MER TIJS Heeten b.v. 22-mei-2024-zonder bijlagen
Tekst van het document
ILVO bestudeerde ook het risico op verspreiding van bacteriën, virussen, schimmels en parasieten die aanwezig kunnen zijn bij vee, en de effecten van geneesmiddelengebruik in de stallen in de ontwikkeling van resistentie. Het is echter weinig waarschijnlijk dat deze pathogenen zich verspreiden via de lucht, maar blootstelling via de ruimere leefomgeving zoals mest en water. Via voeding (humane consumptie) is verspreiding eveneens mogelijk. Denk aan besmettingen met Salmonella, Campylobacter, E. coli, Hepatitis E, antibioticaresistente bacteriën en azoleresistente schimmels. Het risico beperkt zich hier dus niet tot de omwonenden, maar breidt zich uit tot de algemene volksgezondheid. Vervolgonderzoeken en vervolgadvies Gezondheidsraad (2018) De Gezondheidsraad geeft aan dat het nog steeds niet duidelijk is of er sprake is van een oorzakelijk verband tussen longproblemen en veehouderijen. Daarvoor is het aantal kwalitatief goede onderzoeken zowel in Nederland als in het buitenland te beperkt.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 59
Hoewel niet kan worden vastgesteld wat de luchtwegeffecten rond veehouderijen veroorzaakt, is het volgens de Gezondheidsraad wel zinvol maatregelen te treffen en adviseert dan ook verdere reductie van de uitstoot van fijnstof. In de lucht rond veehouderijen zit veel fijnstof en uit onderzoek in stedelijke omgevingen blijkt dat fijnstof waarschijnlijk effecten veroorzaakt op luchtwegen en longen. Reductie van fijnstof bevordert dus de volksgezondheid als geheel. Ook adviseert de raad om de uitstoot van ammoniak verder te verminderen, omdat ammoniak bijdraagt aan de vorming van fijnstof. Op 14 februari 2018 heeft de Gezondheidsraad zijn advies ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen: vervolgadvies’ gepresenteerd aan de tweede kamer (Kamerstuk 28, 973, nr. 197). De Gezondheidsraad constateert dat er aanwijzingen zijn dat de veehouderij via de emissies van fijnstof en ammoniak specifieke gezondheidsrisico’s voor omwonenden met zich meebrengt. Deze aanwijzingen zijn door de resultaten van het VGO-onderzoek en andere nieuwe kennis duidelijker geworden. De Gezondheidsraad benadrukt dat de bewijskracht voor causaliteit tekort schiet. Ten aanzien van endotoxinen zijn meer metingen en betere berekeningen nodig. Dit moet uiteindelijk leiden tot een beoordelingsinstrumentarium.
Te zijner tijd zal worden bezien op welke wijze dit beoordelingsinstrumentarium en de normstelling voor endotoxinen zullen worden verwerkt in de AMvB’s onder de Omgevingswet. Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt bevoegde gezagen om vergunningaanvragen te toetsen aan de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen. Hiervoor is voor legkippen, slachtkuikens en vleesvarkens een grafiek opgesteld waarbij de fijnstofemissie in kg/jaar is gerelateerd aan een minimale afstand in meters. Daar waar de minimale afstand tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt en een woning kleiner is dan de adviesafstand, kan op basis van huidige kennis en inzichten gesteld worden dat risico’s voor de gezondheid niet uit te sluiten zijn. Bij het toepassen van dit ‘endotoxinen-toetsingskader’ word uitgegaan van een worstcase-benadering. Voor fokzeugen is geen grafiek beschikbaar, maar fokzeugen veroorzaken minder fijnstof dan vleesvarkens.
Het bepalen van een minimumafstand op basis van de fijnstof-emissie van vleesvarkens resulteert dus in een worstcasebenadering voor het onderhavige bedrijf. Ook het geheel toekennen van de totale fijnstof-emissie aan het dichtstbijgelegen emissiepunt betreft geen realistische weergave van de werkelijke situatie, aangezien het emissiegewogenzwaartepunt van de fijnstofemissies op veel grotere afstand van de omliggende woningen ligt dan de adviesafstand die volgt uit de grafiek. Tot slot wordt in deze benadering geen rekening gehouden met de mate van verspreiding van fijnstof-endotoxinen in de buitenlucht (emissiepuntparameters zoals hoogte, diameter en uittredesnelheid beïnvloeden de verspreiding van de ventilatielucht en geëmitteerde stoffen en daarmee dus ook de endotoxine-concentratie ter plaatse van omliggende woningen).
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 60
Grafiek fijnstof emissie PM10 (in kg per jaar / X-as) versus minimale afstand in meters tot woningen van derden (vleesvarkens / Y-as) // Notitie handelings-perspectieven Veehouderij en Volksgezondheid, BPO
In de vergunde situatie bedraagt de emissie van fijn stof PM10 in totaal 749,8 kg. Op basis van de adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 endotoxinen bedraagt de richtafstand 165,9 meter. Alle woningen bevinden zich in de huidige / vergunde situatie op meer dan 166 meter van de verschillende emissiepunten. In de huidige situatie bedraagt de afstand tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt van de varkenshouderij (stal 4 / guste & dragende zeugen) en de woning Heetenseweg 9b (zuidzijde / voormalige bedrijfswoning varkenshouderij) ongeveer 178 meter. De afstand tussen tussen het dichtstbijgelegen emissiepunt van de varkenshouderij (stal 1 / vleesvarkens) en de woning Heetenseweg 9 (noordzijde) ongeveer 294 meter. Voornoemde is in onderstaande luchtfoto’s gevisualiseerd.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 61
Figuur 16/17 afstanden emissiepunt / woningen van derden 30 EU/m3 endotoxinen (bron: Streetsmart2020)
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 62
5.
RUIMTELIJK ASPECTEN & BOUWPLAN
5.1
RUIMTELIJK BELEID
5.1.1
RIJKSBELEID
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). De Memorie van Toelichting (MvT) bij de Omgevingswet verwijst naar zogenoemde strategische delen: ‘Het instrument (omgevingsvisie, red.) komt in de plaats van gebiedsdekkende structuurvisies, de relevante delen van de natuurvisie, verkeers- en vervoerplannen, strategische gedeelten van nationale en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen’. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet.
Na de vaststelling van de NOVI staan belangrijke beleidsbeslissingen, beleidskeuzes en uitgangspunten niet alleen in de NOVI, maar soms ook nog in bestaande beleidsdocumenten. In veel gevallen zullen alleen de hoofdlijnen van bestaand strategisch beleid in de NOVI zijn opgenomen. De concretisering en uitwerking daarvan, ofwel het niet-strategische beleid, staat nog steeds in het bestaande beleidsdocument. Als voorbeeld kan worden gewezen op de uitwerking van het hiervoor al genoemde Nationaal Milieubeleidsplan. Al deze bestaande beleidsdocumenten (met en zonder wettelijke grondslag) blijven gelden na inwerkingtreding van de Omgevingswet, en het Rijk blijft daaraan nog steeds gebonden. Met het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning buitenplanse afwijking, zijn geen nationale belangen in het geding. De NOVI vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde bedrijfsontwikkeling. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) / Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 63
Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur (thans NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in ruimtelijke plannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Het project raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het gestelde in de SVIR en het Barro. Het Barro doet geen specifieke uitspraken over zaken die in onderhavig plan worden geregeld en vormt daarmee geen belemmering. De ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (verder: 'de Ladder') is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De uitgangspunten hierbij zijn dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, en dat de ontwikkeling in eerste instantie in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Artikel 3.6 lid twee Bro omschrijft de ladder als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien". Voor de Ladder is dus een onderzoek nodig die uit twee stappen bestaat: 1. Is sprake van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’?; 2. Als hier sprake van is, dan moet motivering plaats vinden volgens de Ladder: Vind de ontwikkeling plaats binnen het bestaand stedelijk gebied die in die behoefte kan worden voorzien? De toepassing van de Ladder is medebepaald door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft in een 'overzichtsuitspraak' op d.d. 28 juni ‘17 op een rij gezet hoe de Ladder gebruikt moet worden. Hiermee wordt houvast geboden aan de rechtspraktijk. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.
In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: •
bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
•
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 64
De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als “een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. De beoogde uitbreiding/oprichting van stalruimte & agrarische gebouwen wordt niet aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat er bij onderhavig plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is een motivering van het plan volgens de Ladder niet nodig. De duurzaamheidsladder uit artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro vormt om die reden dan ook geen belemmering voor het verlenen van een buitenplanse afwijking.
5.1.2 PROVINCIAAL BELEID Het provinciaal beleid is verwoord in een aantal plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel. Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaat vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig.
Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 65
De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Voor een toelichting op het gestelde in de Omgevingsverordening Overijssel wordt verwezen naar de bijlage “relevante wet- en regelgeving (bijlage 40). Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten: 1. generieke beleidskeuzes; 2. ontwikkelingsperspectieven; 3. gebiedskenmerken. Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht. Generieke beleidskeuzes Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen.
Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties. Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, gebiedspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur / EHS), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Op grond van de kaart “gebiedsspecifieke beleidskeuzes (Of) is aangeven dat op de locatie Heetenseweg 9a het niet wenselijk is om ter plaatse productiewater uit de olie- en gaswinning op te slaan of te injecteren.
Voornoemde is onderhavige projectsituatie ook niet wenselijk.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 66
Figuur 18: Kaart Gebiedsspecifieke beleidskeuzes Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Waar - Ontwikkelingsperspectieven Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities. De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst. Op grond van de kaart “Ontwikkelingsperspectieven (Waar) is op de projectlocatie Heetenseweg 9a geen aanduiding opgenomen. Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.
Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Figuur 19 geeft dit schematisch weer.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 67
Figuur 19: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. De ontwikkeling vindt plaats aan de Heetenseweg 9a te Heeten. Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase “generieke beleidskeuzes” zijn met name de artikelen 2.1.3 (lid 2), 2.1.5 (leden 1, 2, 3 en 5), 2.1.6 (lid 1), 2.1.7 (leden 1 en 5) en 2.6.4 van belang. Op de betreffende artikelen wordt hierna nader ingegaan. Artikel 2.1.3 Principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (lid 2) Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is; • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut. Voorliggend plan voorziet onder andere in het uitbreiden van de bouwmogelijkheden ten behoeve van een varkenshouderij. Hierbij wordt de bebouwde ruimte / bouwvlak vergroot van ruim 2 hectare naar ongeveer 3,5 hectare. Hiermee wordt voorzien in een extra ruimtebeslag door het bouwen en verharden in de Groene Omgeving. De huidige bebouwingsmogelijkheden bieden onvoldoende ruimte om in de gewenste uitbreiding te voorzien.
Er is in de nabijheid van het agrarisch bedrijfsperceel geen alternatief bestaand bedrijfsperceel aanwezig waar de gewenste uitbreiding van de varkenshouderij gerealiseerd kan worden. Daarnaast is de realisatie van een varkenshouderij op een bedrijventerrein niet realistisch en wordt dit eveneens door de gemeente Raalte als “niet wenselijk” beschouwd. Het is bovendien vanuit (kosten)efficiëntie en een doelmatige bedrijfsvoering niet wenselijk om de beoogde stalruimte elders te realiseren in verband met de doelstelling om een duurzaam gesloten varkensbedrijf te realiseren. Uitbreiding van de bestaande bedrijfslocatie is dan ook de enige reële mogelijkheid. Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 68
De bedrijfsomvang kan hierbij zo beperkt mogelijk blijven, aangezien er sprake is van geclusterde bebouwing en het erf zo optimaal mogelijk wordt ingericht. Gelet op voornoemde is het niet mogelijk de gewenste uitbreiding van de bouwmogelijkheden op bestaande erven en/of in bestaande bebouwing te realiseren. Bovendien wordt er, gelet op het advies van Het Oversticht (15 februari 2022 / bijlage 13), de beoogde uitbreiding c.q. het extra ruimtebeslag in ruime mate gecompenseerd. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit (leden 1, 2, 3 en 5) Lid 1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Lid 2. In het kader van toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd. Lid 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd. Lid 5.
In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. Gelet op het advies van Het Oversticht (d.d. 15 februari 2022 / bijlage 13) wordt de beoogde uitbreiding c.q. het extra ruimtebeslag in ruime mate gecompenseerd. Naast de basisinspanning vindt er tevens een extra kwaliteitsimpuls in het kader van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving plaats (zie paragraaf 5.3). Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de beoogde uitbreiding in overeenstemming is met artikel 2.1.5, lid 1, 2, 3 en 5. Artikel 2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (lid 1) Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving kunnen – met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3 en artikel 2.1.4 en het bepaalde in artikel 2.1.5 – voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 69
Artikel 2.1.7 Kwaliteitsimpuls agro en food (leden 1 en 5) Bedrijfsontwikkeling en nieuwvestiging van agrarische bedrijven mag uitsluitend worden toegestaan op bestaande agrarische bouwpercelen of op voormalige agrarische bouwpercelen. In afwijking van het gestelde in lid 1 en onverminderd artikel 2.1.5 kan ten behoeve van bedrijfsontwikkeling van een agrarisch bedrijf een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel grootschalig worden aangepast en/of uitgebreid als: 1. is onderbouwd dat het in redelijkheid niet mogelijk is om het bestaande agrarische bouwperceel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling geschikt te maken; 2. het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; 3. aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt met toepassing van de KGO-regeling (zie paragraaf 5.3). De provincie Overijssel biedt gemeenten de gelegenheid om een eigen beleidsinvulling te gegeven aan het KGO-beleid. De gemeente Raalte heeft tot op heden nog geen beleidskader KGO uitgewerkt. Gelet op het gestelde in paragraaf 5.3 is de ontwikkeling in overeenstemming is met het provinciale KGO-beleid.
De artikelen 2.1.6 (lid 1) en 2.1.7 (leden 1 en 5) vormen dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 2.6.4 Nieuwe ontwikkelingen Bestemmingsplannen voorzien alleen in nieuwe ontwikkelingen binnen gebieden die in artikel 2.6.2 begrensd zijn als Nationaal Landschap als die bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de kernkwaliteiten als benoemd in artikel 2.6.3 en zoals nader uitgewerkt in bijlage 7 van deze verordening. Het plangebied ligt niet in een gebied dat is aangewezen als Nationaal Landschap. De voorgenomen ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met het gestelde in artikel 2.6.4 van de Omgevingsverordening Overijssel. Waar- Ontwikkelingsperspectieven Het plangebied behoort tot het gebied “Sturen op ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit”. Het ontwikkelingsperspectief richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant veehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie Overijssel in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.
Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 70
Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven' Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding van de bouwmogelijkheden ten behoeve van de varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a (fictief bouwvlak ongeveer 3,5 hectare). Voorliggende ontwikkeling is vanuit functioneel en ruimtelijk oogpunt mogelijk en draagt bij aan de economische vitaliteit van het landelijk gebied. De beoogde uitbreiding heeft de volgende meerwaarde voor het gebied en de omgeving: - het realiseren van een duurzame gesloten varkenshouderij met oog voor haar omgeving en maatschappelijke verantwoordelijkheid; - afname ammoniakemissie en stikstofdepositie ter plaatse van Natura2000 gebieden en naastgelegen NNN; - toepassen duurzame energieopwekking (klimaatneutraal / leveren van duurzame energie door toepassing zonnecollectoren op daken); - compensatie van bebouwing door KGO (versterken landschappelijke waarden); - opvang en infiltreren hemelwater. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief.
Hoe - Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarischcultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Bij toetsing van het ruimtelijke initiatief aan de gebiedskenmerken in vier lagen is van belang dat de locatie is gelegen in het landelijk gebied. Dit betekent dat de 'stedelijke laag' buiten beschouwing kan blijven. Vanwege het ontbreken van bijzondere eigenschappen binnen de 'laag van de beleving', wordt ook deze laag buiten beschouwing gelaten. 1. De 'Natuurlijke laag' Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met de gebiedstypen 'Beekdalen en natte laagtes' .
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 71
Figuur 20: Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel)
Figuur 20 betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag”. Beekdalen en natte laagtes Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting. Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke laag' In het plangebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap nauwelijks meer waarneembaar. In de jaren zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, de ontginning en de ontwikkeling in de landbouw verminderd. Door toepassing van de KGO inspanning word getracht een bijdrage te leveren aan de invulling van de ontwikkeling en verbetering van het oorspronkelijke landschap. Hierbij wordt onder meer het vrijkomende hemelwater opgevangen en ter plaatse gebufferd in een bergingsvijver.
Vanuit deze vijver kan het hemelwater ter plaatse infiltreren in de bodem. Geconcludeerd wordt dat de 'Natuurlijke laag' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, aangezien ter plaatse van de uitbreiding geen hoogteverschillen meer waarneembaar zijn.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 72
1. De 'Laag van het agrarische cultuurlandschap' De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met het gebiedstype 'Maten en flierenlandschap. Figuur 21 bevat een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Laag van het agrarische cultuurlandschap”.
Figuur 21: Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)
Maten en flierenlandschap Laaggelegen kleinschalig landschap dat zich langs de beken, in de natuurlijke laagten heeft ontwikkeld. Langs de ontwateringssloten haaks op de beek werd vaak hakhout aangeplant. Dit diende tevens als perceelsafscheiding - daar, waar de ontwateringssloot niet altijd watervoerend was in geval van beweiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Kleinschalig landschap langs beken en in laagten met veel variatie in ruimtelijke opbouw: de open ruimte van de watergang, de coulissen van hakhout-struweel, de open kamers van de hooien weilanden, met hier en daar een broekbos op de nattere plekken. Vloeivelden maakten onderdeel uit van het bemestingssysteem. Het Maten- en Flierenlandschap is veelal de contramal van het essenlandschap en het oude hoeven-landschap en was daar functioneel aan verbonden. Als ontwikkelingen plaats vinden in of nabij het Maten en Flierenlandschap, dan dragen deze bij aan versterking van het historische lineaire landschap met open 'kamers' en coulissen, aan accentuering van de overgang naar hogere gronden, de toegankelijkheid, de beleefbaarheid en het vasthouden van water. Inrichting van nog gave delen richt zich op het behouden van de cultuurhistorische waarden.
Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” In het geval van voorliggend initiatief is geen sprake van onevenredige aantasting van de landschapswaarden. De voorgenomen ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast in de omgeving, conform de daar voorkomende gebiedskenmerken. Zie paragraaf 6.2. Gezien het vorenstaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de ter plekke geldende gebiedskenmerken van de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 73
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid zoals genoemd in de Omgevingsvisie Overijssel, die is verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
5.1.3
GEMEENTELIJK BELEID
Omgevingsvisie gemeente Raalte De Gemeenteraad van Raalte heeft recent (26 november 2020) de omgevingsvisie “Horizon Raalte 2040” vastgesteld. Deze omgevingsvisie is een strategisch document en geeft richting aan de ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving van de gemeente Raalte. In de leefomgeving komen veel functies en belangen bij elkaar. In de omgevingsvisie zijn de spelregels en opgaven opgenomen, om zo richting te geven aan het vinden van een balans tussen het benutten en beschermen van de leefomgeving. Voor de landbouw is in de Omgevingsvisie als ontwikkelingsrichting aangegeven: Wij kiezen met technologie, innovatie en experiment voor een toekomstbestendige landbouw die meerwaarde oplevert voor de leefomgeving en het landschap. De visiemakers zien in een zoektocht naar nieuwe verdienmodellen voor de landbouw twee belangrijke richtingen: - het investeren in experiment en innovatie als een oplossingsrichting - een meer kleinschalige productie en natuur inclusieve landbouw, waarbij wordt uitgegaan van de natuurlijke draagkracht van de bodem. Beide richtingen vragen ruimte - letterlijk en figuurlijk. We vinden het belangrijk dat deze ruimte er in onze gemeente is.
Hierbij wordt opgemerkt dat er niet zonder meer ontwikkelruimte moet komen voor het enkel vergroten van de agrarische productie, maar dat er meer aandacht uit moet gaan naar de verbetering daarvan en verbetering van de integrale ruimtelijke kwaliteit. Er moet een balans zijn tussen verschillende belangen in het buitengebied en mogelijkheden voor verbreding van het verdienmodel. In deze omgevingsvisie is daarnaast nog het volgende opgenomen: De agrarische sector is altijd in verandering geweest en agrariërs (ook uit de gemeente Raalte) hebben in het verleden laten zien met innovatie uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Naar ons idee wordt vrij breed gedeeld dat er veranderingen nodig zijn om de Nederlandse landbouw meer toekomstbestendig te maken. Daar wordt in de huidige discussie meestal onder verstaan: meer in balans met grond en omgeving. De discussie rond stikstof is een voorbeeld van de grenzen waartegen we aanlopen. Toekomstbestendig wil wat ons betreft ook zeggen: financieel haalbaar. Wij beseffen heel goed dat veranderingen ondernemers raakt die voor hun inkomen van hun bedrijf afhankelijk zijn. We weten ook dat bedrijven erg kunnen verschillen en dat kan ook gelden voor hun toekomststrategieën. Voor die verschillen moet naar ons idee ruimte zijn in de gemeente Raalte.
In onze visie hebben we het dan ook niet voor niets over nieuwe verdienmodellen die er moeten komen, indien bestaande verdienmodellen wegvallen of minder inkomsten genereren.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 74
Kortom: wij zijn het met u eens dat financiële haalbaarheid een belangrijke randvoorwaarde is voor succesvolle veranderingen in de landbouw. We beseffen ook dat deze transitie niet eenvoudig is. We hebben te maken met een complex bestaand systeem waarbij individuele ondernemers, maar ook overheden, niet altijd zelfstandig de mogelijkheid hebben om een andere koers te kiezen. Dit vereist samenwerking tussen de hele agrarische keten en overheden. En het vereist tijd. Deze Omgevingsvisie bevat een visie voor de langere termijn (indicatief: 2040). Niet elke verandering hoeft morgen al te worden gerealiseerd. Wij zijn het met u eens dat we ondernemers de ruimte moeten geven om tot innovatieve oplossingen te komen. Wij sorteren met deze visie dan ook bewust niet voor op één specifieke richting, maar willen in onze gemeente juist de ruimte geven voor uiteenlopende oplossingen. Met ‘verbeteren van de productie’ bedoelen we dat we, bij uitbreiding van een agrarisch bedrijf, meer verwachten dan enkel een plan voor het bouwen van een nieuwe stal met het doel meer te gaan produceren. Een uitbreiding is naar ons idee een goed moment om ook verbeteringen door te voeren in bijvoorbeeld dierenwelzijn, duurzaamheid, emissies naar de omgeving of maatregelen te treffen die de biodiversiteit op het bedrijf of in de omgeving versterken.
Een moment van investeren in een bedrijf beschouwen wij als geschikt moment om de landbouw in Raalte toekomstbestendiger in brede zin te maken. Uitbreiding van onderhavige varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a behoort, gelet op dit gemeentelijke beleidskader, in beginsel tot de mogelijkheden. Onderhavig plan voor de ontwikkeling en uitbreiding van de varkenshouderij is als opiniërend raadsvoorstel besproken in de vergadering van de Gemeenteraad van Raalte op 25 november 2021. Tijdens deze vergadering is gebleken dat een ruime meerderheid van de Gemeenteraad het gestelde in de omgevingsvisie “Horizon Raalte 2040” (d.d. 26 november 2020) ten aanzien van de agrarische sector en de ontwikkeling van de agrarisch bedrijven onderschrijft. Daarnaast heeft een ruime meerderheid van de Gemeenteraad aangegeven voorstander te zijn van de beoogde en gewenste duurzame ontwikkeling / uitbreiding van onderhavige varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a. Bestemmingsplan De gronden behoren tot het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied Raalte. Dit bestemmingsplan is op 8 juni 2012 door de gemeenteraad vastgesteld en als zodanig ook in werking getreden. Nadien zijn voor het gehele buitengebied enkel correctieve herzieningen en een verzamelplan door de Gemeenteraad vastgesteld.
Op 2 juni 2021 is een leesbare versie van het bestemmingsplan 1 op ruimtelijkeplannen.nl gepubliceerd, waarin de wijzigingen van die correctieve herzieningen en het verzamelplan zijn verwerkt. In onderstaand figuur is een kaartuitsnede opgenomen behorend bij het geconsolideerde bestemmingsplan.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 75
Figuur 22: Kaartuitsnede bestemmingsplan Buitengebied 2012-2021 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Op grond van het bestemmingsplan bedraagt de omvang van het huidige bouwperceel ongeveer 2 hectare (exclusief mestsilo). Het perceel is o.a. bestemd als ‘enkelbestemming Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ met bijbehorend bouwvlak. Daarnaast is de locatie (deels) eveneens bestemd als “waterstaat-waterbergingsgebied”. Deze nadere aanduiding houdt verband met de bergingscapaciteit van het nabijgelegen Overijssels Kanaal. Onderhavige locatie is gelegen in de zuidelijke uitloper van het waterbergingsgebied van het Overijsels Kanaal. Hierbij wordt onder meer het vrijkomende hemelwater opgevangen en ter plaatse gebufferd in een bergingsvijver. Vanuit deze vijver wordt het water geborgen en kan ter plaatse infiltreren in de bodem. Het beoogde project heeft derhalve geen negatieve invloed op de bergingscapaciteit van het nabijgelegen Overijssels Kanaal. Door toepassing van de KGO inspanning word getracht een bijdrage te leveren aan de invulling van de ontwikkeling en verbetering van het oorspronkelijke landschap. In paragraaf 5.3 wordt een nadere toelichting op deze KGO en landschappelijke inpassing gegeven. Het beoogde project, onder meer het realiseren van een nieuwe stalruimte, past niet binnen de kaders van het nu geldende bestemmingsplan.
Voornoemde ontwikkeling is voorafgaand, in het kader van een principeverzoek, voorgelegd aan het college van B&W & de Gemeenteraad van Raalte (oktober en november 2021). Het college van B&W van Raalte heeft vervolgens op 8 maart 2022 besloten om in principe medewerking te verlenen aan de gewenste ontwikkeling. Het genoemde principebesluit is als bijlage 2 toegevoegd. Gedurende het traject is ambtelijk met de gemeente en provincie besproken dat de beoogde ontwikkeling met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 30 Wabo) kan worden aangevraagd. Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 76
5.2
BOUWPLAN
In de gewenste situatie wordt bestaande varkenshouderij verder ontwikkeld tot een gesloten varkenshouderij (fokzeugen + gespeende biggen + vleesvarkens). Om deze bedrijfsopzet te kunnen bewerkstelligen dienen de volgende nieuwe gebouwen en bouwwerken te worden gerealiseerd: • Stal 5 (bestaand): biggenstal => 2 extra afdelingen • Stal 6a+b (nieuw): vleesvarkensstal (5.376 vleesvarkens) • Stal 7a+b (nieuw): vleesvarkensstal (5.376 vleesvarkens) • Bouwwerk 9 (nieuw): mestsilo 5.000 m3 • Bouwwerk 10 (nieuw): bedrijfshal (scheiden mest) • Bouwwerk 11 (nieuw): educatieruimte& verkoop streekproducten • Bouwwerk 12 (nieuw): trafo incl. noodstroomaggregaat • Bouwwerk 13 (nieuw): weegbrug (70 ton) • Bouwwerk 14 (nieuw): vergroten voerkeuken / (graan)silo’s
Figuur 23 Overzicht gebouwen en bouwwerken gewenste bedrijfsopzet
De gewenste bedrijfsopzet met bijbehorende bouwplan is hierna weergegeven alsmede op de plattegrondtekening die als bijlage 4 is toegevoegd. Als bijlage 39 zijn de bouwkundige tekeningen van de bovengenoemde stallen en bouwwerken opgenomen. In de navolgende figuren wordt de beoogde bedrijfsopzet en bijbehorende bouwplan (indicatief als illustratie) gevisualiseerd in 3D (aanzicht en vogelvlucht).
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 77
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 78
Figuur 24 t/m 28: 3D vogelvlucht illustraties gewenste bedrijfsopzet (bron: vanwestreenen.nl)
5.3
KGO & LANDSCHAPPELIJKE INPASSING
In de Omgevingsvisie Overijssel en de Omgevingsverordening Overijssel is een nieuw instrumenten geïntroduceerd, namelijk de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO). Op basis van het provinciaal beleid ten aanzien van het KGO-instrument is het mogelijk om gemeentelijk niveau beleidskaders op te stellen. In het provinciale beleid is het volgende opgenomen: Plannen voor de Groene Omgeving kunnen voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene Omgeving, uitsluitend indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving. De gemeente Raalte heeft tot op heden geen verdere uitwerking en/of beleid omtrent de uitvoering van de KGO uitgewerkt. Gelet op voornoemde is Het Oversticht verzocht een advies op te stellen op welke wijze bij de beoogde ontwikkeling van de varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a landschappelijk kan worden ingepast en (ruimtelijk) kan worden voldaan aan de KGO-inspanning.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 79
Het advies van Het Oversticht d.d. 25 maart 2020 en aanvullende advies d.d. 15 februari 2022 in navolging van de buurtdialoog zijn als bijlage 13 opgenomen. In het advies is het volgende aangegeven: Het perceel ligt in het dekzandgebied. De afwisseling van erven (met beplanting), lanen en open ruimtes zijn bepalend. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden aangesloten bij de kenmerken van dit deelgebied. Bij ontwikkelingen op de erven is het wenselijk in te spelen op het nattere karakter van dit deelgebied door in de beplantingskeuze hierbij aan te sluiten. De opgaven vanuit natuur en water richten zich op het ontwikkelen van natuurlijke oevers direct langs de weteringen en door vasthouden van water in verbrede watergangen. Dit sluit aan bij het sterke functionele en agrarische karakter van het deelgebied. De uitbreiding van het erf betekent, hoewel compact, een forse opschaling. Met name vanaf de noordzijde gezien betekent dit een zichtbare ingreep in het landschap. Grote agrarische erven komen meer voor in het buitengebied van Raalte, maar bij elke uitbreiding is het wenselijk om een zorgvuldige inpassing te ontwerpen en een aanvullende ontwikkeling van kwaliteit landschappelijk of anderzijds te genereren. De meer rationele blokopzet van de broekontginning is kenmerkend voor dit deelgebied.
De huidige beslotenheid door bosschages vormt een contrast met het meer open enk gebied aan de andere zijde van het kanaal. De nieuwe uitbreiding van het erf kan deze kenmerken benutten en versterken. Zowel de basisinspanning en de KGO kan hierop worden ingezet. Aanplant van de overgang van het erf naar het landschap. In aansluiting op de kenmerken van het broeklandschap (bossen, singels en bomenrijen), landschappelijke soorten (hak)hout: o Inpassing aan de zijde van de grote volumes, direct in aansluiting op de volumes en ook in het landschap aansluitend. De eigenaar wil hiervoor de bestaande aanplant aan de noordzijde van de stal benutten. Herplant van soorten is mogelijk tot een bepaalde maat van bomen en struiken. Wij adviseren hiervoor bij een deskundige advies te vragen. De nieuwe aanplant en groei van streekeigen struiken gaat relatief snel. Bij herplant is er (soms na enkele jaren) kans op terugslag of het niet aanslaan van plantmateriaal. De eigenaar aan de noordzijde en de gemeente hebben in eerdere gesprekken met de eigenaar als wens geuit vrij zicht richting het open broekgebied te willen behouden. Dit is passend om de oorspronkelijke openheid van het broekgebied te laten ervaren. In het advies is hiermee rekening gehouden. Vanuit het eerdere advies in combinatie met de uitkomsten van de participatie doen wij het volgende voorstel.
Wij zijn van mening dat er een passend compromis kan ontstaan tussen een optimale inpassing direct nabij de uitbreiding en een versterking van de landschapskwaliteit op enige afstand van de stal. De aanplant op afstand zorgt voor een ‘filtering’, ‘afleiding’ van het zicht op de stal. En draagt daardoor ook positief bij aan het totale beeld. Het perspectief in de open ruimte wordt zelfs meer bijzonder door de aanplant van enkele bomen. Landschap Op afstand van de stal worden knotwilgen, een els en een wilg aangeplant. Een solitaire boom is al aanwezig. Behoud van zichten is een voorwaarde, anderzijds was het landschap eerder meer aangeplant met struwelen en losse bomen. De wilg en els worden geplant daar waar de sloten (noordzuid en oost- west) samen komen.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 80
Deze locatie geeft op termijn een meerwaarde aan het perspectief in de open ruimte. Langs de sloot, meer aan de westzijde van het perceel, wordt een aanplant van knotwilgen gedaan op ruime afstand van minimaal 8 meter waardoor doorzicht behouden blijft. Deze rij ‘filtert’ het zicht op een deel van de uitbreiding vanuit het noordwesten gezien, de bocht in de weg. Knotbomen stonden er vroeger meer in het landschap. De wilgen kunnen om en om geknot worden zodat er altijd een optimaal doorzicht enerzijds ontstaat, maar ook een ‘filtering’. Erf Het erf wordt ingepast met een singel aan beide zijden (noord en zuid) met inheemse struiken en bomen. Als groenblijvers zijn in het inheemse assortiment niet veel soorten te vinden. Wel kan er voor worden gekozen om struiken te planten met een dichte takkenstructuur, of struiken die kunnen worden geknot/afgezet waardoor ze een compacte dichte structuur krijgen. Het beheer kan gefaseerd worden gedaan. Zo blijft er altijd een ‘groene’ singel aanwezig. Aarden wallen, een wens van omwonenden, zijn landschappelijk minder passend. Een verhoging met aanplant kan wel worden gemaakt als deze structuur meer onderdeel wordt van het landschap als geheel. Er wordt voorgesteld een verhoging van aarde te maken in een brede zone van 6 meter waarbij het talud geleidelijk oploopt.
De randen kunnen dicht worden ingeplant met struiken, de bomen in een driehoeksverband in de middenlijn. Op termijn zal het niet zichtbaar zijn dat deze aanplant is gedaan op een wal. In overleg kunnen we bespreken hoe de wat het beste kan worden ‘opgebouwd’. De insteek is een natuurlijke uitstraling als geheel. De voorzijde van het erf wordt ingepast met een aaneengesloten natuurlijke inbedding waarin de waterberging ligt. De aanplant van bomen en struiken is inheems. De noordelijke toegang wordt alleen gebruikt voor fietsers en wandelaars. Hier wordt een zit/infoplek geplaatst, bereikbaar met een brug over het water. In de gevel van de stal wordt een mogelijkheid gecreëerd om door de wand te kijken naar de varkens. De opening kan niet tot aan de grond transparant worden gemaakt omdat de varkens een stevige onderwand nodig hebben, maar wordt zo laag en ruim mogelijk zodat er een goede inkijk is in de stal. Soorten inheemse bomen: eik, linde, lijsterbes, berk*, wilg*. Els* kan evt op lagere delen (*incluis snelgroeiers die je later kunt dunnen). Soorten inheemse struiken (niet geheel groenblijvend, maar ook een aantal compacte struiken (dichte takstructuur)): hazelaar, wilde liguster, kornoelje, hondsroos, sleedoorn, meidoorn, veldesdoorn, wilg, krent, vlier. In voorjaar bloeien de struiken en in het najaar komen er bessen (vogels en insecten).
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 81
Figuur 29: Inpassingsplan / KGO compensatie (bron: Het Oversticht)
Initiatiefnemer Tijs Heeten b.v. heeft zich geconformeerd aan dit advies van Het Oversticht. Het advies en de gedane voorstellen zullen dan ook in het kader van de landschappelijke inpassing en de KGO volledig worden uitgevoerd, al zijn hier naar aanleiding van de Omgevingsdialoog kleine aanpassingen op doorgevoerd. Het advies van het Oversticht inclusief de reacties van de Omgevingsdialoog is vervolgens door Natuurbank Overijssel nader uitgewerkt in een plan voor de landschappelijke inpassing (actualisatie 1-9-2023 // bijlage 14). In aanvulling op het advies van het Oversticht worden in het kader van de KGO ten aanzien van de erfinpassing en landschapsversterking nog de volgende aanvullingen doorgevoerd: •
Verlengen van de strook met bloem- en faunarijk grasland aan de noordzijde. Deze wordt langs het volledige perceel doorgetrokken (130 x 3 meter);
•
De gemengde houtsingel aan de noordzijde wordt aan de straatzijde verbreed uitgevoerd;
•
Langs de aarden wal met gemengde houtsingel aan de noordzijde wordt aan de binnenzijde een bergings-/infiltratie sloot voor hemelwater aangelegd. Dit hemelwater kan ter plaatse infiltreren c.q. worden aangewend voor het verdrogen van de houtsingel op de aarden wal;
•
Aanleggen van een strook met bloem- en faunarijk grasland aan de zuidzijde. Deze wordt langs het volledige perceel doorgetrokken (70 x 3 meter)
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 82
Hieronder zijn de relevante aspecten uit dit plan weergegeven. Het plan voor landschappelijke inpassing van het erf en landschapsversterking bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Gemengde houtsingel, gedeeltelijk op een wallichaam; 2. Gemengde houtsingel; 3. Bloem- en faunarijk grasland; 4. Aanplant solitaire elzen; 5. Aanplant knotwilgen; 6. Zitplek met informatievoorziening / rustplaats voor fietsers en wandelaars 7. Hemelwaterinfiltratievijvers / opvangsloot. Hierna wordt een verbeelding weergegeven van de erfinpassing en landschapsversterking. Figuur 30: erfinpassing & landschapsversterking (bron: Natuurbank Overijssel)
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 83
Inrichtingsmaatregelen Gemengde houtsingel, gedeeltelijk op een wallichaam Aan de noordzijde van het erf wordt een gemengde houtsingel aangelegd. Het gedeelte naast de nieuw te bouwen stal wordt aangelegd op een zandwal. Deze wal is 6 meter breed en 140 meter lang met een hoogte van ongeveer 1,3 meter hoog. Aan de binnenzijde van deze zandwal wordt een opvangsloot voor vrijkomende hemelwater aangelegd. De zandwal heeft aan de buitenzijde een flauw talud en heeft aan de binnenzijde een stijler talud. Hieronder wordt een doorsnede getoond van de houtsingel op het wallichaam.
Figuur 31: uitvoering aarden wal met beplanting
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 84
Op het hoogste deel van de wal worden boomvormers geplant, aan de buitenzijde worden twee rijen struweelvormers geplant. Aan de binnenzijde van de singel, worden geen struweelvormers geplant. Als boomvormers worden zomereiken, ‘iepen’, ‘linden’ of ruwe berken gebruikt. Er worden als laanboom gekweekte bomen gebruikt met een minimale stamomtrek van 12-14 cm op 1,5 meter hoogte. De bomen worden voorzien van twee boompalen met boomband. Op iedere 25 meter van de singel wordt een boomvormer geplant. Als struweelvormers wordt een gemengde aanplant gebruikt welke bestaat uit hondsroos, wilde liguster, Gelderse roos, vuilboom, veldesdoorn, hulst, wilde lijsterbes, krent, meidoorn en sleedoorn. Er wordt gebruik van driejarig bosplantsoen (80120cm) en het plantsoen wordt in een plantverband van 1,5 x 1,5 meter geplant. Gemengde houtsingel Langs de zuidoostrand van het plangebied wordt een gemengde loofhoutsingel aangelegd. De singel bestaat uit boom- en struweelvormers en heeft een lengte van 114 meter en een breedte van 5 meter. Als boomvormers worden zomereiken, ‘iepen’, ‘linden’ of ruwe berken gebruikt. Er worden als laanboom gekweekte bomen gebruikt met een minimale stamomtrek van 12-14 cm op 1,5 meter hoogte. De bomen worden voorzien van twee boompalen met boomband. Op iedere 25 meter van de singel wordt een boomvormer geplant.
Als struweelvormers wordt een gemengde aanplant gebruikt welke bestaat uit hondsroos, wilde liguster, Gelderse roos, vuilboom, hazelaar, rode kornoelje, veldesdoorn, hulst, wilde lijsterbes, krent, meidoorn en sleedoorn. Er wordt gebruik van driejarig bosplantsoen (80-120cm) en het plantsoen wordt in een plantverband van 1,5 x 1,5 meter geplant. De bomen worden voorzien van twee boompalen en boomband. Bloem- en faunarijk grasland Het bloem- en faunarijke grasland zal op spontane wijze ontwikkelen als gevolg van verschralingsbeheer. Er wordt géén bloemenmengsel gezaaid omdat hierdoor vaak niet-passende soorten worden ingezaaid die op natuurlijke wijze niet op de groeiplaats zouden zijn opgekomen. Solitaire zwarte elzen Er worden twee, als laanboom gekweekte zwarte elzen geplant met een minimale stamomtrek van 12-14 cm op 1,5 meter hoogte. De bomen worden voorzien van twee boompalen met boomband. Knotwilgen Langs een bestaande perceelsrand worden 10 knotwilgen geplant. De jonge bomen worden geplant met een onderlinge afstand van 8 meter (hart-op-hart). Er wordt gebruik gemaakt van als knotwilg gekweekte bomen of worden staken gebruikt, welke lokaal vrij komen bij het knotten van knotwilgen.
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 85
Solitaire loofbomen Aan de voorzijde van het erf worden 40 solitaire loofbomen geplant. Er worden als laanboom gekweekte bomen geplant met een minimale stamomtrek van 12-14 cm op 1,5 meter boven de wortelvoet. Als plantmateriaal kan gekozen worden uit es, zwarte els, zomereik, winterlinde, paardenkastanje, ruwe iep of fladderiep. De bomen worden voorzien van twee boompalen en boomband. Zitplek met informatievoorziening Er wordt een zitplek voor passanten (fietsers en wandelaars) aangelegd. Deze bestaat uit een picknickset en een bord met informatie over de varkenshouderij en het erf.
Beheer Gemengde houtsingel De struweelbeplanting in de gemengde houtsingel wordt beheerd als hakhout. Dat wil zeggen dat de beplanting periodiek, meestal iedere 8-12 jaar, afgezet wordt, waarna de beplanting weer zal uitlopen. De boomvormers worden daarbij gespaard. Boomvormers op de singel worden bij toekomstige onderhoudsbeurten gedund. De houtsingel wordt in minimaal 2 en maximaal 4 beheerbeurten afgezet met 2 à 3 jaar tussen de verschillende vakken. Solitaire bomen Zowel de solitaire bomen, als de zwarte elzen en de hoogstam fruitbomen, worden niet beheerd. De bomen mogen op natuurlijke wijze uitgroeien tot volwassen bomen. Laaghangende takken die schade of hinder veroorzaken mogen afgezaagd worden. Knotbomen De knotwilgen worden iedere 6-8 jaar geknot om te voorkomen dat de bomen te zware uitlopers krijgt waardoor het gevaar op uitscheuren bestaat. Bloem- en faunarijk grasland Het grasland wordt jaarlijks éénmalig gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd. Het grasland wordt niet bemest en er worden geen herbiciden op toegepast.
Uitvoering nieuwe stalruimte De nieuwe vleesvarkensstallen worden, gelet op het advies van het Oversticht, als volgt uitgevoerd: - Volume => meer dan 1 kap (twee schuren / twee geschakelde kapconstructies) - Gevels => kleurstelling gelijk aan bestaande stallen en passend in omgeving (=> donker groen);
Combi-MER –Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten 86
-
-
Windveren => geen strakke kleurschakering wit o.i.d. (=> grijs); Dak => kleur die wegvalt tegen de horizon (=> wolkengrijs), al worden deze daken in het kader van de energievoorziening grotendeels voorzien van zonnepanelen); Voorgevels => toepassen glas en onderbreking (=> voorgevel wordt voorzien van glas d.m.v. ramen en glazen deuren // de voorgevel wordt onderbroken door terugliggend/verspringend deel; De emissiepunten (uitstroomopeningen van de luchtwassers) worden, ten behoeve van de omgeving c.q. het verminderen van in hoofdzaak de geurbelasting, verhoogd uitgevoerd. Het betreffen hier slechts 3 relatief kleine uitstroomopeningen op een hoogte van max. 16,5 meter. Deze uitstroomopeningen zijn ten aanzien van het gehele bouwplan ondergeschikt, maar kunnen niet als ondergeschikte bouwdelen worden beoordeeld.
Voornoemde aspecten zijn ook verwerkt in de bouwtekeningen t.b.v. de aanvraag Omgevingsvergunning Wabo onderdeel bouw (zie bijlage 39).
Overige aspecten Daarnaast kunnen ten aanzien van de KGO nog de volgende aanvullen zaken worden aangedragen: • In de huidige bedrijfsopzet is het varkensbedrijf qua energieverbruik voor ongeveer 70% zelfvoorzienend door het plaatsen van 1.250 zonnepanelen. Door de realisatie van de nieuwe stallen kunnen ongeveer 3.000 extra zonnepanelen worden aangebracht. Op basis hiervan is het varkensbedrijf volledig zelfvoorzienend en wordt daarnaast (na aanpassen netwerk door Enexis) een leverancier van duurzame energie. Hierdoor kan een grote bijdrage worden geleverd aan de benodigde energietransitie en doelstellingen ten aanzien van het klimaatbeleid. De benodigde warmte voor het huisvesten van met name de pasgeboren biggen wordt verkregen met warmte uit de al aanwezige luchtwassers. Deze luchtwassers filteren de stallucht van ammoniak, geur en fijn stof. Door het toepassen van warmtewisselaars wordt de verkregen warmte met toepassing van drie warmtepompen geschikt gemaakt om deze toe te passen in de vloerverwarming die aanwezig is in de diverse stallen. Op basis hiervan is de bedrijfsvoering van de varkenshouderij niet meer afhankelijk van aardgas. Ook de nieuwe stalruimte wordt duurzaam verwarmd door het toepassen van dit systeem.
• In de gewenste bedrijfsopzet worden (bovenwettelijke) investeringen gedaan ten behoeve van het welzijn van de dieren (vergroten leefoppervlakte van de vleesvarkens > 0,8 m2); • In de gewenste bedrijfsopzet worden (bovenwettelijke) investeringen worden gedaan ten behoeve van de reductie van geuremissie & stikstofdepositie /ammoniakemissie. Hiertoe worden de volgende reducerende technieken toegepast. •