Ontwerpbesluit omgevingsvergunning Tijs Heeten
Tekst van het document
9.
BBT DIERENVERBLIJVEN AMMONIAK.................................................................................................... 64 AMMONIAKEMISSIE DIERENVERBLIJVEN ............................................................................................... 67
GEURHINDER UIT DIERENVERBLIJVEN ........................................................................................... 68 9.1. 9.2. 9.3. 9.4.
10.
TOETSINGSKADER ............................................................................................................................. 68 TOETSING GEURHINDER ..................................................................................................................... 68 BEOORDELING DIEREN MET GEUREMISSIEFACTOREN ........................................................................... 68 CONCLUSIE GEURHINDER DIERENVERBLIJVEN ..................................................................................... 69 EMISSIE ZWEVENDE DEELTJES UIT DIERENVERBLIJVEN ........................................................ 70
10.1. 10.2. 11.
(VOLKS)GEZONDHEID EN VEEHOUDERIJ .................................................................................... 73
11.1. 11.2. 11.3. 11.4. 12.
BBT DIERENVERBLIJVEN VOOR ZWEVENDE DEELTJES ...................................................................... 70 LUCHTKWALITEITSEISEN ................................................................................................................. 70 HET TOETSINGSKADER ................................................................................................................... 73 DE GEVOLGEN VAN DE AANGEVRAAGDE ACTIVITEITEN....................................................................... 74 MAATREGELEN EN VOORZIENINGEN................................................................................................. 75 BEOORDELING EN CONCLUSIE......................................................................................................... 75
OVERIG AGRARISCH ....................................................................................................................... 76
12.1.
MESTBASSIN.................................................................................................................................. 76
26 / 90
12.2. 12.3. 13.
AGRARISCH AFVALWATER ............................................................................................................. 77
13.1. 13.2. 13.3. 13.4. 14.
TOETSINGSKADER.......................................................................................................................... 82 REPRESENTATIEVE BEDRIJFSSITUATIE (RBS). ................................................................................. 82 BEOORDELINGSPUNTEN ................................................................................................................. 82 GELUIDSBELASTING ....................................................................................................................... 83 OVERWEGING AKOESTISCHE SITUATIE EN TOEPASSEN VAN HET BBT-BEGINSEL.................................. 83 AFWEGING..................................................................................................................................... 83 VOORSCHRIFTEN ........................................................................................................................... 83
ANDERE WETGEVING ...................................................................................................................... 84
18.1. 18.2. 19.
OPSLAG ZWAVELZUUR .................................................................................................................... 81 OPSLAG SPUIWATER CHEMISCHE LUCHTWASSER ............................................................................. 81 EXTERNE VEILIGHEID...................................................................................................................... 81
GELUID .............................................................................................................................................. 82
17.1. 17.2. 17.3. 17.4. 17.5. 17.6. 17.7. 18.
ENERGIE RELEVANTE INRICHTINGEN ............................................................................................. 80 TOETSING...................................................................................................................................... 80
EXTERNE VEILIGHEID ..................................................................................................................... 81
16.1. 16.2. 16.3. 17.
ACTIVITEITENBESLUIT..................................................................................................................... 79 BEOORDELING EN CONCLUSIE......................................................................................................... 79
ENERGIE ............................................................................................................................................ 80
15.1. 15.2. 16.
HET TOETSINGSKADER ................................................................................................................... 77 DE GEVOLGEN VAN DE AANGEVRAAGDE ACTIVITEITEN....................................................................... 77 MAATREGELEN EN VOORZIENINGEN................................................................................................. 77 BEOORDELING EN CONCLUSIE......................................................................................................... 78
BODEM ............................................................................................................................................... 79
14.1. 14.2. 15.
OPSLAG EN VERWERKING VAN BIJVOEDERMIDDELEN ........................................................................ 76 GEUR VOERKEUKEN ....................................................................................................................... 76
EUROPEAN POLLUTANT RELEASE AND TRANSFER REGISTER (E-PRTR) ............................................. 84 ANDERE REGELS EN WETTEN .......................................................................................................... 84
CONCLUSIE ....................................................................................................................................... 85
27 / 90
Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht VOORSCHRIFTEN MILIEU
28 / 90
1
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
1.1
Terrein van de inrichting en toegankelijkheid
1.1.1
Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven: a. alle gebouwen en de installaties met hun functies; b. alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid.
1.1.2
Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.
1.1.3
De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.
1.1.4
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
1.1.5
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moet een doelmatige bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.
1.2
Instructies
1.2.1
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
1.2.2
Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste vijf dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
1.2.3
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
29 / 90
1.3
Registratie
1.3.1
Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig: a. alle overige voor de inrichting geldende omgevingsvergunningen en meldingen; b. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; c. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen; d. de registratie van het jaarlijks elektriciteit-, water- en gasverbruik. e. de afleverbonnen van de plantaardige bijvoedermiddelen; f. registratie/elektronisch logboek regelbare kleppen; g. het logboek waarin van de ongediertebestrijding per bestrijding de gebruikte middelen en de hoeveelheden zijn bijgehouden. Hierbij moet worden aangegeven of men de ongediertebestrijding zelf heeft uitgevoerd, of dat dit is gedaan door een extern bedrijf. De documenten genoemd onder c, d en e moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.
1.3.2
Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.
1.4
Bedrijfsbeëindiging
1.4.1
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de – te beëindigenactiviteiten, door of namens vergunninghouder op milieu hygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.
1.4.2
Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.
30 / 90
2
AFVALSTOFFEN
2.1
Afvalscheiding
2.1.1
Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: a. Restafval b. GFT c. papier en karton; d. KGA / lampen; e. kunststoffolie; f. PMD; g. Spuiwater; h. Kadavers; i. Oud ijzer.
2.2
Opslag van afvalstoffen
2.2.1
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging buiten de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.
2.2.2
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaar aspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.
2.2.3
Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.
2.2.4
De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.
31 / 90
3
WATERBESPARING
3.1
Registratie
3.1.1
Vergunninghouder moet de jaarrekening van het waterverbruik binnen de inrichting bewaren. De gegevens moeten naar herkomst (drinkwater en grondwater) worden geregistreerd (in m3).
32 / 90
4
AGRARISCHE VOORSCHRIFTEN
4.1
Houden van dieren
4.1.1
In de inrichting mogen ten hoogste de volgende aantallen dieren op het aangegeven huisvestingssysteem aanwezig zijn: Stal
Diercategorie/ huisvestigingssysteem
1
Rav-code: D 3.2.15.4
Aantal dieren
Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, 3.072 gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7) 2
Rav-code: D 1.2.13 196 Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)
3
Rav-code: D 1.2.13 160 Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)
4
Rav-code: 2.4.4 Dekberen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd 6 luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
4
Rav-code: D 1.3.12.4 Guste en dragende zeugen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, 1.170 gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
4
Rav-code: D 3.2.15.4 Opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie,
288
45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7) 5
Rav-code: D 1.1.15.4 Gespeende biggen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd 8.100 luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)
6a
Rav-code: D 3.2.7.1.2 i.c.m. D 3.2.14 Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend 3.584 mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
6b
Rav-code: D 3.2.7.1.2 i.c.m. D 3.2.14
1.792
33 / 90
Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6) 7a
Rav-code: D 3.2.7.1.2 i.c.m. D 3.2.14 Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend 3.584 mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
7b
Rav-code: D 3.2.7.1.2 i.c.m. D 3.2.14 Vleesvarkens, gedeeltelijk roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend 1.792 mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
4.1.2
Het aantal aanwezige dieren per diersoort wordt ten minste één keer per maand geregistreerd, waarbij de perioden tussen de registraties van een vergelijkbare tijdsduur zijn. De registraties zijn binnen de inrichting aanwezig en worden gedurende tien jaren bewaard.
4.2
Regelbare kleppen
4.2.1
De uitstroomopeningen van de luchtwassers van de stallen 1, 4, 5, 6a, 6b, 7a en 7b moeten zijn voorzien van regelbare kleppen.
4.2.2
De uittreedsnelheid van de ventilatielucht van de uitstroomopeningen, zoals genoemd in voorschrift 4.2.1 moet altijd 10 m/s bedragen.
4.2.3
De regelbare kleppen worden aangestuurd door de Varoline klimaatcomputer. De Varoline klimaatcomputer werkt samen met de Varoline luchtwasser computer.
4.2.4
De Varoline computer dient de volgende gegevens te registreren: o Het ventilatiedebiet in m³/uur o Het ventilatiedebiet in % o De klepstand in % Deze meetwaarden worden opgeslagen in het elektronische logboek. Elke 15 minuten worden de meetwaarden geregistreerd.
4.2.5
Het elektronisch logboek, moet minimaal vijf jaar online beschikbaar zijn en gedownload kunnen worden. De inloggegevens moeten beschikbaar worden gesteld aan het bevoegd gezag.
34 / 90
4.2.6
Een week voordat de regelbare kleppen worden geïnstalleerd, moet u dit melden bij de gemeente Raalte via telefoonnummer 0572-347799, zodat hierop een controle kan plaatvinden.
4.3
Reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens
4.3.1
Het inwendig reinigen van veewagens moet plaatsvinden op een reinigings- ontsmettingsplaats die voorzien is van een aaneengesloten verharding en afwaterend is aangelegd naar een of meer opslagputten. Het reinigen en ontsmetten van voertuigen moet op zodanige wijze plaatsvinden dat het verontreinigde water wordt opgevangen (opstaande randen aan een drietal zijden dan wel een gelijkwaardige voorziening) zodat het reinigingswater en ontsmettingsvloeistoffen niet in de bodem terecht kunnen komen.
4.3.2
Een reinigings- en ontsmettingsplaats moet bestand zijn tegen de inwerking van het toe te passen reinigings- en/of ontsmettingsmiddel.
4.3.3
De reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens moet zodanig zijn gelegen dat ten gevolge van aan- en afvoerbeweging, verwaaiing van waswater etc. geen hinder voor derden optreedt.
4.4
Hygiënemaatregelen dierenverblijven
4.4.1
De vergunninghouder instrueert en informeert bezoekers en (tijdelijk) werkzame personen over de maatregelen en voorzieningen met betrekking tot het toepassen van de diersector-specifieke hygiëne- en preventiemaatregelen (o.a. met aandacht voor reiniging en desinfectie, mestafvoer, plaagdierenbestrijding, etc.).
4.5
Gezondheid
4.5.1
De in het document ‘Toelichting aanvraag Wabo onderdeel milieu’ aangegeven maatregelen ter preventie en vermindering van de risico’s voor de volksgezondheid, moeten blijvend en doelmatig binnen de inrichting zijn toegepast. Van daarvoor vereiste inspecties, registraties en deskundigheid, moeten bewijsstukken binnen de inrichting aanwezig zijn.
4.6
Droge mest (dikke fractie) in opslagloods
4.6.1
De opslagloods voor droge mest (dikke fractie) moet zijn uitgevoerd als een afgesloten ruimte met voldoende ventilatie, zodanig dat de mest is beschermd tegen weersinvloeden.
4.6.2
De vloer van de opslagloods voor droge mest moet zijn voorzien van een aaneengesloten bodemvoorziening.
4.7
Behandeling en bewaring van verpompbare dierlijke mest, algemeen
4.7.1
Het brengen van mest in de opslagruimte moet geschieden met een gesloten aanvoerleiding die zo dicht mogelijk bij de bodem van de opslagruimte uitmondt.
35 / 90
4.7.2
De afvoerpunten van de opslagruimte moeten door middel van goed sluitende deksels gesloten worden gehouden, behoudens tijdens het leegmaken ervan.
4.7.3
De opslagruimte mag niet zijn voorzien van een overstort (noodoverloop).
4.7.4
Het terrein van de inrichting mag niet worden bevloeid of op andere wijze van een laag mest of gier worden voorzien, behoudens bij het bemesten van grond volgens de normale bemestingspraktijk.
4.7.5
Transport van verpompbare dierlijke mest moet plaatsvinden in volledig gesloten tankwagens.
4.7.6
Bij het afvoeren van verpompbare dierlijke mest mag de omgeving niet worden verontreinigd.
4.8
Mestbewerking
4.8.1
De mest moet worden bewerkt in een afgesloten ruimte.
4.8.2
De ventilatielucht van de mestbewerkingsruimte moet uitmonden in het ventilatiekanaal van de luchtwasser van stal 5.
4.8.3
De vloer van de mestbewerkingsloods moet zijn voorzien van een aaneengesloten bodemvoorziening.
4.9
De uitvoering van een mestbassin
4.9.1
Een mestbassin is voorzien van een afdekking die is aangebracht op of in het bassin, aansluitend of, in het geval van een drijvende afdekking, nagenoeg aansluitend tegen de rand van het mestbassin en boven de drijfmest.
4.9.2
Een mestbassin, niet zijnde een ondergronds mestbassin, en een afdekking zijn uitgevoerd en aangelegd overeenkomstig paragraaf 5.5 en de hoofstukken 6 en 7 van BRL 2342.
4.9.3
Een mestbassin en een afdekking als bedoeld in het vorige voorschrift zijn voorzien van een kwaliteitsverklaring mestbassin, waaruit blijkt dat het mestbassin en de afdekking zijn uitgevoerd overeenkomstig BRL 2342 en wat de referentieperiode mestbassins is. De kwaliteitsverklaring mestbassin is binnen de inrichting aanwezig.
4.9.4
Een mestbassin dat, of een afdekking die, visueel waarneembaar lek is of in een slechte staat verkeert, wordt terstond gerepareerd.
4.9.5
Een mestbassin en een afdekking, worden overeenkomstig het daartoe in de Regeling bodemkwaliteit aangewezen normdocument beoordeeld en goedgekeurd door een persoon of
36 / 90
instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Deze beoordeling vindt ten minste vier weken voor het aflopen van de referentieperiode mestbassins plaats. Bij goedkeuring van een mestbassin en een afdekking wordt door de hiervoor bedoelde persoon of instelling een nieuwe referentieperiode mestbassins vastgesteld. Het rapport van deze goedkeuring waarin een nieuwe referentieperiode mestbassins is opgenomen, is binnen de inrichting aanwezig. Wanneer deze goedkeuring onder voorwaarden wordt gegeven, wordt binnen een termijn, gesteld door de hiervoor bedoelde persoon of instelling aan die voorwaarden voldaan.Wanneer deze beoordeling leidt tot afkeuring en een reparatie van het mestbassin of de afdekking nodig is, draagt degene die de inrichting drijft zorg voor deze reparatie en wordt het mestbassin of de afdekking binnen een termijn, gesteld door de hiervoor bedoelde persoon of instelling, opnieuw ter beoordeling aangeboden. Wanneer de hiervoor bedoelde reparatie niet plaatsvindt of een mestbassin of afdekking wordt afgekeurd en reparatie niet mogelijk is, wordt: a. van de afkeuring terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag; b. de drijfmest dat zich in het mestbassin bevindt onmiddellijk verwijderd, en; c. het opslaan van drijfmest in het mestbassin beëindigd. 4.9.6
Het vul- en zuigpunt van een mestbassin bevindt zich boven een lekbak.
4.10
Voerkeuken
4.10.1
De voerkeuken moet worden uitgevoerd als een afgesloten ruimte. De ventilator van deze ruimte moet uitmonden in het centrale luchtkanaal van de naastgelegen stal 5, die is aangesloten op de luchtwasser.
4.10.2
Er mag alleen voer worden aangemaakt voor dieren die in de inrichting zijn gehuisvest.
4.11
Opslag van spuiwater luchtwassysteem in een spuiwatersilo/spuiwaterkelder
4.11.1
Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt het spuiwater afkomstig van een luchtwassysteem in een lekdichte voorziening opgeslagen.
4.11.2
De vulpunten en aftappunten van een bovengrondse opslagtank met spuiwater zijn geplaatst boven een vloeistofdichte vloer of verharding of boven of in een lekbak, of zijn uitgevoerd met een vulpunt morsbak.
4.11.3
De opslagtank is voorzien van een overvulbeveiliging.
37 / 90
4.12
Opslag van zwavelzuur luchtwassysteem in een verpakking
4.12.1
De verpakking is tegen normale behandeling bestand en is zodanig dat niets van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen.
4.12.2
Leidingen aangesloten op een verpakking met zwavelzuur: a. zijn bovengronds vast aangelegd of in een daartoe speciaal aangelegde goot vast aangelegd; b. zijn bestand tegen de daardoor getransporteerde stoffen en zijn vloeistofdicht uitgevoerd; c. worden periodiek gecontroleerd op vloeistofdichtheid.
4.12.3
In elke aansluiting op verpakking met een inhoud van meer dan 200 liter zwavelzuur beneden het hoogste vloeistofniveau, is zo dicht mogelijk bij de wand een afsluiter geplaatst. De afsluiter is zodanig uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter is geopend dan wel is gesloten.
4.12.4
Leidingen die beneden het hoogste vloeistofniveau zijn aangesloten en waarin door hevelwerking product uit de tank kan stromen, zijn voorzien van een anti-hevel voorziening.
4.12.5
Het opslaan van zwavelzuur in verpakking vindt plaats boven een vloeistofdichte vloer of verharding of een lekbak.
4.12.6
Indien de opslag, bedoeld in het vorige voorschrift, plaatsvindt in gesloten verpakking, die voldoet aan de daartoe gestelde eisen van de ADR of anderszins deugdelijk is, kan deze activiteit ook plaatsvinden boven een andere bodembeschermende voorziening.
4.12.7
Het opslaan van een werkvoorraad aan zwavelzuur als bedoeld in voorschrift 3.1.3 van PGS 15, vindt plaats in deugdelijke en gesloten verpakking die bestand is tegen zwavelzuur. Het opslaan van een werkvoorraad aan brandbare vloeistoffen van meer dan 50 liter vindt plaats boven een lekbak. Deze lekbak is onbrandbaar en productbestendig en kan ten minste 100% van de daarboven opgeslagen vloeistoffen bevatten.
5
GELUID
5.1
Geluidsniveaus
5.1.1
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de Representatieve bedrijfssituatie (RBS), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, is ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan:
38 / 90
Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in dB(A), Beoordelin Beschrijving (imissiepunt) Dag (07.00 – Avond (19.00 gs-punt (*) 19.00 uur), 23.00 uur), hoogte 1,5 m hoogte 5 m 01 Heetenseweg 9 40 35 02 Heetenseweg 9b 40 35 01, 02 Referentiepunt N – 50 m 45* 42 03, 04 Referentiepunt O – 50 m 44* 41 05, 06 Referentiepunt Z – 50 m 46* 40 07, 08 Referentiepunt W – 50 m 43* 40
Nacht (23.00 07.00 uur), hoogte 5 m 30 30 40 36 34 35
*: waarneemhoogte 5 m
5.1.2
Het maximale geluidniveau (LA,max), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, is ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan: - 70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode); - 65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode); - 60 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode).
5.1.3
Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de Incidentele bedrijfssituatie (IBS), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen, werktuigen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, is ter plaatse van woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan: Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in dB(A), Beoordelin Beschrijving (imissiepunt) Dag (07.00 – Avond (19.00 gs-punt (*) 19.00 uur), 23.00 uur), hoogte 1,5 m hoogte 5 m 01 Heetenseweg 9 40 35 02 Heetenseweg 9b 42 35 01, 02 Referentiepunt N – 50 m 45* 42 03, 04 Referentiepunt O – 50 m 46* 41 05, 06 Referentiepunt Z – 50 m 48* 40 07, 08 Referentiepunt W – 50 m 44* 40
Nacht (23.00 07.00 uur), hoogte 5 m 30 30 40 36 34 35
*: waarneemhoogte 5 m
5.2
Algemeen
5.2.1
Het meten en berekenen van de geluidniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.
39 / 90
5.2.2
De motoren van bedrijfswagens en andere transportmiddelen met verbrandingsmotoren mogen tijdens het laden en lossen niet in werking zijn, tenzij dit voor het laden en lossen noodzakelijk is.
5.2.3
In de inrichting mogen alleen verbrandingsmotoren in werking zijn die voorzien zijn van een in goede staat zijnde geluiddemper.
5.2.4
Audioapparatuur dient zodanig te zijn afgesteld dat geluid afkomstig van deze apparatuur niet hoorbaar is buiten de inrichting.
5.2.5
Het verharde gedeelte van het terrein van de inrichting moet zijn voorzien van een vlak afgewerkte bestrating.
40 / 90
Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht OVERWEGINGEN ALGEMEEN
41 / 90
1.
PROCEDURELE ASPECTEN
1.1.
Huidige vergunningsituatie
Voor de inrichting is eerder de onderstaande vergunning verleend en melding ingediend: Soort
Datum
Kenmerk
Onderwerp
Revisievergunning
6 februari 2015
OGV-2014-276
Het bouwen van een kraamzeugenstal en revisie van een varkenshouderij (milieu)
Melding Activiteitenbesluit
24 mei 2017
AlM-sessie: Awap59uxt5w
mestsilo
milieubeheer
1.2.
Omgevingswet
Op 1 januari 2024 is het wettelijke omgevingsrechtelijke stelsel ingrijpend veranderd. De Omgevingswet en daaruit voortvloeiende regelgeving is in werking getreden. Deze wet vormt de basis voor de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. 1.2.1. Van ‘inrichting’ naar ‘mba’ Onder het recht tot 1 januari 2024 gold een omgevingsvergunning milieu van een bedrijf voor de hele ‘Wminrichting’ (zoals omschreven in art. 1.1 lid 4 Wet milieubeheer). Door het vervallen van het begrip 'Wminrichting' wordt een bedrijf onder de Omgevingswet (Ow) een (verzameling van) milieubelastende activiteiten (mba’s). Een mba is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Voor een aantal mba’s zijn rijksregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarnaast kunnen er decentrale regels voor mba’s staan in het omgevingsplan, de omgevingsverordening of de waterschap verordening. 1.2.2. Overgangsrecht Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór deze datum, blijft op grond van artikel 4.3 van de IOw het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip, van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Nadat dit besluit onherroepelijk is geworden, ontstaat ervan rechtswege een omgevingsvergunning op grond van de Ow.
Op grond van het overgangsrecht betekent dit dat deze vergunning wordt voorbereid en vastgesteld op basis van het oude recht: de oude beoordelingsregels, de oude totstandkomingsprocedure en de oude rechtsmiddelen. Dit is terug te zien in de verdere overwegingen. Op 1 januari 2024 zijn het Activiteitenbesluit en bijbehorende ministeriële regeling vervallen. Vanaf deze datum zijn voor milieubelastende activiteiten de regels uit het Bal en het omgevingsplan van toepassing. 1.2.3. Aangevraagde activiteiten Op de locatie vindt hoofdzakelijk de volgende kernactiviteit plaats: - Veehouderij, § 3.6.1 Bal.
42 / 90
Vergunningplicht geldt op grond van artikel 3.201 voor het exploiteren van een installatie voor het houden van meer dan 2.000 vleesvarkens en meer dan 750 zeugen. Dit betekent dat de vergunning ook geldt voor alle andere genoemde activiteiten. In de paragrafen hierna, worden de afwegingen gemaakt met de ‘oude’ wet- en regelgeving zoals geregeld in het overgangsrecht. Een uitzondering op de hoofdregel geldt voor een aanvraag voor een activiteit waarvoor de vergunningplicht onder de Ow verandert in een meldingsplicht. In dat geval wordt op grond van art. 8.1.1 lid 4 Invoeringsbesluit Omgevingswet (IbOw) de aanvraag voor die activiteit een melding. Het nemen van een besluit op die activiteit is dan niet meer nodig.
1.3.
Vergunningplicht
De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C van het Bor. De volgende categorieën zijn van toepassing: Categorie
Omschrijving
1.
Het aanwezig hebben van 1 of meer elektro- of verbrandingsmotoren en voorzieningen of installaties aanwezig zijn voor het verstoken van brandstoffen
5.
Inrichtingen voor het vervaardigen, bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare of brandbare stoffen
7.
Inrichtingen voor het bewerken, verwerken, opslaan of overslaan van dierlijke of overige organische meststoffen
8.
Inrichtingen voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren
9.
Inrichtingen voor het telen, behandelen, verhandelen, opslaan of overslaan van landbouwproducten.
Op grond van categorie 7 en 8 is sprake van een vergunningplichtige activiteit. De aanvraag heeft op basis van artikel 2.1 van het Besluit omgevingsrecht, in samenhang met de onderdelen B en C van bijlage 1 bij het Besluit omgevingsrecht, betrekking op een vergunningplichtige inrichting. Binnen de inrichting: is sprake van het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van groter dan 750 m² of een gezamenlijke inhoud van groter dan 2.500 m³ (categorie 7.5); worden meer dan 2.000 vleesvarkens en 750 zeugen gehouden (artikel 2.1, tweede lid); Het betreft een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort genoemd in Bijlage I categorie 6.6b en 6.6c van de Richtlijn industriële emissies (Rie). Om die reden is op grond van artikel 2.1, tweede lid van het Bor sprake van een vergunningplichtige inrichting.
1.4.
Bevoegd gezag
Wij zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4 eerste lid van de Wabo.
43 / 90
1.5.
Coördinatie met de Waterwet
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. Er is geen sprake van een handeling waarvoor een watervergunning voor het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid van de Waterwet vereist is. Coördinatie met de Waterwet is daarom niet aan de orde. Op 7 mei 2024 heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta een advies uitgebracht. Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling kunnen in de vergunning geen voorschriften worden opgenomen die betrekking hebben op in het Activiteitenbesluit geregelde activiteiten en aspecten, tenzij het Activiteitenbesluit of de bijbehorende regeling de mogelijkheid biedt tot het stellen van maatwerkvoorschriften. De voornoemde voorschriften van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling voor het doelmatig beheren en afvoeren van afvalwater zijn in deze situatie toereikend.
44 / 90
2.
MILIEUEFFECTRAPPORTAGE (M.E.R.)
In het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (zoals gewijzigd in 1999, hierna Besluit m.e.r.) is in onderdeel C onder categorie 14 opgenomen voor welke situaties er een MER-plicht geldt voor de aangevraagde activiteiten. De MER-plicht (onderdeel C onder 14) geldt voor de oprichting / uitbreiden / wijzigen van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan: 85.000 plaatsen voor mesthoenders; 60.000 plaatsen voor hennen; 3.000 plaatsen voor mestvarkens; 900 plaatsen voor zeugen. In de aanvraag is er sprake van het uitbreiden van een installatie, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. De inrichting wordt uitgebreid met een installatie voor 10.752 vleesvarkens en 1.326 gespeende biggen. Een uitbreiding van deze omvang is een aangewezen activiteit zoals genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Het voornemen om een MER op te stellen in de vorm van een Startnotitie MER d.d. 29 december 2020 heeft samen met een Concept-MER d.d. 27 augustus 2021 van 17 maart 2022 tot en met 27 april 2022 ter inzage gelegen. Hierop zijn binnen de termijn 6 zienswijzen ingekomen en 1 zienswijze buiten de termijn. Tevens zijn adviezen van de Omgevingsdienst IJsselland en de GGD ontvangen. Los van dit proces heeft overleg plaats gevonden met de Veiligheidsregio IJsselland/Brandweer.
Deze zienswijzen hebben samen met adviezen van instanties input gegeven voor de “notitie Reikwijdte en detailniveau”. De ingekomen adviezen en reacties zijn in behandeling genomen door het college van de gemeente Raalte. Dit heeft geleid tot het collegebesluit van 19 juli 2022 waarin de uitgangspunten voor de milieueffectrapportage, in de notitie Reikwijdte en detailniveau, en een zienwijzennota, zijn vastgesteld. Initiatiefnemer is met een brief op 19 juli 2022 hiervan op de hoogte gebracht. Het definitieve Milieueffectrapport d.d. 22 mei 2024 is op 23 mei 2024 ingediend als aanvulling op de oorspronkelijk op 9 juni 2022 ingediende vergunningaanvraag voor de uitbreiding van de varkenshouderij, wordt onder andere getoetst aan deze notitie. Na een positief besluit van de gemeenteraad omtrent de ontwerpverklaring van geen bedenkingen (t.b.v. het afwijken van het bestemmingsplan) op DATUM, worden de formele procedures gestart door ter inzagelegging van de ontwerpverklaring van geen bedenkingen, de ontwerp-omgevingsvergunning inclusief de bijbehorende Combi-MER en alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Tevens wordt een toetsingsadvies op de Combi-MER en bijbehorende stukken aan de commissie m.e.r. gevraagd om het milieubelang volwaardig te laten meewegen in de besluitvorming.
Deze reacties zullen meegewogen worden bij de definitieve integrale besluitvorming omtrent dit initiatief, zijnde een (project)omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor de onderdelen milieu, bouwen, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (afwijken bestemmingsplan) en werken/werkzaamheden. Voor het
45 / 90
onderdeel Wet natuurbescherming heeft de initiatiefnemer een separate aanvraag bij Gedeputeerde Staten van Overijssel ingediend op 13 oktober 2023, waarna het verzoek om een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) in de aanvraag bij de gemeente Raalte is ingetrokken.
46 / 90
Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht OVERWEGINGEN MILIEU
47 / 90
3.
TOETSINGSKADER MILIEU
3.1.
Inleiding
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen (revisie) van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e, juncto artikel 2.6 van de Wabo.
3.2.
Toetsing oprichten, veranderen en/of revisie
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo: de bestaande toestand van het milieu betrokken; met het milieubeleidsplan rekening gehouden; de best beschikbare technieken in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
3.3.
Activiteitenbesluit
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (type C inrichting) geldt. Binnen het bedrijf vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Er moet worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling, voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten: lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening; het in werking hebben van een stookinstallatie; het afleveren van vloeibare brandstof aan motorvoertuigen voor het wegverkeer; het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen en werktuigen; opslag van mengvoer in silo’s; opslag van vaste mest; opslag van plantaardige bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn; opslag van drijfmest; opslag van dieselolie in een bovengrondse tank; het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven; toepassing van emissiearme (huisvestings-)systemen, waaronder een luchtwassysteem.
Voor deze inrichting houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende Activiteitenregeling: paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodem beschermende voorziening; paragraaf 3.2.1 Het in werking hebben van een stookinstallatie, niet zijnde een grote stookinstallatie; paragraaf 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen;
48 / 90
paragraaf 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen, werktuigen of spoorvoertuigen; paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen; paragraaf 3.4.5 Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen; paragraaf 3.4.6 Opslaan van drijfmest; paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank; paragraaf 3.5.8 Houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven, met uitzondering van de artikelen 3.113 tot en met 3.121; paragraaf 3.8.5 Fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren; hoofdstuk 1, afdelingen 2.1, 2.2 en 2.10 van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6 (overgangsbepalingen), voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, zoals voornoemd opgenomen en afdelingen 2.3 en 2.4 (met uitzondering van artikel 2.11, eerste lid) met betrekking tot de gehele inrichting.
3.3.1. Melding Activiteitenbesluit Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.
49 / 90
4.
AFVALSTOFFEN
4.1.
Afvalstoffen algemeen
4.1.1. Preventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie. Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect. In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt. Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen: Spuiwater; Restafval; GFT; Oud papier; Oud ijzer; PMD; Kadavers; Lampen; KGA.
Gezien de geringe hoeveelheid afval dat vrijkomt, concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen. 4.1.2. Afvalscheiding In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. Voor een aantal die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan is in het LAP (paragraaf B.3.5.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen. Daarnaast zijn in bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en nietgevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden.
Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf ‘mengen’.
50 / 90
4.2.
Opslaan van afvalstoffen op de plaats van productie
Als gevolg van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal één jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal drie jaar is.
51 / 90
5.
AFVALWATER EN WATERBESPARING
5.1.
Toetsingskader
5.2.
Waterbesparing
5.2.1. Algemeen De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen. 5.2.2. Grondwater Voor het onttrekken van grondwater is een melding/vergunning benodigd. De Waterwet ziet hierop toe. Wij mogen dientengevolge in deze vergunning geen eisen stellen aan de winning van grondwater. De Wabo verplicht ons echter wel te toetsen of grondstoffen doelmatig worden gebruikt. We moeten voorkomen dat afvalwater ontstaat en als dat niet mogelijk is moeten we het doelmatig beheer van afvalwater bevorderen. Binnen de inrichting wordt 75.000 m3/jaar grondwater verbruikt. Het grondwater wordt gebruikt als drinkwater voor de dieren alsmede voor het koelen (vernevelen) van de verse inkomende stallucht, ten behoeve van de luchtwassers en het schoonmaken van de stallen. In verband met de ontwikkeling van bacteriën, dierziekten/ besmettingsgevaar is het niet wenselijk om hemelwater (stilstaand water) langdurig op te slaan in een voorziening.
Het toepassen van hemelwater als alternatief voor grondwater wordt derhalve niet wenselijk en haalbaar geacht. 5.2.3. Drinkwaterverbruik Het totale leidingwaterverbruik binnen de inrichting bedraagt 1.200 m3 per jaar. Het leidingwater wordt verbruikt voor sanitaire doeleinden, drinkwater (bedrijfswoningen) en bij eventuele calamiteiten wanneer het toepassen van grondwater niet mogelijk is. Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie niet nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen.
52 / 90
6.
DIERENVERBLIJVEN EN EMISSIE
6.1.
Dieraantallen en (huisvestings)systemen vergund
Tabel 1
geldende vergunning.
Rav-
Ammoniakemissie
Geuremissie
Fijn stofemissie
Ammoniak-
Geur-
Fijn stof-
Diercategorie/
Aantal
emissie-
Totaal
emissie-
Totaal
emissie-
Totaal
Stal code
huisvestingssysteem
dieren
factor
ammoniak
factor
geur
factor
fijn stof
1
Vleesvarkens, koeldeksysteem
D 3.2.6.1.2
(200% koeloppervlak, met metalen 3.526
1,2
4.231,2
17,9
63.115,4
153
539.478
196
2,9
568,4
27,9
5.468,4
160
31.360
160
2,9
464,0
27,9
4.464,0
160
25.600
6
0,83
4,98
10,3
61,8
36
216
1.170
0,63
737,1
10,3
12.051,0
35
40.950
360
0,45
162,0
12,7
4.572,0
31
11.160
rooster, emitterend mestoppervlak maximaal 0,5m² (BWL 2004.08.V2) 2
D 1.2.13
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)
3
D 1.2.13
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)
4
D 2.4.4
Dekberen, 7 maanden en ouder, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakrdeuctie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)
4
D 1.3.12.4
Guste- en dragende zeugen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)
4
D 3.2.15.4
Vleesvarkens/opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem
53 / 90
85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5) 5
D 1.1.15.4
Biggenopfok (gespeende biggen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, ecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie,
6.736
0,10
673,6
4,3
28.964,8
15
101.040
45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)
Totaal
6.2.
6.841,28
118.697,4
749.804
Dieraantallen en (huisvestings)systemen aanvraag
Het aantal dieren waarvoor vergunning wordt gevraagd, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de geuremissie (OUE/s) en de fijn stofemissie (gram PM10 per jaar) zijn in tabel 2 weergegeven. Het maximale aantal te houden dieren is gelijk aan het aantal dierplaatsen. Tabel 2
aangevraagde vergunning.
Rav-
Ammoniakemissie
Geuremissie
Fijn stofemissie
Ammoniak-
Geur-
Fijn stof-
Diercategorie/
Aantal
emissie-
Totaal
emissie-
Totaal
emissie-
Totaal
Stal code
huisvestingssysteem
dieren
factor
ammoniak
factor
geur
factor
fijn stof
1
Vleesvarkens, gedeeltelijk
D 3.2.15.4
roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie,
3.072
0,45
1382,4
12,7
39.014,4
31
95.232
196
2,9
568,4
27,9
5.468,4
160
31.360
45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7) 2
D 1.2.13
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok (BWL 2006.08.V1)
54 / 90
3
D 1.2.13
Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen), mestpan onder kraamhok
160
2,9
464,0
27,9
4.464,0
160
25.600
6
0,83
4,98
10,3
61,8
36
216
1.170
0,63
737,1
10,3
12.051,0
35
40.950
288
0,45
129,6
12,7
3.657,6
31
8.928
8.100
0,10
810,0
4,3
34.830
15
121.500
(BWL 2006.08.V1) 4
D 2.4.4
Dekberen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
4
D 1.3.12.4
Guste en dragende zeugen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
4
D 3.2.15.4
opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking, gedeeltelijk roostervloer, luchtwasser anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2010.02.V7)
5
D 1.1.15.4
Gespeende biggen, luchtwassystemen anders dan biologisch of chemisch, gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniakemissiereductie, 45% geuremissiereductie en 80% fijnstofemissiereductie met watergordijn en biologische wasser (BWL 2009.12.V5)
55 / 90
6a
D 3.2.7.1.2/
Vleesvarkens, gedeeltelijk
D 3.2.14
roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, 3.584
0,07
250,88
12,5
44.800,0
99
354.816
1.792
0,07
125,44
12,5
22.400,0
99
177.408
3.584
0,07
250,88
12,5
44.800,0
99
354.816
maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6) 6b
D 3.2.7.1.2/
Vleesvarkens, gedeeltelijk
D 3.2.14
roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
7a
D 3.2.7.1.2/
Vleesvarkens, gedeeltelijk
D 3.2.14
roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30%
56 / 90
geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6) 7b
D 3.2.7.1.2/
Vleesvarkens, gedeeltelijk
D 3.2.14
roostervloer, mestkelders met (water- en) mestkanaal; mestkanaal met schuine putwand, met metalen driekantroosters op het mestkanaal, emitterend mestoppervlak groter dan 0,18 m2, 1.792
0,07
125,44
12,5
22.400,0
99
177.408
maar kleiner dan 0,27 m2 (2004.04.V2) i.c.m. chemisch luchtwassysteem 95% ammoniakemissiereductie, 30% geuremissiereductie en 35% fijnstofemissiereductie (BWL 2008.08.V6)
Totaal
6.3.
4.849,12
233.947,2
1.388.234
Toepassing (huisvestings)systemen
In de stallen worden (huisvestings-)systemen toegepast waarbij is verwezen naar een systeemnummer. De uitvoering van deze (huisvestings-)systemen in de stallen moet overeenkomen met de beschrijving van dat huisvestingssysteem. Dit is opgenomen in artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op basis van de gegevens bij de aanvraag is vastgesteld welke huisvestingssystemen in de aanvraag zijn opgenomen. Deze systemen zijn vermeld in tabel 2. De in de tabel opgenomen emissiefactoren komen overeen met de emissiefactoren van de Rav. Dit is het toetsingskader voor de activiteit milieu. Doordat artikel 3.123 een rechtstreekse werking heeft zijn voor dit onderdeel geen voorschriften in de vergunning opgenomen.
57 / 90
7.
BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunningvoorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT-rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de BBTreferentiedocumenten (BREF’s: Best available techniques Reference documents). Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de BBT-maatregelen staan (hoofdstuk Best available techniques (BAT)), geldt als BBTconclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.
BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.
7.1.
IPPC-installatie
De Europese richtlijn industriële emissies (RIE) geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn behorende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPCinstallatie. Voor veehouderijen vallen de volgende installaties onder de werking van de RIE: meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, of; meer dan 2.000 plaatsen voor vleesvarkens (van meer dan 30 kg), of; meer dan 750 plaatsen voor zeugen. De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, heeft betrekking op de realisatie van een bedrijf met 1.814 dierplaatsen voor zeugen en 13.824 dierplaatsen voor vleesvarkens. Hiermee wordt de ondergrenswaarde van 750 plaatsen voor zeugen en 2.000 plaatsen voor vleesvarkens overschreden waardoor de installatie moet worden aangemerkt als een IPPC-installatie. Het toetsingskader wordt gevormd door de betreffende artikelen van de Wabo waarin de RIE is geïmplementeerd.
7.2.
BBT-documenten
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBTconclusies. Op grond van bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht moet voor het bepalen van BBT voor de installaties en processen binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT. Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsten aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsten aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die
58 / 90
sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van de herziene BREF’s. Wij hebben rekening gehouden met de volgende BBT-conclusies: Categorie in bijlage 1 RIE
Belangrijkste BBT-conclusies
Ook van belang zijnde BBTconclusies/ BREF’s
6.6 Intensieve pluimvee- of
BBT-conclusies voor intensieve
BREF Op- en overslag
varkenshouderij:
pluimvee- of varkenshouderij
bulkgoederen (BREF ESB)
a. met meer dan 40 000 plaatsen voor
BREF Energie-efficiëntie
pluimvee; b. met meer dan 2 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg), of; c. met meer dan 750 plaatsen voor zeugen.
Naast de BBT-conclusies hebben wij rekening gehouden met de volgende in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht aangewezen informatiedocumenten over BBT: Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB), maart 2012; Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij, juni 2007; Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, september 2016; Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 30: Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank, 2021 VERSIE 1.0 (AUGUSTUS 2021) Een verdere beschouwing van de BBT is terug te vinden bij de afzonderlijke toetsing van de relevante milieucomponenten. In dit hoofdstuk is specifiek ingegaan op de BBT-conclusies.
7.3.
BBT-conclusies
7.3.1. BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij De BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij, zoals op 21 februari 2017 gepubliceerd door de Europese Commissie, bevatten de volgende aspecten. Milieubeheerssystemen Een milieubeheerssysteem heeft tot doel om de algehele milieuprestaties van de veehouderij te verbeteren. Het gaat dan onder meer om het opstellen van een milieubeleid, de planning, vaststelling en uitvoering van procedures en het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen. Dit aspect vertaalt zich in de zin van een verplichte boekhouding, waarin onder meer water- en energieverbruik, hoeveelheid veevoer en de hoeveelheid afval en meststoffen worden bijgehouden. Hiervoor gelden de registratieverplichtingen voor veevoer en mest op grond van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, de onderhoudsvoorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit
59 / 90
(huisvestingssystemen en luchtwassystemen) en de registratievoorschriften in deze vergunning (dieraantallen, energie, water en afval). Goede bedrijfspraktijken Dit aspect vertaalt zich in de ligging van de installatie, noodplannen, voorlichting en opleiding van personeel en het onderhouden van installaties. Hiervoor gelden de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en deze vergunning. Daarnaast zijn hiervoor regels opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Dit geldt voor de voorlichting en opleiding van personeel en het onderhoud van gereedschap, machines en installaties (arbeidsmiddelen). Om veilig en gezond te kunnen werken dienen arbeidsmiddelen in goede staat te verkeren en op de juiste wijze te worden gebruikt. Opleiding en voorlichting van personeel is standaard bedrijfspraktijk. Voor specifieke installaties zijn controlevoorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit (voor zover dit van toepassing is) en deze vergunning. Een ander onderdeel van een goede bedrijfspraktijk is het zodanig situeren van activiteiten om overlast naar de omgeving te beperken. Dit vindt zijn uitwerking in de verschillende toetsingskaders die in deze beoordeling zijn behandeld. Verder gaat het om het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd.