Reactienota zienswijzen OBP Bgb Raalte Parapluplan Erfwindmolens apr2024
Tekst van het document
Reactienota zienswijzen inzake het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Raalte, parapluplan erfwindmolens’ (planidn NL.IMRO.BP20230010-ON01) Aanleiding Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Raalte, parapluplan erfwindmolens’ heeft van donderdag 9 november tot en met woensdag 20 december 2023 ter inzage gelegen. De terinzagelegging is gepubliceerd in het Weekblad van Salland van 8 november 2023. Tevens heeft publicatie plaatsgevonden op de website van de Staatscourant/Gemeenteblad en van de gemeente Raalte. Daarbij is aangegeven, dat een ieder gedurende zes weken zienswijzen kan inbrengen. Er zijn tijdens de ter inzagelegging vijf zienswijzen ingediend. In de raadsvergadering van 9 maart 2023 heeft de gemeenteraad besloten om in principe in te stemmen met een verruiming van de hoogte van erfwindmolens van 25 meter naar 40 meter onder een aantal aanvullende voorwaarden. Er is een herziening van het bestemmingsplan Buitengebied voorbereid, waarin deze aangepaste regels zijn uitgewerkt. In dit ontwerpbestemmingsplan worden regels gesteld onder welke voorwaarden een (agrarisch) bedrijf of inwoners van het buitengebied een vergunning kunnen aanvragen voor het plaatsen van een erfwindmolen met een maximale tip- of bouwhoogte van 40 m. Zo krijgen (agrarische) bedrijven en inwoners een extra middel om hun energieverbruik zelf op te wekken en zo te verduurzamen.
Met de voorwaarden worden de belangen van omwonenden en andere functies en waarden geborgd. Naast de bestemmingsplanprocedure heeft een uitgebreider proces plaatsgevonden om inwoners te betrekken. De circa 500 inwoners die in het eerdere beleidsproces over windenergie hebben aangegeven op de hoogte te willen blijven van ontwikkelingen rond windenergie zijn in februari 2023 geïnformeerd over de Rond de Tafel bijeenkomst over het al dan niet toestaan van hogere erfwindmolens. Ook informeerden we andere belanghebbenden zoals LTO Salland, de indieners van aanvragen voor windmolens en de omwonenden die daar reacties op hebben gegeven. Iedereen die dat wilde kon een reactie geven. Een vijftiental insprekers heeft schriftelijk of mondeling hun verschillende standpunten toegelicht. De gemeenteraad heeft vervolgens op 9 maart 2023 een principestandpunt over de toegestane hoogte van erfwindmolens ingenomen en vervolgens is voorliggend ontwerpbestemmingsplan opgesteld. In een nieuwsbrief zijn de voorwaarden/regels van dit beoogde bestemmingsplan voor het plaatsen van erfwindmolens samengevat en de vervolgstappen toegelicht. Op 2 november 2023 is de nieuwbrief gepubliceerd op de website (www.raalte.nl/windenergie) en tevens per mail toegezonden aan de inmiddels ruim 600 geïnteresseerden, die zich voor deze nieuwsbrief hebben aangemeld.
Zienswijzen Van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen hebben 5 appellanten gebruik gemaakt: 1. Appellanten 1, bij brief van 22 november 2023, ontvangen op 23 november 2023; 2. Appellant 2, bij brief van 18 december 2023, afgegeven aan de balie op 18 december 2023; 3. Appellanten 3, bij brief van 18 december 2023, afgegeven aan de balie op 18 december 2023; 4. TenneT TSO B.V. (hierna TenneT), aangetekende brief van 18 december 2023 met referentie GFO-N-RE 231379, ontvangen op 20 december 2023; 5. Gedeputeerde Staten van Overijssel, aangetekende brief van 19 december 2023 met kenmerk D2023-12005804 en zaaknummer 2023-066988 , ontvangen op 21 december 2023. De zienswijzen zijn als bijlagen bij dit document gevoegd. Ontvankelijkheid De zienswijzen zijn allen binnen de termijn van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan ingediend en zijn daarmee ontvankelijk.
Reactie op zienswijzen
In deze tabel wordt een zakelijke en verkorte weergave van de zienswijzen opgenomen, met per zienswijze de reactie van ons college. Waar een zienswijze qua inhoud dan wel strekking gelijk is aan een eerder in deze nota behandelde zienswijze, zal voor de beantwoording kortheidshalve hiernaar worden verwezen.
Zienswijze 1. 1.1
Zienswijze 1 Appellanten geven aan dat het amendement waarin de aanvrager onderbouwt waarom de grotere hoogte nodig is gelet op de eigen energiebehoefte in het ontwerp bestemmingsplan is vertaald in “het op te stellen vermogen hoofdzakelijk is gericht op de eigen energiebehoefte”. Door het woord ‘hoofdzakelijk’ toe te voegen, ontstaat meer ruimte. Wat is hoofdzakelijk? Hoe wordt de energiebehoefte vastgesteld? Betreft het hier de huidige energiebehoefte of mag hier ook toekomstige energiebehoefte in worden meegenomen?
1.2
In artikel 4.1-3 wordt gesteld: “een zorgvuldige situering van de erfwindmolen met een adequate inpassing van de molenvoet en de bijbehorende voorzieningen plaatsvindt”. Wie bepaalt of de situering zorgvuldig is? Hebben omwonenden daar ook inspraak in? Deze regel is wat appellanten betreft te vaag omschreven en geeft ruimte voor meerderlei uitleg.
Reactie gemeente Raalte Reactie: Het uitsluitend opwekken van energie voor eigen gebruik is onmogelijk, omdat er door verschillende weersomstandigheden sprake kan en zal zijn van enig surplus. Dit surplus zal teruggeleverd moeten kunnen worden, dan wel met opslagmogelijkheden opgevangen moeten kunnen worden. Daarbij dient het opgestelde vermogen toekomstbestendig te zijn. Het is wat ons betreft akkoord als (agrarische) bedrijven een erfwindmolen neerzetten die nu misschien iets meer opwekt dan puur voor eigen gebruik benodigd is, omdat geanticipeerd wordt op verduurzaming van apparatuur en machines in de toekomst. Het uitgangspunt is dat de molen wordt geplaatst om te voorzien in de eigen energiebehoefte. De nuancering ‘hoofdzakelijk’ geeft blijk van de realiteit dat opwek en gebruik nooit helemaal in balans zijn en geeft ruimte voor een toekomstbestendige molen. Conclusie: De zienswijze wordt niet overgenomen. Reactie: De aanvrager van een erfwindmolen dient een plan op te (laten) stellen waarin de locatiekeuze wordt onderbouwd. Daarbij dient de erfwindmolen bij voorkeur op het erf/binnen het bouwvlak te worden geplaatst, zodat deze onderdeel is of aansluit aan de bebouwingscontour.
De molenvoet en de bijbehorende voorzieningen moeten landschappelijk ingepast worden, waarbij aangegeven wordt met welke beplanting (soorten en maten) hieraan invulling wordt gegeven en hoe dit passend is bij het landschapstype. Daarnaast moet rekening gehouden te worden met de afstanden tot de bouwvlakken van omwonenden. Ook moet voldaan worden aan milieuen externe veiligheidseisen. In artikel 4.1, sub a onder 10 hebben wij de participatie verplicht gesteld. Dit betekent dat de initiatiefnemer/aanvrager de omwonenden dient te informeren en met hun in gesprek gaat over noodzaak en alternatieven. De uitkomsten moeten schriftelijk worden vastgelegd en toegevoegd aan de aanvraag. Aan de wettelijke eisen en de regels van voorliggend bestemmingsplan dient voldaan te worden. De eisen en bijvoorbeeld de wensen van omwonenden zouden er wel toe kunnen leiden dat in uitzonderlijke situaties wordt gekozen voor een locatie net buiten het bouwvlak van de aanvrager. Om nog beter te benadrukken dat een situering van een erfwindmolen buiten het bouwvlak een uitzondering op de regel is en die niet lichtzinnig wordt genomen, zijn hiervoor de regels aangepast. De
2
1.3
Ook artikel 4.1-4: "geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, milieusituatie, de externe veiligheid, de natuurlijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden" is te vaag en geeft ruimte voor meerderlei uitleg/invulling.
1.4
Hetzelfde geldt voor artikel 4.1-5: "in afwijking van het bepaalde onder 5 mag de onder 5 bedoelde afstand minder bedragen, indien uit onderzoek naar geluid en slagschaduw blijkt dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de onder 5 genoemde aspecten, met dien verstande dat de onder 5 bedoelde afstand ten minste 100 m bedraagt". Wat is onevenredige afbreuk? Welke onafhankelijke partij bepaalt dat en welke normen worden hierbij gehanteerd?
uitwerking van de gehele regeling betreft dan ook maatwerk, maar is zeker niet vaag. Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van de regels, zodat plaatsing van een erfwindmolen in basis binnen het bouwvlak dient plaats te vinden. De uitzondering (met voorwaarden) wordt in een apart sub b opgenomen. Reactie: Het is een gangbare juridische terminologie om aan een afwijkingsbevoegdheid medewerking te verlenen, mits er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan diverse aspecten. Door de genoemde aspecten in artikel 4.1, sub a, onder 4 te benoemen kan en moet het college deze aspecten juist meewegen en motiveren bij een besluit op een aanvraag omgevingsvergunning. In de toelichting is in hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten een nadere duiding gegeven hoe wij deze aspecten beoordelen. In veel gevallen hanteren wij de wettelijke normen of adviezen van bijvoorbeeld netbeheerders. Als er beoordelingsruimte resteert dan is het aan het college van B&W om gemotiveerd invulling te geven aan die beoordelingsruimte. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Door appellanten wordt gedoeld op hetgeen is vermeld in artikel 4.1, sub a onder 6 en niet onder 5. Met betrekking tot de juridische term onevenredige afbreuk wordt verwezen naar bovenstaande reactie onder punt 1.3.
We hebben in basis de VNG-handreiking 'bedrijven en milieuzonering en de regels uit het Activiteitenbesluit (inmiddels opgevolgd door het Besluit activiteiten leefomgeving/Bal) voor geluid en slagschaduw als uitgangspunt genomen. Daaruit volgt dat 100 m de minimale afstand van een molen tot een woning van derden is. Wij hanteren echter de afstand van een molen tot de grens van het bouwvlak van een woning van een derde (een ruimere afstand dus). Tussen de 100m en 240 m afstand (of minder dan 12x de rotordiameter) is onderzoek naar geluid en slagschaduw nodig omdat niet met zekerheid gezegd kan worden dat aan de regels voor geluid en slagschaduw wordt voldaan. In dit geval valt 'onevenredige afbreuk' dan ook samen met de regels uit het Activiteitenbesluit/Bal over geluid en slagschaduw. Als niet aan die regels wordt voldaan moet een andere plek worden gezocht of bijvoorbeeld een maatregel als een automatische stilstandvoorziening worden getroffen. Op meer dan 240 m afstand (of meer dan 12x de rotordiameter) tot een bouwvlak van een derde is op voorhand duidelijk dat aan de normen voor geluid en slagschaduw wordt voldaan en is dus geen aanvullend onderzoek nodig.
3
1.5
Tenslotte is in een door BB, D66, CDA, VVD en GL voorgesteld en aangenomen amendement opgenomen dat onderzocht en beargumenteerd moet worden of tijdelijkheid van de molen opgenomen kan worden. Dit punt vinden wij niet terug in het ontwerp bestemmingsplan.
1.6
Appellanten maken zich zorgen over de ‘ruimte’ in het bestemmingsplan om regels op meerderlei wijze te interpreteren en toe te passen, waardoor alsnog vrij ‘gemakkelijk’ hoge, landschapsvervuilende erfmolens geplaatst kunnen worden. Appellanten verzoeken de partijen die voor de amendementen gestemd hebben nog eens goed naar de interpretatie van deze amendementen te kijken en de eventueel noodzakelijke aanpassingen in het ontwerp bestemmingsplan aan te brengen.
2. 2.1
Zienswijze 2 Allereerst is niet duidelijk gemaakt welke bijdrage een 40-meter windmolen levert m.b.t. de Energietransitie en de Regionale Energie
Conclusie: Deze zienswijze leidt tot een verduidelijking van de toelichting in de paragrafen 3.3 Slagschaduw en 3.4 Geluid. Reactie: Het klopt dat dit onderdeel van de motie niet in het bestemmingsplan is opgenomen. Op basis van de volgende overwegingen hebben wij de gemeenteraad geadviseerd om geen maximale instandhoudingstermijn in de regeling op te nemen: - Omgevingsvergunningen worden in beginsel voor onbepaalde tijd verleend. Zo bevat de huidige regeling voor erfwindmolens, of andere onderdelen in ons bestemmingsplan Buitengebied, ook geen maximale termijn. Er moet naar onze mening een zwaarwegende reden zijn om een maximale termijn op te nemen en die termijn moet ook goed onderbouwd kunnen worden. - Een bekende uitzondering op bovenstaand principe is de termijn van 25 jaar die voor zonneparken geldt. Die termijn is gesteld in provinciaal beleid en hangt samen met de vraag of zonneparken in de toekomst wel nodig blijven, in combinatie met het ruimtebeslag van deze parken in de groene ruimte. Daarbij is bekend dat de technische levensduur van zonnepanelen beperkt is en dat een rendabele exploitatie in 25 jaar mogelijk is. - Voor erfwindmolens gaan de overweging zoals die voor zonneparken gelden niet – of in veel mindere mate – op.
De technische levensduur van een erfwindmolen is op voorhand moeilijk in te schatten (dit hangt mede af van onderhoud en resultaten van veiligheidskeuringen). Het is niet duurzaam om een erfwindmolen vóór het einde van zijn levensduur al te moeten afbreken. Al met al zien wij onvoldoende zwaarwegende argumenten om een maximale instandhoudingstermijn in de regeling op te nemen. Conclusie: Deze zienswijze wordt niet overgenomen. Reactie: De principiële keuze om erfwindmolens tot een maximale tiphoogte van 40 m onder voorwaarden mogelijk te maken heeft de raad op 9 maart 2023 reeds gemaakt. Wij hebben de door de raad genoemde voorwaarden en de amendementen op een zorgvuldige wijze vertaald in de regels van voorliggend bestemmingsplan. De zienswijze onder punt 1.6 is onvoldoende concreet om tot aanpassingen van het plan te leiden, maar zal door de raadsleden zeker gelezen worden. Overigens leiden andere zienswijzen tot een aantal aanpassingen van het ontwerpbestemmingsplan. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen.
Reactie: Zoals in paragraaf 2.3.2 Regionale Energiestrategie West-Overijssel (RES) is omschreven zijn er in de RES geen specifieke doelen gesteld voor 4
Strategie. Ook is niet duidelijk op welke wijze inwoners (anders dan de toevallige eigenaren van een bouwvlak in het buitengebied) betrokken zijn en profiteren van de plaatsing van een (erf)windmolen.
2.2
Negatieve aspecten zoals "verrommeling van het landschap" schade aan vogels op en rond de erven, geluidsaspecten in doorgaans stille buitengebieden enzovoort dienen in kaart te worden gebracht. Op basis daarvan zou dan ook gekozen kunnen worden om bepaalde gebieden als voorkeursgebied aan te wijzen en andere gebieden uit te sluiten. De beperking tot bouwvlakken, hoogtebeperkingen van de molens en de beperking van het financieel voordeel voor bouwvlakeigenaren zouden dan kunnen komen te vervallen. Anders dan bij zonnepanelen op daken zijn windmolens visueel gezien gemeenschappelijk (publiek) eigendom. Vanaf grote afstand zijn ze zichtbaar.
2.3
Appellant is van mening dat de eindconclusie uit het hoofdstuk Nationale Omgevingsvisie van het parapluplan erfwindmolens niet correct en zeker onvolledig is. Er zijn grote strijdigheden met de intenties van het rijksbeleid. Voorbij gegaan wordt bijvoorbeeld aan de doelen zoals omschreven in het rapport van Hugo de Jonge, Programma Mooi Nederland. Het voert hier te ver om alle relevante passages te citeren. Appellant is bereid er een aantal mondeling toe te lichten.
2.4
Appellant mist een verwijzing naar de “Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land” van oktober 2020, met als ondertekenaars bedrijfsleven en landschapen natuurorganisaties.
kleine windmolens of erfwindmolens. De energieproductie van de erfwindmolens draagt dan ook nauwelijks bij aan de opgave van de RES. Wel sluit het opwekken van energie voor eigen gebruik goed aan bij de maatschappelijke doelen van de energietransitie die ten grondslag liggen aan de RES. Erfwindmolens zijn een aanvullende mogelijkheid om eigen energie duurzaam op te wekken, naast bijvoorbeeld zonnepanelen. Ze leveren daarmee een bijdrage in de energietransitie. Erfwindmolens leveren op andere momenten energie dan zonnepanelen waardoor de aansluiting op het elektriciteitsnet efficiënter benut kan worden. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen. Reactie: De principiële keuze om erfwindmolens tot een maximale tiphoogte van 40 m onder voorwaarden mogelijk te maken heeft de raad op 9 maart 2023 reeds gemaakt. Daarbij is een afweging gemaakt tussen de verschillende relevante aspecten waaronder het belang om duurzaam energie op te wekken en het belang van het landschap. Hoe zichtbaar een erfwindmolen is, is mede afhankelijk van een zorgvuldige situering en afhankelijk van het landschapstype ter plaatse. Naar onze mening zijn de aspecten die appellant benoemt al goed meegewogen bij de afweging die ten grondslag ligt aan dit bestemmingsplan en die aan de orde komen bij het toepassen van de regeling voor erfwindmolens.
Dit laatste in de vorm van een toets aan de voorwaarden, die in dit bestemmingsplan aan de plaatsing van erfwindmolens worden gesteld. Conclusie: De zienswijze wordt niet overgenomen. Reactie: Wij delen de mening van appellant niet. Het schaalniveau van de landelijke opgaven sluit niet of hooguit in beperkte mate aan bij de doelstellingen van voorliggend bestemmingsplan. In het programma ‘Mooi Nederland’ staat ruimtelijke kwaliteit als ontwerpopgave centraal, waarmee het geen integraal beeld van de opgaven geeft. Met een kleinschalige erfwindmolen wordt een ondernemer op bedrijfsniveau een extra middel gegeven om het eigen energieverbruik zelf op te wekken en zo te verduurzamen. Door de beperkte schaal levert dit op landelijk niveau een (zeer) kleine bijdrage aan de energietransitie. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassingen. Reactie: De Gedragscode waar appellant op doelt heeft betrekking op de acceptatie en participatie bij grootschalige windprojecten, zoals windparken. Die Gedragscode gaat uit van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en eigendom en is onder andere van toepassing bij windprojecten die op grote schaal bijdragen aan de Regionale Energie Strategieën (RES). Dit blijkt onder andere uit de doelstelling om de lusten en lasten zo goed mogelijk te verdelen. In de 5
2.5
De beoogde verruiming in het voorliggende plan (25 - 40 meter) zou m.b.t. de eiwittransitie wel eens contraproductief kunnen zijn aan de klimaatdoelen. Dit nog afgezien van het feit dat volgens Milieucentraal een gemiddelde windsterkte van > 5,5 m/sec noodzakelijk is om financieel voordeel te behalen uit een kleine windmolen. De gemiddelde windsterkte in Salland is naar Nederlandse begrippen zeer laag (3,5 - 4,5 m/sec).
Gedragscode is een richtbedrag opgenomen van € 0,40-0,50 per MWh (= 1.000 kW), dat ten goede komt aan de omgeving. Aangezien een erfwindmolen een vermogen van ca 80 kW heeft, is dit van een totaal andere orde. De impact van een erfwindmolen is eveneens veel geringer, zodat de gestelde voorwaarden in voorliggend bestemmingsplan in combinatie met de gemeentelijke handreiking voor het voeren van de omgevingsdialoog (zie bijlage Omgevingsvisie) voldoende is om de belangen van omwonenden te waarborgen. Conclusie: De zienswijze wordt niet overgenomen. Reactie: Zowel veehouderij-, akkerbouw-, fruitteelt- of gemengde bedrijven hebben behoorlijk wat energie nodig. Op bedrijfsniveau kan bij elk soort bedrijf aan de klimaatdoelen bijgedragen worden door deze energie duurzaam op te wekken. De relatief lage windsterkte in Salland is juist de reden geweest om hogere erfwindmolens te willen faciliteren, als aanvullende mogelijkheid ten opzichte van opwek via zonnepanelen. In de memo, die als bijlage 1 bij de raadsstukken van februari-maart 2023 was gevoegd, is een overzicht opgenomen van de gemiddelde windsnelheden in Raalte bij diverse hoogtes van de as van een erfwindmolen bereikt worden (bron: RVO-windviewer).
Daaruit blijkt, samengevat, dat de gemiddelde windsnelheid bij een ashoogte van 15 m (geschatte tiphoogte hooguit 25 m) gemiddeld 4,26 m/s bedraagt, terwijl dit bij een ashoogte van 30 m (geschatte tiphoogte van 38 à 40 m) gemiddeld 5,11 m/s is. Of een windmolen financieel rendabel is, is afhankelijk van vele factoren. In genoemd memo is onderbouwd dat een aanzienlijke efficiëntietoename plaatsvindt tussen windmolens met een tiphoogte van 25 of 28 m naar een tiphoogte van 35 of 38 m. De beoogde verruiming in het voorliggende plan sluit hierbij aan. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen.
6
2.6
2.7
3.
3.1
Appellant ziet strijdigheid met het provinciaal beleid met het versnipperde kleinschalige beleid van de gemeente, met geringe opbrengsten die niet verder gaan dan toevallige eigenaren. Daarnaast wijst appellant op het risico van een verminderd draagvlak voor grootschaliger en veel efficiëntere projecten, waarvoor de provincie een belangrijke regiefunctie moet hebben bij het bepalen van de locaties waar meer ruimte is voor benutting van windenergie. In het parapluplan leest appellant ook: "Kleine windmolens op erven staan de ontwikkeling van grotere energieprojecten niet in de weg." Het gaat dan over onze Regionale Energiestrategie. Een 40meter windmolen is in het coulisselandschap van Salland energetisch een kleine molen, maar is dat visueel zeker niet. Het is dan ook niet correct om het te presenteren als een argument voor het toestaan van deze molenhoogtes. De Omgevingsvisie Horizon gemeente Raalte 2040 verzet zich niet specifiek tegen plaatsing van erfwindmolens van 25 meter. Over 40 meter hoge molens wordt hierin niet gesproken. Bij lezing van de omgevingsvisie Horizon is even gemakkelijk een conclusie gerechtvaardigd om plaatsing van 40-meter molens niet toe te staan als de conclusie dit wel toe te staan. De rol van agrariërs krijgt in "Horizon 2040" (terecht) veel aandacht. Maar de energietransitie is hier niet aan gekoppeld.
De manier waarop dit parapluplan de koppeling tussen de gemeentelijke visie en het voorliggende voorstel probeert te leggen is volgens appellant dan ook onjuist. Zienswijze 3 Algemeen: De zienswijze (23 pagina’s) is heel uitgebreid en bestaat naast passages uit de toelichting van het bestemmingsplan uit inhoudelijke vragen en opmerkingen, daarnaast wordt door appellanten een zienswijze op de verschillende onderdelen achter het opsommingsteken/de zwarte punt/bullit weergegeven.
Appellanten spreken over de erfwindmolen als het gaat over een erfwindmolens van 12 tot 15 tot 25m hoog, en dat gesproken wordt over windturbines wanneer de tiphoogte van molens hoger zijn dan 25 meter, tot 40 m hoog.
Reactie: Een gemeente heeft beleidsvrijheid om in aansluiting op het provinciale beleid, wat met name kaders stelt voor grotere windturbines, voor erfwindmolens eigen beleid te formuleren. Voor de reactie op het provinciale beleid wordt verwezen naar onze reactie op de provinciale zienswijze, zie punten 5.1 tot en met 5.6. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen.
Reactie: In de gemeentelijke Omgevingsvisie worden geen uitspraken over hoogtes van (erf)windmolens gedaan. Binnen de kernopgave voor het buitengebied wordt wel meermaals aangegeven dat duurzame energieopwekking nadrukkelijk onderdeel uitmaakt van het nieuwe verdienmodel van ons buitengebied en dat dit agrarische ondernemers kansen biedt op een nieuw verdienmodel. Bovendien stelt de visie dat het buitengebied het gebied is waar een groot deel van de energietransitie zal landen. Wij beschouwen deze verhoging van de hoogte van erfwindmolens als voorbeelden hiervan en daarmee als passend in de Omgevingsvisie. Conclusie: Deze zienswijze wordt niet overgenomen.
Reactie: Een zakelijke weergave van de zienswijzen wordt aan de linkerzijde in deze reactienota in verkorte vorm weergegeven, waarbij de uitgebreide passages uit de toelichting van het bestemmingsplan niet worden vermeld. We nemen kennis van passages uit de toelichting van het bestemmingsplan of uit wetgeving als daar geen vraag bij gesteld wordt of zienswijze wordt gegeven. Inhoudelijke vragen en opmerkingen evenals de zienswijze bij een zwarte punt zullen wij van een reactie voorzien. Reactie: In de begripsbepalingen hebben wij een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de begrippen windmolen of windturbine enerzijds en erfwindmolen anderzijds. Een erfwindmolen dient hoofdzakelijk gericht te zijn op de eigen energiebehoefte. Uit de reactie van appellanten is te herleiden dat zij 40 m tiphoogte te hoog vinden voor een erfwindmolen. Het is echter verwarrend als daarvoor een begrip wordt 7
3.2
Appellanten vinden dat de gemeente Raalte te weinig heeft geluisterd naar de vele reacties van burgers, die bang zijn dat het landschap ingrijpend en onherstelbaar wordt aangetast.
3.3
De gemeente heeft oneigenlijke argumenten gebruikt en geschermd met de woorden, dat vele andere gemeenten binnen Overijssel allang de hoogte van een erfwindmolen in hun beleid hebben aangepast. Die woorden konden we in de geamendeerde Memo van 12 januari 2022 al lezen. Appellanten verwijzen naar het document “Kleinschalig windbeleid gemeenten Overijssel” en herleidt hieruit dat 3 gemeenten (Oldenzaal 21-40 m, Zwartewaterland ashoogte 25 m en Steenwijkerland 28 m tiphoogte) hogere molens toestaan, de rest van de gemeenten houdt vast aan maximaal 15 tot 25 m tiphoogte. Tevens wordt verwezen naar een pilot in de provincie Drenthe met een maximale ashoogte van 25 m.
3.4
Er wordt in dit Parapluplan steeds gesproken over 'Memo'. Vraag: Is de inhoud van deze Memo van 12-01-2022 besproken tijdens Rond de tafel met de in de besluitenlijst genoemde groep: 'agrarische sector'?
gehanteerd wat niet overeenkomt met de begripsbepalingen van voorliggend plan. Conclusie: Deze zienswijze wordt niet overgenomen. Reactie: Aan het begin van deze reactienota is het proces onder het kopje Aanleiding nader toegelicht. Dat niet alle reacties gehonoreerd zijn, zegt niet dat er niet geluisterd is. De gemeenteraad heeft bij de besluitvorming tot nu toe over dit onderwerp een afweging gemaakt tussen alle belangen, waaronder de gevolgen voor het landschap, en doet dat opnieuw bij het besluit over vaststelling van dit bestemmingsplan. Conclusie: Deze zienswijze wordt niet overgenomen. Reactie: In genoemde memo welke gedateerd is op 12 januari 2022 (bedoeld werd 12 januari 2023) staat letterlijk:
“De windmolens die initiatiefnemers willen plaatsen zijn hoger dan 25m. Deze ontwikkeling vindt ook in andere gemeenten plaats, zo blijkt uit de vele gemeenten die recent beleid ontwikkelden op dit vlak.” Met deze tekst doelden wij niet exclusief Overijsselse gemeenten. De vraag van de raad om informatie over het beleid van andere gemeenten te verstrekken richtte zich wel op Overijssel. Het ontwikkelen van beleid zegt niet dat wensen van initiatiefnemers in alle gemeenten zijn gehonoreerd. Wel geeft het aan dat het een actueel onderwerp is, waar beleid over geformuleerd wordt of dient te worden. Het document ‘Kleinschalig windbeleid gemeenten Overijssel’, welke op verzoek van de gemeenteraad op 9 maart 2023 aan de raadsstukken was toegevoegd, geeft een complexer beeld dan appellanten schetsen: Dalfsen ashoogte 25 m, Oldenzaal 21-40 m, Enschede 25 m en onder voorwaarden 35 m, Hardenberg uitzondering ashoogte 25 m, Hellendoorn 25 m ashoogte, Hengelo (O) 27 m, Kampen 20 m ashoogte, Staphorst 25 m ashoogte, Steenwijkerland 28 m, Zwartewaterland 25 m ashoogte. Het gaat dus om 10 gemeenten met kleinschalig windbeleid die een hogere tiphoogte mogelijk maken dan 25 m. Daarnaast zijn de gemeenten Olst-Wijhe en Deventer de mogelijkheden aan het onderzoeken en hebben zij bij ons navraag gedaan nu wij voorliggend bestemmingsplan ter inzage hadden gelegd.
Wij delen uw mening omtrent het gebruik van oneigenlijke argumenten daarom niet. Conclusie: Deze zienswijze wordt niet overgenomen. Reactie: De Memo van 12 januari 2022 (abusievelijk is deze memo onjuist gedateerd, bedoeld wordt 12 januari 2023) is inderdaad besproken tijdens de Rondde-Tafel-bijeenkomst op 9 februari 2023. Deze vergadering was voor een ieder toegankelijk en diverse insprekers hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om verschillende standpunten (en vanuit verschillende sectoren, waaronder de agrarische) naar 8
3.5
N.a.v. 4.3 Hoogte versus Landschap in de genoemde memo vergelijken appellanten ons landschap met een Picasso, die je niet verkoopt en je bent er heel zuinig op. Appellanten stellen dat er mogelijk binnen niet te lange tijd in het buitengebied een landschap is waar iedere boer en burger een windturbine op hun bouwvlak hebben van 25 tot 40 m tiphoogte.
3.6
Daar waar 25 m niet rendabel is, is het (coulisse)landschap volgens appellanten niet geschikt voor een grotere windturbine. Maatwerk per landschapstype dus.
3.7
Diverse passages uit de toelichting omtrent de duurzaamheidsambities en wensen van ondernemers en inwoners om hogere erfwindmolens te plaatsen worden aangehaald. Appellanten willen het mooie landschap in Salland graag behouden. Een landschap dat meer aandacht zou kunnen hebben voor extensieve landbouw.
3.8
N.a.v. de citaten omtrent het NOVI geven appellanten aan dat dit parapluplan voor erfwindmolen een (grote) bijdrage aan aantasting van natuur, landschap en omgeving optreedt. Daarnaast vinden zij dat als er overal verspreid in het buitengebied hoge windturbines tot 40 m, hoog boven de bomen uitkomend en van veraf zichtbaar, dat dit wel strijdig is met het Rijksbeleid. Citaat uit het NOVI: “Voorwaarde voor het toestaan van de productie van duurzame energie is dat omwonenden en inwoners van een gemeente goed betrokken zijn, invloed hebben op het gebruik van en, waar dat kan, meeprofiteren in de opbrengsten.”
voren te brengen. Conclusie: Deze vraag leidt niet tot aanpassingen. Reactie: De mogelijkheid dat elke boer en burger een windturbine c.q. erfwindmolen van 25 tot 40 m tiphoogte kan realiseren is niet reëel. Een groot aantal bouwvlakken zal immers niet aan de voorwaarden van het voorliggende bestemmingsplan kunnen voldoen om een erfwindmolen vergund te kunnen krijgen. Dit met name vanwege de afstand van de molen tot bouwvlakken van derden en het moeten voldoen aan het benutten van de opgewekte energie voor hoofdzakelijk de eigen energiebehoefte. Zie tevens de reactie bij punt 5.3. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond, niettemin leidt de zienswijze bij punt 5.3 wel tot aanpassingen in de regels. Reactie: Als een erfwindmolen hoger is dan 25 m, komt deze boven de bomen uit en zal de opbrengst wel rendabel kunnen zijn. Juist in een coulissenlandschap zal een erfwindmolen minder opvallen, omdat vanuit veel posities in de omgeving het zicht op de molen wordt ontnomen door de aanwezige bosschages en laanbeplanting langs de wegen. Zie ook de reactie op punt 5.2, waardoor een toetsing aan landschapskenmerken wordt opgenomen in de regels. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond, niettemin leidt de zienswijze bij punt 5.2 wel tot aanpassingen in de regels.
Reactie: De gemeenteraad heeft op 9 maart 2023 een uitspraak gedaan over de kaders waarbinnen in het landschap erfwindmolens geplaatst mogen worden ten behoeve van verduurzaming. Vanuit die richtinggevende uitspraak is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. M.b.t. de afweging tussen verduurzamingsdoelstellingen en landschap wordt verwezen naar onze reactie bij punt 2.2. Conclusie: Deze zienswijze wordt niet overgenomen. Reactie: Er wordt verwezen naar de reacties bij de punten 2.3, 3.5 en 3.6. Daarnaast is onder het kopje Aanleiding van deze reactienota is het doorlopen proces verwoord. De gemeenteraad heeft in haar vergadering van 9 maart 2023 een principiële keuze gemaakt, waar de indieners van deze zienswijze het niet mee eens zijn. Dat zegt echter niet dat de inwoners van de gemeente niet goed betrokken zouden zijn. Bovendien gaat het NOVI over grootschaliger vormen van energieopwekking. Conclusie: Deze zienswijze wordt niet overgenomen.
9
3.9
3.10
3.11
N.a.v. de citaten over het provinciaal beleid uiten appellanten ook hier hun twijfel over de conclusie dat 'het parapluplan erfwindmolens 'zou passen binnen de uitgangspunten van het provinciaal beleid. Wij weten dat de Provincie het coulisselandschap wil behouden en hoeder is van landschap en natuur in de hele provincie. Overal aanwezigheid van 25 tot 40 m hoge windturbines die boven het landschap uit torenen maken de provincie niet mooier, maar rommelig en lelijk. Nadat de volledige paragraaf 3.1 Cultuurhistorie en archeologie is geciteerd, wordt door appellanten opgemerkt: Dit verandert echter wel wanneer een hogere windturbine zou worden geplaatst. Aangezien er een groot verschil is in de zichtbaarheid van een turbine hoger dan 25 meter.
N.a.v. de paragraaf 3.2 Milieueffectrapportage concluderen appellanten dat in theorie en praktijk 20 windturbines van verschillende hoogten tot 40m op verschillende erven bij elkaar geplaatst zouden kunnen worden. De afwijkingsmogelijkheid zal grote gevolgen kunnen hebben als het niet wordt teruggedraaid. Het zijn - zoals door de gemeente wordt benoemd- geen kleine erfwindmolens meer, maar hoge windturbines. In theorie 20 x geluid, slagschaduw, ...Wij wonen in Heino, de Parel van Salland.
Reactie: Er wordt verwezen naar onze reacties op punt 3.6 evenals de provinciale zienswijze, met name bij punten 5.2 en 5.3. Conclusie: Deze zienswijze is gedeeltelijk gegrond. Het bestemmingsplan wordt in overeenstemming gebracht met het provinciale beleid.
Reactie: Wij gaan er vanuit dat appellant doelt op de mogelijke impact die een hogere erfwindmolen heeft op cultuurhistorische waarden in de omgeving. Wanneer een erfwindmolen op of in de nabijheid van een bouwvlak met monumenten, beeldbepalende of karakteristieke panden wordt geplaatst is een positief advies van een onafhankelijk deskundige op het gebied van landschap en stedenbouw inderdaad wenselijk. De onafhankelijke deskundige dient bij zijn advies rekening te houden met het ingediende initiatief, waarbij naast de situering ook de hoogte van de erfwindmolen wordt betrokken. Dit is reeds opgenomen in paragraaf 3.1 van de toelichting. Om dit juridisch te borgen wordt in artikel 4.1, lid a onder 4 ‘cultuurhistorische waarden’ toegevoegd aan de opsomming. Conclusie: Deze zienswijze leidt tot aanpassing van de regels. Reactie: In paragraaf 3.2 is een worst case scenario benoemd van de mogelijke effecten van voorliggend parapluplan: Als op basis van dit beleidskader een twintigtal aanvragen verspreid over de gehele gemeente Raalte worden ingediend, is dat al veel. Bedoeld werd niet zozeer ‘bij elkaar’, maar ‘in totaal’ verspreid over het buitengebied van de gemeente Raalte.
De (grote) gevolgen van een erfwindmolen blijft beperkt tot een afstand van 12 keer de rotordiameter/maximaal 240 m (voor het aspect slagschaduw, waarbij dit niet voor de gehele cirkel rond de molen geldt afhankelijk van de stand van de zon en het jaargetijde) en 100 m voor het aspect geluid. Om aan de voorwaarden van het parapluplan te kunnen voldoen, zullen vanaf de erfwindmolen tussen 100 en 240 m afstand vermoedelijk weinig tot geen bouwvlakken van derden gelegen zijn. De kans dat van de 20 verschillende locaties in het worst case scenario sprake zal zijn van bouwvlakken die binnen de afstand zijn gelegen en dus (grote) gevolgen ondervinden, waarbij dit ook nog overlappend is met de afstand van een andere erfwindmolen en de gevolgen daarvan, is zeer gering. De kans dat een inwoner 20 maal geluiden slagschaduwhinder ondervindt is nihil. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen. 10
3.12
N.a.v. paragraaf 3.3 Slagschaduw wordt door appellanten opgemerkt: Daar staat het: “qua maat tussen grote windturbines en miniwindturbines”. Tevens wordt geattendeerd op de volgende websites: www.infomil.nl/onderwerpen/ veiligheid/windturbines De informatie over regelgeving geldt na inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. www.platformparticipatie.nl/ windturbinesleefomgeving/ ontwerpbesluit-windturbinesleefomgeving/ documenten-ontwerpbesluitwindturbinesleefomgeving/ default.aspx#folder=2566926
3.13
N.a.v. paragraaf 3.4 Geluid wordt door appellanten naar dezelfde website als bij de paragraaf Slagschaduw verwezen. Een omgevingsplan dat het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark toelaat, bevat als waarde de standaardwaarde 45 Lden en 39 Lnight voor het toelaatbare geluid door de activiteit op een geluidgevoelig gebouw, waarbij naar een document wordt verwezen op dezelfde website van platformparticipatie.nl.
Reactie: In de paragraaf over slagschaduw merken wij terecht op dat de erfwindmolens qua maat tussen de grote windturbines en de miniwindturbines vallen. De laatste categorie met een maximale wieklengte van 2,5 m en dus een diameter van circa 5,0 m kunnen geen slagschaduw veroorzaken. Om aan veiligheidseisen te voldoen en de belangen van omwonenden te waarborgen, hebben wij daarom qua regelgeving aansluiting gezocht bij het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling, zoals van toepassing is voor 1 of 2 windturbines. Appellanten verwijzen met de website van Infomil naar deze regelgeving. In de reactie op punt 1.4 hebben wij tevens verwezen naar de relevante artikelen van de geldende wetgeving vanaf 1 januari 2024, zoals in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit (Ow) is opgenomen. Tekstueel zijn er enige wijzigingen, maar de normen qua geluid en slagschaduw zijn ongewijzigd overgenomen. De 2e link die appellanten hebben opgenomen heeft betrekking op de terinzagelegging van het Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving en het bijbehorende milieueffectrapport, waarvoor de vervolgstappen (opstellen reactienota, besluitvorming door Eerste en Tweede Kamer, advisering door Raad van State en opstellen Nader rapport) nog doorlopen moeten worden.
De inwerkingtreding van Besluit windturbines leefomgeving wordt eerst in juli 2025 voorzien. Aangezien deze wetgeving nog niet in werking is getreden, kunnen wij hier geen rekening mee houden. Indien deze bepalingen strenger zijn dan de huidige wetgeving, dan zal een aanvrager van een erfwindmolen na inwerkingtreding van de nieuwe wet aan deze hogere wetgeving moeten voldoen. Vooralsnog zien wij geen reden om onze voorwaarden aan te passen. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zoals in onze reactie bij punt 3.12 al aangegeven verwijzen appellanten naar een ontwerpbesluit wat nog niet is vastgesteld. De geluidsnormen zoals opgenomen waren in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regelingen zijn met de overgang naar de Omgevingswet vertaald naar artikel 4.430, sub c van het Bal, zie tevens de reactie op punt 1.4. Dit betekent dat de erfwindmolen ten hoogste ten hoogste 47 dB Lden en hoogste 41 dB Lnight geluidbelasting op de gevel van gevoelige gebouwen mag veroorzaken. Bovendien zal bij aanvragen naar verwachting een grotere afstand van de erfwindmolen vanwege het aspect slagschaduw aangehouden moeten worden dan o.b.v. de geluidsnormen nodig is, Daarnaast hanteren wij niet de norm voor het toelaatbare geluid op een 11
3.14
3.15
3.16
4.
N.a.v. het kopiëren/citeren van de gehele paragraaf 3.5 Externe veiligheid wordt alleen een bullit opgenomen met een verwijzing naar eenzelfde document/website van platformparticipatie.nl als bij punt 3.12. Met het kopiëren/citeren van de gehele paragrafen 3.6 Ecologie, 3.7 Water en 3.8 Bouwveiligheid wordt geen enkele opmerking of reactie geplaatst. N.a.v. het kopiëren/citeren van de gehele paragraaf 3.9 Landschap stellen appellanten dat het geen volwaardige manier is om het ‘aspect’ landschap als zodanig te kwalificeren, maar vinden het landschapsvervuiling. De gemeente Raalte wil een groen en innovatief productielandschap. Bij deze ambitie zijn 5 ontwikkelingsrichtingen opgesteld, die iets heel anders beweren dan in het buitengebied overal hoge windturbines te plaatsen. Na het opsommen van deze ontwikkelingsrichtingen stellen appellanten de volgende vragen: Heeft een erfwindturbine meerwaarde voor leefomgeving en landschap met een toekomstbestendige landbouw? Meerwaarde voor intensieve veehouderij? Met mogelijk een extra verdienmodel? En draagvlak? Naast het kopiëren/citeren van Hoofdstuk 4 Juridische toelichting wordt 2 maal opgemerkt door appellanten dat het begrip ‘erfwindmolen’ in hun ogen vervangen kan worden door het begrip ‘windturbine’.
Daarnaast keuren appellanten het bouwen bij, of aangrenzend aan een bouwvlak (met afwijkingsmogelijkheid van 25 m) af, omdat het bouwwerk op eigen bouwvlak hoort te staan. Daarnaast wordt, omdat de aanvrager met de realisatie van de erfwindmolen hoofdzakelijk in zijn eigen energiebehoefte mag of moet voorzien, gevraagd: Voor wie of wat nog meer?
geluidgevoelig gebouw, maar op de grens van het bouwvlak van dat geluidgevoelig gebouw (dit is dus strenger dan de regels uit het Activiteitenbesluit / Bal). Vanwege de minimale afstand van 100 m zullen de erfwindmolens ruimschoots aan deze geldende normen voldoen. Bij plaatsing van een erfwindmolens tussen de 100 en 240 m / 12 x de rotordiameter tot de grens van een bouwvlak van een derde zal de aanvrager dit bovendien moeten aantonen met een akoestisch onderzoek. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Appellanten stellen met deze citaten geen vraag en geven hierop geen concrete zienswijze. Conclusie: Deze citaten leiden niet tot aanpassingen.
Reactie: M.b.t. landschap verwijzen wij naar onze reacties bij de punten 2.2, 3.5 en 3.6. M.b.t. de Omgevingsvisie verwijzen wij naar onze reactie bij punt 2.7. Een erfwindmolen kan zeker een meerwaarde hebben voor ons agrarische buitengebied en kan bijdragen aan een toekomstbestendige landbouw doordat een extra mogelijkheid ontstaat om het eigen energieverbruik duurzaam op te wekken. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen.
Reactie: Voor het onderscheid tussen erfwindmolen en windturbine wordt verwezen naar de reactie bij punt 3.1. Een zorgvuldige en evident ruimtelijk betere situering dan binnen het bouwvlak kan het noodzakelijk maken om de erfwindmolen op beperkte afstand buiten het bouwvlak mogelijk te maken. In de afweging van belangen is een breder kader nodig dan de wens van appellanten om een erfwindmolen alleen binnen een bouwvlak toe te staan. Zie tevens onze reactie bij punt 1.2. M.b.t. het hoofdzakelijk voorzien in de eigen energiebehoefte wordt verwezen naar onze reactie bij punt 1.1. Conclusie: Deze zienswijze leidt niet tot aanpassingen.
Zienswijze 4
12
4.1
4.2
4.3
Binnen de grenzen van het ter inzage liggende plan bevinden zich 3 bovengrondse 110 kVhoogspanningsverbindingen, nl. RaalteNijverdal, Zwolle Sekdoorn-Raalte en Zwolle Sekdoorn-Olst Middel, welke in eigendom en beheer zijn van TenneT. Om de gevaren zoveel mogelijk te beperken voor de medemens en om er mede op toe te kunnen zien dat er geen aantasting plaats kan vinden van het doelmatig en veilig functioneren van de bovengrondse hoogspanningsverbinding, streven wij ernaar om een juiste planologische borging met veiligheidsafstanden te krijgen en behouden. Toelichting bestemmingsplan (par. 3.5): Wij waarderen het dat u rekening houdt met de hoogspanningsinfrastructuur en verwijst naar het ‘Handboek Risicozonering Windturbines'. In het handboek staat vermeld dat: 'Om het risico van windturbines op hun infrastructuur aanvaardbaar te houden, adviseert Tenne T de volgende afstand aan te houden: “Er dient een vrije ruimte aangehouden te worden die minimaal gelijk of groter is dan de maximale werpafstand bij nominaal toerental, of indien deze groter is ashoogte plus ½ rotordiameter, van de betreffende windturbine." In het voorliggende plan is echter een vrije ruimte opgenomen van "maximale werpafstand bij tweemaal nominaal toerental", welke methodiek alleen voor kleinere windturbines geldt.
Tennet verzoekt om dit zowel in de toelichting als in de regels onder artikel 4.1 lid 7 te wijzigen, waarbij ‘tweemaal nominaal toerental’ wordt gewijzigd naar ‘bij nominaal toerental’. Wij verzoeken u om in de Regels onder artikel 4.1 lid 8 te wijzigen naar: "de afstand van een windmolen tot ondergrondse hoogspanningsinfrastructuur en ondergrondse buisleidingen voor gevaarlijke stoffen niet minder bedraagt dan de maximale werpafstand bij nominaal toerental van de turbine, of indien deze groter is ashoogte plus ½ rotordiameter, van de betreffende windturbine, tenzij de netbeheerder schriftelijk instemt met een kortere afstand". Bij toekomstige plannen of beleidsdocumenten die keuzes omvatten die relevant zijn voor het landelijk hoogspanningsnet, vinden wij het prettig om deel te nemen aan het vooroverleg. TenneT heeft, in samenwerking met Netbeheer Nederland, de Staalkaart "Elektriciteit en gas in het Omgevingsplan" inclusief bijbehorende voorbeeldregels opgesteld en nodigt uit om
Reactie: De aanwezigheid van deze hoogspanningsverbindingen zijn ons uiteraard bekend en de taken die TenneT verricht eveneens, al is het goed om dit nogmaals op schrift beschreven te zien. Conclusie: De algemene omschrijving over TenneT nemen wij voor kennisgeving aan.
Reactie: In het Handboek Risicozonering Windturbines, versie 3.1 van september 2014 en de nadien geactualiseerde Handreiking Risicozonering Windturbines, versie 1.1 van mei 2020, is inderdaad het advies van TenneT opgenomen. Uit de onderbouwing blijkt echter dat dit advies is afgeleid van de werpafstand windturbines met ashoogtes van 60 tot 120 m en een vermogen van 1000 tot 5000 kW. Bij de erfwindmolens die met deze parapluherziening beoogd worden is de tip- of bouwhoogte maximaal 40 m en het vermogen circa 80 kW. Gezien dit grote verschil hadden wij voor de erfwindmolens de vrije ruimte voor kleinere windturbines aangehouden. Met de ingediende zienswijze komt het voorstel van TenneT praktisch gezien neer op een maximale vrije ruimte van 40 m die aangehouden dient te worden tot boven- of ondergrondse hoogspanningsleidingen. De ashoogte plus de ½ rotordiameter komt immers overeen met de tiphoogte. Wij verwachten niet dat de veiligheidsnorm die TenneT adviseert tot grote beperkingen leidt, zodat wij de zienswijze overnemen. Door bij zowel lid 7 als lid 8 de norm gelijk te stellen vervalt het onderscheid in de regels tussen bovengrondse en ondergrondse hoogspanningsinfrastructuur en buisleidingen. Artikel 4.1, sub a, lid 7 en artikel 4.1, sub a, lid 8 kunnen samengevoegd worden. Conclusie: Deze zienswijze leidt tot aanpassingen in de toelichting en de regels.
Reactie: Dank voor deze aandachtspunten bij toekomstige plannen. Deze staalkaart kan inderdaad een handig hulpmiddel zijn om te zijner tijd te komen tot het op duurzame wijze opnemen van het hoogspanningsnet in het Omgevingsplan van de gemeente Raalte. Conclusie: Wij zullen deze aanbevelingen te zijner tijd betrekken bij de opstelling van ons omgevingsplan. 13
5.
5.1
5.2
gebruik te maken van deze handreiking bij het opstellen van een Omgevingsplan. Zienswijze 5 Vooraf: Als gemeente zijn wij met dit beleidsproces omtrent erfwindmolens eerder gestart als de provincie met een breder beleidsproces omtrent windenergie. Begin 2024 heeft de provincie een ontwerp Omgevingsverordening gepubliceerd. In deze aanpassing zijn de voorkeursgebieden voor grootschalige windenergieopwekking in de provincie opgenomen en geldt een clustereis van 4 turbines buiten de voorkeursgebieden. Erfmolens (term die de provincie hanteert, terwijl wij spreken over erfwindmolens) zijn uitsluitend toegestaan binnen de bouwpercelen van (agrarische) bedrijven en hebben in basis een tiphoogte van maximaal 25 m. Een grotere tiphoogte kan met afwijking worden toegestaan mits dit niet leidt tot aantasting van de ruimtelijke kwaliteit, zoals beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken. Als burgemeester en wethouders van de gemeente Raalte hebben wij een zienswijze op deze aanpassingen ingediend. In die zienswijze hebben wij verzocht om de basishoogte van erfmolens te verhogen bijvoorbeeld naar 40 m tiphoogte, maatwerk mogelijk te maken voor een ‘buurtmolen’ t.b.v.
een collectief van particulieren, een minder strikte nuancering van de voorwaarde ‘voor eigen energieverbruik’ en maatwerk voor het bouwen tot maximaal 25 m buiten het bouwvlak om rekening te kunnen houden met bijvoorbeeld belangen van buren of een landschappelijk betere inpassing van de erfmolen. De aanpassing van de omgevingsverordening is nog geen geldend beleid, maar vaststelling wordt binnen afzienbare tijd wel voorzien. Dat zou betekenen dat de gemeente Raalte op een later moment het omgevingsplan in overeenstemming met dat nieuwe beleid zou moeten brengen. Gezien dat feit brengen we de regeling van voorliggend parapluplan nu al zo veel mogelijk in overeenstemming met het voorgenomen provinciale beleid. De zienswijze wordt ingediend wegens strijd Reactie: Zoals uit paragraaf 2.2 Provinciaal beleid van met de Omgevingsverordening Overijssel. de toelichting van het betreffende Hieronder vindt u onze argumenten om een ontwerpbestemmingsplan blijkt zijn wij ons niet zienswijze in te dienen. bewust geweest van een strijdigheid met de Omgevingsverordening Overijssel. Inhoudelijk zullen Wij behouden ons het recht voor om de gronden van onze zienswijze op een later wij bij de genoemde argumenten reageren. moment aan te vullen. Met de provincie hebben wij op 23 januari 2024 nader overleg gevoerd omtrent deze zienswijze, waarbij de gronden nader zijn toegelicht.
Het is echter onmogelijk om een zienswijze buiten de termijn aan te vullen. Conclusie: Inhoudelijk wordt bij de volgende punten op de zienswijze gereageerd. In het ontwerp is onvoldoende rekening Reactie: gehouden met de provinciale instructieregels In paragraaf 3.9 van de toelichting hebben wij omschreven dat bij een aanvraag voor een voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening). In de regeling worden erfwindmolen een plan voor een adequate allerlei voorwaarden gesteld, maar niet de eis landschappelijke inpassing moet worden aangeleverd. Naast de genoemde aspecten wordt de toelichting op van landschappelijke inpassing op basis van de Catalogus Gebiedskenmerken. dit punt aangevuld dat voldaan moet worden aan de normerende en richtinggevende uitspraken uit de provinciale Catalogus Gebiedskenmerken. Daarmee zal tevens voldaan worden aan het landschapsontwikkelingsplan (LOP) van de gemeente Raalte, omdat het beleid van en de omschrijvingen van de landschapstypen in beide documenten grotendeels overeenkomt. Voor het werkbaar houden in de praktijk kiezen wij ervoor in de planregels naar de provinciale catalogus te verwijzen, anticiperend op de voorwaarde die de provincie voornemens is in de omgevingsverordening op te nemen. 14
5.3
Ook wordt de mogelijkheid om erfmolens te plaatsen, niet beperkt tot agrarische bouwpercelen of grote niet-agrarische bedrijven. De mogelijkheid om op elk bouwvlak in het buitengebied een erfmolen van 40 m hoog te realiseren, kan een grote impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Een gemiddeld erf van een burgerwoning biedt weinig ruimte om tot een passende inpassing te komen en dit kan een woud aan erfmolens opleveren.
We voegen aan de voorwaarde in artikel 4.1, sub a, onder 3 toe dat een zorgvuldige situering van de erfwindmolen met een adequate inpassing van de molenvoet en de bijbehorende voorzieningen plaatsvindt overeenkomstig de provinciale Catalogus Gebiedskenmerken d.d. 8 november 2023. Conclusie: Deze zienswijze leidt tot aanpassingen in de toelichting en de regels. Reactie: In het geldende bestemmingsplan Buitengebied Raalte was reeds, sinds 2012, een algemene afwijkingsregel (artikel 48.4 geconsolideerde versie) opgenomen, waarbij windmolens toegestaan konden worden binnen elk bouwvlak. Dus tot de terinzagelegging van voorliggend ontwerp op 9 november 2023 was het al mogelijk om een kleinschalige windmolen van maximaal 25 m tiphoogte te realiseren, zowel bij een (agrarisch) bedrijf als bij een burgerwoning. Met deze parapluherziening zijn aanvullende voorwaarden gesteld, die ook zouden gelden voor erfwindmolens tot 25m tiphoogte. Dit parapluplan bevat daarmee een verruiming in hoogte, maar ook een aanscherping in de zin van de voorwaarden die aan erfwindmolens worden gesteld. Gelet op de ervaringen van de afgelopen 10 jaar, de kosten van een erfwindmolen en de belangrijke voorwaarde dat de molen hoofdzakelijk gericht is op de eigen energiebehoefte (een aanzienlijke beperking voor burgerwoningen) delen wij de vrees voor een ‘woud aan erfmolens’ niet.
Inmiddels heeft de provincie Overijssel op 18 januari 2024 een Aanpassing Omgevingsverordening Overijssel 2024 als ontwerp gepubliceerd, waarin een instructieregel voor windenergie is opgenomen die de mogelijkheid voor erfwindmolens beperkt tot (agrarische) bedrijven. Het omgevingsplan van de gemeente Raalte zal op termijn in overeenstemming moeten worden gebracht met deze instructieregel. Daarom volgen wij de in ontwerp opgestelde provinciale instructieregel en nemen wij het voorgestane provinciale beleid over door erfwindmolens bij burgerwoningen in dit paraplubestemmingsplan uit te sluiten. Wij merken nadrukkelijk op dat wij van mening zijn dat een collectieve ‘buurtmolen’ voor (bijvoorbeeld 10) gezamenlijke eigenaren in de toekomst mogelijk moet zijn. Wij hebben daarvoor ook gepleit in onze zienswijze. Als het provinciale beleid deze ruimte laat, kan een erfwindmolen voor een collectief van particulieren gerealiseerd worden met een BOPAprocedure. Ook dan zal overigens de noodzaak qua energiebehoefte aangetoond moeten worden. Conclusie: De zienswijze leidt tot een aanpassing van de toelichting en de regels.
15
5.4
Er is niet voldaan aan de eis van artikel 3.1.1 Bro doordat de uitkomsten van het vooroverleg over het plan niet zijn afgewacht.
5.5
Wij verzoeken u om het bestemmingsplan (vooralsnog) niet vast te stellen en treden graag met u in overleg of en hoe dit plan in overeenstemming gebracht kan worden met ons provinciale Omgevingsbeleid.
5.6
Wij wijzen erop dat de provincie de instructieregels voor erfmolens gaat verduidelijken. In de nieuwe regeling wordt vastgelegd dat erfmolens bedoeld zijn voor het opwekken van energie voor eigen gebruik en alleen kunnen worden toegestaan op agrarische bouwpercelen en de bouwvlakken van grote niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Erfmolens hoger dan 25 meter kunnen alleen worden toegestaan als uit een toets aan de gebiedskenmerken blijkt dat een goede landschappelijke inpassing verzekerd is.
Reactie: Wij hebben een ander beeld bij de procedure. De provincie heeft op 15 augustus 2023 het plan voor vooroverleg van ons ontvangen. Uit ambtelijk contact in de maanden daarna kregen wij de indruk dat het plan op draagvlak van de provincie kon rekenen. Ook werd duidelijk dat de provincie de instructieregels in de Omgevingsverordening ging verduidelijken. De provinciale vooroverlegreactie is in deze periode meerdere keren uitgesteld. Gezien de lange doorlooptijd (meer dan 11 weken) van het vooroverleg en de positieve ambtelijke insteek vanuit de provincie is na het laatste uitstel besloten om de vooroverlegreactie niet verder af te wachten en eventuele aanpassingen te verwerken bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. Wij hebben de provincie hierover geïnformeerd en aangegeven dat we een eventuele nagekomen provinciale reactie bij vaststelling van het bestemmingsplan meenemen. Het ontbreken van een schriftelijke vooroverlegreactie zegt niet dat er geen vooroverleg heeft plaatsgevonden. Conclusie: Deze zienswijze wordt niet overgenomen. Naar aanleiding van de zienswijze hebben wij nader overleg met u gevoerd. Dit leidt tot enkele aanpassingen, zodat het plan grotendeels in overeenstemming is met het nog vast te stellen provinciale Omgevingsbeleid. Met deze aanpassingen wordt de gemeenteraad voorgesteld om het plan gewijzigd vast te stellen.
Conclusie: deze zienswijze wordt deels gehonoreerd. Reactie: Voorliggend plan is opgesteld voordat de provincie nieuwe instructieregels zou gaan opstellen en in ontwerp heeft gepubliceerd. De huidige instructieregels gelden alleen voor Nationale Landschappen, welke niet aanwezig zijn in de gemeente Raalte. Niettemin zullen wij onze regeling (grotendeels) aanpassen aan de in procedure zijnde instructieregels, zoals onder punt 5.3 verwoord. M.b.t. de het opwekken van energie voor eigen gebruik wordt verwezen naar onze reactie bij punt 1.1. Het uitgangspunt is inderdaad om erfwindmolens binnen het bouwvlak te realiseren. Er kunnen echter redenen zijn om voor een evident ruimtelijk betere situering iets buiten een bouwvlak te kiezen, zonder grote nadelen voor de omgeving. Denk hierbij aan het rekening houden met de belangen van omwonenden of landschappelijke redenen. De afweging om een erfwindmolen tot 25 m buiten een bouwvlak toe te staan, zullen wij in gewijzigde vorm handhaven in de regels. Wel dient bij de landschappelijke inpassing/situering van de erfwindmolen toetsing aan de Catalogus Gebiedskenmerken d.d. 8 november 2023 plaats te vinden, zoals bij de reactie onder punt 5.2 al aangegeven.
16
Conclusie: Deze zienswijze leidt tot wijzigingen in de toelichting en de regels. Eindconclusie Gelet op het bovenstaande hebben de ingediende zienswijzen tot de volgende aanpassingen geleid: In de toelichting: Een nadere verduidelijking in de paragrafen 3.3 Slagschaduw en 3.4 Geluid wanneer er nader onderzoek nodig is en wanneer er sprake is van een onevenredige afbreuk bij de beoordeling van deze aspecten: In paragraaf 3.3 Slagschaduw wordt de tekst onder het kopje Maatwerkvoorschriften als volgt verduidelijkt (cursieve tekst zijn de aanvullingen/aanpassingen): Gebaseerd op de normen uit het Activiteitenbesluit en -regeling (artikel 3.12, lid 1 van de Activiteitenregeling
milieubeheer , met ingang van 1 januari 2024 is dit vergelijkbaar met artikel 4.430, sub i van het Besluit activiteiten leefomgeving) is in de regels van dit parapluplan een aanvullende bescherming van inwoners voorzien met het opstellen van maatwerkvoorschriften. De voorgeschreven afstand tot bouwvlakken van milieugevoelige functies zoals woningen is in de regels van dit plan op minimaal 240 meter gesteld dan wel 12 maal de rotordiameter, mede om hinder door slagschaduw uit te sluiten. Deze 240 meter is gebaseerd op de gangbare berekening van 12 maal de rotordiameter uit het Activiteitenbesluit als gebied waarbinnen slagschaduwhinder kan optreden. Volgens het Activiteitenbesluit is er sprake van slagschaduwhinder als er gemiddeld op 17 dagen per jaar meer dan 20 minuten per dag slagschaduw optreedt en voor zover zich in de door de slagschaduw getroffen
uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden. De afstand geldt van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object. Hierbij wordt uitgegaan van een rotordiameter van 20 meter, wat bij een maximaal toegestane tiphoogte van 40 meter een reële maximale maatvoering is. De gemeente gaat uit van een berekening tot bouwvlakken in plaats van op de gevel van bouwwerken. Hiermee wordt voorkomen dat er in de toekomst voor derden beperkingen kunnen ontstaan als in de nabije omgeving een erfwindmolen wordt geplaatst. Indien de omwonende binnen het bestaande bouwvlak herbouw van de woning met een andere situering wenst te realiseren, kan dit niet beperkt worden door de aanwezigheid van een erfwindmolen in de omgeving. Het beschermen van de gezondheid en welbevinden van inwoners in het buitengebied wordt hiermee geborgd.
Als een erfwindmolen geplaatst wordt op een grotere afstand dan 240 m of 12 keer de rotordiameter van de rand van bouwvlakken met gevoelige functies, dan is uitgesloten dat er slagschaduwhinder of geluidhinder bij woningen van derden optreedt. In dat geval is nader onderzoek niet benodigd, zodat onderzoekslasten voor initiatiefnemers beperkt worden. Indien bij een aanvraag omgevingsvergunning blijkt dat het plan zich op een kortere afstand dan 240 meter dan wel op minder dan 12 maal de rotordiameter bevindt van bouwvlakken van derden dan is maatwerk benodigd. In dat geval dient de invloed van slagschaduw nader onderzocht te worden. Dit onderzoek kan bij een negatieve
uitkomst leiden tot een andere locatiekeuze of tot het nemen van maatregelen uit het Activiteitenbesluit / Bal, zoals het voorschrijven van een automatische stilstandvoorziening. De afstand van de erfmolen tot het bouwvlak van derden met milieugevoelige functies bedraagt evenwel ten minste 100 meter. Het aspect slagschaduwhinder vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. In paragraaf 3.4 Geluid wordt de eerste alinea als volgt aangepast: Een windmolen produceert geluid. Hoeveel geluid is onder meer afhankelijk van het type, de hoogte en de windsnelheid. Artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer (met ingang van 1 januari 2024 is dit getransponeerd naar artikel 4.430, sub c van het Besluit activiteiten leefomgeving) bevat geluidsnormen voor windmolens. Uit dit artikel volgt dat een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het