Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Docnr10
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
LOCATIE Verversweg 2 4181 PM Heino
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
Adviseur/contact:
FarmConsult Postbus 91 7240 AB Lochem farmconsult@forfarmers.eu KvK nummer: 08207868 Vestigingsnummer: 000016141881
Datum: Versie:
300181978/2417/LvL
24 april 2026 5
Inhoudsopgave
2
3
4
INLEIDING ...........................................................................................................................................1 1.1
Aanleiding ........................................................................................................................................................................ 1
1.2
Ligging van het projectgebied ........................................................................................................................ 2
1.3
Leeswijzer ......................................................................................................................................................................... 3
GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL .....................................................................................................4 2.1
Ruimtelijke en functionele hoofdstructuur ............................................................................................. 4
2.2
Bestaande situatie .................................................................................................................................................... 5
2.3
Toekomstige situatie ............................................................................................................................................... 6
BELEIDSKADER ................................................................................................................................... 9 3.1
Rijksbeleid ........................................................................................................................................................................ 9
3.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................................................... 12
3.3
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................................................. 20
OMGEVINGSASPECTEN .....................................................................................................................25 4.1
M.e.r.-beoordeling .................................................................................................................................................. 25
4.2
Milieuaspecten ......................................................................................................................................................... 26
4.3
Fysieke aspecten ....................................................................................................................................................44
5
BEPERKINGSGEBIEDEN ..................................................................................................................... 56
6
UITVOERBAARHEID .......................................................................................................................... 57
7
TOETSING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES .................................................... 59
8
BIJLAGEN ....................................................................................................................................... 60
Ruimtelijke onderbouwing
1
'farmConsult Onderdeel van ForFarmers
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Initiatiefnemer is de eigenaar van biologische varkenshouderijlocatie Verversweg 2 te Heino. Vader en zoon zijn samen verantwoordelijk voor de dagelijkse bedrijfsvoering. Op locatie zijn een bedrijfswoning, vier varkensstallen met een gedeelte onverharde uitloop, kapschuur en
voorzieningen behorende tot de varkenshouderij aanwezig. Zoon wenst samen met zijn partner de eerste bedrijfswoning te betrekken, vader wenst een tweede bedrijfswoning te bouwen aan de westkant van de bedrijfslocatie. Op deze manier
wordt een houdbare situatie gecreëerd, waarbij het gezin het omvangrijke bedrijf kan blijven
runnen. Momenteel is het projectgebied in gebruik als grasland. Onderstaand is globaal de gewenste locatie van de tweede bedrijfswoning (projectgebied) aangegeven. Het gaat hier
om een vrijstaande woning met bijgebouw. (374
[36)
Fm
4
/12)
1
88223422
' —E2;eg/X
-9a 2"
Afbeelding 1 Luchtfoto met aanduiding bedrijfslocatie (blauw omlijnd) en globale aanduiding projectgebied (rood omlijnd) CD C
Om de ontwikkeling in juridisch planologische zin mogelijk te maken wordt een ruimtelijke
onderbouwing opgesteld met toepassing van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa).
3
5 O £2
•
0 C O
Toepassing van de Bopa-procedure is mogelijk mits dit niet in strijd is met de regels van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In voorliggende onderbouwing
9 g
E
wordt het plan nader toegelicht en gemotiveerd.
□
cc
1
1.2
Ligging van het projectgebied
Het bedrijfsperceel, met een omvang van circa 1,1 Ha, is kadastraal gekenmerkt als Heino, sectie K, nummer 15, en is gelegen ter hoogte van de Verversweg 2 te Heino.
Het
projectgebied ligt oosten van de kern Heino, ten noordwesten van de kern Raalte, in een gemengd buitengebied, waar agrarische functies en woonfuncties elkaar afwisselen.
Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 2 Luchtfoto met kadastrale gegevens en globale duiding projectgebied (rood omlijnd)
2
1.3
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie en wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische omgevingsaspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en die getoetst dienen te worden aan het principe van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 wordt achtereenvolgend aandacht besteed aan de beperkingsgebieden en uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een algemene belangen afweging en conclusie geformuleerd ten aanzien van de
gewenste
ontwikkeling.
Gedetailleerde
informatie
zoals
tekeningen,
onderzoeksrapportages en verslagen zijn bijgevoegd in de separate bijlagen in hoofdstuk
Ruimtelijke onderbouwing
8.
3
2 Gebiedsprofiel en besluitprofiel 2.1
Ruimtelijke en functionele hoofdstructuur
Het projectgebied is gelegen ten oosten van de kern van Heino, in een voornamelijk agrarisch georiënteerd gebied met daarbij ook diverse burgerwoningen. Op circa 1 kilometer ten zuiden van het projectgebied zijn de Deventerbossen gelegen.
Afbeelding 3 Uitsnede topografische kaart met aanduiding projectgebied (rode pijl)
De ontwikkeling betreft het toevoegen van een tweede bedrijfswoning. De bestaande bedrijfswoning en het biologische varkensbedrijf blijven hierbij ongewijzigd. Functioneel past de ontwikkeling in de omgeving. Dit geldt ook voor de stedenbouwkundige en ruimtelijke
Ruimtelijke onderbouwing
structuur.
4
2.2
Bestaande situatie
Aan Verversweg 2 exploiteert initiatiefnemer een biologische varkenshouderij. Vader en zoon zijn samen verantwoordelijk voor de dagelijkse bedrijfsvoering. Zoon is al jaren betrokken bij de varkenshouderij, in 2024 is een nieuwe biologische kraamstal gebouwd en is hij officieel toegetreden tot de maatschap. Op de locatie zijn een bedrijfswoning, vier varkensstallen met een gedeelte onverharde uitloop, kapschuur en voorzieningen behorende tot een varkenshouderij aanwezig. De milieutekening is ter illustratie toegevoegd in bijlage 1. De inrichting beschikt over een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 uit 2012 (kenmerk 2012/0172381) voor het houden van 42 kraamzeugen, 140 guste en dragende zeugen, 28 vleesvarkens, 1 dekbeer, 350 gespeende biggen en 20 schapen. In 2023 is een vergunning verleend voor een OBM (zaaknummer 0177ESUITE756722022) voor een wijziging naar kraamopfokhokken, hier is een wijziging van de installatie gedaan voor het houden van 182 zeugen. De dierenaantallen zijn hierbij gelijk gebleven. Het erf beschikt over twee ontsluitingen op de Verversweg. Het erf heeft diverse erfverhardingen ten behoeve van het onderhoud van de bedrijfsgebouwen en de bereikbaarheid van bedrijfsgebouwen in geval van calamiteiten. Rondom is er sprake van
Ruimtelijke onderbouwing
enkele erfbeplantingen. Overige gronden zijn niet landschappelijk ingepast.
5
2.3
Toekomstige situatie
Vader en zoon zijn samen verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de biologische varkenshouderij. In het bedrijf aan de Verversweg 2 is het noodzakelijk dat er 24 uur per dag iemand beschikbaar is. Vanwege het feit dat dit bedrijf biologisch opereert, moet het voldoen aan diverse eisen (denk aan grote hokken en vrije uitloop). Dit levert aanzienlijk meer risico’s voor de dieren op dan bij gangbare varkenshouderij, zoals bijvoorbeeld beknelling en onderkoeling van de biggen. Gezien de bedrijfsomvang en werkzaamheden omvat onderhavig initiatief het toevoegen van een tweede bedrijfswoning. Zoon wenst samen met zijn partner de eerste bedrijfswoning te betrekken. Vader in voornemens een tweede bedrijfswoning bouwen aan de westkant van de bedrijfslocatie, naast de bestaande bedrijfswoning. Op deze manier wordt een houdbare situatie gecreëerd, waarbij het gezin het omvangrijke bedrijf kan blijven runnen. Het gaat hier om een vrijstaande woning met bijgebouw ten behoeve van privé. Daarbij wordt een oprit toegevoegd. In bijlage 2 is zijn tekeningen van de woning opgenomen, hieronder een
Afbeelding 4 – impressie tweede bedrijfswoning
Ruimtelijke onderbouwing
impressie.
6
Afbeelding 5 – impressie tweede bedrijfswoning
Afbeelding 6 – impressie bijgebouw
Landschappelijke inpassing In het kader van het project is voorzien in landschappelijke inpassing. Het gaat concreet om het doorzetten van een bestaande haag en een bestaande bomenrij, een nieuw aan te een solitaire boom geplaatst. Zie voor een impressie van de landschappelijke inpassing navolgende afbeelding en bijlage 3.
Ruimtelijke onderbouwing
planten haag, nieuw aan te planten bomen en een te vergroten bosstrook. Tot slot wordt
7
Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 7 – landschappelijke inpassing
8
3 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstuk 3 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale omgevingsvisie
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: •
Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten over- stijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
•
Over een onderwerp internationale verplichtingen of af- spraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld
het
stimuleren
van
biodiversiteit,
duurzame
energie,
watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; •
Een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2.
Duurzaam economisch groeipotentieel;
3.
Sterke en gezonde steden en regio’s;
4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Ruimtelijke onderbouwing
prioriteiten:
9
1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
2.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
3.
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing plan Voor locatie Verversweg 2 wordt een tweede bedrijfswoning toegevoegd bij een biologische varkenshouderij. Het is een passende ontwikkeling voor een bedrijf van dergelijke omvang en in het buitengebied. Er bestaan vanuit de NOVI geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie
Ruimtelijke onderbouwing
Het plan is in overeenstemming met de Nationale Omgevingsvisie.
10
3.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De Laddertoets geldt alleen voor de toevoeging van nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan kon worden gerealiseerd. Uit jurisprudentie volgt dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Verder geldt bij woningen dat de ladder pas doorlopen hoeft te worden wanneer meer dan 11 woningen worden toegestaan.
Toetsing plan Met onderhavig initiatief wordt een tweede bedrijfswoning toegevoegd, de bestaande bedrijfswoning blijft ongewijzigd. Aangezien met het initiatief maar één woning wordt toegestaan, hoeft de ladder formeel niet doorlopen te worden. Conclusie De ladder hoeft niet doorlopen te worden. Met toetsingen aan diverse milieuhygiënische en planologische aspecten wordt in voorliggende onderbouwing aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan
Ruimtelijke onderbouwing
locaties.
11
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Overijssel
Provinciale Staten van Overijssel hebben op 12 april 2017 de Omgevingsvisie Overijssel 2017 (hierna: de omgevingsvisie) vastgesteld. Naderhand is de omgevingsvisie meerdere malen geactualiseerd. De laatste actualisatie dateert van 8 november 2023. In de omgevingsvisie schetst de provincie haar visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de rode draden van de omgevingsvisie: -
Bij duurzaamheid horen de volgende vier ambities: o
een klimaatbestending Overijssel;
o
een duurzame energiehouding;
o
het sluiten van kringlopen;
o
het beter benutten van bestaande ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur
-
Bij ruimtelijke kwaliteit horen de volgende zeven ambities: o
natuur als ruggengraat;
o
een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel;
o
voortbouwen
aan
de
kenmerkende
structuren
van
de
agrarische
cultuurlandschappen; o
brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur;
-
o
zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
o
het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken;
o
sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel.
Bij sociale kwaliteit horen de volgende drie ambities: o
het Overijssels ‘noaberschap’ koesteren;
o
stimuleren van culturele identiteit;
o
verbinden van de lokale kennis en energie met de ontwikkeling van provinciaal beleid en de uitvoering van ruimtelijke opgaven.
Centrale beleidsambitie en provinciale belangen beleidsambities. Deze benadert de provincie vanuit de – overkoepelende – rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit, waarvoor zij – themaoverstijgende – kwaliteitsambities heeft geformuleerd. De negen centrale beleidsthema’s zijn: 1.
Woonomgeving: goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst;
2.
Economie en vestigingsklimaat: een vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie
met
flexibele
vestigingsmogelijkheden;
naast
kennisintensieve
Ruimtelijke onderbouwing
De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale
12
maakindustrie, mkb en logistiek ook voor topsectoren, ondernemingen, start-ups en zzp-ers; 3.
Natuur: een gezonde en aantrekkelijke natuur voor mensen, dieren en planten; een natuur die beleefd en gebruikt kan worden, kan profiteren van (economische) ontwikkelingen en rijk is aan plant- en diersoorten (biodiversiteit);
4. (Binnen-)steden en landschap: versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijk, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel; 5. Mobiliteit: een veilige, betrouwbare (tijdsduur) en vlotte (keten)reis van personen en goederen van en naar stedelijke netwerken binnen en buiten Overijssel; 6. Regionaal waterbeheer: watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatbestendig, veilig en beleefbaar zijn; 7.
Veiligheid en gezondheid: veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen;
8. Energie: een betrouwbare, duurzame en betaalbare energievoorziening met beperking van uitstoot van broeikasgassen; 9. Ondergrond: balans behouden tussen gebruik en bescherming van de ondergrond. De centrale beleidsambities geven een overzicht van alle onderwerpen die Overijssel in ieder geval van provinciaal belang vinden. Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities, gebruikt Overijssel het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, 1.
generieke beleidskeuzes: ‘of’ er een maatschappelijke opgave is;
2.
ontwikkelingsperspectieven: ‘waar’ het initiatief past en ontwikkeld kan worden;
3.
gebiedskenmerken: ‘hoe’ een initiatief ingepast kan worden in het landschap.
Afbeelding 8 – uitsnede omgevingsvisie
Ruimtelijke onderbouwing
waar en hoe centraal. Dit model (zie figuur 3.1) is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
13
Generieke beleidskeuzes (‘of’) Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn: •
integraliteit;
•
toekomstbestendigheid;
•
concentratiebeleid;
•
(boven)regionale afstemming;
•
zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.
Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving) moeten doorlopen. Dit stelt immers ook eisen aan het onderbouwen van de (regionale) behoefte en de regionale afstemming van stedelijke ontwikkelingen. De Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Ontwikkelingsperspectieven (‘waar’) Na het beantwoorden van de ‘of-vraag’, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de visie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. Gebiedskenmerken: vier-lagen-benadering (‘hoe’) Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag.
Onder gebiedskenmerken verstaat de provincie de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel zijn in de Catalogus Gebiedskenmerken (hierna: de catalogus) beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of
De aanwezige gebiedskenmerken zijn onderscheiden in vier lagen: 1.
Laag van de beleving: de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving;
2.
Stedelijke laag: de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen;
Ruimtelijke onderbouwing
ontwikkeld moeten worden.
14
3.
Laag
van
de
agrarisch
cultuurlandschappen:
het
palet
van
agrarische
cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettings-vormen; 4. Natuurlijke laag: de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Toetsing plan Gebiedsspecifieke beleidskeuzes (of) Het plangebied ligt volgens de gebiedsspecifieke beleidskeuzekaart van de provincie Overijssel in de Boringsvrije zone Salland Diep. Binnen deze zone gelden regels omtrent boringen. Met het voornemen worden geen boringen verricht die nadelig zijn gelet op de ligging in de Boringsvrije zone Salland Diep.
Afbeelding 9 – kaart gebiedsspecifieke beleidskeuzes
Ontwikkelingsperspectief (Waar) Het projectgebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel
het
ontwikkelingsperspectief
‘Wonen
en
werken
in
het
kleinschalige
mixlandschap’. Vanuit de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de
ambitie
Voortbouwen
aan
de
kenmerkende
structuren
van
de
agrarische
cultuurlandschappen voorop. Het ontwikkelingslandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Schaalvergroting in de
Met onderhavig planvoornemen is sprake van de toevoeging van een tweede bedrijfswoning, de veehouderij wordt hierbij niet uitgebreid. Uitgesloten wordt dat het plan nadelige gevolgen heeft voor omliggende agrarische bedrijven. Dit volgt uit de beoordeling van de milieuaspecten in hoofdstuk 4.
Ruimtelijke onderbouwing
landbouw en opwekking van hernieuwbare energie krijgen hier de ruimte.
15
Afbeelding 10 – Kaart ontwikkelingsperspectieven
Gebiedskenmerken (Hoe): laag van de beleving Op basis van de laag van beleving ligt het plangebied in het gebied ‘Donkerte’. Beoogd wordt om in dit gebied alleen minimaal noodzakelijk kunstlicht toe te passen. Er is veel aandacht voor het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied. Met het voornemen wordt met de toevoeging van een bedrijfswoning slechts beperkt kunstlicht toegevoegd in het buitengebied, dit levert geen belemmering op voor deze laag
Afbeelding 11 – Kaart Gebiedskenmerken: laag van de beleving
Ruimtelijke onderbouwing
van de beleving.
16
Gebiedskenmerken (Hoe): stedelijke laag Op basis van de stedelijke laag komen geen gebiedskenmerken voor in het plangebied. Gebiedskenmerken (Hoe): laag van het agrarisch cultuurlandschap Het plangebied is gelegen in het ‘Oude hoevenlandschap’. De ambitie is het kleinschalige, afwisselende
oude
hoevenlandschap
vanuit
de
verspreid
liggende
erven
een
ontwikkelingsimpuls te geven. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. Het toevoegen van een tweede bedrijfswoning is een relatief kleine ontwikkeling, welke bijdraagt aan een afwisselend landschap en mogelijk maakt dat het landbouwbedrijf voortgezet kan worden. De ontwikkeling is dus inpasbaar in het landschap.
Afbeelding 12 – Kaart Gebiedskenmerken: Laag van het agrarisch cultuurlandschap
Gebiedskenmerken (Hoe): natuurlijke laag Het van toepassing zijnde gebiedskenmerk voor de natuurlijke laag is ‘Dekzandvlakte en ruggen’. In de ‘Catalogus Gebiedskenmerken’ (hierna: de catalogus) is aan Dekzandvlakte en ruggen de volgende ontwikkelingsrichting gekoppeld: “Binnen het gebiedskenmerk ‘dekzandvlakten en ruggen’ dienen ontwikkelingen bij te dragen aan het beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Tevens is de (strekkings)richting van het landschap het uitgangspunt voor de ontwikkeling.” Door de reeds groene uitstraling van het
Ruimtelijke onderbouwing
erf en de kleinschaligheid van het initiatief, wordt de natuurlijke laag niet belemmerd.
17
Afbeelding 13 – Kaart Gebiedskenmerken: natuurlijke laag
Conclusie
Ruimtelijke onderbouwing
Het plan past binnen de ambities die de provincie in de omgevingsvisie heeft verwoord.
18
3.2.2 De
Omgevingsverordening Overijssel omgevingsverordening
wordt
ingezet
voor
die
beleidsonderwerpen
uit
de
omgevingsvisie die de provincie juridisch vastgelegd wil hebben. Daartoe stelt de omgevingsverordening regels met betrekking tot de inhoud van omgevingsplannen. De Omgevingsverordening Overijssel (hierna: omgevingsverordening), die sinds 1 mei 2025 in werking is, bevat deze regels. In de omgevingsverordening zijn onder andere regels opgenomen over landschap en natuur en agrarische activiteiten, zoals de ‘geitenstop of bij uitbreiding van een agrarisch bouwperceel’. Initiatiefnemer is voornemens een tweede bedrijfswoning toe te voegen binnen bestaand bouwperceel. De bepalingen zoals genoemd in de Omgevingsverordening zijn daarom niet relevant voor het planvoornemen. Kenmerkend voor het perceel is dat het is gelegen in ‘Oude hoevenlandschap’, het ‘Informele trage netwerk’ en ‘Bakens in de tijd’. Dit volgt tevens uit de provinciale omgevingsvisie van Overijssel. Deze aanduidingen kennen geen belemmeringen voor het planvoornemen. Conclusie
Ruimtelijke onderbouwing
Het plan is in overeenstemming met de omgevingsverordening.
19
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040
Algemeen Op 26 november 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Raalte de omgevingsvisie Horizon Gemeente Raalte 2040 vastgesteld. De omgevingsvisie is een langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving voor het hele grondgebied van de gemeente. Hoofddoel van de omgevingsvisie is ‘het bereiken en instandhouden van een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit’. Thematische opgaves en ambities Buitengebied De gemeente geeft in de omgevingsvisie de ambities weer voor het buitengebied. Het buitengebied is van oudsher de plek voor de landbouw. In de gemeente is dit beeld aan het kantelen door de vele ontwikkelingen die op het landelijk gebied afkomen en deels met elkaar conflicteren. Denk aan de landbouw (zoals stoppende boeren), klimaatverandering, recreatie en toerisme. Het oude beeld van het buitengebied maakt plaats voor een nieuwe toekomst. Het groene en agrarische karakter van het buitengebied is de kern van de identiteit van Raalte. In de toekomst ziet de gemeente het buitengebied dan ook als een divers en modern productie-
en
werklandschap
met
toekomstbestendige
landbouw.
Agrarische
ondernemers krijgen kansen om zich op diverse manieren te ontwikkelen. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het toevoegen van een tweede bedrijfswoning bij een bestaande biologische varkenshouderij. Hiermee wordt bijgedragen aan de ambitie om de agrarische sector in Raalte de kans te geven om zich voort te zetten en verder te ontwikkelen. Met het toevoegen van de tweede bedrijfswoning wordt het voortbestaan van het agrarische bedrijf geborgd, vanwege de bedrijfsgrootte is het namelijk niet mogelijk om dit bedrijf met slechts één gezin te runnen. Conclusie
Ruimtelijke onderbouwing
Het voornemen is in overeenstemming met de omgevingsvisie van Raalte.
20
3.3.2
Omgevingsplan
Ter plaatse is het ‘Omgevingsplan gemeente Raalte’ van toepassing, dat sinds 1 januari 2024 in
werking
is.
Het
bestemmingsplan
‘Buitengebied
Raalte
geconsolideerd
2020’
(geconsolideerd op 2 juni 2021) van de gemeente Raalte maakt onder de Omgevingswet onderdeel uit van dit plan. Onderstaand is een uitsnede toegevoegd van de verbeelding van het betreffende bestemmingsplan. Het projectgebied bestemd als ‘Agrarisch’ met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’ en bijbehorend bouwvlak. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Voor de locatie is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – geen reconstructiezone’ opgenomen.
Afbeelding 14 Uitsnede bestemmingsplan
Om de ontwikkeling in juridisch planologische zin mogelijk te maken wordt een ruimtelijke onderbouwing opgesteld met toepassing van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). De Bopa-procedure wordt gevolgd in lijn van de wijzigingsbevoegdheid zoals beschreven in artikel 3.7.5, voor het toevoegen van een tweede bedrijfswoning. Gezien aan één enkele voorwaarde niet voldaan kan worden, namelijk artikel 3.7.5 onder f ‘de afstand meter’, is in dit geval gekozen voor de Bopa-procedure. In het principebesluit van 2 september 2025 is namelijk beargumenteerd dat gezien de opzet van het erf en omdat een compact erf wordt gecreëerd, een afstand van 45 meter akkoord is. Aan de overige voorwaarden kan worden voldaan, voor een toets aan de betreffende voorwaarden zie paragraaf 3.3.3.
Ruimtelijke onderbouwing
tussen de tweede bedrijfswoning en de overige bedrijfsgebouwen bedraagt ten hoogste 25
21
Bouwregels omgevingsplan Met de ontwikkeling wordt voorzien in de bouw van een tweede bedrijfswoning. Hiervoor geldt een maximale inhoud van 750 m3, een maximale goot- en bouwhoogte van 4,5 resp. 10 m, en een dakhelling van minimaal 20 en maximaal 55 graden. Zoals blijkt uit bijlage 2, wordt voldaan aan deze bepalingen. Middels deze aanvraag wordt daarom tevens de
Ruimtelijke onderbouwing
Omgevingsplanactiviteit bouw aangevraagd.
22
3.3.3
Toets voorwaarden artikel 3.7.5.
Het toevoegen van een tweede bedrijfswoning is niet rechtstreeks toegestaan op grond van het
bestemmingsplan
‘Buitengebied
Raalte
geconsolideerd
2020’.
Binnen
de
bestemmingsplansystematiek is in artikel 3.7.5 opgenomen dat het bevoegd gezag een tweede agrarische bedrijfswoning mogelijk kan maken, mits: a. de wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast indien permanent toezicht door twee bedrijfshoofden noodzakelijk is; Deze voorwaarde is reeds uitgewerkt en in vertrouwen gedeeld en beoordeeld door gemeente Raalte. In algemene zin kan worden opgemerkt dat een biologische varkenshouderij
van
deze schaal, vanwege
het
fysiek
belastende
werk
en de
noodzakelijkheid tot 24 uur per dag toezicht, onmogelijk door één persoon gedaan kan worden. Door het intensieve toezicht vermindert biggensterfte en verhoogt het dierenwelzijn. Het houden van varkens houden op een biologische manier, is aanzienlijk arbeidsintensiever dan gangbaar varkens houden. De arbeidsbehoefte op een biologische varkenshouderij ligt 50% hoger dan bij een gangbare varkenshouderij. Voor het bedrijf aan de Verversweg geldt een totale arbeidsbehoefte van 2.460 uur per jaar, dat kan onmogelijk door één bedrijfshoofd worden vervuld. Het is dus noodzakelijk dat de tweede bedrijfswoning wordt toegevoegd. b. de wijzigingsbevoegdheid wordt uitsluitend toegepast indien er nog niet eerder een tweede agrarische bedrijfswoning voor het bedrijf aanwezig is geweest; Er is geen sprake van een eerdere tweede bedrijfswoning. c. de
wijzigingsbevoegdheid
wordt
uitsluitend
toegepast,
indien
inwoning
of
uitbreiding van de bestaande eerste agrarische bedrijfswoning niet mogelijk is; Deze voorwaarde is reeds uitgewerkt en in vertrouwen gedeeld en beoordeeld door gemeente Raalte. De bestaande woning heeft al een inhoud van 750 m 3. Dit is de maximale inhoud voor een woning wat op basis van het bestemmingsplan is toegestaan. De uitbreiding van de huidige woning is dus niet mogelijk en de huidige woning is zo opgezet
d. de wijzigingsbevoegdheid is niet van toepassing op gronden gelegen binnen 50 m ten opzichte van de bestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding; e. het bepaalde onder d is niet van toepassing indien uit berekeningen blijkt dat het jaargemiddelde magneetveld voldoet aan de normen; Er is geen sprake van een dergelijke bestemming, het bepaalde in d en e is dus niet van toepassing.
Ruimtelijke onderbouwing
dat geen inwoning kan worden gecreëerd.
23
f.
de afstand tussen de tweede bedrijfswoning en de overige bedrijfsgebouwen bedraagt ten hoogste 25 m;
Zoals beargumenteerd in paragraaf 3.3.2 bedraagt de afstand tussen de tweede bedrijfswoning en de overige bedrijfsgebouwen circa 45 meter, dit omdat de aanwezige bedrijfswoning er nog tussen ligt. Er is dus met de realisatie van de tweede bedrijfswoning nog steeds sprake van een compact erf, met een landschappelijk aanvaardbare situatie, waarbij de tweede bedrijfswoning binnen bouwvlak gerealiseerd kan worden. In beginsel kan niet worden voldaan aan deze voorwaarde, gezien voorgenoemde wordt een Bopaprocedure gevolgd. g. de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer mag de voorkeursgrenswaarde dan wel de uiterste grenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijden; Onderdeel akoestiek is uitgewerkt in paragraaf 4.2.2, er worden geen belemmeringen verwacht. h.
de nieuwe woning dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn.
Gezien afstanden tot omliggende bedrijven en woonfuncties, worden geen belemmeringen verwacht, een en ander is uitgewerkt in hoofdstuk 4.
Conclusie Toepassing van de Bopa-procedure is mogelijk mits dit niet in strijd is met de regels van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In voorliggende onderbouwing wordt het plan nader toegelicht en gemotiveerd. Het planvoornemen past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. In navolgend hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan een evenwichtige toedeling van
Ruimtelijke onderbouwing
functies aan locaties (ETFAL).
24
xirmConsult Onderdeel van ForFarmers
4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk vindt een beoordeling plaats van de invloed van het plan op diverse omgevingsaspecten. Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu-) invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf
en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Deze grondslag is terug te vinden in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ten behoeve van het onderhavige plan zijn de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten uitgewerkt. Deze aspecten komen
in navolgende paragrafen aan bod. Daarbij wordt per omgevingsaspect eerst het algemene kader beschreven en komt vervolgens de toetsing aan het plan aan bod.
4.1
M.e.r.-beoordeling
Algemeen De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De
uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een merbeoordelingsplicht geldt.
Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-merplichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het
Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen: • In kolom 1 staan de projecten opgesomd;
• •
In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht
•
geldt; Kolom 4 bevat tot slot de besluiten die betrekking hebben op de projecten waarvoor de project-mer-(beoordelings)plicht geldt.
Toetsing project Aangezien geen sprake is van een project in de zin van kolom 1 in bijlage V van het Ob is geen sprake van een project-mer-(beoordelings)plichtig project. Conclusie Op basis van bovengenoemde beoordeling is vastgesteld dat er geen sprake is van een
project dat mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. O
C 3 5 o Q
O
15 C O
9 g
E 5 0
25
4.2 Milieuaspecten 4.2.1
Bodem
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; •
Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
•
Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
•
Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
Bij omgevingsplanactiviteit zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit. Zo moet: •
Worden beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming;
•
Worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen;
•
In de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen worden meegenomen.
Toetsing plan Onderhavig initiatief betreft het toevoegen van een tweede bedrijfswoning. Montferland Milieu B.V. heet een milieuhygiënisch vooronderzoek verricht. Uit het vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat op de projectlocatie geen noemenswaardige verhoogde gehalten aangetroffen zijn die een significante invloed hebben op de bodemgevoelige locatie. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. Voor het
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Ruimtelijke onderbouwing
volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4.
26
4.2.2
Akoestiek
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.) Algemeen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: •
Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties;
•
Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen;
•
Het bevorderen van bronmaatregelen;
•
Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels:
•
Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Toetsing plan Het toevoegen van een tweede bedrijfswoning resulteert in het toevoegen van een nieuw geluidsgevoelig gebouw. De bestaande bedrijfswoning blijft met het voornemen ongewijzigd. Tecmap heeft in oktober ’25 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai aandachtsgebied van de provinciale weg (Rondweg Heino). Hieruit blijkt dat de standaardwaarde voor de provinciale weg van 50 dB met 3 dB wordt overschreden. De waarde
voor
geluid
vanwege
gemeentelijke
wegen
bedraagt
minder
dan
de
standaardwaarde van 53 dB, namelijk 50 dB. Het gezamenlijk geluid vanwege alle beschouwde wegen bedraagt 53 dB Lden. Daarmee is sprake van een redelijke kwaliteitsmaat. Gelet op de waarde
voor het gezamenlijk geluid van 53 dB, moet de
karakteristieke geluidwerking ten minste 20 dB bedragen. Er zijn geen bouwkundige
Ruimtelijke onderbouwing
uitgevoerd voor het toevoegen van de tweede bedrijfswoning, gezien de ligging binnen het
27
maatregelen nodig om aan deze voorwaarde te kunnen voldoen. Het volledige onderzoek is terug te lezen in bijlage 5. Conclusie
Ruimtelijke onderbouwing
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
28
4.2.3
Luchtkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: •
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
•
Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
•
Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2.
Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende
mate
bijdraagt
aan
de
luchtverontreiniging.
Soms
zijn
detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Als de 3% grens voor NO2 en PM10 niet wordt overschreden, is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. Op basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekenende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft.
Ruimtelijke onderbouwing
overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen
29
Toetsing plan Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een tweede bedrijfswoning toegevoegd aan een bestaande biologische varkenshouderij. Als de 3% grens voor NO2 en PM10 niet wordt overschreden, is het plan NIBM en is geen verdere toetsing aan grenswaarden vereist. Op basis van de NIBM-tool draagt de ontwikkeling ‘in betekenende mate bij’ indien de ontwikkeling 1.450 extra voertuigbewegingen per dag tot gevolg heeft. Gelet op het aantal verkeersbewegingen zoals opgenomen in paragraaf 4.3.4 is er geen sprake van een toename van 1.450 extra voertuigbewegingen per dag op locatie. Derhalve kan worden gesteld dat het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de heersende luchtkwaliteit. Uitgaande van het worst-case scenario van onderhavig plan wordt de 3% grens niet overschreden. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: •
Bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’
•
Bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
•
Bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
Het projectgebied is niet gelegen in een aandachtsgebied zoals opgenomen in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Derhalve hoeft in dit kader geen nader onderzoek te worden verricht naar luchtkwaliteit in het kader van onderhavig planvoornemen. Achtergrondwaarden Het
toetsingskader
voor
luchtkwaliteit
wordt
gevormd
door
hoofdstuk
5.2
luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10) van belang. De geldende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
Ruimtelijke onderbouwing
en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor
30
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2024 ter plaatse tussen 6 en 8 µg/m³, de concentratie PM10 tussen minder dan 14 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen minder dan 10 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het voorgenomen initiatief is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit het Bkl.
4.2.4
Externe veiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan
Ruimtelijke onderbouwing
toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een
31
in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld
of
zijn
deze
afstanden
rekenkundig
te
bepalen
(bijlage
VII
Bkl).
Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan
in
het
Omgevingsplan
afzien
van
aanwijzing
van
een
brand-
of
explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl.
Voor
zeer
kwetsbare
gebouwen,
zoals
scholen,
kinderdagopvang,
en
verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel: het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: •
Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
•
Veiligheid
rond
opslaan,
her
verpakken
en
bewerken
pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
van
vuurwerk
en
Ruimtelijke onderbouwing
Specifieke situaties Bkl
32
•
Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
•
Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
Toetsing plan Er moet getoetst worden aan regels omtrent externe veiligheid wanneer sprake is van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Het plan maakt een kwetsbaar gebouw mogelijk, het betreft namelijk het toevoegen van een tweede bedrijfswoning. De bestaande bedrijfswoning en biologische varkenshouderij blijven ongewijzigd. In het kader van het inzichtelijk maken van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de activiteiten ten aanzien van externe veiligheid in de omgeving van de locatie inzichtelijk gemaakt. Ter impressie zie navolgende afbeelding. In de omgeving van het projectgebied zijn geen risicovolle activiteiten gelegen die, gezien de aard en omvang van het planvoornemen, van invloed zijn op onderhavige locatie. Onderhavige ontwikkeling is tevens niet van invloed op de gebruiksmogelijkheden van deze functies en activiteiten. Gezien de afstand, de aard en omvang van het planvoornemen wordt een nader onderzoek (bijvoorbeeld verantwoording van het groepsrisico) niet
Afbeelding 15 Uitsnede kaart Externe Veiligheid Atlas Leefomgeving met aanduiding projectgebied (rode pijl)
Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
Ruimtelijke onderbouwing
noodzakelijk geacht.
33
4.2.5
Milieuzonering
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect milieuzonering. Algemeen De Omgevingswet zorgt voor een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden daardoor het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen), kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgesteld voor de toelating van milieuhinderlijke activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Milieuzonering maakt het mogelijk om de regels in het Omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke activiteiten.
In aanvulling op de standaard gebiedsgerichte instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bal kan het Omgevingsplan voorzien een extra set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Deze aanvullende regels vloeien voort uit de systematiek voor milieuzonering in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG). De VNG heeft deze handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ in oktober 2024 opgesteld. Deze handreiking vervangt de veelgebruikte publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Hoewel de basisprincipes van milieuzonering hetzelfde blijven, is de nieuwe handreiking wezenlijk anders dan de systematiek in de uitgave uit 2009. Zo wordt in de nieuwe systematiek niet meer getoetst aan de aspecten stofhinder en gevaar, maar enkel nog aan geluid en geur. Voor een aantal situaties en gebieden is de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ niet aan de orde: -
Industrieterreinen (geluid): In deze gebieden zijn vaak zwaardere industrieën
-
Milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied;
-
Milieuthema’s die al op een andere wijze geregeld zijn: o
Luchtverontreiniging
o
Externe veiligheid en gevaar
o
Trillinghinder
o
Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied
o
Lichthinder en spuitzones
o
De hinder door verkeer aantrekkende werking
Ruimtelijke onderbouwing
gevestigd, daarom geldt hier op grond van het Bkl een aparte geluidregeling;
34
-
Zware activiteiten die niet direct worden toegelaten: het gaat hier bijvoorbeeld om het exploiteren van een IPPC-installatie of projecten waarvoor een mer(beoordelings)plicht
geldt
met
een
omgevingsvergunningplicht
voor
een
milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. Functiescheiding door uitwaartse en inwaartse zonering: Bij uitwaartse zonering wordt gezoneerd vanuit de milieuhinderlijke functies. Dit betekent dat er in een zone rondom het werkterrein milieugevoelige functies moeten worden geweerd. In het geval van inwaartse zonering vindt de zonering plaats vanuit de milieugevoelige activiteiten en daarbij zones met gebruiksruimte voor geluid en geur aan te houden per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit: hoe groter de afstand tot de milieugevoelige functie, hoe groter de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur kan zijn. Afhankelijk van de ligging van een activiteit ten opzichte van een zone, hebben milieuhinderlijke activiteiten meer of minder gebruiksruimte. In de nieuwe handreiking wordt uitgegaan van inwaartse zonering. Voortzetting onderscheidt gemengd gebied met wonen en rustig woongebied Zoals gebruikelijk was in de ruimtelijke ordening onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), wordt ook onder de nieuwe systematiek onderscheid gemaakt tussen twee soorten woongebieden: gemengde gebieden met wonen en rustige woongebieden. Nabij een rustig woongebied wordt de beschikbare gebruiksruimte per activiteit lager gesteld dan nabij een gemengd gebied met wonen. Hierbij staat dus een extra bescherming van een rustig woongebied ten opzichte van gemengd gebied met wonen centraal.
Buitengebied Ook in het buitengebied komen activiteiten voor met gebruiksruimte voor geluid en geur. De systematiek in de handreiking kan ook in het buitengebied worden toegepast, met als kanttekening dat de in de handreiking beschreven waarden voor geur niet gelden voor agrarische activiteiten. Opbouw in het Omgevingsplan Voor het reguleren van onder meer geluid- en geurbelasting door milieuhinderlijke activiteiten kunnen door gemeenten drie elkaar aanvullende sets van regels in het nieuwe omgevingsplan worden opgenomen: algemene bepalingen, standaard (gebiedsgerichte) omgevingsplanregels en aanvullende gebiedsgerichte omgevingsplanregels. Voor het aanwijzingen
nodig.
Zo
kan
een
gebied
bijvoorbeeld
aangewezen
worden
als
‘bedrijventerrein’ en worden de grenzen tussen ‘gemengd gebied met wonen’ en ‘rustig woongebied’ aangewezen. Ook kunnen zones worden opgenomen voor geur en geluid: basis – beperkt – en verruimd. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBI-code en de daarbij horende richtafstanden. ‘Activiteiten en milieuzonering’ stuurt strakker op de gewenste omgevingskwaliteit, omdat getoetst wordt aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur.
Ruimtelijke onderbouwing
goed functioneren van de regelingen voor geluid en geur zijn in het omgevingsplan