CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

ROB Tijs Heeten, deel 1

Raadsvergadering 18 juli 2024, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor uitbreidingsplannen varkenshouderij Heetenseweg 9a-9c, Heeten (bespreekstuk)29.417 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

7.15

Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten

93

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor.

Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Raalte waar geen sprake is van matige of sterke functiemenging. Daarom wordt in voorliggend geval uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk" (ofwel "rustig buitengebied"). Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in het uitbreiden van een varkenshouderij. Een varkenshouderij wordt aangemerkt als milieucategorie 4.1.

ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten

94

Voor agrarische bedrijven geldt de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissie-contouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Als het aspect geur buiten beschouwing gelaten wordt, geldt voor varkenshouderijen een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Dichtstbijzijnde woning betreft de woning aan de Heetenseweg 9b is een voormalige bedrijfswoning op circa 100 meter van de gevel van de (bestaande) stallen. Er wordt daarmee ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Er is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd voor de gehele ontwikkeling van de varkenshouderij. Uit dit onderzoek blijkt dat er voor de gehele ontwikkeling wordt voldaan de geldende normstelling. De beoogde ontwikkeling van de varkenshouderij zorgt dan ook niet voor een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden geen milieugevoelige functies toegevoegd of verplaatst. Het woon- en leefklimaat van bestaande functies wordt dan ook niet aangetast. Tevens worden omliggende (agrarische) bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering belemmerd.

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit plan besloten ontwikkeling.

7.16 MER-besluit De gevraagde bedrijfsopzet omvat het houden van fokzeugen, gespeende biggen, opfokzeugen en dekberen. In de gewenste situatie zijn binnen de inrichting maximaal de volgende dierplaatsen aanwezig: o 1.526 fokzeugen (356 kraamzeugen & 1.170 guste en dragende zeugen) o 8.100 gespeende biggen o 288 opfokzeugen o 6 dekberen o 13.824 vleesvarkens De wettelijke verplichting om een Besluit- of Plan-MER op te stellen is opgenomen in het Besluit MER in combinatie met artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Per 1 juli 2010 is ten aanzien van de MER een wetswijziging voor de modernisering hiervan in werking getreden. Het houden van varkens is in het Besluit MER 1994 (en navolgende wijzigingen) opgenomen in de categorieën C14 & D14. Het Besluit MER heeft betrekking op de realisatie van “nieuwe installaties” of op “wijzigingen of uitbreiden van installaties” met een capaciteit van meer dan 900 fokzeugen & 3.000 vleesvarkens. Indien de drempelwaarde van 900 plaatsen voor fokzeugen of 3.000 plaatsen voor vleesvarkens worden overschreden is het opstellen van een Besluit-MER noodzakelijk.

ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten

95

In onderhavige situatie wordt nieuwe stalruimte voor het houden van meer dan 3.000 vleesvarkens (2 stallen á 5.376 stuks) gerealiseerd. De drempelwaarde van 3.000 plaatsen voor vleesvarkens wordt hierdoor overschreden en hierdoor dient ten behoeve van de vergunningprocedure op grond van de Wabo een milieueffectenrapportage (Besluit-MER) te worden opgesteld. Inzake een MER-procedure zijn er 2 mogelijkheden: een uitgebreide MER-procedure een beperkte MER-procedure. Bij de beperkte MER-procedure vervallen een aantal eisen welke gelden voor een uitgebreide MER-procedure. Bij plannen en complexe besluiten is de uitgebreide MER-procedure van toepassing. Voor besluiten op omgevingsvergunningen op grond van de Wabo geldt de beperkte procedure. Het voornemen betreft een besluit op een omgevingsvergunning op grond van de Wabo waarvoor geen passende beoordeling op grond van de WNB benodigd is. Van overige effecten op deze gebieden, welke op ruime afstand zijn gelegen, is geen sprake. Nadelige effecten op N2000-gebieden kunnen hierdoor worden uitgesloten. Voor het realiseren van de beoogde bedrijfsopzet / bouwen van de nieuwe stallen is een aanvraag voor een (project)omgevingsvergunning op grond van de Wabo ingediend voor onder andere het “Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (afwijken bestemmingsplan)”.

Op grond van sub e bij de begripsbepaling ‘plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening’ van onderdeel A van de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage kan deze omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12m, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelijkgesteld worden aan een plan nu de aangevraagde activiteit in onderdeel C van deze Bijlage voorkomt. Hoewel deze juridische wetstekst op verschillende manieren uitgelegd kan worden, wordt het initiatief ten aanzien van het ruimtelijke spoor als Plan-MER aangemerkt. Het onderhavige Besluit-MER (onderdeel milieu) wordt opgesteld inclusief de ruimtelijke aspecten, zodat deze als Combi-MER kan worden beschouwd (Besluit-MER & Plan-MER). In deze Combi-MER is de beoogde bedrijfsopzet en de beoogde maximale veebezetting op basis van de beschikbare stalruimte / dierplaatsen als uitgangspunt gehanteerd. Voor deze bedrijfsopzet / veebezetting wordt de genoemde (project)omgevingsvergunning op grond van de Wabo ingediend en deze situatie omvat derhalve de maximale mogelijkheden / capaciteit van onderhavige inrichting. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan.

Voornoemde ontwikkeling is voorafgaand, in het kader van een principeverzoek, voorgelegd aan het college van B&W & de Gemeenteraad van Raalte (oktober en november 2021). Het college van B&W van Raalte heeft vervolgens op 8 maart 2022 besloten om in principe medewerking te verlenen aan de gewenste ontwikkeling. Het genoemde principebesluit is als bijlage 1 toegevoegd. Gedurende het traject is ambtelijk met de gemeente en provincie besproken dat de beoogde ontwikkeling met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 30 Wabo) kan worden aangevraagd. ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten

96

7.17 Gezondheidsaspecten Veevoeder en bijproducten Binnen de varkenshouderij wordt alleen gebruik gemaakt van veevoeder en bijproducten die voldoen aan de kwaliteitseisen (GMP+/HACCP). Het veevoeder c.q. grondstoffen / bijproducten bevatten derhalve geen gevaarlijke componenten. De opslag van het veevoer, de grondstoffen / bijproducten vindt plaats in hiervoor bestemde productbestendige bulksilo’s en bunkers. De opslag en toepassing van veevoeder en bijproducten brengt dan ook geen ontoelaatbare risico’s met zich mee. Mest De opslag van mest vindt plaats in kelders onder de stallen en in afgesloten mestsilo’s. Deze voorzieningen voldoen aan de hiervoor gestelde eisen en voorschriften (Activiteitenbesluit). Uitval stroom en brandveiligheid De stallen worden voorzien van een alarminstallatie. Indien de omstandigheid zich voordoet dat de stroomvoorziening of ventilatie uitvalt, wordt de veehouder automatisch gewaarschuwd en wordt er een noodstroomaggregaat in werking worden gezet. Het noodstroomaggregaat kan voor de varkenshouderij de volledige elektriciteitsbehoefte opvangen. Er wordt binnen het bedrijf alleen gebruik gemaakt worden van goedgekeurde installaties.

Om de gevolgen van een eventuele brand te beperken zijn, in overleg met de gemeente / brandweer, brandpreventieve maatregelen getroffen in de vorm van het aanbrengen van brandblussers en brandwerende voorzieningen (brandscheidingen). De brandblussers worden jaarlijks gekeurd. Daarnaast zijn er in de bedrijfsgebouwen en stallen vluchtwegen aanwezig in verband met het mogelijk uitbreken van brand. Om storingen en calamiteiten te voorkomen worden daarnaast ook de verwarmingsinstallaties en de luchtwassers zo vaak als nodig is, maar in ieder geval één keer per jaar, gecontroleerd door een erkend installatiebedrijf. Bedrijfsongevallen Om bedrijfsongevallen te beperken worden diverse maatregelen getroffen. In het algemeen kan aangegeven worden dat bij het gebruik van voermachines, ventilatiesystemen etc. specifieke voorschriften gelden die bij de betreffende machines worden bijgeleverd en waarvan de veehouder dan wel het personeel kennis neemt voor gebruik. Bij het verplaatsen van grote groepen dieren en/of het verrichten van veterinaire handelingen wordt vrijwel altijd met meerdere personen tegelijk samengewerkt. Het risico op ongevallen wordt tevens verkleind door met deskundig personeel te werken.

ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten

97

Volksgezondheid Binnen onderhavige varkenshouderij zijn maatregelen getroffen om de risico’s op een uitbraak van dierziekten zoveel mogelijk te beperken. Bij het uitbreken van een dierziekte, zoals varkenspest / MKZ, kan zich de situatie voordoen, dat het bedrijf tijdelijk wordt afgesloten. Tijdens deze periode mogen geen dieren worden aan- en afgevoerd. Gevolg hiervan is dat de veebezetting zal toenemen en dat de hokken vol zullen raken. Door een ruime bedrijfsopzet en de relatieve grote leefoppervlaktes van de dieren (conform Besluit houders van dieren) is de opvangcapaciteit van onderhavige veehouderij relatief groot. Bij een zeer lang aanhoudende periode van het niet kunnen afleveren van de biggen kan eventueel een noodopvang (noodhuisvesting / mobiele opslag van mest) worden gerealiseerd. Om de risico’s op het bedrijf te beperken c.q. te voorkomen is het bedrijf zodanig opgezet, dat bezoekers niet direct in de stallen kunnen komen. Diegene die de stallen willen bezoeken / betreden dienen zich te houden aan strikte hygiëneregels (o.a. gebruik van bedrijfskleding, een hygiënesluis, toepassen ontsmettingsmiddelen, schone en vuile weg principe etc.). Daarnaast is voor het schoonmaken en ontsmetten van vrachtauto’s een spoelplaats aanwezig. Binnen de beoogde veehouderij aan de Heetenseweg 9a worden alleen varkens gehouden.

Hierdoor is er sprake van een gespecialiseerd bedrijf met slechts één diersoort. Op basis hiervan worden de risico’s op de verspreiding van dierziekten al in grote mate beperkt. Binnen de varkenshouderij worden de volgende maatregelen getroffen in het kader van de dieren volksgezondheid en om de verspreiding van dierziektes te voorkomen: • Binnen 175 meter van het emissiepunt van de beoogde varkenshouderij is geen woning van derden aanwezig; • Het bedrijf beschikt (minimaal) over een zogenaamde A-status op grond van de VVL; • Binnen de veehouderij wordt slechts één diersoort (varkens) gehouden; • Er is geen sprake van een vrij uitloop. De dieren worden inpandig gehouden; • Professionele begeleiding door adviseurs, dierenarts en voerleverancier. • Er wordt per jaar een bedrijfsbehandelingsplan op het gebied van het gebruik van diergeneesmiddelen opgesteld in samenwerking met de begeleidende dierenarts. • De begeleidend dierenarts bezoekt iedere maand het bedrijf • Beperkt antibiotica gebruik • De periodieke verplichte bloedmonitoring op dierziekten wordt gedaan (Aujesky/CSF) • Per kwartaal extra controle op de algehele gezondheidsstatus van het bedrijf (APP/CIRCO/MYCOPLASMA/PRRS/SALMONELLA/GRIEP). • Strikte hygiënemaatregelen: - schone – vuile weg principe - Iedere bezoeker doucht zich voor een stalbezoek - Per diercategorie wordt gescheiden kleding en schoeisel gebruikt

ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten

98

- De verschillende diercategorieën (dragende zeugen/kraamzeugen/gespeende biggen/vleesvarkens) worden in gescheiden stallen gehuisvest. Hierdoor kan het contact tussen de verschillende diercategorieën tot een minimum worden beperkt. • Er worden in alle stallen gecombineerde luchtwassers toegepast. Hierdoor wordt de uitstoot van ziektekiemen en bacteriën zoveel mogelijk / maximaal voorkomen • De stallen zijn/worden uitgevoerd met conform de modernste eisen en technische inzichten Het houden van landbouwhuisdieren kan effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Risico's kunnen er ook zijn voor dieren die in nabijgelegen bedrijven worden gehouden. Het gaat hierbij om zoönosen (infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan) en bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, zoals MRSA. Ook vormt de emissie van fijnstof een risicofactor. Fijnstof uit stallen bestaat uit fijne en grovere fracties en bevat allerlei biologische agentia, waaronder endotoxinen. Daarnaast vormt geur een indirect risico voor de volksgezondheid. Ook geluidhinder en externe veiligheid zijn aspecten die effect kunnen hebben op de volksgezondheid. Het bevoegd gezag is wettelijk verplicht om de effecten van (ruimtelijke) ontwikkelingen op de volksgezondheid in de besluitvorming mee te wegen.

Deze verplichting is onder andere opgenomen in de volgende bepalingen: Wet publieke gezondheid: Het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg. Ter uitvoering van deze taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen. Tevens kunnen maatregelen geformuleerd worden ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen. Wet milieubeheer: In deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen. Wet ruimtelijke Ordening: In deze wet vormt de volksgezondheid geen specifiek aspect waarbij aan getoetst dient te worden. Wel is bepaald dat een ontwikkeling moet voldoen aan een goede ruimtelijke ordening, waarbij diverse ruimtelijke aspecten een raakvlak hebben en van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid.

ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten

99

Besluit milieueffectrapportage: waarin de verplichting staat om de effecten voor de volksgezondheid als milieugevolg van een activiteit te betrekken in de besluitvorming. Omgevingsverordening Overijssel: waarin het KGO-beleid is opgenomen voor de landbouw en de duurzame ontwikkeling van bedrijven. Voorwaarden zijn hierin dat bij uitbreiding van een bouwvlak veehouders in gesprek gaan met de omgeving over zijn plannen en extra investeert in dierenwelzijn, milieu en/of ruimtelijke kwaliteit. Onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) Het RIVM heeft in 2008 een rapport gepubliceerd met betrekking tot intensieve veehouderij en volksgezondheid. Strekking van het Rapport RIVM 2008: Effecten van intensieve veehouderij(mega)bedrijven op de volksgezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen. Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. In 2009 is het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) gestart. In juni 2011 zijn de resultaten bekend gemaakt van dit IVG-onderzoek. Hieruit is geen duidelijke afstand tot veehouderijbedrijven gebleken en geen relatie met de omvang van veehouderijen of dierdichtheid te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden.

Uit een publicatie van juli 2012 inzake het infectierisico van omwonenden van veehouderijen blijkt dat nog geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan, met uitzondering van Q-koorts. Voornoemde afgeronde onderzoeksrapporten beschouwde de rechter niet als ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. De Gezondheidsraad heeft op 30 november 2012 het advies ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen. Op basis hiervan is niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Er zijn wel aanwijzingen dat omwonenden kunnen worden blootgesteld aan endotoxinen. Concentraties van bepaalde stofdeeltjes, endotoxinen en micro-organismen, zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en ook afhangen van de mate van emissie vanuit een bedrijf. Ook de meteorologische omstandigheden, de lokale bebouwing en beplanting kunnen van invloed zijn. Onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) In 2014 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)’ van start gegaan. Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk dit aanvullende onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn bekend gemaakt in juli 2016.

In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben.

ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=411fec42-8a59-4af7-acc0-1356af352123