Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
35
Geluid Voor aspect geluid wordt onderscheid gemaakt tussen een drietal zones met oplopende geluidsruimte. De milieucategorieën en richtafstanden van VNG 2009 zijn voor geluid als volgt omgezet naar zones, waarden en afstanden: Tabel 1 Tabel VNG - aspect geluid in rustig woongebied
Geur De milieucategorieën en richtafstanden van VNG 2009 zijn voor geur, zoals onderstaande tabel laat zien, omgezet naar zones, waarden en afstanden. Zoals eerder toegelicht, valt, omdat een groot aantal thema’s al op een andere wijze afdoende gereguleerd is, geur door agrarische activiteiten niet onder deze toetsing.
Ruimtelijke onderbouwing
Tabel 2Tabel VNG - aspect geluid in gemengd woongebied
36
Tabel 3 Tabel VNG - aspect geur in rustig en gemengd woongebied
Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft geen milieuhinderlijke functie, er wordt namelijk enkel een tweede bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies hoeft dus geen beoordeling plaats te vinden, aangezien de ontwikkeling geen hinder oplevert. Wél dient te worden beoordeeld of omliggende bedrijven door de realisatie van de tweede bedrijfswoning belemmerd kunnen worden in de ontwikkelingsmogelijkheden. Daarbij dient ter plaatse van de tweede bedrijfswoning sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de Lemelerveldseweg 15 te Heino is een veehouderij gevestigd. Deze is gelegen op circa 200 meter (gemeten van bouwvlak tot gevel van de beoogde tweede bedrijfswoning). Dit gemengde bedrijf heeft een vergunning voor het houden van rundvee en varkens. Gezien de grote afstand is er geen sprake van belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf. Daarnaast wordt het bedrijf reeds gehinderd door omliggende milieugevoelige functies, waardoor het toevoegen van de tweede bedrijfswoning geen extra belemmering oplevert. Voor het borgen van een goed woon- en leefklimaat zijn diverse omgevingsaspecten
Conclusie Het plan levert dus geen negatieve effecten op ten aanzien van aspect milieuzonering. Aldus kan geconcludeerd worden dat het toevoegen van de tweede bedrijfswoning leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ruimtelijke onderbouwing
onderzocht in hoofdstuk 4, hierin worden geen belemmeringen verwacht.
37
4.2.6
Geurhinder
Algemeen Paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl bevat instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld: zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) en enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4). Volgens artikel 5.92 Bkl wordt rekening gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze aanvaardbaar is. Met deze bepaling is geregeld dat bij de vaststelling van een omgevingsplan/BOPA in ieder geval rekening wordt gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij moet rekening houden met
de
lokale
specifieke
omstandigheden
en
de
(cumulatieve)
gevolgen
van
activiteiten. Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vergt een zorgvuldige belangenafweging van de gemeenteraad. Bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functie moet ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Om dat te beoordelen moet er worden getoetst aan de normen in de BS en Bal waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als deze er niet toe leidt dat het geur emitterende bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor hem geldende normen (BS en Bal) dan is er sprake van een beperking in de bedrijfsvoering. Toetsing plan Met onderhavig planvoornemen is sprake van het toevoegen van een tweede bedrijfswoning. Het betreft hier een geurgevoelig object, waarvoor een maximale toegestane geurbelasting geldt van 8 ouE/m3. Voor onderhavige ontwikkeling zijn geurberekeningen opgesteld, waaruit blijkt dat de hoogst gemeten geurbelasting 3,6 ouE/m3 bedraagt. Dit is ruim onder de norm, wat betekent dat de geurbelasting aanvaardbaar is voor het realiseren van de woning op de beoogde locatie. De volledige geurberekeningen zijn toegevoegd in bijlage 6. Conclusie Vanuit geurhinder bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen. Er is sprake
Ruimtelijke onderbouwing
van een evenwichtige toedeling van functies voor wat betreft het aspect geur.
38
4.2.7
Trillingen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5. 1. 4. 4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan.
Onder
andere
binnen
gebouwen
toegelaten
woonruimten
zijn
trillinggevoelig. Toetsing plan Het projectgebied is niet gelegen binnen een gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen
Ruimtelijke onderbouwing
ontwikkeling.
39
4.2.8
Gezondheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. Toetsing Handreiking Veehouderij en volksgezondheid 2.0 Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen. De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: •
Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt;
•
Bedrijfsontwikkeling op alle varkens- en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere (fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot;
•
Bedrijfsontwikkeling in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot;
•
Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijnstof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt;
•
Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde, individueel vermindering van fijnstof-endotoxine emissie van de veehouderij;
•
Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie.
Veehouderijen Het dichtstbij gelegen veehouderijbedrijf met een geuremissiefactor is gelegen op een afstand van circa 200 meter, van de te realiseren tweede bedrijfswoning. Gelet op de uitkomst van de uitgevoerde berekening, waarbij een minimale benodigde afstand van 49
Ruimtelijke onderbouwing
danwel door cumulatie in een gebied, kan reden zijn om na te denken over een
40
meter is vastgesteld, vormt het aspect ‘endotoxine’ geen belemmering voor het woon- en leefklimaat op de locatie.
Afbeelding 16 Uitdraai berekening endotoxine
Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het projectgebied liggen geen geitenhouderijen. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Spuitzones Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Met voorliggende ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van een tweede bedrijfswoning. Voor het gedeelte binnen de 50-meter contour van de omliggende onderzoek opgesteld om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot de tweede bedrijfswoning te beoordelen. De 50 meter-contour voor spuitzonering is toegevoegd in bijlage 7. Daarnaast is in bijlage 8 het locatiespecifiek onderzoek toegevoegd, waaruit blijkt dat het huidige gebruik niet leidt tot een belemmering voor onderhavig initiatief.
Ruimtelijke onderbouwing
agrarische gronden die niet in eigendom zijn van initiatiefnemer, is een locatiespecifiek
41
Hoogspanningsleidingen In de nabijheid van onderhavige ontwikkeling is een hoogspanningsleiding gelegen met een bestemmingsplanplichtige beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Voor een nadere uitwerking en toetsing zie paragraaf 5.3.5. Conclusie Vanuit aspect gezondheid bestaan er geen belemmeringen voor het planvoornemen
4.2.9
Duurzaamheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect duurzaamheid. Algemeen Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoetkomt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de Nationale Omgevingsvisie is ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid. Dit is weer uitgewerkt in programma's.
In het Omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels. Toetsing plan Met onderhavig initiatief wordt een tweede bedrijfswoning toegevoegd aan een biologische varkenshouderij. Door deze toevoeging wordt de voortzetting van het varkensbedrijf op langere termijn geborgd, verbetert het dierenwelzijn door constant toezicht en wordt het blijft ongewijzigd. Initiatiefnemer draagt met de toekomstige inrichting van het erf in algemene zin bij aan duurzaamheid, door onder andere het materiaal gebruik en het bouwen conform (B)ENG. Daarnaast is het project een stedenbouwkundige en ruimtelijke verbetering door de passende nieuwbouw. Conclusie Vanuit het aspect duurzaamheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ruimtelijke onderbouwing
mogelijk gemaakt om op deze schaal biologisch varkens te houden. Het agrarische bedrijf
42
4.2.10 Klimaat In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect klimaat. Algemeen Om invulling te geven aan de in de Nationale Omgevingsvisie beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten
rekening
te
worden
gehouden
met
maatregelen
ten
aanzien
van
klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Toetsing plan Met onderhavig initiatief wordt een tweede agrarische bedrijfswoning toegevoegd. Aan het agrarische bedrijf vinden verder geen veranderingen plaats. Het voornemen is te kleinschalig om bij te dragen aan het tegengaan van klimaatverandering, maar het levert geen directe belemmeringen op. Daarbij wordt bij de bouw van de woning rekening gehouden met gebruik van materialen en werktuigen, om de invloed op klimaatverandering te beperken. Conclusie Vanuit het aspect klimaatadaptatie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies
Ruimtelijke onderbouwing
aan locaties.
43
4.3 Fysieke aspecten 4.3.1
Cultureel erfgoed
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit wordt onderverdeeld in de aspecten ‘Archeologie’ en ‘Cultuurhistorie’.
4.3.1.1
Archeologie
Algemeen Voor archeologie geldt de nationale wetgeving die afkomstig is uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 mede ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd door middel van de Omgevingswet. In de regio wordt de ‘Archeologische verwachtingen- en waardenkaart 2015’ gehanteerd. De archeologische waardes zijn ingedeeld in 7 categorieën. Binnen het grondgebied van de gemeente zijn enkele terreinen met een monumentale status aanwezig en bevinden zich een aantal terreinen met een al bekende (hoge) archeologische waarde. Op de Archeologische verwachtingen- en waardenkaart 2015 is aangegeven in welke gebieden archeologisch onderzoek noodzakelijk is en in welke gebieden onderzoek achterwege kan blijven. Ook wordt vermeld in welke mate er archeologische waarden verwacht worden of beschermd zijn. Toetsing plan Op
de
locatie
rust
in
het
vigerende
bestemmingsplan
de
archeologische
dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’, dat betekent dat de betreffende gronden mede bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologische verwachtingszone met een middelhoge archeologische verwachting. In artikel is opgenomen dat het verboden is zonder omgevingsvergunning te bouwen op de voor ‘Waarde – Archeologie 2’ bestemde gronden. Op grond van artikel 37.2 onder b is gesteld dat op deze gronden alleen gebouwd mag worden als een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde beoordeeld is en is geborgd dat de archeologische waarden niet aangetast worden. Vervolgens is in artikel 37.2 onder c opgenomen dat dit verbod niet van toepassing is bij vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Met onderhavig initiatief wordt niet groter dan 5.000 m 2 gebouwd en er wordt ook niet dieper dan 50 cm gegraven, archeologisch onderzoek wordt dus niet noodzakelijk geacht. Conclusie Vanuit het sub aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Ruimtelijke onderbouwing
bebouwing, een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 5.000 m 2 óf een bouwwerk
44
4.3.1.2
Cultuurhistorie
Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: •
Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
•
Verplaatsing van beschermde monumenten;
•
Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
•
Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
•
Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
•
Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Toetsing plan Op de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Overijssel, zie navolgende afbeelding, geldt dat de weg geldt dat de planlocatie aangewezen is als historisch cultuurlandschap met de naam ‘Raarhoek – Veldhoek’. Heet betreft een ruilverkavelingsblok in een open landschap met grote kavels. Op deze cultuurhistorische waarden heeft het beoogde plan geen invloed. Met de voorgenomen ontwikkeling blijft de ruimtelijke ontwikkeling beperkt tot het agrarische bouwvlak en gronden die in eigendom zijn van
Ruimtelijke onderbouwing
initiatiefnemer. Er wordt dus geen negatieve invloed uitgeoefend op de aanwezige waarden.
45
Afbeelding 17 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart
Conclusie Vanuit het sub aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van
Ruimtelijke onderbouwing
functies.
46
4.3.2
Ecologie
Algemeen Natuurwetgeving Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels
overeen
met
natuurbescherming.
Het
gebiedsbescherming
van
de
regels
die
gaat
hierbij
in
aangewezen
zijn de
opgenomen
eerste
Natura
plaats
in
de
huidige
Wet
om
regels
voor
de
2000-gebieden,
regels
voor
de
soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte
en
Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Toetsing plan Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Rijntakken’ = bevindt zich op ruim 8 kilometer ten westen van het projectgebied. Ter impressie zie navolgende afbeelding.
Ruimtelijke onderbouwing
uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f
47
Afbeelding 18 - Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied 'Rijntakken'
Gelet op de afstand, de aard en omvang van het planvoornemen zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht en trillingen uitgesloten. Om de gevolgen van toename van stikstofstofuitstoot in kaart te brengen, zijn AERIUS-berekeningen gedaan en toegevoegd in bijlage 6, hieruit blijkt dat geen toename van stikstofdepositie te verwachten is. Natuurnetwerk Nederland In de nabijheid van het projectgebied zijn geen gronden gelegen die behoren tot het NNN. De bedrijfslocatie ligt niet in of direct nabij een gebied aangewezen als Natuurnetwerk. De bedrijfslocatie ligt op circa 1 kilometer ten noorden van het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk. Dit aspect vormt geen belemmering voor het
Ruimtelijke onderbouwing
planvoornemen.
48
Afbeelding 19 Ligging projectgebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland gebied
Beschermde houtopstanden Binnen het projectgebied zijn geen beschermde houtopstanden gelegen. Een toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is in dit voornemen dan ook niet aan de orde. Soortenbescherming In relatie tot de soortenbescherming kan over het projectgebied worden opgemerkt dat op de locatie sprake is van het toevoegen van een tweede bedrijfswoning binnen agrarisch bouwvlak. In dit kader is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Voor een gedetailleerde weergave zie bijlage 9. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zal naar verwachting geen sprake zijn projectgebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door het voornemen zullen worden beïnvloed. Conclusie Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Ruimtelijke onderbouwing
van negatief effect op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het
49
4.3.3
Water en watersystemen
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water en watersystemen. Algemeen Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Provincie In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten.
De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. Waterschap Drents Overijsselse Delta Ter plaatse van de projectlocatie is waterschap Drents Overijsselse Delta (hierna: het waterschap) verantwoordelijk voor het waterbeheer. Het beleid van het waterschap is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Het Waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn.
in
‘Salland’.
Dit
gebied
kenmerkt
zich
door
natuurgebieden,
grootschalige
landbouwgebieden en stedelijk gebied met relatief laaggelegen marsen en hoger gelegen oost-west lopende dekzandruggen. Waterveiligheid blijft hier een aandachtspunt, waarbij het een uitdaging is om aan de veiligheidsnormen te blijven voldoen, terwijl het klimaat verandert en de druk op ruimtelijke inrichting toeneemt.
Ruimtelijke onderbouwing
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 is opgenomen dat het projectgebied is gelegen
50
Toetsing plan Voor de locatie is op 20 oktober 2025 de digitale watertoets ingevuld bij het waterschap. Zie voor de digitale watertoets bijlage 10. Voor het plan is de normale procedure van toepassing. Daarom is het plan aangemeld bij het waterschap. In het vervolg van deze paragraaf zal worden aangehaakt bij het advies van het waterschap. Overstromingsrisicoparagraaf Met het planvoornemen wordt één bedrijfswoning inclusief bijgebouw en bijbehorende verharding
gerealiseerd.
Het
projectgebied
is
gelegen
binnen
een
vastgesteld
overstroombaar gebied (via Risicokaart.nl), dit betreffen zowel buitendijkse als binnendijkse zones
die
tijdelijk
onder
water
kunnen
komen
te
staan
bij
extreme
hoogwatergebeurtenissen, bijvoorbeeld bij een dijkdoorbraak. Risickaarten tonen een maximale waterdiepte van 1,5 meter, met een extreem kleine kans (eens in de 100.000 jaar). Door de toevoeging van een inrit en de nabijheid van een hoofdontsluitingsweg kunnen bewoners tijdig en veilig evacueren richting hogere plekken of evacuatiezones. Gelet op de aard en omvang van het voornemen zullen de gevolgen van een overstroming aanvaardbaar zijn, waarbij in de bouwaanvraag rekening zal worden gehouden met een aangepast ontwerp in geval van een geringe stijging van het waterpeil. Denk hierbij aan een verhoogd vloerpeil, verhoogde drempels en gebruik van waterrobuuste materialen. Daarmee
voldoet
het
plan
aan
de
eisen
zoals
gesteld
in
de
Europese
Overstromingsrisicorichtlijn 2007/60/EG en de nationale opvolging ervan en kan een acceptabel niveau van waterveiligheid worden geborgd. Hemelwater Met het plan wordt een bedrijfswoning, bijgebouw en bijbehorende verharding toegevoegd. In totaal resulteert dit in een toename van 338,58 m2 verhard oppervlak. Volgens het waterschap moet bij een toename van het verhard oppervlak tevens een waterbergend oppervlak aanwezig zijn. Gelet op de toename verhard oppervlak moet 6,77 m3 (338,58 x 0,02 m) waterberging nodig zijn om hemelwater op te kunnen vangen, zodat het oppervlakte water niet overbelast raakt. De tweede bedrijfswoning wordt gerealiseerd op gronden die momenteel agrarisch in gebruik zijn. Dit betekent dat rondom de bedrijfswoning genoeg gronden aanwezig zijn om hemelwater vertraagd te kunnen laten afvoeren. De extra toename verhard oppervlak zal geen belemmering zijn voor het vertraagd kunnen afvoeren van hemelwater. Daarnaast riet af en valt in een strook grind. Via het grind wordt het water vertraagd geïnfiltreerd in de bodem. Er is voldoende onverhard oppervlak beschikbaar op eigen gronden van initiatiefnemer. In deze situatie is er dus geen strikte noodzaak om hemelwaterberging aan te leggen.
Ruimtelijke onderbouwing
krijgt de tweede bedrijfswoning een rieten kap, zonder dakgoot. Het water stroomt van het
51
Desondanks gaat initiatiefnemer een wadi aanleggen in de tuin van de tweede bedrijfswoning. De wadi heeft een oppervlakte van 40 m2 en een inhoud van 6,77 m3. Het betreft er een verlaging van het gazon. De diepte bedraagt 0,17 m. Het water kan geborgd worden in de wadi alvorens het overstort naar het agrarische weiland erachter. Hiermee wordt voldaan aan de bergingseis. Zie voor een impressie van de locatie en kenmerken van de wadi navolgende afbeelding.
Afbeelding 20 – impressie locatie wadi
Oppervlaktewater In navolgende afbeelding zijn de waterlopen in de omgeving van het projectgebied weergegeven. Het plangebied doorkruist geen waterlopen. Wel bevindt zich ten westen van het projectgebied een waterloop. Het voornemen leidt niet tot nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater
aangezien
geen
water
wordt
aan-
of
afgevoerd
uit
oppervlaktewaterlichamen. Bovendien wordt met het planvoornemen geen water Ruimtelijke onderbouwing
onttrokken aan oppervlaktewaterlichamen.
52
Afbeelding 21 Uitsnede leggerkaart met globale aanduiding projectgebied (rood omlijnd)
Conclusie Vanuit het aspect water en watersystemen is er sprake van een evenwichtige toedeling van
Ruimtelijke onderbouwing
functies.
53
xirmConsult Onderdeel van ForFarmers
4.3.4
Verkeer en parkeren
Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie dient te worden bepaald aan de hand van de CROW-uitgave 'toekomstbestendig parkeren'. De tweede bedrijfswoning sluit aan bij het type 'Koop, huis, vrijstaand'. In de CROW-publicatie wordt onderscheid gemaakt naar zones: centrum, schil
centrum, rest bebouwde kom en buitengebied. Per zone geeft de CROW-publicatie weer hoe veel de verkeersgeneratie bedraagt. De verkeersgeneratie per woning bedraagt minimaal 7,8 en maximaal 8,6. De maximale verkeersgeneratie bedraagt dus 8,6 motorvoertuigen per etmaal.
Met onderhavig initiatief wordt een ontsluiting ten behoeve van de tweede bedrijfswoning aan de Verversweg toegevoegd, dit levert gezien de overzichtelijkheid van de weg geen onveilige situaties op. Het plan leidt tot een beperkte verhoging van de verkeersintensiteit op het omliggende wegennet. De beperkte verkeersbewegingen die gepaard gaan met de woonfunctie, zijn gemakkelijk op te vangen door het omliggende wegennet. Afbeelding 22 - uitsnede CROW-publicatie met normen voor verkeersgeneratie Verkeersgeneratie (per woning)
Rest bebouwde kom
Schil centrum
Centrum
Buitengebied
min.
max.
min.
max.
min.
max.
min.
max.
Zeer sterk stedelijk
5,9
6.7
6,4
7,2
7,3
8.1
7,8
8,6
Sterk stedelijk
6.4
7.2
7,3
8.1
7.8
8.6
7.8
8.6
Matig stedelijk
7.3
8.1
7,6
8.4
7.8
8.6
7.8
8.6
Weinig stedelijk
7.5
8.3
7,7
8.5
7.8
8.6
7.8
8.6
Niet stedelijk
7,5
8,3
7,7
8,5
7.8
8.6
7.8
8.6
Parkeren Uitgangspunt is dat de parkeernormen zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers
uit publicatie CROW. Er wordt voor het gehele grondgebied een onderscheid gemaakt naar drie zones: "centrum", "schil centrum", "rest bebouwde kom" en "buitengebied'. Het plangebied is gelegen in het buitengebied. De functie komt overeen met Wonen in het type 'Koop, huis, vrijstaand'. Conform de CROW-publicatie dient het aantal parkeerplaatsen per woning minimaal 1,7 en maximaal 2,5 te bedragen. Op het erf is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. CD
C 3 5 o Q
O
15 C O
9 g
E 5 0
54
Afbeelding 23 – uitsnede CROW-publicatie met normen voor parkeerplaatsen
Conclusie Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen voorliggende ontwikkeling.
4.3.5
Kabels en leidingen
Er zijn blijkens het geldende omgevingsplan en de risicokaart via Atlas van de leefomgeving in of rond het projectgebied geen kabels of leidingen gelegen met een planologische beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Vanwege het aspect kabels en leidingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van
Ruimtelijke onderbouwing
functies.
55
5 Beperkingsgebieden In dit hoofdstuk worden de beperkingsgebieden uitgelicht. Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Kortgezegd zijn dit de gebieden rondom wegen en waterstaatswerken waar beperkingen gelden. Dit betekent dat er beperkingen gelden voor activiteiten van derden, ter plaatse van de weg of het waterstaatswerk
als
ook
in
de
daaraan
grenzende
(beschermings)zones.
Een
beperkingengebied is in feite wat nu de (beschermings)zones onder de huidige wetgeving zijn en in veel gevallen omvat het beperkingengebied ook de locatie van de weg of het waterstaatswerk of object zelf. Het projectgebied
Verversweg 2
is niet gelegen binnen een beperkingsgebied.
Ruimtelijke onderbouwing
Beperkingsgebieden hebben dus geen invloed op voorliggend initiatief.
56
6 Uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. De gedachte is dat door het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden bij projecten en plannen niet alleen meer draagvlag ontstaat, maar dat ook de kwaliteit van de besluitvorming erover beter wordt. Initiatiefnemer heeft in de beginfase van zijn plan geparticipeerd met omwonenden. Initiatiefnemer heeft ervoor gekozen om omwonenden afzonderlijk te informeren over het initiatief. Voor deze wijze van participatie is gekozen aangezien een afzonderlijk gesprek gelegenheid biedt om de situatie uit te leggen. Aan omwonenden is (vrijblijvend) om een mening gevraagd ten aanzien van het initiatief. Omwonenden hebben kennis genomen van het plan en hebben overwegend positief gereageerd. Eén omwonende heeft aangegeven begrip te hebben voor de ontwikkeling, maar het jammer te vinden dat zijn zicht wordt verminderd. De participatie heeft er niet toe geleid dat wijzigingen in het plan zijn aangebracht. Economische uitvoerbaarheid Met deze onderbouwing is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot buitenplanse omgevingsplanactiviteit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaal plichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit"). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het Omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt anderszins verzekerd zijn dan wel Omgevingsbesluit. In artikel 8.15 van het Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage
IV
aangewezen
als
verhaalbare
kostensoorten.
In
onderdeel
“Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Toetsing
A11
staat
Ruimtelijke onderbouwing
vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14
57
Met het toepassen van de Bopa-procedure wordt een aangewezen bouwactiviteit mogelijk gemaakt waarvoor kostenverhaal verplicht is. Er wordt een anterieure overeenkomst afgesloten waarin alle verplicht te verhalen kosten worden verhaald. Conclusie
Ruimtelijke onderbouwing
Het initiatief voldoet aan de kaders voor economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal.
58
7
Toetsing evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Algemeen Conform artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL, artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl (zie ook beleidskader Rijk en provincie). Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling wordt rekening gehouden met (milieu-) invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van Verversweg 2 vanuit het oogpunt van een evenwichtige
Ruimtelijke onderbouwing
toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar en haalbaar is.
59
8 Bijlagen 1.
Milieutekening bestaande situatie
2.
Schets toekomstige situatie
3.
Landschappelijke inpassing
4. Bodemonderzoek 5. Akoestisch onderzoek 6. Memo stikstof en geurberekening 7.
Contour spuitzonering
8. Locatiespecifiek onderzoek spuitzonering 9. Quickscan Flora en Fauna
Ruimtelijke onderbouwing
10. Watertoets
60