Quickscan warmte gemeente Raalte 2026 geanonimiseerd
Tekst van het document
Quickscan warmte Raalte Rapportage
Gemeente Raalte 27 maart 2026
Project Opdrachtgever
Quickscan warmte Raalte Gemeente Raalte
Referentie
Rapportage Definitief 27 maart 2026 150479/26-004.729
Projectcode
150479
Document Status Datum
Dit document is geautoriseerd en intern aantoonbaar vrijgegeven conform het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001.
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
© Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
2
GEBIEDSANALYSE
7
2.1
Voorgaand beleid en onderzoek
7
2.2
Methodologie
8
2.3
Buurtinformatie
9
2.4
Warmtevraag
15
2.5
Kansrijke buurten
16
2.6
Conclusie
17
3
WARMTEBRONNEN EN POTENTIE
18
3.1
Methodologie
18
3.2
Warmtebronnen Raalte
19
3.2.1 3.2.2
19 20
3.3
Geografische ligging warmtebronnen Overzicht warmtebronnen en geschiktheid
Verdieping warmtebronnen
26
3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4
30 30 30 31
Thermische energie uit afvalwater (TEA) Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) STEF transport Zonneparken Endona
3.4
Conclusie
31
4
KOPPELEN VRAAG EN AANBOD
33
4.1
Methodologie
33
4.2
Koppeling
33
4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5
35 36 36 37 37
Rwzi Raalte Rwzi Heino TEO STEF Transport Zonneparken Endona
4.3
Conclusie
39
5
CONCLUSIE EN ADVIES
40
6
REFERENTIES
42
Laatste pagina
42
Bijlage(n) I II
Toelichting warmtebronnen Vergrote afbeeldingen
Aantal pagina's 4 2
1 INLEIDING Met de goedkeuring van het Klimaatakkoord, is het de nationale doelstelling om een volledig klimaatneutrale en aardgasvrije gebouwde omgeving te hebben in 2050. De regie over deze transitie ligt volgens de Klimaatwet en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) bij de gemeenten. Op grond van deze wetgeving zijn gemeenten ook verplicht om hun inwoners te informeren over de keuzes die voor de transitie zijn gemaakt. Zij informeren inwoners en andere betrokkenen over hun aanpak richting een aardgasvrije gebouwde omgeving via warmteprogramma’s (voorheen de Transitievisie Warmte). Ook de gemeente Raalte werkt aan het opstellen van een warmteprogramma, waarin de koers voor de komende tien jaar wordt vastgelegd. Momenteel bevindt dit programma zich in de ontwikkelfase en verkent de gemeente welke alternatieven het meest geschikt zijn om buurten aardgasvrij te maken. Ter ondersteuning hiervan wil Raalte met een quickscan onderzoeken wat de potentie is voor duurzame verwarming via collectieve oplossingen in de verschillende buurten. Binnen de gemeente is sprake van bereidheid onder inwoners om de energietransitie te omarmen. Dit blijkt onder meer uit lokale initiatieven zoals energiecoöperaties. Dergelijke initiatieven kunnen bijdragen aan draagvlak voor collectieve warmteoplossingen en mogelijk zelfs een doorslaggevende rol spelen bij de realisatie ervan.
De bereidheid van de inwoners is echter niet het enige criterium. De gemeente zal eerst inzicht moeten verkrijgen in het potentieel voor de implementatie van dergelijke systemen, voordat hierover in het warmteprogramma kan worden gerapporteerd. Het doel van deze quickscan is om, zonder een diepgaande technisch-economische analyse uit te voeren, inzicht te geven in de beschikbare en relevante warmtebronnen binnen de gemeente en in hoeverre deze kunnen bijdragen aan de lokale warmtevraag. Daarom is gebruikgemaakt van openbare informatie die momenteel beschikbaar is en expert judgement. Op basis van de resultaten volgt een advies welke kansen er zijn voor collectieve warmteoplossingen. Verder wordt aangegeven welke vervolgstappen nodig zijn om de haalbaarheid daarvan nader te onderzoeken. Conclusie onderzoek In totaal zijn vijf potentiële warmtebronnen geïdentificeerd en gekoppeld aan 19 kansrijke buurten. Op basis van capaciteit, ligging van de bronnen ten opzichte van de kansrijke buurten en temperatuurvereisten blijkt dat een aantal buurten mogelijk kunnen worden voorzien door een warmtenetwerk. Deze buurten zijn Blekkerhoek, Drostenkamp Liederholthuis Kern, De Vloedkampen, Broekland Kern, Westdorp en Heeten Kern.
Warmteverliezen tijdens het transport zullen de haalbaarheid van een warmtenet in de gemeente naar verwachting aanzienlijk verminderen, vooral omdat er geen bron met hoogwaardige warmte is gevonden. Daarom moet de mogelijkheid van een warmtenet verder worden onderzocht in de buurten waar de haalbaarheid het hoogst is. Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de gebiedsanalyse beschreven. Hierin zijn de verschillende buurten benoemd en is, op basis van bouwjaren en schillabels, per buurt een geprefereerde verwarmingstemperatuur vastgesteld. Vervolgens is de warmtevraagdichtheid in beeld gebracht, waarmee de kansrijke buurten voor collectieve warmte zijn geïdentificeerd voor het vervolg van het onderzoek.
5 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van de aanwezige warmtebronnen binnen de gemeente Raalte. Vervolgens is de geschiktheid van deze bronnen voor collectieve warmtevoorziening getoetst. Daarnaast is op basis van het beschikbare piekvermogen een beoordeling gemaakt van de mate waarin deze bronnen geschikt zijn voor toepassing binnen de gemeente. In hoofdstuk 4 is de koppeling tussen warmtevraag en warmtebron beoordeeld. Tot slot zijn in hoofdstuk 5 de conclusies gepresenteerd en is het advies opgenomen voor mogelijke vervolgstappen.
6 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
2 GEBIEDSANALYSE 2.1
Voorgaand beleid en onderzoek
In lijn met het Klimaatakkoord van 2019 zijn Nederlandse gemeenten verantwoordelijk voor het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving in 2050. De wijze waarop zij dit willen realiseren is vastgelegd in de Transitievisie Warmte (hierna: TVW) uit 2021, die momenteel wordt geactualiseerd in het warmteprogramma. In december 2021 heeft de gemeente Raalte haar Transitievisie Warmte (Warmtevisie Raalte)1 vastgesteld. Raalte zet daarbij in op een combinatie van energiebesparing door te isoleren en de inzet van alternatieve, duurzame warmtebronnen ter vervanging van aardgas. Op basis van de Startanalyse en verschillende factoren, zoals de beschikbaarheid van lokale warmtebronnen, de bereidheid van bewoners, gebouwtypen en bouwjaren, is per buurt een voorkeursoplossing bepaald voor de TVW. Afbeelding 2.1 toont de voorkeursoplossingen die in de TVW worden genoemd.
Afbeelding 2.1 Voorkeursoplossingen vanuit de Transitivisie Warmte Raalte1
1
Warmtevisies Raalte, 2021, https://warmtevisieraalte.ireporting.nl/home
7 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Voor het merendeel van de buurten bestond deze voorkeursoplossing uit individuele warmtepompen of hybride warmtepompen die, afhankelijk van de beschikbaarheid, gebruikmaken van hernieuwbare gassen zoals groengas. Voor de buurten Overstigt, Blekkerhoek, De Olykampen en Hartkamp is er potentie voor collectieve warmtelevering. Daarnaast is ingezet op kennisontwikkeling om haalbare en betaalbare oplossingen te realiseren, flexibel te kunnen zijn en de burgers te betrekken. De TVW van Raalte is gebaseerd op basis van de Startanalyse uit 2019 van het Planbureau voor de Leefomgeving. Voor het warmteprogramma is het belangrijk om het daadwerkelijke potentieel te onderzoeken op basis van geactualiseerde cijfers. In de volgende paragraaf, is per buurt bepaald wat de kansrijkheid is om de buurt aan te sluiten op een collectieve warmte oplossingen.
2.2
Methodologie
Het doel van dit hoofdstuk is om buurten te identificeren die geschikt zijn voor collectieve warmteoplossingen. Om dit te bereiken, is het belangrijk om te bepalen welk temperatuurniveau per buurt nodig is als er een warmtenetwerk wordt geïnstalleerd. Dit gebeurt op basis van verschillende factoren, zoals schillabel, bouwjaar, warmtedichtheid. De aanwezigheid van een energiecoöperatie kan ook een rol op de mogelijkheid van een warmtenet in een buurt spellen. Hiervoor zijn de onderstaande specifieke criteria gebruikt. Schillabel Het schillabel geeft direct inzicht in de thermische prestatie van een gebouw. Buurten met een hoog aandeel B+ hebben doorgaans een lagere warmtebehoefte per woning en zijn vaker geschikt voor laag- of middentemperatuurnetten. Afbeelding 2.2 toont de uitgangspunten die worden gehanteerd om een inschatting te maken van het benodigde temperatuurniveau van de warmtevoorziening.
Afbeelding 2.2 Schillabels met (globaal) bijpassende temperatuurconfiguraties van warmtenetten
Bouwjaar Indien de beschikbare schillabels binnen een buurt onvoldoende bekend zijn of geen homogeen beeld laten zien, wordt het bouwjaar van de woningen als aanvullend criterium gebruikt. Daarbij geldt in algemene zin dat hoe recenter een woning is gebouwd, hoe beter de isolatie doorgaans is en hoe lager het benodigde temperatuurniveau voor aansluiting op een warmtenet. Door de gegevens over de schillabels en bouwjaar te combineren, is een indicatie per buurt gegeven, zie afbeelding 2.2.
8 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Warmtedichtheid Warmtevraagdichtheid combineert de gebouwspecifieke warmtevraag met de woningdichtheid in een gebied. Het is daarmee een directe indicator voor de technische en economische haalbaarheid van een warmtenet. Een hogere warmtevraagdichtheid betekent dat er meer warmte wordt geleverd per meter leidingtracé, en dus dat bij gelijkblijvende investeringskosten hogere opbrengsten kunnen worden gerealiseerd. Het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) hanteert een rendabiliteitsnorm van 600 GJ per hectare1, waarboven een warmtenet als mogelijk rendabel wordt beschouwd. Deze norm is in dit onderzoek eveneens toegepast. Aanwezigheid van een energiecoöperatie Een actieve energiecoöperatie levert lokale kennis, draagvlak, vrijwilligerscapaciteit en vaak ook financiële of organisatorische steun, wat realisatie-risico’s vermindert en besluitvorming versnelt. Hun aanwezigheid verhoogt de kans dat een technisch geschikte wijk ook werkelijk een project oplevert. Databronnen Voor het uitvoeren van deze analyse is het van belang om over actuele gegevens met betrekking tot het warmteprogramma te beschikken. Daarom zijn voor de kaarten cijfers uit de RIVM-database gebruikt voor het label en het bouwjaar, met maandelijkse updates uit de BAG. Deze bronnen worden ook gebruikt door de Startanalyse 2025.
2.3
Buurtinformatie
De gemeente Raalte bestaat uit 38 buurten, zie afbeelding 2.3 en tabel 2.1.
Afbeelding 2.3 Buurten in gemeente Raalte
1
RES Factsheet Warmte https://www.nplw.nl/uploads/files/Warmtenet/Factsheet-Warmte-2024.pdf
9 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Tabel 2.1 Buurtnummer in gemeente Raalte Nummer op kaart
Buurtnaam
Nummer op de kaart
Buurtnaam
1
Raalte Centrum
20
Buitengebied Luttenberg
2
Blekkerhoek
21
Mariënheem Kern
3
Drostenkamp
22
Buitengebied Mariënheem Kern
4
Westdorp
23
Nieuw Heeten Kern
5
De Olykampen
24
Buitengebied Nieuw Heeten
6
Hartkamp
25
Heeten Kern
7
Langkamp
26
Buitengebied Heeten
8
De Vloedkampen
27
Broekland Kern
9
Tijenraan
28
Buitengebied Broekland
10
De Enk
29
Heino Centrum
11
Het Raan Oost
30
De Kampen
12
Het Raan West
31
Heino Zuid
13
Het Overstigt
32
Kiezebos
14
Salland
33
Blankenfoort
15
Franciscushof
34
Buitengebied Heino
16
De Zegge
35
Lierderholthuis Kern
17
De Hees
36
Buitengebied Lierderholthuis
18
Buitengebied Raalte
37
Laag Zuthem Kern
19
Luttenberg
38
Buitengebied Laag Zuthem
In deze paragraaf is een beknopt overzicht gegeven van de woningvoorraad binnen deze buurten. De gebouwen is weergegeven per woning waarbij de nadruk is gelegd op de schillabels in afbeelding 2.4 en het bouwjaar in afbeelding 2.5. Bovendien geven beide afbeeldingen een visuele indicatie van bebouwingsdichtheid in de buurten. Deze informatie vormt de basis voor het bepalen van het type warmtelevering dat passend is wanneer woningen worden aangesloten op een warmtenet. Buurtanalyse De verspreiding van de labels en het bouwjaar van de gebouwen in Raalte worden respectievelijk weergegeven in afbeelding 2.4 en afbeelding 2.5. Een vergrote versie van de afbeeldingen is opgenomen in bijlage II.
10 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Afbeelding 2.4 Labels in Raalte
De bovenstaande kaart toont de labels per buurt in Raalte op basis van regelmatig bijgewerkte gegevens van het BAG. De kaart laat zien dat de kern Raalte meer gebouwen met label B of hoger heeft dan de andere woonkernen in de gemeente en het buitengebied. In deze buurten komen label D en lager vaker voor. Alle buurten hebben gebouwen met onbekende labels, die op de kaart in grijs zijn weergegeven. Dit is duidelijker te zien op de kaart in de buurten waar de bebouwingsdichtheid hoger is.
11 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Afbeelding 2.5 Pand bouwjaar in Raalte
De bovenstaande kaart toont het bouwjaar per buurt in Raalte op basis van regelmatig bijgewerkte gegevens van het BAG. De kaart laat zien dat in het buitengebied van Raalte de verdeling van het bouwjaar heterogener is dan in de woonkernen waar de woningdichtheid hoger is. In vergelijking met afbeelding 2.4, waarop het label is weergegeven, is het duidelijk dat buurten met nieuwere gebouwen een hoger percentage label B of hoger hebben. Aan de hand van gegevens uit het BAG is de bouwperiode met het hoogste aantal woningen geïdentificeerd als de dominante bouwperiode per buurt. Als er geen dominant bouwjaar is geïdentificeerd, is de categorie gemarkeerd als ‘divers’. Voor de schillabels is het gecombineerde totaal van woningen met label B en hoger berekend ten opzichte van het totale aantal woningen in elke buurt. Als een groot deel van de labels onbekend is, is dit aangegeven. In tabel 2.2 is per buurt weergegeven wat het bouwjaar is van het grootste aandeel woningen 1, evenals het percentage woningen met een schillabel B of hoger. Op basis van deze indicatoren is per buurt een inschatting gemaakt van het bijpassende temperatuurniveau van de warmtevoorziening zoals opgenomen in afbeelding 2.6, waar de geschatte temperatuur op basis van het label wordt uitgebreid naar de hele buurt.
1
De gebruikte dataset verdeelt het bouwjaar in elke buurt in verschillende categorieën. Om het meest voorkomende bouwjaar te bepalen, werd gebruikgemaakt van de modale bouwjaarperiodes.
12 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Afbeelding 2.6 Geschat temperatuurvoorziening per buurt in Raalte
Uit deze analyse blijkt dat Franciscushof, Salland en Het Overstigt mogelijk geschikt zijn voor aansluiting op een laagtemperatuur-warmtenet. De buurten in het buitengebieden daarentegen vragen naar verwachting om een hoge-temperatuurvoorziening. Voor het merendeel van de overige buurten geldt dat minimaal middentemperatuur nodig is om de woningen comfortabel van warmte te kunnen voorzien 1. Thermisch comfort wordt bereikt wanneer een persoon tevreden is met de temperatuur in zijn omgeving. Dit is een subjectieve factor die varieert op basis van verschillende factoren, zoals de buitentemperatuur, de ventilatiemodus, het type gebouw en de leeftijd van de onderzochte populatie. Voor veilig thermisch comfort binnenshuis adviseert de WHO temperaturen tussen 18 °C en 24 °C 2. Disclaimer Op basis van de indicatoren bouwjaar en schillabel is een globale inschatting gemaakt van het temperatuurniveau dat het beste aansluit bij de betreffende buurten. Deze inschatting is indicatief van aard. Hoewel het label en het bouwjaar een indicatie kunnen geven van de vereiste toevoertemperatuur van een woning, zijn de labelregisters onvolledig en wordt er niet noodzakelijkerwijs rekening gehouden met renovaties.
Bovendien werd bij de gebruikte methode de temperatuurvoorziening op buurtniveau geaggregeerd, waardoor variaties binnen buurten worden verborgen en clusters die verschillende toevoertemperaturen vereisen, wegvallen. Het is belangrijk om in een vervolgfase, zoals een haalbaarheidsstudie, het temperatuurniveau opnieuw te beoordelen aan de hand van een variantenstudie.
1
Inwoners kunnen zelf nagaan wat de ideale aanvoertemperatuur is om hun huis mee te verwarmen door de temperatuur van hun CV ketel te verlagen, wordt het huis dan nog steeds comfortabel snel warm, dan kan het ook op die temperatuur van een warmtenet worden aangesloten.
2
WHO Housing and health guidelines (2018), https://www.who.int/publications/i/item/9789241550376
13 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Daarbij kunnen verschillende keuzes worden overwogen, zoals het verder isoleren van de gebouwvoorraad om een lager temperatuurniveau van het warmtenet mogelijk te maken, of het inzetten van een collectieve warmtepomp om de aanvoertemperatuur te verhogen. Een dergelijke systeemafweging wordt is in deze rapportage niet verder uitgewerkt.
Tabel 2.2 Overzichtstabel met aandeel schillabel B of hoger en temperatuurniveau per buurt Nummer op kaart
Buurt
Grootste aandeel bouwjaar
1
Raalte Centrum
1976–1992
38 %
MT
2
Blekkerhoek
1946–1965
41 %
MT
3
Drostenkamp
divers
12 %
onbekend
4
Westdorp
1966–1975
45 %
MT
5
De Olykampen
1966–1975
42 %
MT
6
Hartkamp
1976–1992
17 %
MT
7
Langkamp
1976–1992
38 %
MT
8
De Vloedkampen
1976-1992
26 %
MT
9
Tijenraan
divers
0%
HT
10
De Enk
divers
32 %
onbekend
11
Het Raan Oost
1976–1992
36 %
MT
12
Het Raan West
1976–1992
31 %
MT
13
Het Overstigt
2001–2006
63 %
LT
14
Salland
2015–2020
41 %
LT
15
Franciscushof
2015–2020
60 %
LT
16
De Zegge
1976–1992
12 %
MT
17
De Hees
divers
0%
HT
18
Buitengebied Raalte
vóór 1930
laag/veel onbekend
HT
19
Luttenberg Kern
1976–1992
22 %
MT
20
Buitengebied Luttenberg
vóór 1930
laag/veel onbekend
HT
21
Mariënheem Kern
1976-1992
30 %
MT
22
Buitengebied Mariënheem
vóór 1930
laag/veel onbekend
HT
23
Nieuw Heeten Kern
1976-1992
31 %
MT
24
Buitengebied Nieuw Heeten
vóór 1930
laag/veel onbekend
HT
25
Heeten Kern
1976–1992
30 %
MT
26
Buitengebied Heeten
vóór 1930
laag/veel onbekend
HT
27
Broekland Kern
1976–1992
22 %
MT
28
Buitengebied Broekland
vóór 1930
laag/veel onbekend
HT
29
Heino Centrum
1946–1965
33 %
MT
14 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Schillabel b of hoger
Bijpassend temperatuurniveau
Nummer op kaart
Buurt
Grootste aandeel bouwjaar
30
De Kampen
1966–1975
13 %
MT
31
Heino Zuid
1966–1975
27 %
MT
32
Kiezebos
divers
50 %
onbekend
33
Blankenfoort
divers
24 %
onbekend
34
Buitengebied Heino
vóór 1930
35
Lierderholthuis Kern
divers
36
Buitengebied Lierderholthuis
vóór 1930
37
Laag Zuthem Kern
divers
26 %
onbekend
38
Buitengebied Laag Zuthem
divers
0%
HT
2.4
Schillabel b of hoger
laag/veel onbekend 23 % laag/veel onbekend
Bijpassend temperatuurniveau
HT onbekend HT
Warmtevraag
De warmtevraagdichtheid is bepaald door per buurt de warmtevraag van zowel woningbouw als utiliteitsbouw te aggregeren. Deze totale warmtevraag is vervolgens, op basis van het buurtoppervlak, omgerekend naar een warmtevraagdichtheid, zoals te zien in afbeelding 2.7. De warmtevraag is op pandniveau bepaald met behulp van een model dat door Witteveen+Bos is ontwikkeld om op basis van de bouwjaar, woningtypering, schillabel en oppervlakte de warmtevraag te bepalen1. Dit model berekent de warmtevraag voor woningbouw, om ook utiliteiten mee te nemen in de analyse is deze aangevuld met de warmtevraag op pandniveau voor utiliteitsgebouwen van TNO2. Het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) hanteert een rendabiliteitsnorm van 600 GJ per hectare3, waarboven een warmtenet als mogelijk rendabel wordt beschouwd. Deze norm is in dit onderzoek eveneens toegepast. Buurten met een warmtevraagdichtheid onder deze grenswaarde zijn daarom niet verder beschouwd voor een collectieve warmtevoorziening. Buurten met een hogere warmtevraagdichtheid, veelal dorpskernen met een hoge woningdichtheid, worden wel verder meegenomen in het onderzoek, onder meer voor de beoordeling van mogelijke aansluiting op aanwezige warmtebronnen.
1
Het Witteveen+Bos-warmtemodel maakt gebruik van de rekenmethodieken van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om op pandniveau de warmte- en vermogensvraag te bepalen. Voor deze berekeningen wordt pandinformatie uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) gebruikt, aangevuld met energielabelgegevens van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en woningtyperingen van Esri Nederland.
2
Achtergronddocument Dataset Utiliteitsbouw in de Wijkaanpak voor de Warmtetransitie (TNO).
3
RES Factsheet Warmte, https://www.nplw.nl/uploads/files/Warmtenet/Factsheet-Warmte-2024.pdf
15 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Afbeelding 2.7 Warmtedichtheid per buurt in Raalte
Uit de figuur blijkt dat de warmtedichtheid in Raalte het hoogst is in het centrum van de gemeente, met waarden die voldoen aan de drempel van 600 GJ/ha. De warmtedichtheid is het laagst in de buitenwijken vanwege de lage bebouwingsdichtheid. In sommige wijken in het centrum, zoals Franciscushof, Salland en Het Overstigt, is de warmtedichtheid laag. Dit wordt verklaard door het hogere aandeel recente gebouwen met label B en hoger. Dit toont het verband tussen het label, het bouwjaar, de bebouwingsdichtheid en de warmtevraagdichtheid.
2.5
Kansrijke buurten
Kansrijke buurten worden geïdentificeerd door te beoordelen of zij (bijna) voldoen aan de rendabiliteitsnorm van 600 GJ per hectare en of er lokale initiatieven aanwezig zijn om de kernen te verduurzamen. De kansrijke buurten hebben allemaal een ingeschat temperatuurniveau in de categorie middentemperatuur (55 tot 75 °C) voor een warmtenet. Omdat in de analyse ook de warmtevraag van utiliteitsgebouwen is meegenomen, komt De Zegge naar voren als een van de kansrijke buurten. Hoewel deze buurt relatief weinig woningen heeft, zorgt het grote aandeel utiliteitsfuncties voor een hoge totale warmtevraag. Voor een aantal buurten komt de warmtedichtheid net onder de rentabiliteitsnorm van NPLW, deze zijn: - Het Raan Oost (554 GJ/ha); - Het Raan West (565 GJ/ha); - De Vloedkampen (594 GJ/ha). Deze buurten zitten dermate dicht op de norm van het NPLW, dat ze ook zijn toegevoegd voor de volgende stappen.
16 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Aanwezigheid van een energiecoöperatie In de afgelopen jaren zijn inwoners van de kernen binnen de gemeente Raalte met elkaar in gesprek gegaan over de energietransitie in hun dorpen. Dit heeft geleid tot de oprichting van diverse lokale energieinitiatieven1. Dergelijke coöperaties kunnen een doorslaggevende rol spelen bij de ontwikkeling en realisatie van collectieve warmtevoorzieningen. Om die reden is het waardevol om deze kernen nadrukkelijk mee te nemen in de analyse. Dit betreft uitsluitend de kernen met een warmtevraagdichtheid tussen de 400 en 600 GJ per hectare (oranje op de kaart). Kernen met een warmtevraagdichtheid lager dan 400 GJ per hectare (geel) worden, ook in aanwezigheid van een lokaal initiatief, niet als kansrijk beschouwd voor een collectieve warmtevoorziening. In De Hees ligt de warmtedichtheid tussen 400 en 600 GJ/ha, maar er is geen energiecoöperatie aanwezig. Daarom is deze buurt niet opgenomen in de lijst van kansrijke buurten. De kansrijke buurten zijn weergegeven in tabel 2.3.
Tabel 2.3 Overzichtstabel van kansrijke buurten voor een collectieve warmtevoorziening Nummer op kaart
Buurt
Temperatuurniveau
Totale warmtevraag
Aantal woningen
1
Raalte Centrum
MT
47.000 GJ
647
2
Blekkerhoek
MT
40.000 GJ
800
3
Drostenkamp
MT
26.000 GJ
237
4
Westdorp
MT
36.000 GJ
631
5
De Olykampen
MT
27.000 GJ
726
6
Hartkamp
MT
27.000 GJ
755
7
Langkamp
MT
28.000 GJ
820
8
De Vloedkampen
MT
26.034 GJ
514
11
Het Raan Oost
MT
26.212 GJ
940
12
Het Raan West
MT
29.116 GJ
626
16
De Zegge
MT
96.000 GJ
68
19
Luttenberg Kern
MT
30.000 GJ
603
23
Nieuw Heeten Kern
MT
15.000 GJ
322
25
Heeten Kern
MT
56.000 GJ
1.090
27
Broekland Kern
MT
15.000 GJ
324
29
Heino Centrum
MT
40.000 GJ
620
30
De Kampen
MT
31.000 GJ
683
31
Heino Zuid
MT
29.000 GJ
779
35
Liederholthuis Kern
onbekend
6.000 GJ
128
2.6
Conclusie
In dit hoofdstuk is een analyse op buurtniveau uitgevoerd om de meest kansrijke buurten voor de invoering van een warmtenet te identificeren op basis van parameters zoals energielabel, bouwjaar, warmtedichtheid, en de aanwezigheid van energiecoöperaties. In Raalte zijn in totaal 19 buurten geïdentificeerd. In het hoofdstuk 3 volgt de identificatie van de verschillende warmtebronnen en beoordeling of deze voldoende warmte kunnen leveren voor een warmtenet.
1
Gemeente Raalte, “Energie-initiatieven in de dorpen”, https://www.raalte.nl/energie-initiatieven-in-de-dorpen
17 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
3 WARMTEBRONNEN EN POTENTIE Ten tijde van het opstellen van de TVW waren de mogelijke ontwikkelgebieden voor warmtenetten in het centrum van Raalte nog niet volledig in beeld. Juist in deze gebieden, zoals Overstigt, Blekkerhoek, Olykampen en Hartkamp, is sprake van een hogere warmtedichtheid. Wel zijn destijds de volgende warmtebronnen als kansrijk aangemerkt voor nader onderzoek: - restwarmte vanuit het industrieterrein nabij Raalte; - collectieve warmte op basis van een WKO; - aquathermie; - geothermie is destijds niet als haalbare optie beschouwd vanwege het beperkte ondergrondse potentieel en de aanwezigheid van meerdere boorrestrictiezones, wat het vergunningstraject complex maakte. Deze randvoorwaarden zijn sindsdien niet gewijzigd. Daarom wordt diepe geothermie in deze quickscan niet als een realistische of toepasbare optie beschouwd. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de gemeente Raalte geïdentificeerde warmtebronnen. De warmtebronnen zijn eerst weergeven in afbeelding 3.1. Vervolgens wordt in een overzichtstabel, met bijbehorende toelichting, de geschiktheid van de verschillende bronnen weergegeven. De bronnen die geschikt zijn en voldoende restwarmtepotentie hebben, worden in de verdere uitwerking nader verdiept en geanalyseerd (paragraaf 3.3).
De onderzochte brontypen zijn: - thermische energie uit afvalwater (TEA); - thermische energie uit oppervlaktewater (TEO); - restwarmte; - ondiepe geothermie; - PVT; - groengas. Supermarkten en slachthuizen Uit de Warmteatlas blijkt dat in Raalte 7 supermarkten en 2 slachthuizen met een potentieel hoge warmtebelasting worden geïdentificeerd. Supermarkten en slachthuizen worden door het Planbureau voor de Leefomgeving officieel aangemerkt als potentiële warmtebronnen, vanwege de warmte die vrijkomt bij koelprocessen. Echter is de potentie voor supermarkten en slachthuizen erg laag, daarnaast is er beperkte leveringszekerheid en onzekere toekomstbestendigheid van de levering van warmte door een supermarkt (+- 50 jaar). Om deze redenen achten wij supermarkten en slachthuizen niet als realistische warmtebronnen.
3.1
Methodologie
Om de warmtebronnen met potentieel in Raalte te identificeren, is de volgende methodologie toegepast. Uitgebreide inventarisatie en ruimtelijke kaartweergave Op basis van de Warmteatlas en aanvullend onderzoek naar de lokale bronnen zijn de warmtebronnen in Raalte op een kaart weergegeven.
18 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Technische geschiktheid Elke bron is beoordeeld aan de hand van een de volgende criteria: beschikbare thermische capaciteit, temperatuur van de geleverde warmte, continuïteit van levering (leveringsprofiel), vergunningen of milieueisen en leveringszekerheid op lange termijn. Waar openbare gegevens incompleet zijn, is de broncapaciteit gemarkeerd als ‘onbekend’. Systeemniveau‑prestatiemodellering Voor bronnen die als geschikt zijn beoordeeld, is een gestandaardiseerd systeemmodel toegepast om de leverbare jaarlijkse warmte en het piekvermogen in te schatten in een realistische warmtenetconfiguratie. Het model gaat uit van een basislast vanuit de bron, piekvoorziening vanuit back-upketels of e-boilers, en een buffer. Ruimtelijke afstemming en prioritering op basis van vraagprofiel De potenties zijn gecombineerd met ruimtelijke vraagmetingen (warmtevraagdichtheid) en de nabijheid van buurten om technische en economische haalbaarheid te beoordelen. Bronnen die een groot deel van de baseload van een buurt kunnen leveren en nabij hoge-dichtheidsgebieden liggen, zijn geprioriteerd voor vervolgstudies.
3.2
Warmtebronnen Raalte
3.2.1
Geografische ligging warmtebronnen
In afbeelding 3.1 zijn de geïnventariseerde bronnen in de gemeente Raalte geografisch weergeven. Hieruit blijkt dat, afgezien de rwzi Heino (nummer 5), de zandwinningsplas in Hogebroek (nummer 2) en het Energiepark Heeten (nummer 9), de meeste bronnen zich centreren rond de woonkern Raalte. Door deze concentratie van warmtebronnen ligt het accent voor het potentieel van netwerken in de buurten van de woonkern Raalte.
Afbeelding 3.1 Overzicht van alle warmtebronnen in Raalte
19 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
3.2.2
Overzicht warmtebronnen en geschiktheid
In onderstaande tabel zijn de verschillende warmtebronnen weergegeven, inclusief hun capaciteit, temperatuurniveau en geschiktheid voor warmtelevering. Onder de tabel wordt per bron toegelicht en beargumenteerd waarom deze wel of niet geschikt is voor het leveren van warmte aan een collectief warmtesysteem. Een uitleg van de werking van de verschillende warmtebronnen is gepresenteerd in de bijlage I. In tabel 3.1 wordt het totale potentieel van de warmtebron weer volgens de Warmteatlas aangegeven met behulp van de legenda afbeelding 3.2 hieronder.
Afbeelding 3.2 Betekenis symbolen in overzichtstabel
Tabel 3.1 Overzicht van potentiële warmtebronnen in Raalte op basis van de Warmteatlas Bron nummer
Bron naam
Capaciteit
Temperatuur
Thermische Energie uit afvalwater 4
rwzi Raalte
54.883 GJ/jaar zonder WKO
tussen 30º C en 50º C LT
5
rwzi Heino
8.813 GJ/jaar zonder WKO
tussen 30º C en 50º C LT
Thermische energie uit oppervlaktewater n.v.t.
aquathermie
5.000 tot 500.000 GJ/jaar
tussen 30º C en 50º C LT
Restwarmte 6
Zwanenberg Vleeswaren en Conservenfabriek
onbekend
onbekend
8
Bouwhuis Enthoven BV
onbekend
30º C ZLT
3
STEF Transport
0,2 MWth
30º C ZLT
2
Zandwinplas Hogebroek
0,3 MWth
30º C ZLT
7
Durison B.V
onbekend
onbekend
10
Salland B.V Wasserij
0,3 MWth
30º C ZLT
20 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Geschiktheid
Bron nummer
Bron naam
Capaciteit
Temperatuur
11
Jumbo Distributiecentrum
onbekend
onbekend
Geschiktheid
Vervolg tabel 3.2 Overzicht van potentiële warmtebronnen in Raalte Bron nummer
Bron naam
Capaciteit
Temperatuur
Geschiktheid
PVT 1
Zonnepark Endona Raalte
onbekend
tussen 30º C en 50º C LT
9
Zonnepark Endona Heeten
onbekend
tussen 30º C en 50º C LT Groengas
n.v.t.
Groengas
~85 GJ/ha/jaar
niet van toepassing
Ondiepe geothermie n.v.t.
Ondiepe geothermie
1 to 5 MWth
tussen 45º C en 145º C LT-MT-HT
Thermische energie uit afvalwater (TEA) In de gemeente Raalte bevinden zich 2 rioolwaterzuiveringsinstallaties met restwarmte potentie, namelijk de rwzi Raalte (nummer 4 in afbeelding 3.1) en de rwzi Heino (nummer 5 in afbeelding 3.1). De rwzi in Raalte ligt in het buitengebied, nabij Tijeraan en Drostenkamp. De rwzi van Heino bevindt zich eveneens in het buitengebied van Heino. De rwzi’s effluentleidingen en rioolgemalen zonder WKO zijn weergeven in afbeelding 3.3. De rwzi Raalte wordt momenteel gebruikt voor de verwarming van sportcomplex Tijenraan. Uit een deel van het effluent van de rwzi wordt warmte onttrokken, waarna deze met een warmtepomp tot de benodigde temperatuur wordt gebracht voor gebruik in het zwembad. Deze bestaande installatie biedt mogelijk kansen voor uitbreiding van de warmtewinning, waarbij de investeringskosten lager zouden zijn dan bij de aanleg van een volledig nieuwe installatie. De minimale toevoer naar het sportcomplex en zwembad Tijeraan bedraagt 40 m³/uur of 920 m³/dag. Het waterschap heeft aanvullende gegevens verstrekt over het debiet van de afvalwaterzuiveringsinstallatie in Raalte. Dit debiet fluctueert sterk gedurende het jaar als gevolg van regenachtige dagen en een reeks droge dagen. De waarde van het 95 %-percentiel van het totale debiet, na levering aan het sportcomplex, is 22.618 m³/dag.
Om het bijbehorende vermogen te bepalen, wordt uitgegaan van een temperatuurverschil van 5 °C 1 tussen het effluent en het sportcomplex en zwembad Tijeraan, kunnen we de jaarlijkse energie afleiden die overblijft uit rwzi Raalte.
1
In overleg met HHvR en in lijn met de STOWA richtlijn is een afkoeling van 5 °C aangenomen van het effluent.
21 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Het thermisch potentieel is in deze fase te bepalen als: 𝑄 = 𝑚̇𝑎𝑣𝑔 ∗ 𝑐𝑝 ∗ ∆𝑇 =
22618 𝑚3 𝑘𝑔 𝑀𝐽 ∗ 1000 3 ∗ 0,0042 ∗ 5 𝐾 = 5,5 𝑀𝑊𝑡ℎ 3600 ∗ 24 𝑠 𝑚 𝑘𝑔 ∗ 𝐾
𝐸 = 𝑄 ∗ 8760 ∗ 10−3 = 5,5 𝑀𝑊𝑡ℎ ∗ 8760 ∗ 10−3 = 48.147 𝐺𝐽/𝑗𝑎𝑎𝑟
Op basis hiervan kunnen we voorlopig uitgaan van een potentieel van 48.157 GJ/jaar zonder thermische energieopslag voor de rwzi Raalte. De Warmteatlas geeft aan dat 54.883 GJ/jaar zonder WKO beschikbaar is. Dit betekent dat het sportcomplex ongeveer 6.725 GJ/jaar uit de warmtebron gebruikt. Beide rwzi’s beschikken over restwarmtepotentie, waarbij de locatie in Raalte een grotere potentie heeft dan die in Heino. Het potentieel voor rwzi Heino is 8.813 GJ/jaar zonder WKO op basis van de Warmteatlas. Voor beide rwzi-locaties wordt een lange toekomstzekerheid en daarmee leveringszekerheid verwacht, aangezien het verwerken van rioolwater een essentiële activiteit is. Dit komt doordat rwzi installaties continu rioolwater verwerken, waardoor een stabiele volumetrische en thermische stroom ontstaat, en omdat zij functioneren als blijvende, publiek beheerde infrastructuur. Gezien de aanwezige restwarmtepotentie en deze leveringszekerheid wordt thermische energie uit afvalwater (TEA) in de verdere verdieping nader beschouwd.
Afbeelding 3.3 Overzicht van TEA bronnen (rwzi’s en rioolgemalen) en effluentleidingen zonder WKO installatie in Raalte
Bovenstaande afbeelding toont de locatie en het relatieve thermische potentieel van TEA zonder WKO installatie in Raalte. Het blijkt dat de meeste in kaart gebrachte TEA-installaties en bijbehorende pijpleidingen in de laagste capaciteitsklasse vallen, met een maximale capaciteit van 1.500 GJ/jaar. Een pijpleiding van de rwzi Raalte heeft een hogere capaciteit, tot wel 3.000 GJ/jaar. De pijpleiding met de hoogste capaciteit in de gemeente, hoger dan 6.000 GJ/jaar, is afkomstig van de rwzi Raalte.
22 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) Raalte beschikt over potentie voor warmtewinning uit oppervlaktewater. Met name het Overijssels Kanaal biedt mogelijk voldoende thermisch potentieel variërend tussen 20.000 GJ/jaar en meer dan 500.000 GJ/jaar afhankelijk van de locatie in het traject. Het kanaal ligt dicht genoeg bij woonkernen om de gebouwde omgeving mogelijk van duurzame warmte te voorzien. Afbeelding 3.4 toont de TEO potentie in Raalte. De gewonnen warmte is van lage temperatuur, waardoor aanvullende opwaardering nodig is. Vanwege de gunstige geografische ligging van het Overijssels Kanaal, direct langs kansrijke buurten, en de aanwezige warmtepotentie, wordt deze bron in de verdere verdieping nader onderzocht. Met de beschikbare openbare data is het lastig te beoordelen of de rivieren in Raalte voldoende stroomsnelheid hebben voor warmtewinning. Bij een te lage stroomsnelheid kan koudevorming in het water optreden, wat negatieve gevolgen heeft voor de ecologie en de vergunningverlening aanzienlijk kan bemoeilijken. Op basis van de beschikbare gegevens en hoge-resolutie luchtfoto’s wordt alleen het Overijssels Kanaal beschouwd als een watergang waar mogelijk voldoende stroming aanwezig is voor warmtewinning.
Afbeelding 3.4 Overzicht van TEO potentie
Bovenstaande afbeelding toont de ligging en het gemiddelde TEO binnen Raalte. Uit de kaart blijkt dat de meeste in kaart gebrachte TEO‑punten in de laagste klasse vallen (<5.000 GJ/jaar). Daarnaast zijn er enkele trajecten en knooppunten met hoger potentieel in de categorieën 5.000-20.000 GJ/jaar en 20.000100.000 GJ/jaar; incidenteel komen ook segmenten voor in de hogere band 100.000-200.000 GJ/jaar. Restwarmte Er zijn meerdere restwarmtebronnen gevonden in de gemeente Raalte die mogelijk warmte kunnen leveren aan de gebouwde omgeving. Tabel 3.3 hieronder geeft een overzicht van deze bronnen en hun potentieel voor warmtelevering.
23 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Tabel 3.3 Restwarmte potentie in Raalte Bron naam
Omschrijving
Potentie
Zwanenberg Vleeswaren en Conservenfabriek
gevestigd in De Zegge, produceert met name knakworst, rookworst, ballen en burgers. Er wordt uitgegaan dat deze processen warmte nodig hebben en de kans op restwarmte aanwezig is
het is op basis van openbare data echter onbekend hoeveel restwarmte er beschikbaar is om uit te koppelen. De bron wordt meegenomen in ons advies, maar kan niet verder worden verdiept in deze rapportage door ontbrekende openbare data
Bouwhuis Enthoven BV
Het bedrijf, ook gevestigd op bedrijventerrein De Zegge, is gespecialiseerd in eiproducten, zoals emulgeren en proteïne-verrijking. Deze processen vinden doorgaans niet plaats bij hoge temperaturen
Daardoor wordt de potentiële restwarmte voor uitkoppeling als beperkt ingeschat. Warmtewinning vanuit dit bedrijf wordt daarom niet als realistisch beschouwd
STEF Transport
STEF Transport is actief in transportlogistiek voor de voedingsmiddelenindustrie. Hiervoor heeft het bedrijf koeling nodig om voedingsproducten te koelen
het is interessant om het potentieel van deze bron voor warmtelevering te overwegen omdat openbare data aangeeft dat er 0,2 MW aan vermogen beschikbaar is
Zandwinplas Hogebroek:
n Hogebroek voert Reko zandwinning uit. Op de locatie is een pompstation aanwezig waar gedurende productietijd restwarmte bij vrijkomt. Alhoewel het ingeschatte potentieel volgens openbare data hoog is, wordt deze bron niet verder beschouwd in de verdieping
de restwarmte komt enkel vrij tijdens het winningsproces, waardoor er geen continue stroom is aan warmte. Daardoor is een robuuste bronnenmix essentieel, wat complex is door de afgelegen locatie van de zandwinning
Durison B.V
Durison B.V. is een betonfabrikant gevestigd in de buurt De Enk
er is potentieel voor deze activiteit om hoogwaardige warmte te genereren (MT/HT warmtenetten). Dit hangt echter af van veel factoren, zoals de specifieke processen die door de fabrikant wordt gebruikt. Er is geen openbare data beschikbaar van de hoeveelheid mogelijke restwarmte. Hiervoor zijn gesprekken met Durison nodig. De bron wordt meegenomen in ons advies, maar kan niet verder worden verdiept in deze rapportage door ontbrekende openbare data
Salland B.V Wasserij
Salland B.V Wasserij is een wasserij gevestigd in de buurt De Enk
er wordt aangegeven dat de warmtebron in staat is warmte met een lage temperatuur te leveren met een potentieel vermogen van 0,3 MWth. Volgens het PBL zal dit bedrijf in 2030 waarschijnlijk niet langer beschikbaar zijn. Om deze reden wordt warmtewinning vanuit dit bedrijf niet als een realistische optie beschouwd. De status van de warmtebron is gebaseerd op de classificatie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), waarin een inschatting wordt gemaakt van de beschikbaarheid van warmtebronnen richting 2030 op basis van beschikbare databronnen en verwachtingen over toekomstige ontwikkelingen
Jumbo Distributiecentrum
het bedrijf is een Jumbo distributiecentrum gevestigd in De Zegg
het is op basis van openbare data onbekend hoeveel restwarmte er beschikbaar is om uit te koppelen. De bron wordt meegenomen in ons advies, maar kan niet verder worden verdiept in deze rapportage door ontbrekende openbare data
24 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Op basis van de beschikbare informatie wordt enkel STEF transport meegenomen in de verdieping, echter worden Durison B.V., Zwanenberg Vleeswaren, het JUMBO distributiecentrum en de Conservenfabriek wel meegenomen in het advies voor vervolgonderzoek. PVT Endona beheert twee zonneparken in de gemeente Raalte, Zonnepark Raalte en Zonnepark Heeten. Zonnepark Raalte bestaat uit circa 7.000 panelen in een oost-westopstelling. Zonnepark Heeten omvat circa 7.800 panelen in een zuidopstelling. Het zonnepark in Heeten ligt nabij de geplande nieuwbouwwijk ‘De Veldegge’, waardoor een mogelijke uitkoppeling van warmte hier kansrijk kan zijn. Uit navraag bij Endona blijkt dat op beide locaties gebruik wordt gemaakt van vlakke glas-foliepanelen met een aluminium frame. Dit is gunstig voor een eventuele retrofit naar PVT, glas-foliepanelen zijn beter geschikt voor warmteoverdracht dan glas-glaspanelen, de vlakke achterzijde bevordert goed thermisch contact met een collector en het aluminium frame biedt voldoende stevigheid voor het dragen van aanvullende componenten. Hoewel de panelen op basis van de beschikbare specificaties geschikt lijken voor retrofit naar PVT, is nader technisch onderzoek noodzakelijk. Daarbij moet onder meer worden gekeken naar de maximale bedrijfstemperaturen en de beschikbare ruimte achter de panelen voor de plaatsing van collectoren.
Daarnaast staan fabrikanten van panelen doorgaans geen modificaties aan bestaande modules toe. Om garantieverlies te voorkomen, is daarom mogelijk expliciete goedkeuring van de fabrikant vereist. Ondiepe geothermie In de het volledige gebied van de gemeente Raalte geldt een dieptebeperking voor bodem energiesystemen vanaf 50 meter1, om ongewenste interferentie met grondwateronttrekkingen te voorkomen. Voor een vergunningsaanvraag voor ondiepe geothermie is maatwerk nodig, gezien de geldende restricties. Dit betekent echter niet dat toepassing bij voorbaat onmogelijk is, maar het wordt als zeer complex beschouwd. Afbeelding 3.5 toont de bodempotentie voor lage temperatuur aardwarmte (ondiepe geothermie), gebaseerd op een studie van CE Delft en IFtechnology. Hieruit blijkt dat de potentie in dit gebied laag is maximaal 3 TJ/ha/jaar. In combinatie met de genoemde dieptebeperking is ondiepe geothermie in deze rapportage daarom niet als een kansrijke warmtebron beschouwd.
1
Bijzondere lokale omstandigheden | Gemeente Raalte
25 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Afbeelding 3.5 Bodempotentieelkaart lagetemperatuuraardwarmte (bron: CE Delft & IFtechnology)
Groengas Een nationale ontwikkeling die de beschikbaarheid van groengas beïnvloedt, is de invoering van een bijmengverplichting. Volgens de Klimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving wordt de groengasproductie in het aardgasnet geraamd op circa 0,3 miljard m³ in 2024 en ongeveer 0,5 miljard m³ in 20301. Daarvan is ruim 0,3 miljard m³ afkomstig uit (co)vergisting van mest en circa 0,2 miljard m³ uit overige bronnen. De SDE++-subsidie blijft daarbij de belangrijkste stimulans voor groengasprojecten, zonder deze regeling is financiering in veel gevallen niet haalbaar. Het kabinet-Mark Rutte IV heeft een wetsvoorstel voor de bijmengverplichting ingediend. Na aanpassingen wordt de invoering voorzien vanaf 2027, met een verlaging van 25 % en een streefdoel van 1,95 Mton CO₂reductie in 2030 (ongeveer 0,6 miljard m³ groengas). De verwachte productie van circa 0,5 miljard m³ in 2030 zoals hierboven beschreven is daarmee onvoldoende om volledig aan de verplichting te voldoen. Leveranciers zullen in dat geval gebruik moeten maken van de zogenoemde buy-outregeling (circa €450 per ton CO₂-equivalent), waarbij de kosten naar verwachting worden doorberekend in de gasprijs. Gezien dit voorziene aanbodtekort wordt in deze rapportage uitgegaan van een beperkte regionale inzetbaarheid van groengas richting 2030. Ook voor 2050 blijft de beschikbaarheid onzeker.
3.3
Verdieping warmtebronnen
Op basis van bovenstaande inventarisatie worden de volgende van de geïdentificeerde warmtebronnen in Raalte meegenomen in het verdiepende onderzoek.
1
PBL, “Klimaat- en Energieverkenning 2025”, (2026).
26 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Dit zijn: - rwzi Raalte; - rwzi Heino; - thermische energie uit oppervlaktewater (TEO); - STEF Transport; - Zonneparken Endona. Deze warmtebronnen worden in deze paragraaf nader uitgewerkt. Op basis van een standaard systeemopstelling voor collectieve warmte is per bron de te leveren warmte- en vermogensvraag bepaald. Deze resultaten vormen de basis voor de koppeling met de aanwezige buurten, zoals uitgewerkt in hoofdstuk 4. Systeemconfiguratie collectieve warmtevoorziening Om het potentieel van een warmtebron voor warmtelevering in een netwerk te modelleren, wordt een standaard systeemconfiguratie gebruikt (zie afbeelding 3.6). Dit systeem bestaat uit drie functionele componenten: 1 een basislastbron die continu een deel van de warmte levert; 2 een piekbelasting die extra capaciteit biedt tijdens perioden met een hoge vraag; 3 een buffer die tijdelijk de verschillen tussen vraag en aanbod in evenwicht brengt.
Afbeelding 3.6 Weergave van een standaard systeemconfiguratie
Voor de quickscan is de aangenomen verdeling als weergeven in tabel 3.4. Hieruit blijkt dat de warmtebron veruit het grootste aandeel in de warmtelevering heeft (87 %), terwijl deze slechts 40 % van het totale vermogen levert.
Tabel 3.4 Uitgangspunten systeemopstelling collectieve warmtevoorziening Naam
% van geleverd vermogen
% van geleverde warmte
Basislast (bronlevering)
40 %
86,8 %
Piekvoorziening
40 %
13 %
Buffer
20 %
0,2 %
27 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Een warmtenet transporteert warmte naar meerdere woningen. Afhankelijk van de omvang van het net kan dit variëren van enkele tientallen tot honderden of zelfs duizenden woningen. In een typische buurt domineren eengezinswoningen het bouwbestand, met verschillende bouwjaren en woningtypen. De warmtevraag van deze woningen fluctueert gedurende het jaar, met een karakteristiekst piek in de winter wanneer de warmtevraag het hoogste is. Daarnaast treden er ook kortdurende pieken op, bijvoorbeeld op momenten dat veel mensen tegelijk douchen, zoals voor of na werktijd. Afbeelding 3.7 geeft een voorbeeld van een warmtevraagprofiel voor een typische buurt. Met uitzondering van het bedrijfsterrein van Zegge in Raalte, voldoen alle kansrijke buurten in deze analyse aan de beschrijving van een doorsnee buurt.
Afbeelding 3.7 Voorbeeld warmtevraagprofiel
Wanneer een bron volledig in de warmtevraag moet voorzien, oftewel wanneer deze voldoende capaciteit heeft om bijvoorbeeld 7,5 MW te leveren, zal de bron het grootste deel van het jaar veel minder warmte leveren dan het maximum. Dit resulteert in een inefficiënt systeem, waarbij een groot deel van de geproduceerde duurzame warmte verloren gaat. Daarom is het gebruikelijk dat de bron constant warmte levert op een lager vermogen, ook wel de basislast genoemd. Wanneer de warmtevraag vanuit de woningen hoger is dan de basislast, springt een piekvoorziening, zoals een gasketel of e-boiler, bij om in de extra vraag te voorzien. Voor de absolute piekmomenten kan bovendien een buffer worden ingezet om de vraag tijdelijk op te vangen. Dit is weergeven in de vraagprofiel en in de jaarcurve van het voorbeeldgebied in afbeelding 3.8.
28 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Afbeelding 3.8 Voorbeeld warmtevraagprofiel met basislast, piekvoorziening en buffer
Inzet warmtepomp voor opwaardering Alle kansrijke bronnen die in hoofdstuk 2 zijn geïdentificeerd, leveren warmte op (zeer) lage temperatuur. Terwijl de kansrijke buurten werden geïdentificeerd als MT leveringsbuurten. We gaan er in deze rapportage vanuit dat de temperatuur vanuit de bron moet worden verhoogd alvorens het geleverd wordt aan de woning. Dit proces is opwaardering genoemd en gebeurt met de inzet van een warmtepomp. Een warmtepomp levert gemiddeld warmte met een efficiëntie van 300 %, oftewel een seasonal coëfficiënt of Performance (SCOP) van 3. Dit betekent dat voor elke eenheid energie uit elektriciteit drie eenheden warmte worden geproduceerd, waarbij de overige twee eenheden uit de omgeving worden gehaald (lucht, water, bodem, etc.). Dit wordt visueel weergeven in afbeelding 3.9. Voor de beschikbare bronnen in Raalte betekent dit dat het vermogen en de totale warmtelevering wordt vergroot, omdat er elektrische energie wordt toegevoegd bij het verhogen van de temperatuur voordat de warmte naar de woning wordt getransporteerd.
Afbeelding 3.9 Versimpelde visualisatie van energiestromen warmtepomp
Netcongestie Omdat de kansrijke bronnen warmte leveren op lage temperatuur en een warmtepomp nodig is om deze warmte naar middentemperatuur te brengen, ontstaat extra vraag naar elektriciteit vanuit het net. Het exacte piekvermogen bij verschillende systeemopstellingen moet in nader onderzoek worden vastgesteld. Naar verwachting hebben collectieve warmtepompen voor warmtenetten een hoog elektrisch piekvermogen, maar doordat deze vaak op het middenspanningsnet worden aangesloten, blijft de belasting op het laagspanningsnet voor kleinverbruikers beperkt. Individuele warmtepompen daarentegen kunnen mogelijk
29 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
tot een nog hogere belasting van het elektriciteitsnet leiden. In vervolgonderzoek zal duidelijk moeten worden hoeveel voordeel een warmtenet in dit opzicht daadwerkelijk kan opleveren. Warmteverliezen In hoofdstuk 4, het uitkoppelen van de warmtebronnen naar de vraag, wordt er rekening gehouden met de warmteverliezen in een warmtenet. Voor MT warmtenetten gaan we uit van warmteverliezen van 20 %.
3.3.1
Thermische energie uit afvalwater (TEA)
Voor de rwzi Raalte wordt uitgegaan van uitkoppeling vanuit de effluentleiding. Een warmte- en koudeopslagsysteem (WKO) zou de potentie van de bron aanzienlijk kunnen vergroten. Vanwege de boringsdiepterestrictie in de gemeente Raalte is de realisatie hiervan echter niet mogelijk. Een uitleg van het principe achter een WKO-systeem is opgenomen in bijlage I. Voor warmtelevering naar de gebouwde omgeving is er nog een tussenkomst van een warmtepomp nodig om de temperatuur te verhogen. Hierdoor wordt ook het vermogen van de basislast vergroot tot 2,97 MW. Bij een standaard systeemopstelling resulteert dit in een jaarlijkse warmtelevering van 55.500 GJ, met een maximaal vermogen van 7,4 MW. Voor de rwzi Heino wordt gekeken naar de potentie van de influentleiding die de Molenweg volgt. De uitkoppeling hiervan is complex. De aanvoertemperatuur van het influent is namelijk essentieel voor een goede zuivering, en het waterschap stelt doorgaans strenge eisen aan het uitkoelen van influentleidingen. De aanwezige potentie bij de rwzi Heino maakt het mogelijk om jaarlijks circa 10.000 GJ en maximaal 1,34 MW aan warmte te leveren. Wanneer warmte vanuit een van de rwzi’s wordt uitgekoppeld, is het belangrijk om dit tijdig af te stemmen met het waterschap.
Bovendien zorgt de inzet van een warmtepomp ervoor dat er, centraal of decentraal, een aanzienlijke elektrische belasting op het elektriciteitsnet ontstaat. Het is daarom van belang om de verschillende systemen zorgvuldig tegen elkaar af te wegen, in overleg met woningcorporaties en netbeheerders. Op deze manier moet gestreefd worden naar een systeem waarbij de participatie van bewoners hoog is (met weinig aanpassingen in de woningen) en de belasting op het elektriciteitsnet zoveel mogelijk wordt beperkt. Voor een gedegen afweging is aanvullend onderzoek noodzakelijk.
3.3.2
Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO)
De potentie in het Overijsselse kanaal wordt door openbare bronnen ingeschat op gemiddeld 30.000 GJ per jaar1. Met tussenkomst van een warmtepomp (met een efficiëntie van 300 %) wordt dit verhoogd naar 45.000 GJ per jaar. Wanneer het oppervlakte water als basislast wordt ingezet, wordt de volledige systeempotentie ingeschat op 52.000 GJ per jaar met een maximaal vermogen van 7 MW. Bij de uitkoppeling van de warmte uit oppervlakte water moet de vergunbaarheid worden getoetst aan de hand van de STOWA handreiking voor het beoordelen van ecologische effecten van TEO-systemen2. Dit komt omdat de warmte-extractie voor TEO plaatsvindt aan de waterkant, in gebieden die zich meestal in beschermde natuurgebieden bevinden.
3.3.3
STEF transport
STEF transport is een gespecialiseerd netwerk in het vervoer van verse, diepgevroren, gekoelde en droge voedingsproducten.
1
WarmingUp, “Potentiekaart, https://warmingup.geoapps.nl/
2
STOWA, “Handreiking voor beoordeling van ecologische effecten van TEO-systemen, versie 2”, (2023), https://www.stowa.nl/publicaties/handreiking-voor-beoordeling-van-ecologische-effecten-van-teo-systemen-versie-2
30 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Volgens het planbureau voor de leefomgeving is er vanuit STEF transport 0,2 MW aan warmte uit te koppelen naar de omgeving. Wanneer we uitgaan van een waarbij STEF-transport de basislast dekt en een warmtepomp wordt gebruikt voor de piekbelasting is de volledige potentie van het systeem ingeschat op 5.300 GJ met een maximaal vermogen van 0,8 MW.
3.3.4
Zonneparken Endona
Raalte Zonnepark Torenallee Raalte bestaat uit 7.000 PV-panelen. Door onder deze panelen zoncollectoren te plaatsen, kan gedurende het jaar warmte uit zoninstraling worden gewonnen. Voor alle 7.000 panelen samen bedraagt deze opbrengst circa 6.000 GJ per jaar. Volgens de fabrikant van de collectoren leveren de panelen daarnaast ook in de winter en op bewolkte dagen warmte uit de omgevingslucht. Deze aanvullende opbrengst wordt door de fabrikant geschat op 360 watt per paneel, wat neerkomt op ongeveer 80.000 GJ per jaar. Wanneer het systeem op basis van deze warmteopbrengst wordt ingezet, functioneren de panelen in de praktijk grotendeels als een grote en kostbare buitenunit van een warmtepomp. Daarom is nader onderzoek nodig om te bepalen of de potentiële warmtelevering in verhouding staat tot de hoge investeringskosten. Afbeelding 3.10 toont een voorbeeld van de jaarcurve van de warmteproductie van PVT panelen door zoninstraling.
Afbeelding 3.10 Jaarcurve van de warmteproductie van PVT panelen door zoninstraling
Heeten Zonnepark Heeten is van dezelfde ordegrootte als Zonnepark Torenallee Raalte en kan naar schatting ongeveer 6.000 GJ aan zonnewarmte leveren, en 80.000 GJ aan omgevingswarmte.
3.4
Conclusie
In dit hoofdstuk hebben we haalbare warmtebronnen in Raalte geïdentificeerd en hun leveringspotentieel bepaald op basis van een standaardsysteemmodel bestaande uit de geïdentificeerde warmtebron voor de basisbelasting, een piekbelasting en een buffer. De geschatte warmtevoorziening uit deze bronnen wordt weergegeven in tabel 3.5.
31 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Tabel 3.5 Overzichtstabel van systeempotentie per bron Bronnaam
Potentiële warmtelevering systeem
Potentiële vermogenslevering systeem
rwzi Raalte
55.500 GJ
7,4 MW
rwzi Heino
10.000 GJ
1,3 MW
TEO
52.000 GJ
7 MW
STEF Transport
5.300 GJ
0,8 MW
6.000 GJ (zoninstraling) en 80.000 GJ omgevingswarmte
afhankelijk van grootte buffer en weersomstandigheden
Zonneparken Endona Raalte en Heeten
Uit deze resultaten blijkt dat Aquathermie het grootse potentieel heeft om collectieve warmte te leveren in Raalte, met name via rwzi Raalte en vervolgens TEO. Er is ook potentieel om omgevingswarmte te halen via de zonneparken van Endona. Dit is afhankelijk van grootte buffer en weersomstandigheden. Restwarmte heeft het laagste potentieel in de gemeente. In het volgende hoofdstuk zullen we het potentieel van elke bron afstemmen op de warmtebehoefte in de kansrijke buurten.
32 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
4 KOPPELEN VRAAG EN AANBOD Dit hoofdstuk gebruikt de bevindingen uit voorgaande hoofdstukken om inzicht te geven in het potentieel van de geïdentificeerde warmtebronnen voor een collectief warmtesysteem in de kansrijke buurten. Hiervoor combineren we de verkregen informatie over het potentieel van de geïdentificeerde warmtebronnen met de warmtevraag van de kansrijke buurten. Paragraaf 4.1 beschrijft de methodologie die gebruikt is om de vraag te koppelen aan de warmtebronnen en in paragraaf 4.2 is de analyse uitgevoerd.
4.1
Methodologie
Ruimtelijke afstemming Voor elke bron is bepaald welke kansrijke buurten zich binnen een straal van ongeveer 1 km bevinden1. Deze afstand is een economische beperking die als norm wordt gebruikt in de berekening om de kosten voor de aanleg van het netwerk, warmteverliezen en het energieverbruik voor het pompen tot een minimum te beperken. Capaciteits- en temperatuurevaluatie Voor elke bron zijn de jaarlijkse leverbare warmte en de maximale capaciteit beoordeeld, inclusief de benodigde opwaardering met een warmtepomp om de basislast te dekken. Warmteverliezen Voor het uitkoppelen van de warmtebronnen naar de vraag, wordt er rekening gehouden met de warmteverliezen in een warmtenet. Op basis van referentieprojecten gaan we uit van 20 % warmteverliezen in MT warmtenetten. Prioriteren Bronnen in de buurt van gebieden met een hoge warmtedichtheid die voldoende basislastcapaciteit kunnen leveren, worden verder meegenomen in het advies. Deze bronnen worden als het meest kansrijk beschouwd, omdat er tijdens het transport minder warmte verloren gaat. De bereidheid van bewoners is een andere factor die van invloed kan zijn op de levensvatbaarheid van een warmtenet. Om deze reden krijgen buurten met een energiecoöperatie ook voorrang bij de levering van warmte.
4.2
Koppeling
In totaal zijn zes potentiële warmtebronnen voor Raalte geïdentificeerd. Afbeelding 4.1 toont de mogelijke warmtebronnen in Raalte met de kansrijke buurten voor collectieve oplossingen. Tabel 4.1 toont voor elke bron zien welke buurt binnen een straal van 1 km valt.
1
CE Delft, “Functioneel ontwerp LT-warmtenetten gebouwde omgeving”, (2019), https://www.rvo.nl/sites/default/files/2019/04/Functioneel%20ontwerp%20LT-warmtenetten.pdf?
33 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
Afbeelding 4.1 Mogelijke warmtebronnen en kansrijke buurten voor collectieve warmteoplossingen
Tabel 4.1 Overzicht van kansrijke buurten binnen een straal van 1 km van potentiële warmtebronnen in Raalte Buurtnaam
Rwzi Raalte
Rwzi Heino
TEO
Raalte Centrum
STEF Transport
Zonnepark Endona Raalte
Zonnepark Endona Heeten
X
Blekkerhoek
X
Drostenkamp
X
X
X
Westdorp
X
De Olykampen
X
Hartkamp
X
Langkamp
X
De Vloedkampen
X
Het Raan Oost
X
Het Raan West
X
De Zegge
X
Luttenberg Kern Nieuw Heeten Kern Heeten Kern
X
Broekland Kern
X
Heino Centrum
X
34 | 42
Witteveen+Bos | 150479/26-004.729 | Definitief
X
Buurtnaam
Rwzi Raalte
Rwzi Heino
TEO
De Kampen
X
Heino Zuid
X
Liederholthuis Kern
X
STEF Transport
Zonnepark Endona Raalte
Zonnepark Endona Heeten
X
Uit de tabel blijkt dat er in Luttenberg Kern en Nieuw Heeten Kern geen haalbare warmtebron in de nabije omgeving is. Ondanks de aanwezigheid van energiecoöperaties is er daarom momenteel geen potentieel voor een collectief warmtenetwerk in deze buurten. Bovendien is TEO de enige mogelijke bron voor de meeste buurten.
4.2.1
Rwzi Raalte
In paragraaf 3.3 zijn de schattingen gepresenteerd van het potentieel van de bronnen om warmte te produceren. Uit paragraaf 2.5 volgt de geschatte warmtevraag voor de buurten. De koppeling tussen de vraag en de warmtebronnen is hieronder geëvalueerd. Blekkerhoek en Drostenkamp zijn de enige kansrijke buurt binnen een straal van 1 km van rwzi Raalte. de potentiële warmtelevering vanuit rwzi Raalte is 55.500 GJ, inclusief de warmteverliezen van het netwerk is de mogelijke levering aan de woningen gelijk aan 44.400 GJ. Tabel 4.2 toont de warmtevraag in de twee buurten.
Tabel 4.2 Warmtevraag in buurten binnen een straal van 1 km vanaf rwzi Raalte Buurt
Warmtevraag
Temperatuurniveau buurt
Blekkerhoek
40.000 GJ
MT
Drostenkamp
26.000 GJ
MT
Volgens de schattingen is er een tekort van 21.600 GJ voor het rwzi Raalte om zowel Blekkerhoek als Drostenkamp van warmte te voorzien. Een van de buurten kan echter voorrang krijgen, zodat de volledige warmtebehoefte door de bron wordt gedekt. Tabel 4.1 laat zien dat de rwzi Raalte de enige bron is voor Blekkerhoek terwijl Drostenkamp binnen een straal van 1 km valt voor 2 andere mogelijke warmtebronnen. Het wordt daarom aanbevolen om prioriteit te geven aan Blekkerhoek voor uitkoppeling. Afbeelding 4.2 toont de voorgestelde verdeling voor de warmtelevering vanuit rwzi Raalte.