Nibudtrapport MER Raalte 2023 def
Tekst van het document
Minima-effectrapportage gemeente Raalte 2023 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Sanne Lamers, Jasja Bos, Corinne van Gaalen
Minima-effectrapportage gemeente Raalte 2023 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Auteurs Sanne Lamers Jasja Bos Corinne van Gaalen
Nibud, Utrecht, 26 mei 2023 In opdracht van de gemeente Raalte
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (social) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen en hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.
Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Raalte. Met dit onderzoek wil de gemeente Raalte inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Utrecht, mei 2023
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven 2.4 Indeling en verrekening begroting 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Individuele inkomenstoeslag 3.2.4 Meedoen voor kinderen: Stichting Leergeld Salland 3.2.5 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3.2.6 Meedoen 18+ 3.2.7 Energietoeslag 3.2.8 Bijzondere bijstand 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag 3.3.2 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.3 Collectieve zorgverzekering 3.3.4 Begrotingsposten huishoudens met zorg 4 Resultaten 4.1 Financiële situatie per huishoudtype 4.2 Armoedeval 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Bestedingsruimte en armoedeval 5.2 Voorwaarden en aannames 5.3 Gemeentelijke regelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen
1 Inleiding 1.1
Centrale vraag
Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Raalte, uitgaande van het voorgenomen beleid voor 2023? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed zullen profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk. Voor de cijfers en bedragen geldt zoveel mogelijk het prijspeil van januari 2023. Voor enkele uitgavencijfers geldt een prijspeil van december 2022.
1.2
Kern minima-effectrapportage
Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.
1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Raalte is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Een paar zonder kinderen; f. Een ouder echtpaar (AOW-gerechtigd); g. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); h. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); i. Een paar met vier kinderen (8, 11, 14 en 16 jaar); j. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd met een zorgvraag.
1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Raalte is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstands- of AOW-niveau, 110, 120, 130 en 140 procent van de geldende bijstandsnorm.
1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.
1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het Woon Onderzoek van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage vanuit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. In overleg met de gemeente Raalte gaan we uit van een huurbedrag ter hoogte van de aftoppingsgrens, te weten: 647 euro per maand. Hierbij uitgaande van een gemiddeld energielabel van het woningtype.
1.3
Leeswijzer
Het rapport is als volgt opgebouwd: • In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. • In hoofdstuk 3 staan alle landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen waarmee in het rapport wordt gerekend, toegelicht. • In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen bij gebruik van de inkomensondersteunende regelingen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen? • Tenslotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1
Inleiding
Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.
2.2
Inkomsten
In deze rapportage worden op verschillende inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110, 120, 130 en 140 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. In de gemeente Raalte geldt bij de inkomensgrens voor minimaregelingen voor alleenstaande ouders dat wordt uitgegaan van de 70 procent norm. De alleenstaande ouderkop (ALO-kop)1, wordt buiten beschouwing gelaten bij de bepaling van de grens. Het inkomen 110 procent is gelijkt aan 1,1 maal deze norm, etc. De kinderbijslag en het kindgebonden budget (inclusief de ALO-kop) worden apart getoond. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. ____________________
In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn.
2.3
Uitgaven
De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket waarvan een pakket voor sociale participatie een onderdeel is. “Meedoen in de maatschappij” behoort tot de basisbehoeften van huishoudens. De pakketten aan uitgaven zijn voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van alle pakketten beschreven. Het basispakket waaronder die voor sociale participatie, zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen.
Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als noodzakelijk. Indien een huishouden hieraan toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken, maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum. Uitgavenbedragen De begroting bestaat uit een pakketten met daarin vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. De bedragen die gebruikt zijn om de hoogte van de uitgavenposten (pakketten) te bepalen, liggen op 25 procent van de verdeling, het zogenaamde 1ste kwartiel. Dit betekent dat van alle waargenomen prijzen een kwart onder het richtbedrag zit en driekwart erboven. Voor kleding is uitgegaan van de gemiddelde prijs omdat er winkels geselecteerd zijn uit het goedkopere segment. Voor voeding is gekeken naar een mix van A-merken en huismerken.
Voor de bepaling van het richtbedrag is het belangrijk dat het artikel betaalbaar is voor de doelgroep én dat het artikel doorlopend voor die prijs beschikbaar is. Er wordt bewust niet gewerkt met actieprijzen of met de allerlaagste prijs waarvoor een artikel te koop is. Dit is
omdat het artikel voor die prijs vaak niet voor iedereen doorlopend beschikbaar is en omdat de kwaliteit en levensduur niet gegarandeerd kunnen worden. Zeker bij duurzame consumptiegoederen kan dit uiteindelijk leiden tot hogere kosten.
2.4
Indeling en verrekening begroting
In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: • Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. • Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. • Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging. • Sociale participatie: uitgaven die een huishouden wat vrijer kan invullen. Voorbeelden zijn contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor gemeentelijke- en waterschapsheffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is dit verrekend in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
Zo zijn alle meer generieke lokale minimaregelingen meegenomen in de berekeningen. Dit geldt niet voor de individuele bijzondere bijstand (incl. Maatwerk) omdat daarvoor geldt dat deze sterk afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie. Het zijn geen generieke regelingen waarbij iedereen met een bepaald maximaal inkomen in aanmerking kan komen voor een bepaalde vergoeding.
2.5
Voorwaarden aan de begrotingen
Aan de begrotingen worden drie belangrijke voorwaarden opgelegd. Deze voorwaarden geven de kwetsbaarheid van de huishoudens weer, ook als ze op papier blijken rond te kunnen komen. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke
inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven. Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.
2.6
De begrotingen
Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1
Landelijk beleid
Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting en de [alleenstaande] ouderenkorting), landelijke toeslagen (zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget) en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. In 2023 is er ten opzichte van 2022 het volgende veranderd dat van invloed is op de inkomsten van een huishouden met een laag inkomen: 1. Tarief eerste belastingschijf daalt en heffingskortingen stijgen (sterk); 2. De toeslagen stijgen (sterk); 3. Minimumloon en uitkeringen stijgen; 4. Aftrekposten nadeliger voor hoogste inkomens en zzp’ers dan voor lage inkomens. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. Er zijn verschillende heffingskortingen. • • •
•
Algemene heffingskorting: voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. Arbeidskorting: voor iedereen die betaald werk doet, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. Inkomensafhankelijke combinatiekorting: voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouders of aan de minst verdienende fiscale partner. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting: voor AOW-gerechtigden.
Tabel 1: Tabel landelijke heffingskortingen in bedragen per jaar Algemene heffingskorting Arbeidskorting
Inkomensafhankelijke combinatiekorting Ouderenkorting Alleenstaande ouderenkorting
Onder AOW leeftijd Vanaf AOW leeftijd
2022 € 2.888 € 1.494 € 4.260 € 2.534
2023 € 3.070 € 1.583 € 5.052 € 2.694
€ 1.726 € 449
€ 1.835 € 478
Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen (2023) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens. Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Tabel 2: Zorgtoeslag bedragen Inkomensgrens alleenstaand Inkomensgrens paar Vermogensgrens alleenstaand Vermogensgrens paar Maximaal maandbedrag alleenstaand Maximaal maandbedrag paar
€ 30.998 € 40.944 € 120.020 € 151.767 € 111 € 121
€ 38.520 € 48.224 € 127.582 € 161.329 € 154 € 265
Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag is per persoon. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur 2 volledige huurtoeslag tot een bepaalde huur. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit een hogere huur. Alleenstaanden of ouderen/ hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot vervolgens nog 40 procent vergoed. Tabel 3: Huurtoeslag bedragen Vermogensgrens per persoon Huurgrens volledige huurtoeslag Huurgrens 65% huurtoeslag 1p en 2p Huurgrens 65% huurtoeslag 3p of meer
Huurgrens 40%
€ 31.747 € 442,46 €633,25 € 678,66 € 763,47
€ 33.748 € 452,20 € 647,19 € 693,60 € 808,06
____________________ 2 De minimale basishuur is inkomensafhankelijk en bedraagt voor huishoudens op minimumniveau 225,54 euro.
(Voor AOW-gerechtigden is dit voor eenpersoonshuishoudens 223,72 euro en voor meerpersoonshuishoudens 221,91 euro). Bij een hoger inkomen wordt de basishuur hoger.
Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. Tabel 4: Kinderopvangtoeslag bedragen per uur
Maximale vergoeding dagopvang Maximale vergoeding buitenschoolse opvang
€ 8,50 € 7,31
€ 9,12 € 7,85
Kindgebonden budget Elk huishouden met kinderen jonger dan 18 jaar komt in aanmerking voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Er geldt een inkomensgrens. Na de inkomensgrens wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Tabel 5: Kindgebondenbudget Inkomensgrens alleenstaande Inkomensgrens paar Alleenstaande ouder kop
€ 22.356 € 39.596 € 273,75
€ 25.070 € 43.397 € 320,67
Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. Tabel 6: Kinderbijslag 0 – 6 jaar 6 – 12 jaar 12 – 18 jaar
€ 249,31 € 302,74 € 356,16
€ 269,76 € 327,56 € 385,37
3.2
Lokaal minimabeleid
Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Raalte voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod.
3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Raalte kan kwijtschelding worden aangevraagd voor de rioolheffing en de afvalstoffenheffing. De kwijtscheldingsnorm bedraagt 100 procent van het sociaal minimum. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt wel betalingscapaciteit verondersteld. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Raalte maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers en houdt ook rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Bij het waterschap Drents Overijsselse Delta is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en voor de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en het waterschap worden apart berekend.
3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom bieden veel gemeenten inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan. Voor Raalte wordt deze Gemeentepolis aangeboden door Salland Zorgverzekeringen. De huishoudens met een inkomen niet hoger dan 110 procent van de bijstandsnorm kunnen hiervan gebruik maken, wanneer ook hun vermogen niet meer is dan die geldt in de Participatiewet. De gemeente levert een bijdrage aan de premie en er geldt een collectiviteitskorting. De combinatie met de basisverzekering kan met twee verschillende aanvullende verzekeringen. In dit onderzoek gaan we uit van Pakket 1 voor de huishoudens zonder een extra zorgbehoefte en Pakket 2 voor het huishouden met de extra zorgbehoefte. In Pakket 2 is de eigen risico herverzekerd. Tabel 7: Gemeentepolis kosten per maand Pakket 1 Kosten normaal € 160,85 Korting collectiviteit € 1,76 Gemeentelijke bijdrage € 10,00 Kosten minima € 149,09
Pakket 2 € 218,40 € 3,44 € 39,00 € 175,96
In de begrotingen rekenen we voor de huishoudens die niet aan de voorwaarden van de Gemeentepolis voldoen met de premie van een gemiddelde zorgverzekering (de nominale premie van de basis- en aanvullende verzekering inclusief een tandartsverzekering). De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten. Daarnaast gaan we ervan uit dat huishoudens die niet gebruik maken van Pakket 2 maandelijks moeten reserveren voor het eigen risico van 385 euro per jaar, omdat zij dit geld waarschijnlijk niet op de plank hebben liggen, als zij dit (onverwacht) nodig hebben. Dit bedrag is opgenomen onder de post “eigen risico zorgverzekering”.
3.2.3 Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag in de gemeente Raalte is bedoeld voor huishoudens van wie het inkomen in de afgelopen drie jaar niet hoger was dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm en die geen zicht hebben op en inkomensverbetering in de toekomst. De hoogte van de IIT bedraagt voor paren 660 euro per jaar, voor alleenstaande ouders 600 euro per jaar en voor alleenstaanden 466 euro per jaar. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd, omdat de IIT niet voor elk huishouden met een laag inkomen geldt.
3.2.4 Meedoen voor kinderen: Stichting Leergeld Salland De Regeling Meedoen voor kinderen is bedoeld voor huishoudens met kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 17 jaar. Stichting Leergeld Salland voert deze regeling uit en vergoedt boven op de gemeentelijke grens van 120 procent tot 130 procent van bijstandsnorm. Het vermogen van het huishouden mag niet hoger zijn dan de toepasselijke vermogensgrens (Participatiewet). Voor kinderen tot 4 jaar is de bijdrage 123 euro per jaar, voor kinderen op de basisschool is dit 367 euro en voor kinderen op de middelbare school 549 euro op jaarbasis. Dit bedrag wordt verrekend met de uitgavenposten “sociale participatie” en “onderwijs”. Onder deze regeling valt ook de vergoeding voor het behalen van zwemdiploma A en B. In de begrotingen zijn kosten hiervoor niet opgenomen, deze vergoeding kan daardoor niet worden doorgerekend in dit onderzoek. 3.2.5 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot en met de basisschoolleeftijd een tegemoetkoming krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Kinderopvang In dit onderzoek gaan we ervan uit dat de alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau enkele dagen per week werkt en gebruik maakt van de kinderopvang.
Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een hoger inkomen wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang.
Peuterspeelzaal Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken. Dit geldt ook voor een paar met jonge kinderen bij alle inkomens omdat we uitgaan van éénverdienersschap. Wel gaan we ervan uit dat beide huishoudtypen twee dagdelen per week gebruik maken van de peuteropvang. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. Dit is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. De gemeente Raalte biedt subsidie voor een plaats in een peuterspeelzaal. Dit gaat om maximaal twee dagdelen per week. De bedragen voor 2023 starten bij 0,70 euro per uur als er sprake is van een laag inkomen. Bij een toetsingsinkomen van 30.000 euro is het uurbedrag 0,94 euro. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. Bij de huishoudens die in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag is deze toeslag in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
3.2.6 Meedoen 18+ Deze regeling vergoedt de kosten voor sport- en culturele activiteiten (muziekles, schilderles, concertbezoek, etc) tot 293 euro per persoon jaar, voor inwoners ouder dan 18 jaar met een laag inkomen. De inkomensgrens hiervan is 120 procent van de bijstandsnorm en de toepasselijke vermogensgrens. In de begroting is deze vergoeding verrekend met de uitgavenpost “sociale participatie”.
3.2.7 Energietoeslag Vorig jaar zijn de gemiddelde huishoudelijke kosten van energie sterk gestegen. Voor huishoudens met een inkomen op of net boven het sociaal minimum konden en kunnen gemeenten een energietoeslag uitkeren. Het Rijk heeft geld ter beschikking gesteld en gemeenten kunnen zelf invulling geven aan de hoogte van het bedrag (richtbedrag is 1.300 euro) en de inkomensgrens (richtlijn is 120 procent van de bijstandsnorm). Voor het verstrekken van deze energietoeslag wordt gebruik gemaakt van het instrument “categoriale bijzondere bijstand”. De gemeente kan aan huishoudens die aan de voorwaarden voldoen een energietoeslag toekennen, zonder te controleren of de energiekosten van die inwoners daadwerkelijk sterk gestegen zijn en of die inwoners over voldoende middelen (vermogen) beschikken om de energierekening te kunnen betalen. De gemeente Raalte verstrekt de energietoeslag conform de richtlijnen van het Rijk, maar vult dit aan met een bedrag van 500 euro voor huishoudens met een inkomen tussen 120 en 130 procent. De energietoeslag 2023 á 1.300 euro wordt in twee tranches uitgekeerd (800 euro plus 500 euro en 200 plus 300 euro). In de begrotingen is de energietoeslag verwerkt bij de inkomsten.
3.2.8 Bijzondere bijstand De gemeente Raalte verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Uitgangspunt hierbij is dat er geen draagkracht is bij een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Van het meerinkomen vanaf 110 procent van de geldende bijstandsnorm wordt 70 procent als draagkracht beschouwd. Als vermogensgrens gelden 2.500 euro voor alleenstaanden en 5.000 euro voor de resterende huishoudens. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen voor de huishoudens zonder zorgvraag, omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Voor de zorgvraag is een profiel (3.3.1.) opgemaakt waarmee de individuele bijzondere kosten wel inzichtelijk zijn gemaakt en de bijzondere bijstand kan worden bepaald.
3.3
Huishoudens met een zorgvraag
In dit onderzoek wordt voor één huishoudtype met extra zorgkosten de financiële situatie onderzocht, een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd). De uitgaven zijn afhankelijk van de zorgbehoefte waarmee de financiële situatie anders wordt dan hetzelfde huishouden zonder zorgvraag. De beschrijving van deze zorgvraag (zorgbehoefte) volgt hieronder. Vervolgens hebben we de regelingen van de gemeente Raalte voor huishoudens met een zorgvraag beschreven met het effect op de maandbegroting.
3.3.1 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag De begroting voor huishoudens met een zorgvraag hebben we gemaakt aan de hand van de volgende zogenoemde zorgprofielen. Hiermee bepalen we welke extra kosten dit huishouden heeft en welke regelingen daarvoor gelden. De profielen zijn opgesteld door het Nibud in samenspraak met Ieder(In) 3. Voor de alleenstaande vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd geldt het volgende zorgprofiel: • Stofwisselingsziekte • Bril • Gehoorapparaat • Rollator • Een medicijn dat door (aanvullende) zorgverzekering vergoed wordt • Lichte vorm van incontinentie • Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening • Is aangewezen op een energieverrijkt dieet • 3 uur huishoudelijke verzorging per week • 14 uur persoonlijke verzorging per week • 4 uur verpleging per week • Personenalarmering • Gebruik belbus / collectief vervoer • Woningaanpassing (drempels weg, verhoogde wc)
____________________ 3
Ieder(In) is een belangenorganisatie voor mensen met een beperking of een chronische ziekte
3.3.2 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier. Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: • ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; • ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is. Voor de Wmo geldt een inkomensonafhankelijke eigen bijdrage van 19 euro per maand ongeacht het aantal producten. Met uitzondering van intramurale zorg via bescherm wonen waarvoor wel een inkomensafhankelijke eigen bijdrage geldt.
3.3.3 Collectieve zorgverzekering Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven, kent de gemeente Raalte een uitgebreid pakket binnen de Gemeentepolis waarvan huishoudens met extra zorgkosten veel profijt kunnen hebben: Pakket 2. Via dit pakket is onder meer de eigen bijdrage voor Wmo (tot een bedrag van 230 euro per jaar) vergoed.
3.3.4 Begrotingsposten huishoudens met zorg Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen: Huishoudelijke hulp De huishoudelijke verzorging is in de gemeente Raalte mogelijk als maatwerkvoorziening waarvoor een eigen bijdrage via het CAK van 19 euro per maand geldt. Huishoudens die aan de voorwaarden voldoen en gebruik maken van de Gemeentepolis (waar we in deze rapportage van uitgaan), krijgen de eigen bijdrage vergoed. Dit wordt verrekend met de uitgavenpost “eigen bijdragen/ betalingen zorg”. Persoonlijke verzorging en verpleging De persoonlijke verzorging en verpleging waarvan het voorbeeldzorghuishouden gebruik maakt, vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hierdoor komen er dus geen extra kosten bij. Maaltijdvoorziening De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid. In deze rapportage veronderstellen we dat de AOWgerechtigde met zorgvraag niet in staat is om zelf te koken en 5 dagen per week gebruik maakt van de maaltijdvoorziening. Hierbij hanteren we het volgende: • De kosten voor een warme maaltijd bedragen in Raalte gemiddeld 6,25 euro per keer (op basis van 4 maaltijden voor 25 euro).
•
•
Volgens de Nibud Prijzengids kost een zelf bereide warme maaltijd voor een alleenstaande 2,51 euro per keer (inclusief het schaalnadeel ten opzichte van een gemiddeld huishouden met 2 personen). De meerkosten voor de maaltijdvoorziening bedragen 3,74 euro per keer.
De gemeente Raalte verstrekt bijzondere bijstand voor de meerkosten. Dieetkosten De oudere met een zorgvraag maakt gebruik van een specifiek dieet. De meerkosten van verschillende diëten kunnen zeer uiteenlopen. Bij deze zorgvraag wordt uitgegaan van een energieverrijkt dieet. De meerkosten van dit dieet bedragen 400 euro per jaar. Vergeleken met andere diëten is dit niet bijzonder hoog. Voor de dieetkosten kan er belastingaftrek voor opgevoerd worden mits de kosten niet zijn vergoed. We gaan in dit rapport uit van een recht op belastingaftrek. Collectief vraagafhankelijk vervoer Het huishouden met een zorgvraag maakt gebruik van aangepast vervoer. In de gemeente Raalte (via Service Vervoer Raalte) gelden hiervoor de volgende tarieven voor ritten tot ongeveer 25 kilometer. Tabel 8: Kosten collectief vraagafhankelijk vervoer Tarieven Opstaptarief Wmo met korting € 0,64 Valys
Km-tarief € 0,16 € 0,22
Voor reizen van meer dan 25 kilometer gaan we uit van het Valys vervoer, waarbij voorwaarde is dat er een bepaalde mate van mobiliteitsbeperking geldt. In de begrotingen wordt gerekend met: • 4 ritten per maand van 5 kilometer enkele reis Dat is: 8 x opstap tarief en 40 x km-tarief. Wat neerkomt op 11,52 euro per maand; • 4 ritten per jaar van 50 kilometer enkele reis Dat is: 400 x Valystarief. Omgerekend per maand gaat dit om een bedrag van 7,33 euro; Totaal gaat het dus om een bedrag van 18,85 euro per maand aan extra vervoerskosten vanwege de zorgvraag. Verder gaan we ervan uit dat dit voorbeeldzorghuishouden geen gebruik maakt van de fiets; deze kosten zijn daarom uit de begroting van de betreffende huishoudens gehaald. De extra vervoerskosten zijn opgenomen onder de post “vervoer”. Waskosten Incontinentie bij het zorghuishouden brengt extra waskosten met zich mee. We gaan uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op 10 euro per maand. Voor deze meerkosten is een beroep op de bijzondere bijstand mogelijk. De waskosten en eventuele vergoeding worden opgenomen onder de post “was- en schoonmaakmiddelen”.
Medicijnen Als eigen bijdrage voor medicijnen voor het voorbeeldhuishouden met zorg rekenen we 200 euro op jaarbasis. Dit bedrag is door het Nibud en Ieder(in) vastgesteld in eerder onderzoek. In de collectieve zorgverzekering Pakket 2 wordt 300 euro per jaar vergoed aan dergelijke kosten. De kosten en vergoeding worden verrekend met de uitgavenpost “eigen bijdragen, betalingen zorg”. Woningaanpassing De kosten voor de woningaanpassing (drempels weg, verhoogde wc) van het voorbeeldhuishouden met zorg worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage Wmo. Deze eigen bijdrage wordt vergoed vanuit de Gemeentepolis (zie ook Huishoudelijke hulp). Voor bepaalde hulpmiddelen en aanpassingen die men zelf doet is belastingaftrek mogelijk. Standaard houden we hiervoor rekening met een belastingaftrek van 323 euro. Personenalarmering De kosten voor de personenalarmering worden volledig vanuit de Gemeentepolis Pakket 2 vergoed. Deze kosten drukken hierdoor niet op de begroting van huishoudens met een zorgvraag die voor deze verzekering in aanmerking komen. In de begrotingen is dit verwerkt in de post “eigen bijdragen/betalingen zorg”. Attentiekosten Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog 8 euro per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. Deze kosten zijn opgenomen onder de post “eigen bijdragen/betalingen zorg”.
De bovenstaande kosten en bijbehorende vergoedingen hebben betrekking op het zorgprofiel dat als uitgangspunt voor deze minima-effectrapportage is gekozen. Uiteraard zal het zorgprofiel per individu verschillend zijn en daarmee zullen er dus ook verschillende kosten zijn. In het gehanteerde zorgprofiel wordt bijvoorbeeld uitgegaan van huishoudelijke verzorging. Niet meegenomen zijn dagbesteding en persoonlijke begeleiding die ook onder de Wmo vallen, omdat de gekozen zorgprofielen hier niet om vragen.
4 Resultaten Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander is schematisch weergegeven in de tabel op de volgende pagina. Deze tabel geeft een overzicht van de bestedingsruimte per maand die de onderzochte huishoudtypen hebben, nadat zij alle uitgaven hebben gedaan. In de laatste kolom is de situatie berekend als het huishouden ook recht heeft op de individuele inkomenstoeslag. Bij het berekenen van de bestedingsruimte worden alle landelijke en lokale regelingen meegenomen, waar de huishoudens recht op hebben in 2023. Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. Daarnaast worden de armoedevallen in tabel 1 weergegeven. We onderscheiden twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Paragraaf 4.2 gaat hier dieper op in. In de tabel is een uitstroomval weergeven met een rode pijl ( ). Een doorstroomval is weergegeven met een grijze pijl ( ). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood.
Tabel 9: Resultaten inkomsten min uitgaven per huishoudtype en naar inkomen
Raalte 2023 a. Alleenstaande onder AOW-leeftijd saldo na basispakket incl sociale participatie 100% € 159 110% € 163 120% € 255 130% € 284 140% € 331 150% € 415
f. Paar zonder kinderen vanaf AOW leeftijd
Inclusief IIT € 198 € 202 € 255
b. Alleenstaande vanaf AOW-leeftijd saldo na basispakket incl sociale participatie 100% € 386 110% € 429 120% € 486 130% € 482 140% € 510 150% € 555
Inclusief IIT
Inclusief IIT € 522 € 518 € 479
Inclusief IIT € 252 € 305 € 310
saldo na basispakket incl sociale participatie 100% € -31 110% € 22 120% € 84 130% € 40 140% € -29 150% € 31
Inclusief IIT € 24 € 77 € 84
i. Paar met 4 kinderen
Inclusief IIT € 285 € 286 € 328
e. Paar zonder kinderen tot AOW leeftijd saldo na basispakket incl sociale participatie 100% € 145 110% € 198 120% € 261 130% € 217 140% € 239 150% € 299
saldo na basispakket incl sociale participatie 100% € 197 110% € 250 120% € 310 130% € 257 140% € 231 150% € 286 g. Paar met 2 oudere kinderen
d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen saldo na basispakket incl sociale participatie 100% € 235 110% € 236 120% € 328 130% € 356 140% € 343 150% € 462
Inclusief IIT
f. Paar met 2 jonge kinderen
c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen saldo na basispakket incl sociale participatie 100% € 472 110% € 468 120% € 479 130% € 498 140% € 496 150% € 615
saldo na basispakket incl sociale participatie 100% € 396 110% € 443 120% € 487 130% € 478 140% € 538 150% € 635
saldo na basispakket incl sociale participatie 0% € 17 100% € 70 110% € 133 120% € 90 130% € -41 140% € 19
Inclusief IIT € 72 € 125 € 133
h. Alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorgvraag
Inclusief IIT € 200 € 253 € 261
saldo na basispakket incl sociale participatie 100% € 363 110% € 405 120% € 341 130% € 336 140% € 364 150% € 408
Inclusief IIT
4.1
Financiële situatie per huishoudtype
a. Alleenstaande In Raalte heeft een alleenstaande met een inkomen op bijstandsniveau een positief saldo van 159 euro nadat alle uitgaven uit het basispakket plus de uitgaven voor sociale participatie zijn voldaan. Als deze alleenstaande gebruik maakt van de Individuele Inkomenstoeslag is het saldo op bijstandsniveau positiever: 198 euro. De lokale regelingen maken duidelijk het verschil: als de alleenstaande daar niet gebruik van maakt heeft dit huishoudtype te maken met een negatief saldo. b. Alleenstaande oudere Alleenstaanden boven de AOW-gerechtigde leeftijd hebben meer bestedingsruimte. Zij houden, na bekostiging van de uitgaven uit het basispakket (waaronder sociale participatie), 386 euro over als zij alleen een AOW-uitkering hebben. Op 150 procent is de bestedingsruimte 555 euro. Het maandelijkse AOW-bedrag is hoger dan de bijstandsnorm voor de alleenstaande onder de AOW-leeftijd, waardoor deze huishoudens meer bestedingsruimte hebben. Dit huishoudtype heeft vanwege de leeftijd geen recht op IIT. c. Eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Ook het eenoudergezin met twee jonge kinderen heeft voldoende inkomsten om naast de uitgaven uit het basispakket ook de uitgaven voor sociale participatie te kunnen bekostigen. Op bijstandsniveau houdt dit gezin 472 euro vrij te besteden over; dit bedrag loopt op tot 615 euro op 150 procent.
Wanneer een eenoudergezin op bijstandsniveau ook gebruikmaakt van de IIT, dan is het vrij besteedbare budget nog ruimer, te weten 522 euro. d. Eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het eenoudergezin met twee oudere kinderen houdt minder over dan het eenoudergezin met jonge kinderen: 235 euro op bijstandsniveau. Op 110 procent van de norm is er 236 euro over en het saldo stijgt naar 462 euro op 150 procent. Als dit eenoudergezin gebruikmaakt van de IIT is de bestedingsruimte op bijstandsniveau 285 euro en op 110 procent 286 euro. Dat is 50 euro meer dan wanneer er geen gebruik van wordt gemaakt. Dat het eenoudergezin met twee oudere kinderen minder bestedingsruimte heeft dan het eenoudergezin met jonge kinderen, heeft te maken met het feit dat de kosten voor oudere kinderen over het algemeen hoger zijn dan voor jonge kinderen. Dit geldt bijvoorbeeld voor voeding, kleding en schoolkosten. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget kunnen dit verschil niet compenseren. e. Paar zonder kinderen Ook het paar zonder kinderen heeft voldoende bestedingsruimte om zowel de uitgaven uit het basispakket als de kosten voor sociale participatie te betalen. Op bijstandsniveau is er een bestedingsruimte van 145 euro, wat oploopt naar 299 euro op 150 procent van de norm.
Wanneer er aanspraak wordt gemaakt op de IIT is het vrij te besteden ruimte voor dit huishoudtype 200 euro per maand op bijstandsniveau en 253 euro bij 110 procent van het minimum. Vergeleken met eenoudergezinnen is de bestedingsruimte van paren lager. Dit komt doordat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. De hogere bijstandsnorm voor een paar is veelal niet voldoende om deze extra kosten op te vangen.
f. Ouder paar zonder kinderen Het oudere paar heeft duidelijk meer bestedingsruimte dan het jongere paar, na bekostiging van alle pakketten is er 396 euro over op bijstandsniveau. Dit loopt op tot 635 euro per maand bij het inkomen op 150 procent van het minimum. De hogere bijstandsnorm voor een AOW-gerechtigde is hoger dan die voor huishoudens tussen 21 jaar en de AOW-leeftijd, is ook bij dit huishouden de oorzaak. Dit huishoudtype heeft vanwege de leeftijd geen recht op IIT. f. Paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar) Paren met twee jonge kinderen houden op bijstandsniveau 197 euro over als de uitgaven uit het basispakket en de uitgaven voor sociale participatie zijn bekostigd. Zoals bij het paar zonder kinderen al is aangegeven moet een paar de kosten van twee volwassenen dragen, terwijl de hogere bijstandsnorm voor een paar meestal niet voldoende is om deze extra kosten op te vangen. De ruimte van het paar met jonge kinderen liggen wel net iets hoger dan van het paar zonder kinderen. Dit komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget) en het gemeentelijk minimabeleid de extra kosten van de twee jonge kinderen meer dan compenseren. Wanneer dit huishouden maakt van de IIT, dan is het vrij besteedbare budget 55 euro per maand hoger. g.
Paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar) Paren met twee oudere kinderen hebben de minste bestedingsruimte van alle onderzochte huishoudens. Op bijstandsniveau is dit huishouden niet in staat om alle minimale uitgaven te bekostigen, maar ook daarboven is het budget krap. Na invulling van alle noodzakelijke uitgaven uit het basispakket (waaronder sociale participatie) hebben paren met oudere kinderen op bijstandsniveau 31 euro per maand tekort. Als dit huishouden gebruikmaakt van de IIT is er geen sprake meer van een tekort (24 euro). Wanneer het inkomen stijgt tot 110 procent is er weliswaar geen tekort, maar de vrije bestedingsruimte is wel erg krap: 22 euro per maand. Inclusief IIT is er iets meer ruimte, te weten 77 euro per maand. Op 140 procent zien we opnieuw een tekort ontstaan. Dit huishouden moet de kosten van twee volwassenen dragen en daar boven op de kosten voor twee oudere kinderen. Al eerder is genoemd dat de kosten van oudere kinderen hoger zijn dan die van jonge kinderen en dat de hogere bijstandsnorm voor een paar veelal niet voldoende is om de kosten van twee volwassenen op te vangen. De combinatie van twee volwassenen en twee oudere kinderen kan tot flinke tekorten op de begroting leiden. h. Paar met vier kinderen (8, 11, 14 en 16 jaar) Paren met vier kinderen hebben bij de lagere inkomens iets meer ruimte dan de paren met alleen oudere kinderen.
Dit heeft te maken met de leeftijdsopbouw van de kinderen. Zoals we al eerder zagen in de vergelijking tussen de paren met jonge kinderen en met oudere kinderen is er een duidelijk verschil in bestedingsruimte. Het onderzochte huishouden met vier kinderen bestaat uit zowel jonge als oudere kinderen, met als gevolg dat de financiele positie van dit huishouden tussen die van paren met jonge en oudere kinderen in ligt. Wel zien we dat bij de hogere inkomens dat dit huishoudtype vanwege zes personen de lokale inkomensondersteuning meer mist dan het paar met oudere kinderen. Dit
gecombineerd met de afname van de landelijk toeslagen, veroorzaakt een groter tekort op 140 procent en kleiner positief saldo op 150 procent dan bij het paar met oudere kinderen. De IIT zorgt bij dit huishoudtype ook voor wat meer ruimte op de begroting, iets wat dit huishouden goed kan gebruiken. i. Alleenstaande oudere met een zorgvraag De begroting van huishoudens met een zorgvraag wijkt op diverse punten af van de standaardbegrotingen, waardoor andere saldi resulteren (zie paragraaf 3.3.3). Op minimumniveau heeft de alleenstaande oudere met een zorgvraag een bestedingsruimte van 363 euro, oplopend tot 408 euro op 150 procent. De vrije bestedingsruimte is iets minder ruim dan de oudere alleenstaande zónder zorgkosten. Dit verschil loopt op bij hogere inkomens doordat het zorghuishouden bij die inkomens minder wordt ondersteund in de zorgkosten. Dit huishoudtype heeft vanwege de leeftijd geen recht op IIT.
4.2
Armoedeval
Voor elk huishoudtype zijn verschillende inkomensniveaus doorgerekend. Naast het minimuminkomen zijn dat inkomens op 110, 120, 130, 140 en 150 procent. Soms leidt een hoger inkomen tot een beperktere bestedingsmogelijkheid. Dit komt doordat landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zoals huurtoeslag en kindregelingen, er niet op voorhand toe leiden dat een huishouden meer te besteden heeft bij een hoger inkomen. Deze armoedeval wordt ook wel doorstroomval genoemd. Een andere situatie ontstaat vaak wanneer huishoudens vanuit een uitkering uitstromen naar betaald werk. Deze armoedeval wordt ook wel de uitstroomval genoemd. Op dat moment nemen de kosten door werk toe en komen rechten op diverse inkomensondersteunende regelingen (gedeeltelijk) te vervallen. In de figuur op de volgende pagina is zichtbaar gemaakt wat de ontwikkeling van het saldo is van de diverse huishoudens als het inkomen toeneemt. Dit is gedaan voor alle huishoudens zonder dat de individuele inkomenstoeslag is meegerekend. Daarin is te zien dat er nauwelijks sprake is van een armoedeval en dat de meeste inkomensstijgingen gepaard gaan met een grotere vrije bestedingsruimte. In enkele situaties zien we een armoedeval (uitstroomval of doorstroomval) optreden. Uitstroomval In de gemeente Raalte doet dit verschijnsel zich in lichte mate voor bij alleenstaande met jonge kinderen op 110 procent.
Bij het paar met vier kinderen zien we dit ook in een wat sterkere mate maar dan bij 130 procent van het minimum. Tenslotte is dit ook bij het zorghuishouden sprake van een “uitstroomval” al is bij dit huishouden geen uitstroommogelijkheid maar is het saldo bij 120 en 130 procent inkomen lager dan op het laagste inkomensniveau. • Eenoudergezinnen met jonge kinderen hebben bij 110 procent te maken met het verschijnsel dat de kosten van werk gecombineerd met de kosten van kinderenopvang groter zijn dan de toename van het inkomen voor dit huishoudtype. De kinderopvangtoeslag vergoedt weliswaar een deel waardoor de netto kosten van kinderopvang niet heel hoog zijn, alleen komen er ook kosten voor werken (representatiekosten) bij en vervalt een deel van de kwijtschelding. Dit samenspel van regelingen veroorzaakt de uitstroomval bij dit huishoudtype. Daar staat tegenover dat
•
•
de bestedingsruimte van alleenstaande ouders met jonge kinderen groter is dan de meeste andere huishoudens. Voor de paren met vier kinderen geldt dat er bij 130 procent geen recht meer is op alle regelingen. Zowel Meedoen kinderen en Meedoen 18+ vallen weg, als de eerder (deels) weggevallen energietoeslag en de voordelen uit de collectieve zorgverzekering. Door de afname in de landelijke huurtoeslag en zorgtoeslag is de toename in het netto inkomen te klein om de hogere kosten aan deze uitgavenposten voor zes personen te kunnen bekostigen. Bij het huishouden met een zorgvraag is daarnaast ook een armoedeval te zien bij het inkomen op 120 procent. Dit huishouden kan geen gebruik meer maken van de collectieve zorgverzekering die zowel gunstig is voor vanwege de uitgebreide vergoedingen als voor het eigen risico dat herverzekerd is. De zorghuishoudens met een inkomen op 120 procent moeten zelf in deze kosten voorzien.
Figuur 1: Ontwikkeling saldo naar inkomen per huishoudtype (exclusief IIT)
Doorstroomval In de gemeente Raalte zien we een doorstroomval bij meerdere huishoudens met een inkomen van 130 procent van de geldende bijstandsnorm. De oorzaak is het wegvallen van het recht lokale minimaregelingen én op energietoeslag. Bij de energietoeslag gaat dit om een 500 euro op jaarbasis voor de huishoudens met een inkomen tussen 120 en 130 procent, wat neerkomt op 42 euro per maand. Als we deze energietoeslag niet mee zouden rekenen zien we deze doorstroomval bij de meeste huishoudtypen niet meer optreden. Alleen voor de paren met oudere kinderen en met vier kinderen is het wegvallen van de Meedoenregelingen zo impactvol dat zij nog wel te maken hebben met een armoedeval op 140 procent ook al wordt de energietoeslag niet meegenomen.
Individuele inkomenstoeslag en armoedeval Huishoudens die drie jaar of langer van een inkomen moeten leven dat niet hoger is dan 110 procent van de geldende bijstandsnorm, komen in aanmerking voor de Individuele inkomenstoeslag (IIT). De hoogte van de toeslag hangt af van het huishoudtype. De IIT kan een extra uitstroomval veroorzaken: een huishouden met recht op IIT kan een hogere bestedingsruimte hebben dan een huishouden op een hoger inkomensniveau, zonder recht op IIT. In de gemeente Raalte doet dit verschijnsel alleen voor bij de alleenstaanden met jonge kinderen. De netto kosten aan kinderopvang drukken bij dit huishouden meer op de begroting dan de toename van de inkomsten als daaronder ook de IIT valt. Daar staat tegenover dat de bestedingsruimte van alleenstaande ouders met jonge kinderen groter is dan de andere huishoudens.
5 Conclusies en aanbevelingen Dit hoofdstuk beschrijft, naar aanleiding van de resultaten in de vorige hoofdstukken, de conclusies. Daarnaast worden er verschillende adviezen gegeven voor de aanpassing van regelingen in het kader van het minimabeleid van de gemeente Raalte.
5.1
Bestedingsruimte en armoedeval
In de gemeente Raalte kunnen de meeste onderzochte huishoudens de maandbegroting rondkrijgen, ook wanneer rekening wordt gehouden met kosten voor sociale participatie. Dit is opvallend gelet op de sterk gestegen prijzen het afgelopen jaar. De landelijke lastenverlichting die is doorgevoerd in 2023 (zie paragraaf 3.1) doet hier zijn werk in combinatie met het gemeentelijke minimabeleid. Dat geldt mogelijk niet voor huishoudens met hogere kosten dan waar we in dit onderzoek rekening mee hebben gehouden. Bijvoorbeeld huishoudens met een combinatie van een hogere huur en een onzuinige woning. Zij worden extra geraakt door de hoge energieprijzen terwijl de compensatie voor hen niet veel hoger is dan voor huishoudens met een energiezuinige woning. Daarnaast moet in het oog worden gehouden dat een aantal regelingen, die in dit onderzoek zijn meegenomen, tijdelijk van aard zijn. Dit geldt voor het prijsplafond voor energie en zeer waarschijnlijk voor de energietoeslag. Ook de stijging van het kindgebonden budget is niet structureel en mogelijk die van de zorgtoeslag niet. Het vooruitzicht voor huishoudens met een laag inkomen is daarom nog met de nodige onzekerheid omgeven. Het zijn juist de huishoudens met een laag inkomen die het meest afhankelijk van deze toeslagen en ondersteuningen.
Dit gecombineerd met het gegeven dat aanvragers vooraf een inschatting moeten maken van hun jaarinkomen en zelf wijzigingen daarover moeten doorgeven (in ieder geval voor de landelijk regelingen). Veel mensen vinden dit lastig en vergeten dit, met alle financiële gevolgen van dien. Daarnaast blijft er grote onzekerheid over het verloop van alle prijzen dit en komend jaar. Weten waar je financieel aan toe bent, is nodig om te kunnen begroten en uit te kunnen rekenen hoeveel budget er is voor andere uitgavenposten. Hogere inkomens hebben meer ruimte in hun begroting om te kunnen schuiven met uitgavenposten en hebben vaker een buffer om op terug te vallen. Iets wat huishoudens met een laag inkomen vaker niet hebben. Welke huishoudens hebben het moeilijk? Paren met twee oudere kinderen en paren met vier kinderen met een inkomen op bijstandsniveau kunnen de basisuitgaven (waaronder die aan sociale participatie) niet of nauwelijks bekostigen. Voor hen geldt dat de Individuele Inkomenstoeslag net afdoende is als ze daarop recht hebben. Het paar met oudere kinderen heeft dan niet meer met een tekort te maken. Daarnaast hebben deze huishoudens bij het hogere inkomen op 140 procent van het sociaal minimum te maken met een vrije bestedingsruimte die vergelijkbaar of zelfs lager is dan op bijstandsniveau.