021-2025.
4.5 Gemeentelijk beleid 4.5.1 Omgevingsvisie Raalte De Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040 is op 26 november 2020 vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie is een strategisch document dat richting geeft aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. In de omgevingsvisie ligt de focus op drie kernopgaven: één gericht op het buitengebied, één gericht op de directe woonomgeving en één gericht op Raalte in de regio. De kernopgaven zijn gebaseerd op wat de inwoners van de gemeente Belangrijk vinden. De volgende kernopgaven zijn door de gemeenteraad vastgesteld: -
Hoe geven we vorm en invulling aan de ontwikkelingen in het buitengebied, zodat het een prettige plek blijft om te wonen, werken, ondernemen en recreëren? Hoe zorgen we dat bestaande wijken en dorpen leefbaar en aantrekkelijk blijven? Hoe creëren we de optimale randvoorwaarden voor wonen, werken, ondernemen en recreëren in Raalte?
De ambitie voor het buitengebied van Raalte is: Raalte als groen en innovatief productielandschap. Bij deze ambitie zijn 5 ontwikkelinrichtingen opgesteld. 1. Wij kiezen voor een sterk en afwisselend landschap door het verder te ontwikkelen, te versterken en te behouden wat waardevol is. 2. Wij kiezen met technologie, innovatie en experiment voor een toekomstbestendige landbouw die meerwaarde oplevert voor de leefomgeving en het landschap. 3. We grijpen de kansen in stedelijk gebied aan om energie duurzaam op te wekken. We erkennen tegelijkertijd dat de opgave te groot is om alleen in stedelijk gebied op te lossen en daardoor voor een groot deel ook in het buitengebied een plek vindt. We kiezen voor een strategie die uitgaat van onze initiatiefrijke samenleving en die bouwt op draagvlak, zowel sociaal als financieel, met heldere doelstellingen als kader. 4. Wij kiezen voor een vitaal, divers en gemengd buitengebied. Een werk- en productiegebied, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie. 5. Wij kiezen voor kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied. Vertaling naar het plan De beoogde woningbouwontwikkeling vindt formeel plaats in het buitengebied. De kernopgave voor het buitengebied is derhalve van belang voor het initiatief.
Er moet getoetst worden of de ontwikkeling 29
in het buitengebied zorg draagt voor het behoud van een prettige plek om te wonen, werken, te ondernemen en te recreëren. De gemeente wil de afwisseling in het buitengebied behouden. De gemeente kiest voor een vitaal, divers en gemengd buitengebied. een werk- en productiegebied, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie. Voorliggend plan draagt bij aan een gemengd buitengebied. De nieuwe woonfunctie wordt landschappelijk en functioneel verweven met de omgeving. Er wordt gebiedseigen beplanting toegevoegd en de inrichting van het plangebied is afgestemd op de landschappelijke kenmerken (brink-principe). Met de ontwikkeling is daarmee sprake van een balans tussen wonen en landschappelijke kwaliteiten, wat in overeenstemming is met de Omgevingsvisie.
4.5.2 Programma Wonen 2021-2025 In de nota Programma Wonen 2021-2025 geeft gemeente Raalte aan hoe ze de komende jaren willen werken aan het wonen in de gemeente. Het woonbeleid kent een aantal accentverschuivingen ten opzichte van het huidige woonbeleid. Er is de laatste jaren een toenemende woningkrapte te zien in zowel de koop- als de huursector en steeds maar stijgende koopprijzen. Tegelijkertijd zal het aantal huishoudens de komende jaren nog groeien. Dit komt enerzijds door de autonome ontwikkeling van gezinsverdunning en anderzijds door het vestigingsoverschot zoals we die de afgelopen jaren ook kenden. De inwoners van de gemeente wonen graag in Raalte en onder gezinnen is Raalte een aantrekkelijke gemeente om naar toe te verhuizen. Landelijk is sprake van woningnood en de regio en provincie hebben een forse groeiambitie die de grote steden niet kunnen oplossen zonder overige gemeenten in de regio. De gemeente Raalte wil graag haar bijdrage leveren aan deze groeiambitie en ziet dit als een kans. De ambitie van de gemeente Raalte op wonen is dat jong en oud, arm en rijk, een passende woningen kunnen vinden in een toekomstbestendige woonomgeving, waarbij de ruimte wordt gegeven aan eigenzinnig wonen voor huidige en nieuwe inwoners.
Vertaling naar het plan Met voorliggend plan wordt een verscheidenheid aan woningtypologieën gerealiseerd: vrijstaande woningen, rijwoningen en levensloopbestendige woningen. Hiermee wordt, ondanks de beperkte omvang van het plan, een diverse doelgroep bediend.
4.5.3 Landschapontwikkelingsplan Salland De gemeente Deventer, Raalte en Olst-Wijhe hebben een gezamenlijk Landschapsontwikkelingsplan opgesteld. Het Landschapsontwikkelingsplan vormt de landschappelijke karakteristiek de basis. Nieuwe ontwikkelingen worden ingezet als motoren voor landschapsbehoud, versterking en ontwikkeling. Het plangebied ligt in het overgangsgebied tussen de kern en het aangrenzende landschap. Het landschapsbeleid is gericht op het versterken van de karakteristiek door de hoger gelegen ruggen ruimtelijk te verdichten. Nieuwe rode functies in het buitengebied (passend binnen bestaand beleid) zijn landschappelijk gezien het meest wenselijk op de ruggen onder de voorwaarde dat landschapselementen worden aangelegd. In voorliggend geval is hier sprake van door woningen in de 30
vorm van zowel een lint (zijde Brinkweg) als rondom een brink te realiseren. Daarbij wordt gebruik gemaakt van streekeigen beplanting, doorkijkjes en groene randen. Hierdoor wordt het plangebied verweven met de omgeving.
4.5 Conclusie Uit voorgaande paragrafen blijkt dat het plan aansluit op beleid op diverse schaalniveaus. Enerzijds doordat invulling wordt geven aan een woningbehoefte, anderzijds door de wijze waarop dit gebeurt: ruim van opzet, veel groen, landschappelijk goed ingepast en een aanvullend gemengd woonmilieu t.o.v. bestaand aanbod. Hiermee wordt in de vorm van 11 woningen en de herbestemming van de voormalige bedrijfswoning een passende nieuwe functie toegekend aan een voormalige bedrijfslocatie.
31
5. Toets aan ruimtelijke en milieukundige aspecten 5.1 Algemeen Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. In dat kader dient te kunnen worden aangetoond dat de wijziging van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt onder meer het toekomstige gebruik afgezet tegen ruimtelijke en milieukundige omstandigheden ter plaatse en in de omgeving. In dit hoofdstuk vindt deze toets plaats voor aspecten die voor dit plan relevant zijn.
5.2 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r.
Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van meer dan 2.000 woningen. De kenmerken van het project zijn in hoofdstuk 3 beschreven. De effecten van het woningbouwplan op de omgeving zijn gezien de functie beperkt. Gezien de schaal en aard van de ontwikkeling kan gesteld worden dat ook de effecten van het verkeer en de bijbehorende emissies ten gevolge daarvan verwaarloosbaar zijn. Er treden daarmee geen effecten op kwetsbare gebieden op. Van cumulatie met andere projecten is geen sprake. Het gaat om op een opzichzelfstaande ontwikkeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten in 32
beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken in deze toelichting vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld.
5.3 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. In elk bestemmingsplan moet, naast onderzoek naar archeologische waarden, een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Analyse Archeologie De gemeenteraad van Raalte heeft in april 2010 de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart met bijbehorend beleid vastgesteld. Bij de keuze voor het archeologisch beleid heeft de gemeente Raalte niet alleen rekening gehouden met de wettelijke verplichting om archeologie op te nemen in het ruimtelijk ordeningsproces, maar ook met de belangen van de inwoners.
De archeologische verwachtingskaart maakt voor het grondgebied van de gemeente Raalte duidelijk waar zich (mogelijke) archeologische resten kunnen bevinden. De kaart is hiervoor opgedeeld in drie zones: 1. hoge archeologische verwachting; 2. middelhoge archeologische verwachting; 3. lage archeologische verwachting. Uit het kaartbeeld blijkt dat de verwachtingswaarden in het plangebied laag zijn. Er is daarom geen archeologisch onderzoek nodig. Cultuurhistorie Voorliggend plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Ook zijn binnen het plangebied geen monumentale opstallen aanwezig. Het aspect ‘monumentenzorg’ is derhalve geen beperking voor het plan.
33
Het plangebied maakt wel onderdeel uit de overgangszone tussen bebouwd gebied en landschappelijk waardevol gebied. Het gebied heeft zich in de loop van de jaren sterk ontwikkeld. Op de volgende afbeeldingen is de ontwikkeling van het gebied weergegeven.
1885
1925
1965
1985
2021 34
In 1885 was sprake van verspreide (agrarische) bebouwing in een kleinschalig mozaïek landschap. In 1925 is het landschap verdicht met meer (agrarische) erven. Bosschages en bomenrijen verdwijnen. In 1965 is sprake van verdichting met woonerven langs de wegen. Clusters en lintbebouwing, maar in een landelijke setting. Ook zijn er ruim opgezette kavels. De woningen hebben deels een dorps karakter. In 1985 is sprake van aanleg van groenstructuren. Langs de noordelijk van het plangebied gelegen begraafplaats wordt een bomenlaan aangelegd. Rond 2020 is sprake van nieuw groen dat wordt geïntroduceerd rondom erven. De weg richting het tuincentrum vanaf de noordzijde is altijd al een belangrijke lijn geweest (voor 1885). Bij de planvorming is rekening gehouden met deze ontwikkelingen. De verkaveling is, afgestemd op het gebeid, ruim van opzet. Bestaande structuren aan de Rozendaelseweg en de Brinkweg blijven behouden en worden als drager van het plan gezien. De bestaande toegang blijft behouden. Nietstreekeigen beplanting wordt vervangen door streekeigen beplanting en de Vloedgraven, de waterloop aan de zuidzijde van het plangebied, wordt in de planvorming gerespecteerd. Conclusie Het plan is op basis van de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ uitvoerbaar.
5.4 Flora en fauna Beleidskader Een inschatting van eventuele belemmeringen op het gebied van natuurbescherming is onderdeel van een toets aan een goede ruimtelijke ordening. Daarom dient ieder plan waarvoor een wijziging van het bestemmingsplan optreedt te worden getoetst aan de Wet Natuurbescherming (Wnb). Het gaat daarbij zowel om gebiedsbescherming als soortenbescherming. Analyse soortenbescherming Het plan voorziet in de sloop van opstallen en het oprichten nieuwe bouwwerken. Dit kan effect hebben op bestaande natuurwaarden. Daarom heeft in het kader van het bestemmingsplan een ecologisch onderzoek plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek zijn als bijlage 4 opgenomen. Omdat de planvorming geruime tijd heeft geduurd, is het onderzoek dat in 2019 is uitgevoerd, ten behoeve van het bestemmingsplan in 2022 herzien. Soortenbescherming In het onderzoeksgebied is het voorkomen van de juridisch zwaarder beschermde soorten niet bekend. Daarnaast zijn geen laag beschermde soorten van tabel 1 en soorten van de Rode Lijst in het onderzoeksgebied en directe omgeving te verwachten. Verblijfplaatsen van overige juridisch zwaar beschermde grondgebonden zoogdieren worden op basis van veldonderzoek, terreinkenmerken en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht. Diverse laag beschermde soorten van tabel 1 zijn wel aangetroffen/ te verwachten.
Verder zijn diverse algemeen voorkomende broedvogelsoorten in het onderzoeksgebied aanwezig en te verwachten.
35
Verblijfplaatsen van juridisch zwaarder beschermde amfibieën zijn niet aangetroffen en worden op basis van biotoopkenmerken en bekende verspreidingsgegevens ook niet in het onderzoeksgebied verwacht. Wel zijn diverse laag beschermde soorten van tabel 1 in het onderzoeksgebied en directe omgeving te verwachten. Verblijfplaatsen van beschermde reptielen, ongewervelden en weekdieren zijn niet aangetroffen en worden op basis van biotoopkenmerken en bekende verspreidingsgegevens ook niet in het onderzoeksgebied verwacht. Vleermuizen Vaste verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te verwachten in delen van het onderzoeksgebied. Daarom heeft vervolgonderzoek naar vleermuizen plaatsgevonden. De onderzoeksresultaten zijn als bijlage 5 opgenomen. Met betrekking tot de aanwezigheid van beschermde soorten kan op basis van het uitgevoerde vleermuizenonderzoek het volgende geconcludeerd worden: - Er zijn geen paarverblijven van vleermuizen in het onderzoeksgebied aangetroffen - De laanbeplanting aan de zuidzijde van de Brinkweg ter hoogte van de Stationsweg en de Bendijksweg fungeren als belangrijke vliegroute voor Gewone dwergvleermuizen; - Er is 1 foerageergebied aan te wijzen in het onderzoeksgebied. Deze is gelegen rondom gebouw ter hoogte van huisnummer 110. Het foerageergebied wordt gebruikt door de Gewone dwergvleermuis.
Gevolgen voor het plan Het woonrijp maken van het voormalig tuincentrum heeft geen gevolgen voor vleermuizen. Doorsnijding van de vaste vliegroute ter hoogte van de Stationsweg en de Bendijksweg heeft voor de Gewone dwergvleermuis geen gevolgen. Kwaliteitsvermindering van het foerageergebied ter hoogte huisnummer 110 zal enigszins aanwezig zijn, het handhaven van de bomen rondom de woningen zullen het kwaliteitsverlies van het foerageergebied van de Gewone dwergvleermuis beperken. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen, dient in de voorbereiding op de planvorming rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van de hierboven genoemde soort en functionaliteit van hun leefgebieden. Indien negatieve effecten op bovengenoemde soorten kunnen worden voorkomen door voldoende mitigerende maatregelen te treffen, is het niet noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen. Mitigerende maatregelen zijn gericht op het voorkomen van de negatieve gevolgen van een activiteit. Dit moet gebeuren binnen het plangebied en voor de soorten die daar voorkomen. Van belang is dat wordt voorkomen dat de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen wordt aangetast. De mitigerende en compenserende maatregelen zijn specifiek voor dit project uitgewerkt. Maatregelen voor mitigatie en compensatie zijn: -
-
De laanbeplanting van de Brinkweg welke als vliegroute fungeert voor de Gewone dwergvleermuizen dient, zal zijn functie behouden. Op de locatie van de Brinkweg 15 en 17 zal ter mitigatie 1 grote en 3 kleine vleermuiskraamkast worden opgehangen en 1 overwinteringskast. (Uitgevoerd op 2 augustus 2019) Verlichting dient tot een minimum beperkt te worden, in verband met de lichtgevoeligheid van veel soorten vleermuizen. Op plaatsen waar verlichting noodzakelijk is, kan worden gekozen voor lantaarns die uitsluitend het wegdek verlichten en geen licht naar de omgeving verstrooien zodat 'lichtvervuiling' wordt tegengegaan. 36
Analyse gebiedsbescherming Natura2000 Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000gebieden beschermd. Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Rijntakken (7km), Vecht en Beneden Reggegebied (10 km) en de Boetelerveld (5km). Door de tussenliggende afstand en aard en schaal van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet van toepassing. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies hebben hier soms een andere benaming voor. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het Natuurnetwerk denkbaar zijn, is het noodzakelijk een Natuurnetwerk-toetsing uit te voeren. Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Nederland. Door de tussenliggende afstand, aard en schaal van de werkzaamheden kunnen negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk worden uitgesloten. Er is geen vermindering van areaal en een bestemmingsplanwijziging is aan de orde. Een nadere toetsing is niet van toepassing. Stikstof Om uit te sluiten of het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op natuurgebieden, heeft een stikstofonderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn als bijlage 6 opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat ten gevolge van voorliggend plan geen toename van stikstofdepositie op natuurgebieden plaatsvindt. Conclusie Op basis van een ecologische quickscan is geconstateerd dat het plangebied mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Om verstoring van deze beschermde soort te voorkomen zijn mitigerende maatregelen voorgesteld en uitgevoerd. Verstoring van beschermde vleermuizensoorten is derhalve niet het geval en ontheffing niet noodzakelijk. Behalve de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen zijn geen beschermde soorten aangetroffen in het plangebied en hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden.
Onderzoek heeft eveneens aangetoond dat beschermde natuurgebieden niet worden geschaad ten gevolge van voorliggend plan. Het plan is op basis van het aspect ecologie uitvoerbaar.
37
5.5 Bodem Beleidskader In het kader van het besluit bodemkwaliteit dient aangetoond te worden dat nieuwe bestemmingen op schone grond worden gerealiseerd. Dit, om aan te kunnen tonen dat er geen risico’s voor de gezondheid optreden bij het beoogde gebruik. Analyse Om de bodemkwaliteit binnen het plangebied in beeld te brengen is een verkennend bodemonderzoek, in combinatie met een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Brinkweg 15 te Heino. Het onderzoek heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. De resultaten van het onderzoek zijn als bijlage 7 van deze toelichting opgenomen. Resultaten onderzoek Zintuiglijk zijn lokaal in de bovengrond sporen puin waargenomen. In de bodem is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte aan arseen aangetoond. Het aangetoonde gehalte vormt geen aanleiding tot nader onderzoek. In het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. Het maximaal aangetoonde gehalte aan arseen overschrijdt de interventiewaarde. Uit voorgaande onderzoeken blijkt dat in de omgeving van de onderzoekslocatie vaker verhoogde gehalten aan zware metalen in het grondwater worden aangetoond.
De aangetoonde gehalten aan arseen, chroom en nikkel betreffen naar verwachting van nature verhoogde achtergrondwaarden. Derhalve bestaat geen noodzaak tot nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan geen bezwaren voor de voorgenomen aankoop en ontwikkeling van de gronden. Er wordt geadviseerd om bij ontwikkeling van de locatie te werken met een gesloten grondbalans. Indien grond vrijkomt en van de locatie wordt afgevoerd is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing (Bbk). De aangetoonde verhoging in de vaste bodem kan, bij toetsing aan het Bbk, beperkingen opleveren ten aanzien van het (her-)gebruik elders. Af te voeren grond dient eventueel AP-04 te worden ingekeurd, voor de bepaling van de definitieve afzetmogelijkheden. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘bodem’ uitvoerbaar.
5.6 Geluid Beleidskader Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) moet bij het opstellen of wijzigen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met de geluidsproductie van luchtvaarverkeer, wegverkeer, spoorwegen en industrie. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: -
woningen; andere geluidgevoelige gebouwen; 38
-
geluidgevoelige terreinen.
Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning, afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Analyse In het kader van voorliggend bestemmingsplan heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden naar de effecten van wegverkeerslawaai. Het onderzoek, dat is opgenomen als bijlage 8, is uitgevoerd omdat het plangebied is gelegen binnen de invloedsfeer van gezoneerde wegen. Voor een goede ruimtelijke inpassing van het geprojecteerde bouwplan is de cumulatie van alle in de directe omgeving van het plangebied gelegen geluidbronnen, dus ook die van niet-zoneplichtige wegen, in het onderzoek betrokken. Uit het onderzoek blijkt dat de te verwachten geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer afkomstig van de Brinkweg en de Rozendaelseweg op de geprojecteerde woningen de maximale geluidbelasting niet overschrijdt. Ook als gevolg van cumulatie van de gezamenlijke wegen (inclusief niet-gezoneerde wegen) zijn geen aanvullende voorzieningen noodzakelijk. Conclusie Het plan is op basis van het aspect akoestiek uitvoerbaar.
5.7 Water Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Analyse In het kader van voorliggend plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Uit deze watertoets, die als bijlage 9 is opgenomen, blijkt dat het plan waterschapsbelangen raakt en dat de normale procedure doorlopen moet worden. De normale procedure houdt in dat het waterschap een uitgangspuntennotitie opstelt waar bij de planvorming rekening mee moet worden gehouden. Deze uitgangspuntennotitie is als bijlage 9 van deze toelichting opgenomen. In de uitgangspuntennotitie staat beschreven dat het algemene beleid van waterschap Drents Overijsselse Delta is verwoord in het Waterbeheerplan 2016-2021 en de beleidsnotitie Stedelijk waterbeheer Water Raak! (2015). Bestaande waterhuishouding Het plan ligt in het stroomgebied Nieuwe Wetering (benedenloop). Rond het plangebied liggen primaire watergangen die in het beheer van het waterschap zijn. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP 1,55 m.
Dit peil is de instelhoogte van het kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte.
39
Uitgangspunten voor het plan Watersysteem Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een primaire watergang van het Waterschap Drents Overijsselse Delta, watergang de Vloedgraven. De functie van deze watergang moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Om de watergang te beschermen is in de regels van het bestemmingsplan opgenomen dat binnen de gronden die grenzen aan de watergang, geen bouwwerken mogen worden gebouwd, geen beplanting mag worden geplant en een graafwerkzaamheden plaats mogen vinden. Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt door het waterschap een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren.
Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. Bij de bouw van de woningen wordt rekening gehouden met dit advies. Waterkwaliteit Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Er worden bij de uitvoering van het plan geen uitloogbare materialen gebruikt die tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden. Riolering De gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het plan wordt rekening gehouden met het gemeentelijke rioleringsbeleid. In voorliggend plan wordt hemelwater op eigen terrein opgevangen en geïnfiltreerd in de vorm van wadi’s. Uitgangspunt is dat er geen hemelwater wordt geloosd op oppervlaktewater. Verder wordt het huishoudelijk afval via het bestaande riool afgevoerd. In overleg met de gemeente wordt bepaald of het bestaande riool voldoende capaciteit heeft of dat deze capaciteit ten gevolge van het plan vergroot moet worden. Externe werking ruimtelijk plan In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Daar is in voorliggend plan geen sprake van.
Voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden. Het betreft zowel waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterbeleving. De inrichting van het gebied dient zodanig te 40
zijn, dat het beheer en onderhoud van het watersysteem op efficiënte en effectieve wijze mogelijk is. Bij nieuw aan te leggen water vindt overleg met het waterschap plaats. Dat betekent in voorliggend plan dat het waterschap toegang houdt tot de aanwezige watergang aan de zuidzijde van het plangebied. Beplanting wordt buiten de beschermingszone gesitueerd. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘water’ uitvoerbaar.
5.8 Bedrijven en milieuzonering Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ In deze paragraaf wordt de ligging ten opzichte van omliggende bedrijven en functies beschouwd.
Analyse In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich woningen, sportvelden, een begraafplaats en een zwembad. Er is sprake van gemengd gebied. Omliggende woningen hebben geen milieukundige impact op het plan. Andersom geldt dat de voorziene woningen ook geen milieukundige impact op omliggende woningen hebben. Ten noorden van het plangebied bevinden zich de voetbalvelden van VV Heino. Op basis van de VNGpublicatie moet de afstand tussen woningen en sportvelden met verlichting ten minste 50 meter te bedragen. In voorliggend plan is deze afstand 60 meter, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de afstandsnorm. Nog noordelijker van het plangebied bevindt zich openluchtzwembad de Tippe. Op basis van de VNGpublicatie bedraagt de richtafstand tussen woningen en een openlucht zwembad ten minste 200 meter. In voorliggend geval is deze afstand tussen het bad en de rand van het plangebied 300 meter, waardoor aan de norm wordt voldaan. Aan de Rozendaelseweg bevindt zich een begraafplaats. De afstand tussen begraafplaatsen en woningen dient minimaal 10 meter te bedragen. In voorliggend geval is de afstand ongeveer 60 meter, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. 41
Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar.
5.9 Externe veiligheid Kader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau voor externe veiligheid.’ Analyse In het kader van het initiatief is de risicokaart geraadpleegd. Op de volgende afbeelding is de uitsnede opgenomen. Hierop is zichtbaar dat de enige risicobron rondom het plangebied het zwembad is vanwege de opslag van chloor. De afstand tussen het plangebied en het zwembad is echter dermate groot, dat van een risico geen sprake is.
Uitsnede risicokaart. Bron: risicokaart.nl.
42
Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘externe veiligheid’ uitvoerbaar.
5.10 Explosieven Beleidskader De mogelijke aanwezigheid van explosieven in de ondergrond houdt in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog. Handelingen die leidden tot niet gesprongen conventionele explosieven in de bodem betroffen bijvoorbeeld het afwerpen van munitie, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, gevechten tijdens de begin-, tussen- en eindfase van de Tweede Wereldoorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden en dergelijke. Indien er bij voorgenomen (graaf)werkzaamheden een redelijk vermoeden bestaat op het aantreffen van conventionele explosieven (CE) in de (water)bodem dient een vooronderzoek conform de WSCSOCE uitgevoerd te worden. Dit wordt voorgeschreven door de vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO) en is verankerd in de bouwprocesbepalingen in het Arbobesluit en de V&G voorbereidingsfase. Analyse Op basis van de Risicokaart niet gesprongen explosieven van de gemeente Raalte volgt dat graafwerkzaamheden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling niet plaatsvinden ter plaatse van een risicogebied voor niet gesprongen explosieven. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de gemeentelijke risicokaart.
Risicokaart niet gesprongen expl osieven gemeente Raalte .
Het uitvoeren van onderzoek is niet noodzakelijk.
5.11 Verkeer en parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plangebied goed bereikbaar is en dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte te bepalen wordt doorgaans gebruik gemaakt van de parkeerkengetallen van het CROW. Het CROW hanteert op basis van functie en ligging de te verwachten parkeerbehoefte waar een initiatief aan dient te voldoen. 43
Analyse Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan weg rijdt. Op basis van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' is de verkeersgeneratie bepaald voor het plan. Voor de kengetallen is uitgegaan van 'niet stedelijk' gebied en buitengebied. Dat leidt tot onderstaande verkeersgeneratie. Woningtype
Aantal woningen
Kengetal
Totaal
Koop vrijstaand
4
8,2
32,8
Koop tussen/hoek
7
7,7
51,8
Totaal:
84,6
In de bestaande situatie is sprake van een tuincentrum van circa 10.000 m2 met een bebouwd oppervlakte van circa 800 m2 BVO. De verkeersgeneratie van een dergelijk tuincentrum bedraagt in niet stedelijk gebied in het buitengebied 16,5 verkeersbewegingen per 100 m2 per dag. Dat komt in voorliggend plan neer op circa 132 (16,5 x 8) verkeersbewegingen. Per saldo neemt het aantal verkeersbewegingen af. Omdat in de bestaande situatie geen verkeerskundige problemen optreden, kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat de verkeersgeneratie, die via dezelfde wegen plaats zal vinden, niet tot problemen zal leiden. Parkeren Ter plaatse van het plangebied geldt het Paraplubestemmingsplan parkeren. Het Paraplubestemmingsplan parkeren voorziet in de planologische verankering van het parkeerbeleid van de gemeente Raalte. Uitgangspunt daarbij is dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt voldaan aan de parkeeropgave zoals die is vertaald in de nota ‘Parkeernormen Raalte 2015’ of diens rechtsopvolger. In voorliggen plan is sprake van de volgende parkeeropgave: Woningtype
Aantal woningen
Kengetal
Totaal
Koop vrijstaand
4
2,4
9,6
Koop tussen/hoek
7
2
14
Totaal:
23,6 (24)
Het gemeentelijk beleid voorziet er in dat parkeren op eigen terrein plaats moet vinden. in voorliggend plan is sprake van een collectieve woonvorm waar de bewoners eigenaar zijn van het gebied rondom de woningen. dat betekent dat het gehele plangebied als ‘eigen’ terrein kan worden beschouwd en dat daar de parkeeropgave opgelost moet worden. Concreet betekent dit dat binnen dit plangebied 24 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Op basis van het inrichtingsplan is ruimte voor 20 44
parkeerplaatsen in het mandelig gebied. Daarnaast krijgt iedere vrijstaande woning ten minste één parkeerplaats op eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan de opgave om 24 parkeerplaatsen te realiseren. Conclusie Het plan is op basis van de aspecten verkeer en parkeren uitvoerbaar.
5.12 Conclusie In dit hoofdstuk zijn diverse ruimtelijke en milieukundige aspecten beschouwd. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken en analyses kan gesteld worden dat het plan geen nadelige milieukundige of ruimtelijke effecten tot gevolg heeft.
45
6. Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het kader van de noodzakelijke participatie heeft op diverse momenten afstemming met de buurt plaatsgevonden. Het gaat daarbij om individuele gesprekken, gesprekken met meerdere omwonenden en informatiebijeenkomsten. Bij enkele gesprekken waren ook raadsleden aanwezig. Van deze gesprekken zijn verslagen gemaakt. De buurt heeft zorgen geuit en oplossingsrichtingen aangedragen richting de ontwikkelaar. Het gaat daarbij samengevat om de volgende zaken: -
het maximaal aantal woningen was volgens de bewoners te hoog de wens is om de bestaande bedrijfswoning in te passen kleinere woningen toevoegen aan het programma er zijn zorgen geuit over de maximale bouwhoogte van 11 meter er moet geen nieuwe ontsluiting komen aan de Brinkweg omwonenden wensen dat geen wijzigingsbevoegdheden worden opgenomen om extra schuren en/of schuttingen te bouwen de ontwikkeling moet bijdragen aan de kwaliteit van de locatie en omgeving de ontwikkeling zal op duurzame wijze gebouwd moeten worden
De ontwikkelaar heeft het plan aan de hand van voorgaande punten aangepast. Het aantal woningen is niet verminderd. De maximale bouwhoogte is teruggebracht naar 9 meter. Het programma is gedifferentieerd en de woningen zijn landschappelijke ingepast. Rondom vrijwel het gehele plangebied is een bestemming ‘groen’ opgenomen en is een beplantingsplan opgesteld. Hiermee is de landschappelijke inpassing geborgd, omdat het beplantingsplan als voorwaardelijke verplichting aan de regels van het bestemmingsplan is gekoppeld. Datzelfde geldt voor een beeldkwaliteitsparagraaf. In de regels zijn bijgebouwen en bouwwerken buiten de woon wonen bestemde gronden uitgesloten, wat eveneens bijdraagt aan de wens van omwonenden om de bebouwing binnen het plangebied te beperken. De Brinkweg valt buiten het plangebied, maar wordt ook ten behoeve van het plan niet als ontsluiting van het plangebied gebruikt. De ontsluiting vindt plaats via de oorspronkelijke toegang van het tuincentrum aan de noordoost zijde van het plangebied.
6.3 Economische uitvoerbaarheid Voorliggend plan wordt uitgevoerd op risico van een ontwikkelaar. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het plan zijn voor rekening van deze ontwikkelaar. Hierover zijn tussen de ontwikkelaar en de gemeente (in navolging van in het kader van hoofdstuk 6 Wro en Bro) afspraken 46
gemaakt in de vorm van een anterieure overeenkomst, waarin wordt verwezen naar de legesverordening en de planschade.
47
7. Toelichting op de regels 7.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, de voorziene situatie en het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Dit bestemmingsplan is opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: -
Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
7.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.
7.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2).
7.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: -
bestemmingsomschrijving 48
-
bouw- en gebruiksregels afwijken van bouw en gebruiksregels wijzigingsbevoegdheid
In paragraaf 7.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht.
7.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels bestaan uit de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en overige regels.
7.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotregels. Hierin wordt de officiële benaming van dit bestemmingsplan weergegeven.
7.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de in dit bestemmingsplan voorkomende regels behandeld. Artikel 3. Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen en beplantingen, wegen, in- en uitritten ten behoeve van de ontsluiting van aangrenzende woningen, paden, speelvoorzieningen, water en voorzieningen ten behoeve van waterbeheer en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - parkeren' voor parkeervoorzieningen. Artikel 4.
Groen – Landschappelijke waarde De voor 'Groen - Landschappelijke waarde' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en beplantingen, water en voorzieningen ten behoeve van waterbeheer. Het doel van deze bestemming is het beschermen en borgen van landschappelijke waarden. Artikel 5. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen om het plangebied te ontsluiten. Artikel 6. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor beroep aan huis aan huis. Binnen de bestemming ‘wonen’ is de voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de woningen pas gebruikt mogen worden indien de openbare ruimte wordt ingericht conform het beplantingsplan en wordt voldaan aan het aan de regels gekoppelde beeldkwaliteitplan. 49
50
Bijlagen Bijlage 1. Inrichtingsplan Bijlage 2. Beplantingsplan Bijlage 3. Beeldkwaliteit Bijlage 4. Ecologische quickscan Bijlage 5. Vervolgonderzoek vleermuizen Bijlage 6. Stikstofonderzoek Bijlage 7. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 8. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 9. Uitgangspuntennotitie Waterschap
51
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl