Toelichting
Tekst van het document
Het buitengebied – kernopgave 1 Het buitengebied is van oudsher de plek voor landbouw. Behalve een productielandschap is het ook een plek waar rust en natuurschoon te vinden is. Dit beeld is, ook in de gemeente Raalte, aan het kantelen door de vele ontwikkelingen die op het landelijke gebied afkomen en deels met elkaar conflicteren. Denk hierbij aan ontwikkelingen in de landbouw (stoppende boeren en vrijkomende agrarische bebouwing), klimaatverandering, de opwekking van duurzame energie en recreatie en toerisme. Raalte als groen en innovatief productielandschap is de ambitie. Deze ambitie vraagt om regie, maar ook samenwerking. Hierbij zijn de volgende vijf ontwikkelingsrichtingen geformuleerd: 1. Er wordt gekozen voor een sterk en afwisselend landschap door het verder te ontwikkelen, te versterken en te behouden wat waardevol is; 2. Er wordt gekozen voor een toekomstbestendige landbouw die meerwaarde oplevert voor de leefomgeving en het landschap door middel van technologie, innovatie en experiment; 3. Kansen om in stedelijk gebied energie duurzaam op te wekken worden gegrepen. Tegelijkertijd is er erkenning dat de opgave te groot is om alleen in stedelijk gebied op te lossen en daardoor voor een groot deel ook een plek in het buitengebied vindt.
Hierbij gaat de strategie uit van een initiatiefrijke samenleving die bouwt op draagvlak, zowel sociaal als financieel, met heldere doelstellingen als kader; 4. Er wordt gekozen voor een vitaal, divers en gemengd buitengebied. Een werk- en productielandschap, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie; 5. Er wordt gekozen voor kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied.
30
Toets aan initiatief Geconcludeerd kan worden dat het initiatief in lijn is met de gemeentelijke Omgevingsvisie. Het initiatief maakt extra bebouwing in het buitengebied mogelijk op basis sloop van landschapsontsierende bebouwing (‘Rood voor Rood’ regeling). Dit is passend onder ontwikkelingspunt 4 een vitaal, divers en gemengd buitengebied. Het inrichtingsplan voorziet in een verbetering van de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit, passend onder punt 1. Het initiatief vormt daarnaast geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven.
3.3.2 Erven in beweging De gemeente Raalte heeft, in navolging van provinciaal beleid, in 2006 (en geactualiseerd in 2018) Rood voor Rood beleid vastgesteld. De Rood voor Roodregeling voorziet in het slopen van landschap ontsierende bebouwingen en investering in een goede landschappelijke en architectonische inpassing van de resterende bebouwing. In 2018 heeft een actualisatie van het beleid plaatsgevonden. Als uitbreiding op de bestaande regeling is de beleidsnota ‘Erven in beweging’ opgesteld. Om te voorkomen dat op grote schaal leegstand ontstaat bevat de beleidsnota ‘Erven in beweging’ een aantal aanvullende mogelijkheden/instrumenten om leegstand tegen te gaan. De gemeente Raalte zet hier in op sloop en hergebruik. Enerzijds om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te versterken. Anderzijds om een levendig buitengebied te houden waarin gewoond en gewerkt kan worden. Daarbinnen is de ‘Schuur voor Schuurregeling’ opgenomen en is een ‘sloopbank’ opgericht. Uitgangspunt van de regeling blijft dat een initiatief bijdraagt aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Verruiming max. oppervlakte bijgebouwen bij woning Een woning in het buitengebied mag nu op grond van het bestemmingsplan Buitengebied Raalte geconsolideerd 2020 150 m2 aan bijgebouwen hebben.
De bouwmogelijkheden voor bijgebouwen bij woningen in het buitengebied is door de gemeente verruimd van 100 m2 naar 150 m2 vergunningvrij. Deze bouwvolumes kunnen in de meeste situaties goed in het landschap ingepast worden, zodat middels een groene inrichting kwaliteitswinst wordt bereikt, zoals in dit plan. Toets aan initiatief Het initiatief maakt extra bebouwing in het buitengebied mogelijk op basis van de ‘Rood voor Rood’ regeling. Voor de Rood voor Rood regeling moet minimaal 1.000 m2 schuren gesloopt worden. Aan de Hemmekens Marsweg 20 te Nieuw Heeten wordt ruim 1.433 m2 landschapsontsierende bebouwing gesloopt. De compensatiewoning met bijgebouw van maximaal 150 m2 landt op het erf aan de Heuvelweg 11 te Luttenberg. Het onderliggende initiatief past dus binnen de ‘Erven in Beweging’ regeling. Ten behoeve van de voorziene ontwikkeling is een inrichtingsplan opgesteld voor het plangebied aan de Heuvelweg 11, opgenomen als bijlage 1 van deze toelichting. Hiermee wordt aangetoond dat met de uitvoering van dit plan wordt voorzien in een passende landschappelijke inpassing en dat de nieuwe woning met bijgebouw aansluit op het bestaande erf. Aan de Hemmekens Marsweg blijft een bestaande schuur behouden als bijgebouw om te voorzien in beheer omliggende gronden.
31
3.3.3 Kadernota Duurzaam Raalte 2050 De gemeente Raalte heeft de Kadernota Duurzaam Raalte 2050 vastgesteld. Daarin wordt aandacht gevraagd voor duurzaamheidsaspecten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ook in onderliggend plan wordt hier, ondanks de beperkte omvang van het plan, rekening mee gehouden. Toets aan initiatief Onderliggend plan voorziet in een ruimtelijke/landschappelijke inpassing die is afgestemd op de omgeving door het gebruik van streekeigen beplanting. Ook biedt het plangebied mogelijkheden om regenwater op eigen terrein te laten infiltreren en neemt per saldo het oppervlakte bebouwing en verharding af. Voor alle nieuwbouw geldt dat moet worden voldaan aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Op basis van voorgaande geeft het plan invulling aan het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid.
3.3.4 Landschapsontwikkelingsplan Salland De gemeenten Deventer, Olst-Wijhe en Raalte hebben een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld met als doel een gezamenlijk kader te bieden (23 september 2008), op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied kunnen worden beoordeeld, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken. Het LOP bevat vier belangrijke componenten: ▪ inventarisatie en analyse; ▪ de LOP-visie 'Een plus voor het landschap'; ▪ thematische uitwerkingen; ▪ het uitvoeringsprogramma. Zowel het de planlocatie aan de Heuvelweg 11 als de slooplocatie aan de Hemmekens Marsweg 20 vallen in het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeenten Raalte onder het gebied dat getypeerd is als dekzandvlakte. Dit gebied vormt de oorspronkelijke overgang van het oude naar het jonge dekzandlandschap. Het is een oud dekzandlandschap dat onder sterke invloed stond van kwel uit de Sallandse heuvelrug. Het gebied is in de 20e eeuw ontgonnen wat heeft geresulteerd in een uitgesproken ontginningslandschap. Het ruimtelijk beeld van het gebied wordt voornamelijk bepaald door de karakteristieke lanen langs de wegen en de aanwezigheid van de landbouw. Er wordt ingezet op het versterken van het lanenstelsel. Doorgaande structuren zoals het Overijssels Kanaal en de (doorgaande) wegen passen zich aan deze karakteristiek aan: laanbeplanting past hierin.
Op de hogere gronden zijn in het verleden essencomplexen en kampen (eenmansesssen) ontstaan. Ten oosten van Raalte en rondom Heeten komen deze escomplexen veelvuldig voor. Door het verdwijnen van randbeplanting rondom de essen zijn de complexen minder herkenbaar geworden. Een opmerkelijk gebied is de Luttenberg, dit is een uitloper van de stuwwal van de Sallandse heuvelrug met een uitgesproken reliëf.
32
Heuvelweg 11
Hemmekens Marsweg 20
Figuur 21 Landschapsontwikkelingsplan Salland met in roze cirkel aangegeven plangebieden Heuvelweg 11 en Hemmekens Marsweg 20 (Bron: LOP Salland) Het landschapsbeleid is gericht op het behouden en versterken van de landschappelijke karakteristieken voor het gebiedstype ‘dekzandvlaktes’. • • • • •
Open ruimtes omsloten door rechte wegen; Erven met rationele opzet gekoppeld aan wegen; Bebouwing gericht op weg; Weg- en erfbeplantingen zijn belangrijkste ruimtevormende elementen; Doorgaande structuren (weg/kanaal) passen zich aan omgeving aan, variatie
33
• • • • •
Open/gesloten Erfbeplantingen langs lanen zijn rationeel en kennen heldere overgang van erf naar Landschap (door middel van bijvoorbeeld een haag); Blokvormige verkaveling; Rationele bosblokken en heiderelicten (bijvoorbeeld het Boetelerveld).
Incidenteel komen kampen en essen voor in deelgebied dekzandvlaktes: • • • • •
De essen en kampen zijn open en kennen een bolle ligging; Rondom de essen staan boerderijen in een losse setting met meerdere bijgebouwen; Wegen rondom de essen hebben een slingerend verloop; Houtwallen, singels, hagen en wegbeplantingen markeren de rand van de essen; Lokaal is kavelgrensbeplanting aanwezig, dit resulteert in een plaatselijk kleinschalig landschap rondom de essen en kampen;
Toets aan initiatief In voorliggend plan is rekening gehouden met de hierboven aangegeven uitgangspunten bij het opstellen van het inrichtingsplan voor de Heuvelweg 11. Zie hiertoe paragraaf 2.2 en bijgevoegd inrichtingsplan (bijlage 1). Nieuwe bebouwing in het kader van Rood voor Rood wordt in dit gebied beschouwd als motor voor landelijk wonen en werken.
3.3.5 Conclusie gemeentelijk beleid Voorliggend plan is niet in strijd met gemeentelijk beleid.
3.4 Conclusie Voor onderliggend initiatief is met name het provinciale en het gemeentelijke beleid ten aanzien van bebouwing in het buitengebied van belang. Aan het realiseren van bebouwing in het buitengebied zijn (beleidsmatige) voorwaarden van toepassing die voornamelijk voorzien in het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. In de voorgaande paragrafen is aangetoond dat onderliggend initiatief in lijn is met dit ruimtelijke beleid.
34
4 Toets aan ruimtelijke en milieukundige aspecten 4.1 Algemeen Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. In dat kader dient te kunnen worden aangetoond dat de wijziging van het bestemmingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt onder meer het toekomstige gebruik afgezet tegen ruimtelijke en milieukundige omstandigheden ter plaatse en in de omgeving. In het volgende hoofdstuk vindt deze toets plaats voor aspecten die voor onderliggend initiatief relevant zijn. Dit is alleen nodig bij de locatie aan de Heuvelweg te Luttenberg omdat er hier een verandering van functie komt, aan de Hemmekens Marsweg is dit niet nodig omdat hier alleen maar schuren gesloopt worden.
4.2
Archeologie & cultuurhistorie
4.2.1 Archeologie Beleidskader In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. De gemeenteraad van Raalte heeft in april 2010 de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart met bijbehorend beleid vastgesteld. Bij de keuze voor het archeologisch beleid heeft de gemeente Raalte niet alleen rekening gehouden met de wettelijke verplichting om archeologie op te nemen in het ruimtelijk ordeningsproces, maar ook met de belangen van de inwoners. De archeologische verwachtingskaart maakt voor het grondgebied van de gemeente Raalte duidelijk waar zich (mogelijke) archeologische resten kunnen bevinden. De kaart is hiervoor opgedeeld in drie zones: 1. Hoge archeologische verwachting; 2. Middelhoge archeologische verwachting; 3. Lage archeologische verwachting Daarnaast kent de gemeente Raalte 12 terreinen van hoge tot zeer hoge waarde, die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK). Het beleid is gericht op behoud in situ.
Indien dit niet mogelijk is, dan geldt altijd een onderzoeksplicht en overleg met de regionaal archeoloog. Analyse Heuvelweg 11 Uit het kaartbeeld blijkt dat het plangebied is gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor geldt dat bij plangebieden groter dan 2500 m in het landelijk gebied en/of gelegen binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen geen bodemingrepen diepen dan 50 centimeter onder het maaiveld mogen plaatsvinden. Dit plan betreft echter een oppervlakte van bouwwerken, woning met bijgebouw, kleiner dan 2500 m2 , waardoor archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. 2
35
Figuur 22 Archeologische verwachtingskaart gemeente Raalte, plangebied is omcirkeld. (Bron: archeologische verwachtingskaart Raalte) Hemmekens Marsweg
Figuur 23 Archeologische verwachtingskaart gemeente Raalte, plangebied is omcirkeld. (Bron: archeologische verwachtingskaart Raalte) Uit het kaartbeeld blijkt dat het plangebied aan de Hemmekens Marsweg is gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Op deze locatie worden slechts gebouwen gesloopt. De gronden zijn hier reeds geroerd en archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het initiatief.
36
4.2.2 Cultuurhistorie en monumenten Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet naast een toets aan archeologie ook een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en/of monumenten rekening is gehouden. Analyse Er bevinden zich, op basis van de monumentenlijst van Raalte, in de plangebieden aan de Heuvelweg 11 of Hemmekens Marsweg 20 geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden die door deze ontwikkeling mogelijk negatief kunnen worden beïnvloed. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Conclusie Onderliggend initiatief is op basis van de aspecten archeologie en cultuurhistorie uitvoerbaar.
4.3 Flora en fauna Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd. Analyse Heuvelweg 11 Voorafgaand aan de wijziging van het bestemmingsplan dient te worden onderzocht of binnen en in de nabijheid van het plangebied beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast. Deze eerste stap om de aanwezigheid van beschermde soorten en/of gebieden te bepalen, is het uitvoeren van een QuickScan flora en fauna. De QuickScan voor onderliggend initiatief is uitgevoerd op 9 November 2021 en als bijlage 2 opgenomen.
De QuickScan flora en fauna beschrijft in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de effecten van de ingreep op soortenbescherming en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op houtopstanden. Uit deze QuickScan blijkt of de plannen (mogelijk) leiden tot aantasting van beschermde soorten en/of gebieden en of vervolgstappen noodzakelijk zijn, zoals nader onderzoek, een ontheffing en/of een vergunning. De QuickScan bestaat uit een onderzoek naar soortenbescherming en gebiedsbescherming. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt. Het plangebied is op 2 november 2021 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland.
37
Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, toename verkeer in gebruiksfase en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura 2000gebied. Nader onderzoek, zoals het opstellen van een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bouwwerkzaamheden plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën bezetten een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in de houtsingel. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen rust- en voortplantingsplaats van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën beschadigd en vernield en er worden geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels. Hemmekens Marsweg 20 Het plangebied vormt een deel van een agrarisch perceel en een erf dat bestaat uit schuren, verharding en beplanting en wordt omgeven door landelijk gebied.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Afhankelijk van de periode in het jaar, waarin de voorgenomen sloopactiviteiten uitgevoerd worden, kunnen beschermde dieren gedood worden en vaste rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde dieren verstoord, beschadigd en vernield worden. Voor het doden van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie en het beschadigen/vernielen van een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling; deze vrijstelling geldt niet voor het doden van een vogel of het verstoren, beschadigen of vernielen van een bezet vogelnest. Mits er geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield wordt, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming. De voorgenomen activiteiten hebben
38
geen negatief effect op het Natuurnetwerk Nederland. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Conclusie Onderliggend initiatief is op basis van de aspecten flora & fauna uitvoerbaar.
4.4 Bodem Beleidskader De bodem wordt op vele manieren gebruikt, voor bijvoorbeeld woningbouw, landbouw, aanleg van wegen en winning van grondstoffen. Om te zorgen dat dit nu en in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk. Doordat mensen al vele eeuwen gebruik maakt van de bodem heeft zij overal sporen achtergelaten. Deze sporen zijn terug te zien in het landschap en te vinden op en in de bodem. Door bodemsanering worden de ernstige chemische verontreiniging van de bodem aangepakt. Bescherming van de bodem betekent bovendien het voorkomen dat schone grond verontreinigd raakt en het rekening houden met de eigenschappen van de bodem. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. In artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in het plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan.
Analyse Heuvelweg Kruse Groep BV heeft in oktober 2021 in opdracht van BiedtRuimte een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 3) aan de Heuvelweg 11 te Luttenberg. De onderzoekslocatie is momenteel onbebouwd en onverhard (weiland). De aanleiding van dit onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en de geplande nieuwbouw van een woning. Voorafgaande aan het bodemonderzoek heeft een vooronderzoek plaatsgevonden op basis van norm NEN5725 “Aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek”. Uit de resultaten van dit vooronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd. In totaal zijn er in totaal 8 boringen verricht, waarvan 1 diepe boring is afgewerkt met een peilbuis (PB 1). Gebleken is dat de bodem globaal bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand. In de boven- en ondergrond zijn oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Door de veldwerkers zijn visueel geen asbestverdachte materialen op het maaiveld of in de bodem waargenomen. Het freatische grondwater in de peilbuis is aangetroffen op 1.50 m-mv.
Analyseresultaten Op basis van de resultaten van de analyses kan het volgende worden geconcludeerd: - de bovengrond (BG) is niet verontreinigd; - de ondergrond (OG) is niet verontreinigd; - het grondwater (PB 1) is (zeer) licht verontreinigd met barium, kwik en zink;
39
Conclusies en aanbevelingen In het grondwater (PB 1) zijn enkele (zeer) lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4 van het verkennend bodemonderzoek (bijlage 3). In de bovenen ondergrond (BG en OG) zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. Hemmekens Marsweg 20 Aan de Hemmekens Marsweg 20 wordt circa 1.433 m2 landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Na sloop van de gebouwen, zal de grond ter plekke worden aangevuld tot maaiveld met een teeltlaag van minimaal 40 cm. Conclusie Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de bestemmingsplanwijziging en de nieuwbouwplannen aan de Heuvelweg 11, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico’s voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).
4.5 Geluid Beleidskader Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten.
Langs een (toekomstige) verkeersweg ligt een planologisch aandachtsgebied (de zone). Binnen deze zone biedt de Wet geluidhinder in een aantal situaties bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. Het basisbeschermingsniveau of de voorkeursgrenswaarde is 48 dB. Analyse Heuvelweg 11 In de nabijheid van de Heuvelweg liggen geen geluidsbronnen afkomstig van industrie of railverkeer. Het erf ligt aan de Heuvelweg, waardoor het aspect wegverkeerslawaai een rol speelt in dit plan. Om te beoordelen of het aspect wegverkeerslawaai invloed heeft op het plan is de atlas van de leefomgeving geraadpleegd. In afbeelding 24 zijn de geluidscontouren van de Heuvelweg inzichtelijk gemaakt. De planlocatie van de nieuw toe te voegen compensatiewoning (zie rode cirkel figuur 24) valt wat betreft geluidsniveau in de zone ≤ 45 dB. De geluidsbelasting op de gevel van de te ontwikkelen woning is dus minder dan 48 dB.
40
Figuur 24 geluidsniveau op het plangebied Heuvelweg 11 Voor het onderliggende initiatief bevindt zich in de omgeving van het plangebied vakantiepark De Luttenberg. Omdat deze recreatieve verblijfsfunctie is gelegen binnen de richtsafstandscountouren voor geluid, is nader onderzoek verricht. In het kader van de ruimtelijke procedure moet worden aangetoond dat er ter plaatse van de nieuwe woonbestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de naastgelegen recreatiebestemming daarbij niet in haar functioneren wordt beperkt. De recreatiebestemming bestaat uit het vakantiepark De Luttenberg en een 30-tal recreatiewoningen met een eigen VVE. In het akoestisch onderzoek is dit als één inrichting beschouwd. Uit de rapportage blijkt dat zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT), de maximale geluidniveaus (LAmax) als de verkeersaantrekkende werking (LAeq) voldoen aan de richtwaarden conform stap 2 van de VNGpublicatie. Hierdoor is er sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning. De grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn ruimer dan de VNG-norm (stap 2) en aan deze grenswaarden wordt dan ook automatisch voldaan. Hierdoor zal de recreatieve bestemming dan ook niet worden beperkt.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het bevoegd gezag verzocht medewerking te verlenen aan de voorgenomen herbestemming. Hemmekens Marsweg 20 In de nabijheid van de Hemmekens Marsweg 20 liggen geen geluidsbronnen afkomstig van industrie of railverkeer. Het erf ligt op 400 meter van de Hemmekens Marsweg aan een eigen oprit, waardoor het aspect wegverkeerslawaai geen rol speelt in dit plan. In afbeelding 25 zijn de geluidscontouren inzichtelijk gemaakt. De planlocatie valt wat betreft geluidsniveau in de zone ≤ 45 dB. De geluidsbelasting op de gevel van de woning is dus minder dan 48 dB. Voor het onderliggende initiatief zijn geen geluidsbronnen in de omgeving die om nader onderzoek vragen.
41
Figuur 25 Geluidsniveau op het plangebied Hemmekens Marsweg 20 Conclusie Voorliggend plan is op basis van het aspect akoestiek uitvoerbaar op beide planlocaties.
4.6 Water Beleidskader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: - inzameling en transport van stedelijk afvalwater. - het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. - grondwater(maatregelen). Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) beschrijft de beleidskaders (ambities) en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): De trits ‘vasthouden --> bergen --> afvoeren’ houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Als dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.
De trits ‘schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken’ omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoonhouden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het
42
zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en ook het zuiveringsrendement worden verhoogd. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het ‘watertoets proces’. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties.
Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld. Analyse In het kader van onderliggend initiatief heeft voor beide locaties een digitale watertoets plaatsgevonden op 6 december 2021 (zie bijlage 5 voor Heuvelweg 11 en bijlage 6 voor Hemmekens Marsweg 20). De bestemmingen en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m². Binnen de plangebieden is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter.
Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lagergelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Het waterschap gaat daarom akkoord met het plan, mits wordt voldaan aan de uitgangspunten uit de standaard waterparagraaf korte procedure, zoals beschreven in bijlagen 5, 6 en 7 van deze toelichting.
43
Onderdeel van de uitgangspunten is het voorkeursbeleid hemelwater. Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. In het plan wordt hemelwater, ook schoon hemelwater van dakoppervlakten, ter plaatse geïnfiltreerd in de bodem. De standaard waterparagraaf van het waterschap (bijlagen 5, 6 en 7) wordt nageleefd. Conclusie Het aspect water vormt geen beperking voor onderliggend initiatief.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.’
44
Figuur 26 Milieu categorieën en richtafstanden tot rustig buitengebied en gemengd gebied Analyse Heuvelweg 11 De Heuvelweg is een weg die loopt richting het dorp Luttenberg, op 500 meter afstand van planlocatie. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich woningen, agrarische bedrijven en een vakantiepark met horecafaciliteiten (snackbar en brasserie), winkeltje, sportfaciliteiten (tennisbaan, zwembaden, pannakooi) en speeltuinen. Daarom is op deze planlocatie uitgegaan van ‘gemengd gebied’. Het nieuwe bouwvlak bevindt zich op ruim 10 meter van de kavelgrens Vakantiepark Luttenberg. Het vakantiepark kent de enkelbestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie – 1’. Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is de grootste richtafstand 30 meter wat betreft geluid voor vakantiecentra in gemengd gebied. In paragraaf 4.5 is middels een akoestisch onderzoek aangetoond dat ter plaatse van de nieuwe woonbestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de naastgelegen recreatiebestemming daarbij niet in haar functioneren wordt beperkt. Voor de aspecten geur en stof voldoet het plangebied aan de richtafstanden van respectievelijk 10 en 0 meter. Op circa 245 meter bevindt zich een paardenhouderij, voor een paardenfokkerij geldt een grootste richtafstand van 50 meter in geur.
Op een afstand van circa 390 meter bevindt zich de meest dichtstbijzijnde intensieve veehouderij. Voor intensieve bedrijven geldt een grootste richtafstand van 200 meter in geur. Op basis van vorenstaande wordt gesteld dat aan de Heuvelweg 11 geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Hemmekens Marsweg 20 Er wordt binnen het plangebied Hemmekens Marsweg 20 een milieugevoelige functie (een woning) gerealiseerd. Onderliggend plan ligt niet binnen de richtafstanden of wettelijke afstanden betreffende milieubelasting en geur. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf ligt op een afstand van meer dan 300 meter (manege Koldewee), dit valt buiten de grootste richtafstand van 50 meter. Het agrarische bouwvlak aan de Koldeweesweg 15 is op ruim 310 meter gelegen en valt ook buiten de grootste richtafstand van 100 meter. Op basis van bovenstaande afstanden voldoet dit plan betreffende het aspect milieubelasting en geur aan een goed woon- en leefklimaat. Omgekeerd ontstaan met de wijziging van de bestemming naar ‘Wonen’ aan de Hemmekens Marsweg 20 geen belemmering voor de genoemde bedrijven. Conclusie
45
Het plan wordt niet belemmerd door functies uit de omgeving, evenmin vormt het plan een belemmering voor bestaande functies. Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen beperkende invloed heeft op onderliggend plan.
4.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: • Woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • Woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • Kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: - Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; - Een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; - Een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
46
Analyse Het realiseren van een woning met bijgebouw valt binnen de regeling NIBM. Per ontsluitingsweg worden minder dan 1500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Dit betekent dat dit initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een goed woon-en leefklimaat blijft gehandhaafd voor zowel de planlocatie aan de Heuvelweg 11 te Luttenberg als de slooplocatie aan de Hemmekens Marsweg 20 te Nieuw Heeten. Conclusie Het plan draagt in niet betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het initiatief is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
4.9 Externe veiligheid Beleidskader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’ Analyse Heuvelweg 11
Figuur 27 Uitsnede risicokaart op planlocatie Heuvelweg 11 (bron: risicokaart.nl)
47
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Om uitspraken te kunnen doen over de externe veiligheid is de Risicokaart geraadpleegd, het plangebied en de directe omgeving is in figuur 27 weergegeven. Inrichting Het vakantiepark De Luttenberg kent een kwetsbaar object, groene ster op figuur 27. Het betreft de horecavoorziening met overdekt zwembad. Ook is het vakantiepark als geheel aangemerkt met een terreingrens (rood omkaderd) en 0.0110.000 inrichting aangemerkt voor ongevallen met gevaarlijke stoffen (zie rode stip op vakantiepark figuur 27). Het voorgenomen plan ligt niet in het invloedsgebied van een in de nabijheid gelegen risicobedrijf. Toetsing aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is niet noodzakelijk. Transportroutes Het voorgenomen plan ligt niet binnen 200 meter van een in de nabijheid gelegen transportroute voor gevaarlijke stoffen. Toetsing aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BTEV) is niet noodzakelijk. Buisleidingen Aan de westzijde op ongeveer 520 meter van het plangebied liggen vijf hogedruk aardgasleidingen van de Gasunie met nummers A 505, 506, 549, 588 en 662.
Het invloedsgebied van twee van deze leidingen valt over het plangebied. Het gaat om A 588 en 662. Hieronder volgt een overzicht met diameter, druk en invloedsgebied van de verschillende leidingen.
Ter hoogte van de locatie voor het bouwen van de compensatie woning ligt langs de leidingen geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-06). Omdat de ontwikkeling binnen het invloedsgebied is gelegen moet op grond van artikel 12 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen het groepsrisico worden verantwoord en berekent. Dit hangt wel af van de volgen ruimtelijke procedure. In het adviesverzoek is aangegeven dat de ruimtelijke procedure op grond van artikel 3.1 lid 1 t/m 3 van het WRO (herziening) moet worden gevolgd. Dit resulteert in een volledige toetsing aan het Besluit externe buisleidingen (BEVB) voor wat betreft het plaatsgebonden risico (PR 10-06) en het groepsrisico. Zoals hierboven al aangegeven ligt er geen plaatsgebonden risicocontour langs de leidingen. De ontwikkeling kan hier dus ook niet binnen komen te vallen. Tevens valt de ontwikkeling ook niet binnen de vrijwaringszone van 5 meter aan weerszijden van de leidingen. Het realiseren van een compensatie woning leidt wel tot een toename van het aantal personen binnen het invloedsgebied van de hogedruk aardgasleidingen. Gezien het maar om 1 woning gaat blijft dit beperkt tot een toename van 2,4 personen.
48
In een gebied van 1 kilometer ten noorden en zuiden van de leiding ter hoogte van de ontwikkeling liggen in het invloedsgebied (dit is het gebied waarbinnen het aantal personen moet worden bepaald) 42 woningen. Dit komt neer op 101 personen. De toename van 1 woning leidt dus niet tot een groter toename dan 10% van de aanwezige personendichtheid in de bestaande situatie. Ook zal de oriënterende waarde of 10% van deze waarde niet worden overschreden gezien de lage personendichtheid in het invloedsgebied. Dit zal ook niet veranderen door de toevoeging van 1 woning. Daarnaast valt de ontwikkeling buiten de 100 % letaliteitsgrens van de hoge druk aardgasleidingen. Gezien bovenstaande kan dan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Officieel is dan een berekening van het groepsrisico noodzakelijk maar uit ervaring is gebleken dan een dergelijke toename op een lage personendichtheid in het invloedsgebied niets bijdraagt aan de hoogte van het groepsrisico. Laat staan dat dit leidt tot een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico. Hierdoor is een berekening met het rekenprogramma Carola niet zinvol. Wel blijft advies van de veiligheidsregio noodzakelijk. Zij adviseren over zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid bij een eventueel incident met een hoge druk aardgasleiding.
Op 8 maart 2022 heeft de Veiligheidsregio hun advies uitgebracht over het bouwen van een nieuwe woning op het perceel Heuvelweg 11 te Luttenberg. Zij adviseren over de zelfredzaamheid, bereikbaarheid en bestrijdbaarheid het volgende: • Bij de bouw van de woning rekening te houden met de positionering van de nieuwe woning, de brandwerendheid van de gevels en het dak. • De nieuw te bouwen woning zover als mogelijk van de buisleidingen te bouwen. • De gebouwen zodanig in te richten of aan te passen dat objecten binnen in het gebouw niet kunnen ontbranden. Dit kan door bijvoorbeeld de gevels aan de kant van de buisleidingen niet te voorzien van glaspuien of (zeer) brandbare materialen. • Geen vluchtdeuren/-routes te realiseren aan de kant van de buisleidingen. • De aanwezigen die zich niet binnen in een gebouw bevinden de mogelijkheid te bieden om binnen te schuilen. • Samen met de bewoners een plan op te stellen met betrekking tot de handelingsperspectieven bij een incident bij de hogedruk aardgastransportleiding(en). • De nieuwe woning te voorzien van mechanisch afsluitbare ventilatie. Externe veiligheidsbeleid De ontwikkeling is getoetst aan het vastgestelde externe veiligheidsbeleid van de gemeente Raalte. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambitie van het beleid.
In het beleid staat aangegeven dat de oriënterende waarde van het groepsrisico als grenswaarde moet worden beschouwd. Gezien de lage personendichtheid ter hoogte van de ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de aardgasleidingen en de beperkte toename van het aantal personen (1 woning, 2,4 personen) is het niet te verwachten dat de oriënterende waarde zal worden overschreden. Hemmekens Marsweg 20 In het kader van onderliggend plan is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied aan de Hemmekens Marsweg 20 geen risicobronnen zijn die het plan onuitvoerbaar maken. De buisleidingen liggen op een afstand groter dan 250 meter en zijn niet van invloed op de gewenste ontwikkeling.
49
Figuur 28 Uitsnede risicokaart op planlocatie Hemmekens Marsweg 20 (bron: risicokaart.nl) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen beperking voor onderliggend initiatief op beide locaties.
4.10 Verkeer & parkeren Beleidskader In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer (bereikbaarheid) en parkeren. Om de parkeerbehoefte te bepalen wordt door de gemeente Deventer gebruik gemaakt van het parapluherziening parkeereisen. Analyse Heuvelweg 11 In het voorliggende plan wordt maximaal één nieuwe wooneenheid extra gerealiseerd ten opzichte van reeds bestemde situatie. Deze wooneenheid brengt niet significant meer verkeersbewegingen met zich mee. In de toekomstige situatie zullen de bewoners van de nieuw toe te voegen bouwkavel, gebruik maken van de oprit van de bestaande woning. Direct na de oprit zal de inrit van de nieuwe woning afbuigen via een halfverhard karrepad naar de eigen kavel. Het bestaande wegennet kan de verkeerbewegingen goed aan. Het parkeren vindt plaats op het woonerven zelf. Hemmekens Marsweg 20 Aan de Hemmekens Marsweg zal de bestaande agrarische bedrijfswoning blijven bestaan en betreft het slechts een wijziging van bestemming naar ‘Wonen’. De verkeersbewegingen zullen afnemen, omdat de agrarische activiteiten staken en minder verkeersbewegingen plaatsvinden van leveranciers en afnemers etc.. Parkeren geschiedt op eigen erf. Conclusie Het voorziene plan is op basis van de aspecten verkeer en parkeren uitvoerbaar.
50
4.11 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de Ddrempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. • De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. • Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. • De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r.
Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: - Een oppervlakte van 100 hectare of meer, - Een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of - Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en de bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. Analyse Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend plan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Conclusie Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.12 Conclusie Op basis van uitgevoerde onderzoeken en een analyse van de beoogde situatie blijkt dat ruimtelijke en milieukundige aspecten geen belemmering vormen voor de wijziging van het bestemmingsplan ter realisatie van onderliggend plan op de locaties aan de Heuvelweg 11 te Luttenberg en de Hemmekens Marsweg 20 te Nieuw Heeten. Hieruit blijkt dat het plan uitvoerbaar is.
51
5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 5.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In de directe omgeving van het plangebied aan de Heuvelweg 11 bevinden zich voornamelijk woningen, een agrarisch bedrijf en vakantiepark De Luttenberg. In de directe omgeving van het plangebied aan de Hemmekens Marsweg 20 bevinden zich voornamelijk woningen. Belanghebbenden in de directe omgeving van de plangebieden zijn door initiatiefnemer op de hoogte gesteld van onderliggend initiatief.
5.3 Economische uitvoerbaarheid In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat ruimtelijke plannen economisch uitvoerbaar moeten zijn. De gemeente Raalte heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin is vastgelegd dat de kosten voor de procedure, de landschappelijke inpassing en eventuele kosten voor planschade volledig voor rekening van de initiatiefnemers komen. Het is niet nodig een exploitatieplan vast te stellen, omdat het kostenverhaal met een ontwikkelingsovereenkomst is geregeld. De economische uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling is hiermee voldoende gegarandeerd.
5.4 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.
52
6 Vooroverleg 6.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit wijzigingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.
6.2 Provincie Overijssel In het voorliggende plan is sprake van het realiseren van een compensatiewoning elders dan de slooplocatie, maar beide gelegen binnen de gemeente Raalte. Het beleidskader waarop aanspraak wordt gedaan betreft de gemeentelijke beleidsnota’s ‘Rood voor Rood’ en ‘Erven in Beweging’. Het onderliggende bestemmingsplan Buitengebied geeft wijzigingsbevoegdheid aan burgemeester en wethouders ten behoeve van Rood voor Rood, binnen de bestemming ‘Agrarisch’ (artikel 3.7.6 ). Dit plan maakt gebruik van deze wijzigingsbevoegdheid en daarom is dit wijzigingsplan opgesteld. Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. De provincie Overijssel heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt en een zogenoemde ‘Vooroverleglijst ruimtelijke plannen’ opgesteld. Voor plannen in het buitengebied/ groene omgeving is in deze lijst onder B, lid 4 opgenomen: Nieuwe ontwikkelingen en uitbreidingen met KGO Plannen/omgevingsvergunningen waarvoor de KGO van toepassing is, wanneer deze passen binnen een gemeentelijk beleidskader (vastgesteld door de raad) dat door de provincie is beoordeeld als zijnde in overeenstemming met de Omgevingsvisie Overijssel, Omgevingsverordening en Werkboek KGO.
In dit beleidskader staat in ieder geval: - op welke wijze de balans tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsruimprestatie wordt bepaald; - op welke wijze via het proces binnen de gemeentelijke organisatie geborgd wordt, dat de gewenste ruimtelijke kwaliteit wordt behaald; - de goede werking van dit beleidskader moet zich bewezen hebben bij een aantal casussen waarover de provincie positief advies heeft uitgebracht. Dit plan past binnen de gemeentelijke beleidskaders ‘Rood voor Rood’ en ‘Erven in Beweging’. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met de provincie Overijssel. Omdat met alle Overijsselse gemeenten woonafspraken zijn gemaakt, is voor de kleine woningbouwplannen de voortoets in de vooroverlegfase vervallen. Het gaat om plannen met minder dan 7 woningen. Alle overige woningbouwplannen (groter dan 6 woningen) moeten wel voor het vooroverleg aan de provincie worden aangeboden. Onderhavig bestemmingsplan betreft een woningbouwplan van 1 woning aan de Heuvelweg 11 naast de bestemmingswijziging van Agrarisch naar Wonen voor de bestaande woning aan de Hemmekens Marsweg 20. Vooroverleg met de provincie is dan ook niet noodzakelijk. Het ontwerpbestemmingsplan zal op de gebruikelijke manier ter kennisgeving aan de provincie worden aangeboden.
53
Vanwege de omvang van het plan is in het kader van de regionale woonafspraken eveneens niet nodig om het concept bestemmingsplan voor te leggen aan de gemeenten binnen de subregio (Raalte en Olst-Wijhe).
6.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta Vooroverleg met het Waterschap heeft plaatsgevonden via het invullen van de digitale watertoetsen op 6 december 2021. Deze toetsen resulteerden in een positief wateradvies van het waterschap Drents Overijsselse Delta. De bestemmingen en de grootte van het plan hebben geen invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft aangegeven geen waterschapbelang te hebben bij dit plan. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat nader overleg in het kader van vooroverleg niet noodzakelijk is. De standaard waterparagraaf is te vinden in bijlagen 5 en 6.
6.4 Inspraak De buren in de directe nabijheid zijn door de initiatiefnemers persoonlijk op de hoogte gesteld van onderliggend initiatief. Vanuit de omwonenden zijn geen bezwaren op dit plan geuit.