CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing, Hoenlo 5 kavels, Definitief

Informatievoorziening raad 1 december 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Collegevoorstel besluit afwijken bestemmingsplan Hoenlo 65, 67, 69, 71 en 7325.313 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Een onderzoek naar railverkeerslawaai kan noodzakelijk zijn als in de directe nabijheid van een geluidsgevoelig object een spoorlijn is gelegen. In dit geval ligt er geen spoorlijn in de buurt van het projectgebied, een onderzoek naar railverkeerslawaai niet noodzakelijk. 5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen, wordt verwezen naar paragraaf 4.5 (milieuzonering). 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

5.2

Bodem

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2

Situatie projectgebied

In opdracht van de gemeente Raalte heeft Geofoxx een actualiserend bodemonderzoek (FASE3) uitgevoerd op de locatie Salland II te Raalte. Het onderzoek is als Bijlage 1 Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt onderstaande conclusie. “Conclusie en advies Bij het chemisch onderzoek is verontreinigingen met nikkel in het grondwater aangetoond, in concentraties die de interventie- /tussenwaarde overschrijden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijken de verhoogde concentraties te relateren aan veranderende bodemprocessen. In het rapport ‘omgaan met zware metalen in grondwater binnen de provincie Overijssel’ is een beslisschema opgenomen. Wanneer het beslisschema wordt doorlopen, kan bepaald worden welk bevoegd gezag (provincie of gemeente) verantwoordelijk is voor de besluitvorming omtrent de verhoogde concentraties. Gezien het feit dat de verontreiniging veroorzaakt wordt door een veranderd bodemproces, is de gemeente Raalte bevoegd gezag. Voor een dergelijke grondwaterverontreiniging dient door de gemeente Raalte een gebruiksadvies opgesteld te worden. Gezien de toekomstige functie van het terrein (woningen met tuin) wordt geadviseerd een dergelijk gebruiksadvies op te stellen. “ Voorliggend initiatief valt binnen de locatie waar verhoogde waarden van (lichtmetalen) Nikkel, (zware metalen) barium, cadmium, kobalt, koper en zink te vinden zijn.

Voor het gebruik van deze gronden met verhoogde waarden heeft de gemeente Raalte een gebruiksadvies opgesteld, zie Bijlage 2 Gemeentelijk gebruiksadvies, bodem Het gebruiksadvies geeft aan dat de gronden voor woningbouw, zoals in voorliggend initiatief geschikt zijn. 5.2.3

Conclusie

Het aspect ‘bodem’ staat de voorgenomen ontwikkeling, bevattende woningbouw, niet in de weg. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2

Situatie projectgebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Situatie in en bij het projectgebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met daarop de locatie van het projectgebied weergegeven middels de rode ster.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlas van de leefomgeving)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Op circa 920 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een benzinestation en in het zuiden bevindt zich, op circa 1060 meter een opslag van oxiderende gassen. Het project gebied bevindt zich op een ruime afstand vanaf de bijbehorende risicocontouren. 5.4.3

Conclusie

Gelet op bovenstaande blijkt dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds verstaan. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing •

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of milieubelastende functies op een passende afstand van milieugevoelige functies (zoals woningen) worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen binnen de kern Raalte, het gebied is in de directe omgeving omsloten door woningen, hierom is er sprake is van ‘rustige woonwijk’. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie projectgebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Er is vanuit milieukundig oogpunt geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het projectgebied bevinden zich geen milieubelastende functies. Er is vanuit milieuzonering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Andersom wordt geconcludeerd dat er geen omliggende milieubelastende functies worden beperkt in hun bedrijfsvoering door het initiatief. 5.5.4

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

5.6

Ecologie

5.6.1

Inleiding

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Rondom het projectgebied bevindt zich geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld ligt op circa 4,25 kilometer van het projectgebied (zie afbeelding 5.2). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, alsmede de grote onderlinge afstand tussen Natura 2000gebieden en het projectgebied, wordt op voorhand geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen significante negatieve gevolgen heeft voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 5.2

Uitsnede Natura 2000 gebieden (Bron: Atlas van de leefomgeving)

5.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied (rode ster) is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN, zoals op afbeelding 5.3 is weergegeven. Het dichtstbijzijnde NNN/ecologische verbindingszone ten noordwesten van het projectgebied is gelegen op circa 190 meter. Gezien de aard en omvang van dit project en het feit dat het projectgebied niet is gelegen binnen de begrenzing van het NNN, wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

Afbeelding 5.3

Uitsnede Natuurnetwerk Nederland gebieden (Bron: Atlas van de Leefomgeving)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing 5.6.3

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Doordat er sprake is van bouwwerkzaamheden. 5.6.3.2 Situatie projectgebied De gronden hebben een lage ecologische waarde en worden regelmatig onderhouden. Verder voorziet de voorgenomen ontwikkeling niet in het slopen van bebouwing, het rooien/ kappen van beplanting of dempen van watergangen. Gelet op het vorenstaande wordt het uitvoeren van een ecologische quickscan niet noodzakelijk geacht. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor beschermde flora en fauna. 5.6.4

Conclusie

Het aspect ecologie zorgt niet voor negatieve effecten op de flora en fauna en vormt zodoende geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

5.7

Archeologie & cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), een wijziging op de Monumentenwet 1988, van kracht geworden. Deze wijziging brengt met zich mee dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben gekregen en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is mogelijk archeologisch onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie projectgebied

Afbeelding 5.4

Archeologische Beleidsadvieskaart (Bron: Gemeente Raalte)

Voor gebieden met een lage verwachtingswaarde geldt dat voor plangebieden groter dan 10 hectare het landelijk gebied / groter dan 5 hectare de bebouwde kom en dieper dan 50 cm minus maaiveld een archeologische onderzoeksplicht. Tevens geldt een onderzoeksplicht wanneer het plangebied is gelegen binnen een straal van 50 m van AMK terreinen. Het projectgebied beslaat een oppervlakte van ruim minder dan 5 hectare. En bevindt zich niet nabij een AMK terrein. Geconcludeerd wordt dat een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie projectgebied Zoals eerder genoemd in hoofdstuk 4.2.4.3 bevindt projectgebied zich binnen de contouren van de ‘Ijssellinie inundatieveld’ op de laag van beleving. Het project voorziet geen veranderingen die een belemmering vormen voor het inundatieveld. Er bevindt zich op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijsel, op het projectgebied in en rondom het projectgebied geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8

Besluit Milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1. 2. 3.

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. In deze paragraaf vindt deze vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats. 5.8.2

Situatie projectgebied

5.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Rondom het projectgebied bevindt zich geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld ligt op circa 4,25 kilometer van het projectgebied (zie afbeelding 5.2). Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, alsmede de grote onderlinge afstand tussen Natura 2000gebieden en het projectgebied, wordt op voorhand geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen significante negatieve gevolgen heeft voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.

Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Indien het project wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en daarmee tevens geen m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a. 2.000 of meer woningen) wordt vergeleken met de omvang van de ontwikkeling, het bouwen van één woning, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.8.3

Conclusie

Voorliggend project is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

5.9

Wateraspecten

5.9.1

Vigerend beleid

5.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.9.1.4 Beleid Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf stroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.

Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De genoemde beleidsdocumenten kunnen worden ingezien op het hoofdkantoor van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de internetsite: www.wdodelta.nl. Op gemeentelijk niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang. 5.9.1.5 Waterplan Raalte De gemeente Raalte heeft het waterbeleid vastgelegd in het Waterplan Raalte. Hierin worden de kansen en bedreigingen, het ambitieniveau en de communicatie rondom het aspect water in beeld gebracht. Dit wordt opgesteld aan de hand van het beleid vanuit de overige overheidsinstanties, waarna met een visie een BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing uitvoeringsplan is uitgewerkt. De kern van de visie beslaat het volgende: In 2015 is het watersysteem binnen de gemeente Raalte veilig, schoon en aantrekkelijk. Het watersysteem voldoet aan de eisen vanuit landelijk, provinciaal en regionaal beleid en heeft een duidelijke meerwaarde. Bij het nemen van maatregelen wordt geanticipeerd op de gevolgen van klimaatverandering. De benodigde maatregelen zijn realistisch in tijd en kosten. De visie en het uitvoeringsplan bestaan uit de volgende thema’s: • • • •

Te veel en te weinig water (wateroverlast); Waterkwaliteit en ecologie; Waterbeleving; Communiceren.

5.9.1.6 Gemeentelijk Rioleringsplan De gemeente Raalte heeft een Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) vastgesteld voor een periode van 2014 – 2020. In het GRP zijn de zorgplichten voor het afvalwater, hemelwater en grondwater ingevuld en is de benodigde financiële dekking bepaald. Volgende aspecten worden in acht genomen om te streven naar het beoogde effect. • • • •

5.9.2

Voor hemelwater wordt gestreefd naar ontvlechten zodat alleen nog afvalwater afvoeren naar de RWZI; Hemelwater lokaal benutten, infiltreren of lozen op oppervlakte water; Grondwateroverlast oplossen als er structurele overlast is die doelmatig met maatregelen kan worden opgelost; Samenwerken binnen de regio en met het Waterschap Drents Overijsselse Delta om de kwetsbaarheid van de individuele organisaties te verminderen. Waterparagraaf

5.9.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.9.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Op basis van deze digitale toetsing valt de ontwikkeling onder de normale procedure. De ‘standaard waterparagraaf’ behorende bij deze procedure is opgenomen in Bijlage 3 Watertoets resultaat van deze onderbouwing.

Hieronder wordt op enkele wateraspecten in het projectgebied ingegaan. Waterhuishouding Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 centimeter

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing boven het straatpeil te hanteren. Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Hemelwaterafvoer Hemelwater wordt via infiltratie rechtstreeks in de bodem geïnfiltreerd. Afvalwater Het afvalwater wordt afgevoerd via het bestaande rioolstelsel onder de Statenweg. Overstroombaar gebied Het plan ligt in een overstroombaar gebied dat normaal niet onder water staat, maar kan overstromen (tijdelijk onder water staan). Het gaat zowel om uiterwaarden die frequent onder water staan (buitendijks) als om beschermde gebieden achter de dijk (binnendijks). Beide vallen onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). Watertoetsproces De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta geeft een positief wateradvies.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 7 VOOROVERLEG 7.1

Wettelijke vooroverleg

7.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 7.1.2

Provincie Overijssel

Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. Voor plannen in bestaand stedelijk gebied/bestaand bebouwd gebied welke voorzien in woningbouw is, op basis van lid A onder 1 van de vooroverleglijst ruimtelijke plannen, geen vooroverleg vereist indien deze plannen in lijn zijn met de tussen gemeente en provincie gemaakte en geldende prestatieafspraken Wonen. Het voorliggende plan is in overeenstemming met de geldende afspraken tussen gemeente en provincie. Daarom hoeft het plan in het kader van vooroverleg niet voor worden gelegd aan de provincie Overijssel. 7.1.3

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Op basis van deze digitale toetsing valt de ontwikkeling onder de normale procedure. Het waterschap geeft hiermee een positief wateradvies, het vooroverleg is hiermee afgerond.

7.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt geen voorontwerpvergunning ter inzage gelegd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Hoenlo vijf seniorenwoningen, Raalte Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 1

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Actualiserend bodemonderzoek

Salland II te Raalte (FASE3)

Actualiserend bodemonderzoek

Salland II te Raalte (FASE3)

Opdrachtgever Gemeente Raalte Mevrouw E. Jansen Postbus 5000 7400 GC DEVENTER

Auteur De heer M.J. Leverink Paraaf:

Adviesbureau Geofoxx Eektestraat 10-12 Postbus 221 7570 AE OLDENZAAL Tel. 0541 - 585544

Kwaliteitscontrole De heer R.H.J. Siers

Status Definitief Datum 17 juli 2017 Projectnummer 20170850/RREK Documentkenmerk 20170850_a1RAP.docx

Controle / vrijgave De heer R.H.J. Siers

Paraaf:

Paraaf:

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3) Salland II te Raalte

Inhoudsopgave 1

Inleiding

1

2

Vooronderzoek en onderzoeksopzet 2.1 Algemeen 2.2 Historisch, huidig gebruik en algemene gegevens 2.3 Toekomstig gebruik 2.4 Belendende percelen 2.5 Resultaten eerder uitgevoerd bodemonderzoek 2.6 Bodemopbouw en geohydrologie 2.7 Financieel / juridische aspecten 2.8 Onderzoeksopzet

2 2 2 3 3 3 3 4 4

3

Werkzaamheden, resultaten en interpretatie 3.1 Kwaliteit 3.2 Werkzaamheden 3.3 Resultaten veldonderzoek 3.4 Resultaten laboratoriumonderzoek 3.5 Interpretatie resultaten

5 5 5 6 8 9

4

Samenvatting, conclusies en advies

11

Bijlagen 1 Situatietekeningen 1.1 Topografische ligging locatie 1.2 Situatieschets 2 Boorstaten 3 Analyseresultaten 4 Toetsingscriteria en -tabellen 5 Toelichting bodemonderzoek 6 Foto’s 7 Historische kaarten 8 Onafhankelijkheidsverklaring veldwerker

Projectnummer

Datum

20170850/RREK

juli 2017

-/-

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3) Salland II te Raalte

1

Inleiding

In opdracht van de gemeente Raalte heeft Geofoxx, als onafhankelijk adviesbureau1, een actualiserend bodemonderzoek (FASE3) uitgevoerd op de locatie Salland II te Raalte. De aanleiding van het onderzoek wordt gevormd door de voorgenomen ontwikkeling van een woonwijk in het plangebied ‘Salland II’. Het onderzoek heeft als doel om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) te bepalen. In het rapport komt het volgende aan de orde: het vooronderzoek en de onderzoeksopzet, de veldwerkzaamheden inclusief het zintuiglijk onderzoek, het chemisch onderzoek, de interpretatie van de verzamelde gegevens, de conclusies en het advies.

1

De opdrachtgever en terreineigenaar zijn geen zuster- of moederbedrijf en komen niet uit de eigen organisatie zodat de onafhankelijkheid van het onderzoek is gewaarborgd. Geofoxx is een handelsnaam van Geofox-Lexmond bv, statutair gevestigd te Oldenzaal en ingeschreven in het handelsregister onder nr. 06056452. Op alle opdrachten zijn de algemene voorwaarden van Geofox-Lexmond bv van toepassing. Deze voorwaarden zijn te vinden op geofoxx.nl.

1 / 11

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

Salland II te Raalte

2

Vooronderzoek en onderzoeksopzet

2.1

Algemeen

Om vast te stellen of er aanleiding is om op (delen van) de onderzoekslocatie verontreinigingen te verwachten, en zo ja, om welke stoffen het daarbij gaat, is voorafgaand aan het bodemonderzoek een vooronderzoek uitgevoerd. Op grond van de verzamelde basisinformatie, de aanleiding van het onderzoek en de mate van verdachtheid is, conform de NEN57252, een standaard vooronderzoek uitgevoerd. Hiertoe is informatie verzameld over het voormalige, huidige en toekomstige gebruik van het terrein en de directe omgeving, alsmede gegevens over de bodemopbouw, geohydrologie en financieel/juridische aspecten. In de volgende paragrafen is de verkregen informatie vastgelegd.

2.2

Historisch, huidig gebruik en algemene gegevens

De onderzoekslocatie is gelegen ten noordwesten van de woonwijk ‘Het Raan’, ten noorden van het centrum van Raalte. De onderzoekslocatie ligt op het nieuwbouwgebied Salland II. In het plangebied Salland II is op het terrein tussen de Landrechtweg en Venebrugge nieuwbouw van woningen gepland. Het gebied is momenteel deels braakliggend en deels in gebruik voor agrarische doeleinden. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 37.000 m2. Op basis van historische kaarten en luchtfoto’s (zie bijlage 7) blijkt dat het huidige onderzoeksgebied altijd een agrarisch karakter heeft gekend. De percelen zijn door de jaren heen wel verkaveld, waardoor mogelijk enkele voormalige kavelsloten zijn gedempt. Op onderstaande foto is een impressie van de locatie weergegeven. In bijlage 6 zijn enkele aanvullende foto’s opgenomen.

2

NEN5725 (Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader bodemonderzoek, januari 2009).

Projectnummer

Datum

20170850/RREK

juli 2017

2 / 11

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

Salland II te Raalte

De algemene gegevens van de locatie zijn opgenomen in tabel 2.1. In bijlage 1 zijn de topografische ligging van de onderzochte locatie en een situatieschets opgenomen.

Tabel 2.1: Algemene gegevens onderzoekslocatie Algemene gegevens onderzoekslocatie Eigenaar: gemeente Raalte Huidig gebruik: braakliggend Bebouwing: geen Verharding: geen Oppervlakte onderzoekslocatie: circa 37.000 m2

Bronnen:

 

gemeente Raalte; terreininspectie.

2.3

Toekomstig gebruik

Op de locatie zal in de toekomst woningen worden gerealiseerd.

2.4

Belendende percelen

Het onderzoeksgebied ligt in landelijke gebied en wordt derhalve ook hoofzakelijk omringd door agrarische percelen. Ten zuiden en zuidoosten van de locatie is het plangebied Salland II reeds ontwikkeld. Er is geen reden om aan te nemen dat activiteiten in de nabijheid van de locatie hebben geleid tot bodemverontreiniging en daarmee tot aantasting van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie.

2.5

Resultaten eerder uitgevoerd bodemonderzoek

Voor de realisatie van het nieuwbouwplan Salland II is in het verleden eerder bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek, Oranjewoud, projectnummer 189375, maart 2009). Destijds is in zowel de boven- als de ondergrond geen verhoogde gehalten aangetoond. Het grondwater is licht tot matig verontreinigd met enkele zware metalen.

2.6

Bodemopbouw en geohydr ologie

Aan de grondwaterkaarten van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO en de geologische overzichtskaart van Nederland zijn gegevens ontleend over de regionale bodemopbouw en geohydrologie. Regionaal In tabel 2.2 is schematisch de regionale bodemopbouw weergegeven.

Projectnummer

Datum

20170850/RREK

juli 2017

3 / 11

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

Salland II te Raalte

Tabel 2.2: Regionale bodemopbouw Tijdperk Pleistoceen

Formatienaam Formatie van Boxtel

Soort afzetting Fluvio-periglaciale afzettingen bedekt met dun dekzand

Lokaal Voor de lokale bodemopbouw wordt verwezen naar bijlage 2. De regionale grondwaterstroming in het eerste watervoerende pakket is overwegend westelijk gericht. De lokale stromingsrichting van het grondwater kan hiervan afwijken.

2.7

Financieel / juridische aspecten

Juridische / financiële aspecten zijn met name aan de orde als sprake is van een potentieel geval van ernstige bodemverontreiniging, of indien sprake is van een verontreiniging die ontstaan is na 1 januari 1987. Voor de (historische) eigendomssituatie wordt verwezen naar paragraaf 2.2. Verdere uitwerking van de juridisch / financiële aspecten wordt gezien de aanleiding van het onderzoek niet noodzakelijk geacht.

2.8

Onderzoeksopzet

Op basis van de verzamelde informatie over het terrein en de directe omgeving daarvan, is uit de NEN57403 gekozen voor de onderzoeksstrategie voor een milieuhygiënische onverdachte locatie (ONV). Vanuit het vooronderzoek is bekend dat binnen het plangebied mogelijk enkele voormalige kavelsloten aanwezig zijn. Het is vooralsnog niet bekend of deze voormalige kavelsloten zijn gedempt met gebiedseigen grond, gebiedsvreemde grond of bodemvreemd materiaal. Bij de positionering van de boringen is rekening gehouden met deze dempingen binnen het plangebied. Voor een overzicht van de werkzaamheden en analyses wordt verwezen naar paragraaf 3.2.

3

NEN5740 (Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (januari 2009)

Projectnummer

Datum

20170850/RREK

juli 2017

4 / 11

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

Salland II te Raalte

3

Werkzaamheden, resultaten en interpretatie

3.1

Kwaliteit

De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de richtlijnen en kwaliteitseisen zoals genoemd in de Beoordelingsrichtlijn veldwerk voor milieuhygiënisch bodem en waterbodemonderzoek van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, nummer 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek" (kortweg: BRL SIKB 2000) en:  Protocol 2001 versie 3.2 d.d. 12-12-2013 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen);  Protocol 2002 versie 4 d.d. 12-12-2013 (Het nemen van grondwatermonsters). Het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform het AS3000 kwaliteitssysteem door een onafhankelijk, door de Raad voor Accreditatie erkend, laboratorium. Een algemene toelichting op de werkwijze bij het verrichten van boringen, het plaatsen van peilbuizen en het bemonsteren van de grond en het grondwater is weergegeven in bijlage 5. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door de volgende geregistreerde veldmedewerker de heer R. Stegink.

3.2

Werkzaamheden

In tabel 3.1 is een overzicht opgenomen van de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de verrichte analyses.

Tabel 3.1: Overzicht uitgevoerde werkzaamheden (Deel)locatie

Onderzoeksgebied (circa 37.000 m2)

Veldwerk ondiepe boringen1 33

diepe boringen1 9

pb2 5

Analyses grond 11 x standaardpakket grond3 11 x arseen

grondwater 5 x standaardpakket grondwater4 2 x nikkel5

Toelichting tabel 3.1: 1 : ondiepe boringen in principe tot 0,5 m-mv, diepe boringen tot de grondwaterstand met een minimum van 1,0 m-mv en een maximum van 2,0 m-mv. Indien zintuiglijke waarnemingen hiertoe aanleiding geven, wordt van deze diepte afgeweken; 2 : boringen afgewerkt met peilbuizen; 3 : standaardpakket grond: bepaling van percentages droge stof, organische stof en lutum, en analyse op barium, zware metalen (cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10), polychloorbifenylen (som-PCB) en minerale olie; 4 : standaardpakket grondwater: analyse op barium, zware metalen (cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie, vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen en naftaleen) en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som-1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, somdichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen (per) en bromoform); 5 : gezien het feit dat in het grondwater ter hoogte van peilbuizen 02 en 05 respectievelijk matig tot sterk verhoogde concentraties

aan nikkel is gemeten, is het grondwater uit beide peilbuizen herbemonsterd en geanalyseerd op nikkel.

Projectnummer

Datum

20170850/RREK

juli 2017

5 / 11

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

Salland II te Raalte

Het verrichten van de boringen, het plaatsen van de peilbuizen en de bemonstering van de grond heeft plaatsgevonden op 20, 21 en 27 juni 2017. Het grondwater is bemonsterd op 27 juni 2017. Het grondwater uit de peilbuizen 2 en 5 is op 12 juli 2017 herbemonsterd. De vrijgekomen grond uit de boringen is in het veld geclassificeerd (vaststellen bodemopbouw), beoordeeld op de aanwezigheid van verontreinigingen en voor chemisch onderzoek bemonsterd. Een grondmonster heeft betrekking op een maximaal bodemtraject van 0,5 meter. Indien bij een boring meerdere grondmonsters zijn genomen, is met een toenemende diepte de codering A, B, C, enz. aan het monsternummer toegevoegd. De boringen en peilbuizen zijn als volgt over de locatie verdeeld:  Positie voormalige kavelsloten: 01, 02, 03, 07, 08, 09, 10, 11, 12, 13 en 14. De boringen 01, 02 en 03 zijn afgewerkt met een peilbuis;  Overig terrein: 04, 05, 06, 15 t/m 47. De boringen 04 en 05 zijn afgewerkt met een peilbuis. Voorafgaand aan de bemonstering van het grondwater is de diepte van de grondwaterspiegel bepaald en zijn de zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (Ec) en de troebelheid van het grondwater vastgesteld. De situering van de boorpunten en peilbuizen is weergegeven in bijlage 1.3.

3.3

Resultaten veldonderzoek

In de boorstaten (bijlage 2) wordt de bodemopbouw van het onderzochte terrein weergegeven. Een globale beschrijving is opgenomen in tabel 3.2.

Tabel 3.2: Lokale bodemopbouw Diepte (m-mv) 0,0 – 2,5

Bodemsamenstelling

Opmerkingen

Zand, matig fijn

-

In de vrijkomende grond zijn geen bodemvreemde materialen aangetroffen. Ook zijn geen indicaties verkregen dat de voormalige kavelsloten zijn gedempt met bodemvreemd materiaal danwel gebiedsvreemde grond (zoals klei). Er zijn voor zover zintuiglijk waarneembaar geen asbestverdachte materialen op of in de bodem aangetroffen. Voor de waargenomen afwijkingen wordt verwezen naar tabel 3.3 en bijlage 2.

Tabel 3.3: Zintuiglijk waargenomen afwijkingen Boring 01 04 10 11 13 14

Diepte boring (m -mv) 2,60 2,20 1,00 1,00 1,00 1,00

15

0,90

Traject (m -mv) 0,40 - 2,00 0,00 - 1,40 0,40 - 1,00 0,00 - 0,30 0,40 - 1,00 0,00 - 0,30 0,30 - 0,60 0,00 - 0,80

Projectnummer

Datum

20170850/RREK

juli 2017

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand

zwak roesthoudend zwak roesthoudend zwak roesthoudend zwak roesthoudend zwak grindhoudend zwak roesthoudend zwak roesthoudend zwak roesthoudend

6 / 11

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

Salland II te Raalte

De resultaten van de metingen aan het grondwater zijn opgenomen in tabel 3.4.

Tabel 3.4: Meetgegevens grondwater Peilbuis

Filterdiepte Grondwaterstand (m -mv) (m -mv) 01 1,50 - 2,50 1,04 02 1,50 - 2,50 1,12 02 (herb.) 1,50 - 2,50 1,43 03 1,50 - 2,50 1,78 04 1,50 - 2,50 1,99 05 1,50 - 2,50 1,65 05 (herb.) 1,50 - 2,50 1,47 pH = zuurgraad Ec = elektrische geleidbaarheid

pH (-) 6,3 6,5 6,4 6,3 7,3 6,1 6,3

EC (µS/cm) 407 422 790 689 614 538 622

Troebelheid (NTU) 22 31,7 9,62 329 10,4 44 44,2

Op basis van de verzamelde (veld)informatie heeft een selectie plaatsgevonden van de te analyseren grond- en grondwatermonsters. Een overzicht van de uitgevoerde analyses is weergegeven in de tabellen 3.5 (grond) en 3.6 (grondwater).

Tabel 3.5: Monsterselectie en analyses grondmonsters Analysemonster MM1

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50

MM2

0,00 - 0,50

MM3

0,00 - 0,40

MM4

0,00 - 0,50

MM5

0,00 - 0,50

MM6

0,00 - 0,40

MM7

0,50 - 1,00

MM8

0,50 - 2,00

MM9

0,50 - 1,50

Deelmonsters

Analysepakket

15 (0,00 - 0,50) 16 (0,00 - 0,50) 17 (0,00 - 0,30) 18 (0,00 - 0,50) 19 (0,00 - 0,50) 01 (0,00 - 0,40) 07 (0,00 - 0,40) 08 (0,00 - 0,50) 21 (0,00 - 0,30) 23 (0,00 - 0,30) 10 (0,00 - 0,40) 11 (0,00 - 0,30) 39 (0,00 - 0,40) 40 (0,00 - 0,40) 42 (0,00 - 0,40) 25 (0,00 - 0,40) 27 (0,00 - 0,50) 35 (0,00 - 0,30) 36 (0,00 - 0,30) 46 (0,00 - 0,40) 29 (0,00 - 0,50) 30 (0,00 - 0,50) 32 (0,00 - 0,50) 33 (0,00 - 0,40) 47 (0,00 - 0,40) 37 (0,00 - 0,40) 38 (0,00 - 0,40) 43 (0,00 - 0,30) 44 (0,00 - 0,40) 45 (0,00 - 0,40) 06 (0,60 - 1,00) 07 (0,50 - 1,00) 08 (0,70 - 1,00) 04 (1,00 - 1,40) 04 (1,50 - 2,00) 10 (0,50 - 1,00) 11 (0,50 - 1,00) 05 (0,70 - 1,00)

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

Projectnummer

Datum

20170850/RREK

juli 2017

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

7 / 11

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

Salland II te Raalte

Analysemonster

Traject (m -mv)

MM10

0,50 - 1,50

MM11

0,50 - 1,50

Deelmonsters 05 (1,00 - 1,50) 13 (0,50 - 1,00) 14 (0,60 - 1,00) 01 (0,50 - 1,00) 01 (1,00 - 1,50) 02 (0,50 - 1,00) 02 (1,00 - 1,50) 09 (0,50 - 1,00) 03 (0,50 - 1,00) 03 (1,00 - 1,50) 12 (0,50 - 1,00)

Analysepakket

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

Arseen, Standaardpakket incl. lutum en organische stof

Tabel 3.6: Monsterselectie en analyses grondwatermonsters Monster

Peilbuis

01-1-1 02-1-1 02-1-2 03-1-1 04-1-1 05-1-1 05-1-2

01 02 02 03 04 05 05

3.4

Filtertraject (in m-mv) 1,50 - 2,50 1,50 - 2,50 1,50 - 2,50 1,50 - 2,50 1,50 - 2,50 1,50 - 2,50 1,50 - 2,50

Analyse Standaardpakket grondwater Standaardpakket grondwater Nikkel Standaardpakket grondwater Standaardpakket grondwater Standaardpakket grondwater Nikkel

Resultaten laboratoriumonderzoek

De chemische analyses zijn uitgevoerd door het milieulaboratorium van ALcontrol te Hoogvliet. De analyseresultaten zijn getoetst aan het referentiekader van het Besluit bodemkwaliteit en de Circulaire bodemsanering 2013 (staatscourant 2013 nr. 16675). In het Besluit bodemkwaliteit wordt de achtergrondwaarde (AW) voor grond en in de Circulaire worden de streefwaarde (S) voor grondwater en de interventiewaarde (I) voor grond en grondwater onderscheiden. In de tabellen 3.7 en 3.8 is een samenvatting van de analyseresultaten van respectievelijk de grond- en grondwatermonsters opgenomen. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 3. Een volledig overzicht van de toetsingsresultaten is opgenomen in bijlage 4.

Tabel 3.7: Toetsingsresultaten landbodem (mg/kg d.s.) AnalyseMonster MM1 MM2 MM3 MM4 MM5 MM6 MM7 MM8 MM9 MM10 MM11

Traject (m-mv) 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,40 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,40 0,50 - 1,00 0,50 - 2,00 0,50 - 1,50 0,50 - 1,50 0,50 - 1,50

> AW

1/2(AW+I)

>I

-

-

-

Projectnummer

Datum

20170850/RREK

juli 2017

8 / 11

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

Salland II te Raalte

Tabel 3.8: Toetsingsresultaten grondwater (µg/l) Peilbuis 01

Filterdiepte (m -mv) 1,50 - 2,50

02

1,50 - 2,50

02 (Herbemonstering) 03

1,50 - 2,50 1,50 - 2,50

04

1,00 - 2,00

05

1,50 - 2,50

05 (Herbemonstering)

1,50 - 2,50

>S

1/2(S+I)

>I

Barium Nikkel Barium Cadmium Koper Barium Koper Nikkel Barium 1,1-dichlooretheen Barium Cadmium Kobalt Koper Zink -

-

-

Nikkel

-

Nikkel -

-

-

-

-

Nikkel

Nikkel

-

Toelichting bij de tabellen 3.7 en 3.8: = het gemeten gehalte overschrijdt de betreffende toetsingswaarde niet; > AW = het gehalte is groter dan achtergrondwaarde; >S = de concentratie is groter dan streefwaarde; 1/2(AW+I) = het gehalte is groter dan de ‘tussenwaarde’; 1/2(S+I) = het gehalte is groter dan de ‘tussenwaarde’; >I = het gehalte/ de concentratie is groter dan de interventiewaarde.

3.5

Interpretatie resultaten

Grond Tijdens het zintuiglijk onderzoek zijn in de bodem geen bodemvreemde materialen waargenomen. Ook zijn geen indicaties verkregen dat de voormalige kavelsloten zijn gedempt met bodemvreemd materiaal danwel gebiedsvreemde grond. In de samengestelde grondmengmonsters (MM1 t/m MM11) is geen van de geanalyseerde parameters in een gehalte boven de betreffende achtergrondwaarden aangetoond. Ook zijn in geen van de geanalyseerde monsters een verhoogd gehalte aan arseen gemeten. Grondwater De zuurgraad (pH) en elektrische geleidbaarheid (EC) van het grondwatermonster wijken niet af van de gemiddelde waarden voor een soortgelijke bodem. In het grondwater zuidwestelijk in het plangebied (peilbuis 05) is nikkel in een concentratie boven de interventiewaarde aangetoond. Daarnaast overschrijden de concentraties barium, cadmium, kobalt, koper en zink de betreffende streefwaarden. In het grondwater centraal in het plangebied (peilbuis 02) is nikkel in een concentratie boven de tussenwaarde aangetoond. De concentraties aan barium, cadmium en koper overschrijden de betreffende streefwaarden. In overleg met de opdrachtgever is besloten het grondwater uit de peilbuizen 02 en 05 te herbemonsteren. In het grondwater uit beide peilbuizen is nikkel in een concentratie boven de tussenwaarde aangetoond.

Projectnummer

Datum

20170850/RREK

juli 2017

9 / 11

Actualiserend bodemonderzoek (FASE3)

Salland II te Raalte

In het grondwater oostelijk in het plangebied (peilbuis 04) overschrijden de concentraties aan barium en 1,1-dichlooretheen de betreffende streefwaarden. De exacte oorzaak voor het licht verhoogde concentratie aan dichlooretheen is vooralsnog niet bekend. In het grondwater uit de overige twee geplaatste peilbuizen (01 en 03) overschrijden enkele zware metalen de betreffende streefwaarden. De huidige grondwaterresultaten bevestigen deels de onderzoeksresultaten uit 2009. Destijds zijn eveneens licht tot matig verhoogde concentraties aan zware metalen aangetoond. In de provincie Overijssel worden regelmatig verhoogde concentraties aan zware metalen in het grondwater aangetoond. Er is geconstateerd dat het vaak niet eenduidig is vast te stellen of sprake is van een aanwijsbare (punt)bron of dat sprake is van een natuurlijke oorsprong. Daarom is in opdracht van de provincie Overijssel in 2008 een onderzoek uitgevoerd om de besluitvorming omtrent dergelijk verhoogde concentraties in het grondwater (Tauw; kenmerk 4496326, 2008) te verbeteren. Op basis van deze rapportage dient in eerste instantie nagegaan te worden of er een (historische) bron is te herleiden voor een dergelijke verontreiniging. Een dergelijke bron is zover momenteel is te beoordelen niet aanwezig op deze locatie. In het verleden had de locatie een agrarische bestemming.

Als tweede dient beoordeeld te worden of een grootschalige diffuse bodemverontreiniging op of in de omgeving aanwezig is (bijvoorbeeld grootschalige ophogingen met bagger en/of afval, stadskernen, etc.). Gezien de verkregen historische informatie van deze locatie in relatie tot de verkregen grondresultaten (geen verhoogde waarden in zowel boven- als ondergrond) is een grootschalige diffuse verontreiniging ook niet op de locatie te verwachten. Als laatste dient beoordeeld te worden of de verhoogde concentraties te relateren zijn aan bodemprocessen. Het is namelijk bekend dat elke bodem van nature zware metalen bevat. De van nature aanwezige metalen zijn in de regel zodanig sterk gebonden aan de bodemmatrix, dat de concentraties in het grondwater beperkt zijn. Echter wanneer het bodemproces wordt beïnvloed, door bijvoorbeeld een verlaging van de zuurgraad, redoxpotentieel, zoutconcentraties, etc., kunnen metalen worden ‘gemobiliseerd’. Het is bekend dat in een ‘zuur’ milieu (pH lager dan 6) de parameter nikkel makkelijker wordt gemobiliseerd. De zuurgraad van het grondwater binnen het plangebied ligt rondom de 6. Alleen de zuurgraad van het grondwater ter plaatse van peilbuis 4 ligt aanzienlijk hoger (7,3). Opvallend is dat in het grondwater uit deze peilbuis geen verhoogde concentratie aan nikkel is aangetoond.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=e90fb609-bf42-4a11-9a69-4d4601b8ff0f