Eindconcept Voortgangsrapportage
Tekst van het document
Vertrouwen, verbinden, versnellen.
Voortgangsrapportage Regionale Energie Strategie West-Overijssel juni 2023
Voorwoord Voor u ligt de voortgangsrapportage RES 2.0 van de regio West-Overijssel. Het geeft een inkijk in de stand van zaken op dit moment. Deze inkijk is als een foto: een statisch moment binnen het dynamisch geheel dat energietransitie heet. De partners van de RES West-Overijssel zetten zich in voor de ambitie dat we als samenleving fossiele brandstoffen vervangen door energie dat op een duurzame manier is opgewekt. Dit proces, met alle hobbels en obstakels die we zijn tegengekomen en nog zullen tegenkomen, doorlopen we sámen. Tot op heden zijn we erin geslaagd elkaar goed te vinden en elkaar aan te spreken, zonder de goede onderlinge band te verliezen. Met deze foto in onze handen kijken we naar 2030 en 2050. Aan de bestuurders de eer de noodzakelijke dingen goed beet te pakken, juist te adresseren en er een weloverwogen besluit over te nemen. Ik kan u verzekeren dat er door alle partners hard wordt gewerkt met de beste bedoelingen. Daarom is een woord van dank ook op zijn plaats: allen die zich hebben ingezet voor de energietransitie in West-Overijssel, hartelijk dank!
Bart Jaspers Faijer Voorzitter RES West-Overijssel
2
Managementsamenvatting De uitvoering van de RES in West-Overijssel komt steeds meer op stoom. De afgelopen periode heeft vooral in het teken gestaan van het uitwerken en uitvoeren van de gemaakte afspraken uit de RES 1.0. Er is veel energie gezet op het organiseren van bestuurlijk draagvlak bij gemeenten om met grootschalige opwek (met name wind) aan de slag te gaan. Binnen de RES en tussen de RES partners is deze RES periode hard gewerkt aan informatie-uitwisseling, het opzetten van een goede monitoring op de uitvoering en het ondersteunen van gemeenten bij het formuleren van nieuw beleid. Door gemeenten is hard gewerkt aan het bepalen van de zoekgebieden en het opstellen van de bijbehorende kaders voor grootschalige opwek. Ondertussen is in bijna alle gemeenten dit beleid vastgesteld of op route gebracht voor besluitvorming in de gemeenteraad. Daarmee kunnen we constateren dat het in veel gemeenten goed gaat met het vaststellen van zoekgebieden en het ontwikkelen van lokale beleidskaders. Ook de provincie heeft invulling gegeven aan haar rol als bevoegd gezag bij grootschalige windprojecten door beleidskaders op te stellen en in gesprek te treden met gemeenten over beleidskeuzes en de rolverdeling bij de uitvoering. Veel factoren beïnvloeden hoeveel zonne- en windenergie uiteindelijk gerealiseerd kan worden.
Denk aan beperkingen in de ruimte, de mate waarin een locatie en de keuze voor zonne-en windenergie maatschappelijk geaccepteerd wordt en de beschikbaarheid van netcapaciteit. In de praktijk zullen niet alle projecten slagen. Daarom is het belangrijk dat de RES een zekere overprogrammering heeft. Het is van belang meer en/of grotere zoekgebieden aan te wijzen dan voor het behalen van de afgesproken doelstelling (1,8 TWh) ruimtelijk gezien strikt nodig is. Dit is ook zo afgesproken in het Klimaatakkoord. Op die manier valt er in de toekomst wat te kiezen en kunnen onvermijdelijke tegenvallers opgevangen worden. Vanwege de lange doorlooptijd om een windturbine project inclusief vergunningverlening te realiseren (circa 8 jaar van initiatief tot productie) en de beperkt gevulde pijplijn is een versnelling nodig. De provincie heeft hier met haar programma Programma Proviciale Energiestrategie (PPE) reeds stappen in gezet vanuit haar rol als bevoegd gezag. Gelet op de urgentie en de uitkomst van de RES-monitor - waaruit blijkt dat de realisatie van wind achter blijft - is dit nu aanleiding om meer te gaan sturen op de realisatie van de ambitie. De verwachte productie van duurzame elektriciteit met grootschalige opwek in West-Overijssel gaat is onvoldoende om in 2030 de afgesproken 1,8 TWh te halen.
Circa 45% van het bod is gerealiseerd of in ontwikkeling, 55% moet nog worden ontwikkeld. De productie van zonne-energie ligt op schema waarbij zon-op-dak een forse voortgang boekt. Het aandeel wind blijft echter ver achter en dat heeft nadelige consequenties voor het netwerk, de leefomgeving en de doelstelling: vermindering van de CO2-uitstoot. Daarmee is het Afwegingskwadrant uit balans. Het is daarom noodzakelijk om zodra dit jaar de laatste zoekgebieden zijn aangewezen een versnelling te realiseren op de uitvoering van windprojecten. Met name rond de windambitie is het van belang scherp te krijgen welke ambitie uiteindelijk leidend gaat zijn en waarop gestuurd moet worden. Het bod (de optelling van de gemeentelijke biedingen) en de afspraak om te streven naar een 60:40 wind:zon verhouding uit de RES 1.0 blijkt namelijk niet voldoende om een juiste balans tussen wind en zon te realiseren. Er is echter nog geen nieuw besluit genomen over de wind:zon verhouding. Dit zal onderdeel uit moeten maken van de RES 2.0. Dat bepaalt namelijk ook of er beleidsmatig in de komende periode nog bijgestuurd gaat worden. Het zwaartepunt zal de komende periode in ieder geval komen te liggen op realiseren van de geformuleerde ambities (met name wind) en kennisdeling.
3
Er is nog veel winst te behalen met betrekking tot het hoekpunt systeemefficiëntie. In grote delen van West-Overijssel kunnen maatregelen voor systeemefficiëntie de haalbaarheid en betaalbaarheid van het RES-bod vergroten. Gemeenten en provincie spelen hier een belangrijke rol in. Zij kunnen beleidsmatig voorrang geven aan windprojecten of een combinatie van zon-wind-projecten en bijvoorbeeld zonnevelden met enkelgebruik niet langer toestaan. De afgelopen periode hebben we richting bepaald voor de verdere uitwerking van het warmtedeel in de RES 2.0. Daarbij is geconcludeerd dat de met name de elektrificatie van de warmtevraag aanscherping nodig heeft. Verder wordt er op regionaal niveau gewerkt aan inrichting van de samenwerking in het kader van het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) en de mogelijke ontwikkeling van een regionaal warmte(netwerk)bedrijf. De regionale warmtemonitor wordt verder ontwikkeld en gekoppeld aan de RES brede monitoring. De conclusie is dan ook dat het warmtedeel van de RES op koers ligt. De regionale meerwaarde is in beeld en wordt verankerd in de RSW 2.0. Doordat de procesparticipatie voor bijvoorbeeld zoekgebieden en beleidskaders bij gemeenten liggen, is het moeilijk om op RES niveau uitspraken te doen over de effectiviteit van de participatie.
Wel zien we dat in alle gemeenten de inwoners uitgebreid betrokken zijn en worden bij de beleidsvorming. Lokaal eigendom speelt daarin een belangrijke rol. Lokaal eigendom is ook een belangrijke ambitie en randvoorwaarde in RES West-Overijssel. Bijna alle gemeenten hebben hier beleid op geformuleerd en er wordt actief op gestuurd. West-Overijssel ligt op dit onderwerp op schema. De komende periode gaan we als RES aan de slag met het aanvullen en waar nodig aanscherpen van onze afspraken. Deze voortgangsrapportage rijkt ons hiervoor de bouwstenen aan. Doel is om na het herijken van de afspraken in de RES 2.0, te versnellen op de uitvoering en waar nodig de kracht van de samenwerking te verstevigen om onze doelen te halen.
4
Inhoudsopgave Voorwoord Managementsamenvatting
pagina 2 3
1. Inleiding
7
2. Voortgang in grip op uitvoering medio 2023 2.1 De opgaven uit de RES 1.0 2.2 Proces 2021 – 2023 2.3 Proces RES 2.0 2.4 PlanMER 2.5 Conclusie grip op uitvoering
8 8 9 11 11 11
3. Waar staat de regio in het realiseren van duurzame opwek op land? 3.1 Ontwikkelingen in beleid 3.2 Overzicht gerealiseerd, pijplijn en resterend 3.3 Stand van zaken zon 3.4 Stand van zaken wind 3.5 De afspraak wind:zon van 60%:40% 3.6 Conclusie realisatie duurzame opwek
12 12 13 13 14 16 18
4. Ruimtelijke kwaliteit 4.1 Algemeen 4.2 Wat zien we? 4.3 Conclusie ruimtelijke kwaliteit
19 19 20 21
5. Netwerk 5.1 Stand van zaken elektriciteitsnetwerk 5.2 Bijdrage RES aan programmering regionale energiesysteem 5.3 Impact van programmeren voor de RES 5.4 Conclusie netwerk
22 22 22 23 24
6. Warmte 6.1 Inleiding actuele RSW 6.2 Actualisatie van het regionale warmtebeeld 6.3 Inzet van bovenlokale warmtebronnen en warmte-infrastructuur 6.4 Conclusie warmte
25 25 25 27 28
7. Participatie 7.1 Voortgang participatie 7.2 Lokaal Eigendom 7.3 Rol energiecoöperaties 7.4 Communicatie 7.5 Conclusie participatie
29 29 29 30 31 31
5
8. Vooruitblik naar 2023-2025 8.1 Verder met de uitvoering 8.2 RES in het samenhangende regionale energiesysteem 8.3 Kruisbestuiving van RES met andere programma’s 8.4 Vooruitblik kaderstellende besluitvorming en verantwoordingsmomenten
32 32 32 32 32
6
1.
Inleiding
Aanleiding In het Klimaatakkoord is afgesproken dat, om goed zicht te houden op het doelbereik, alle RES-regio’s de voortgang systematisch elke twee jaar in beeld brengen en dit vastleggen in een document (RES 2.0, RES 3.0, en verder). In plaats van de RES 2.0 wordt dit nu als gevolg van het advies RES en MER het Voortgangsdocument. In het Voortgangsdocument geeft de regio inzicht in de vraag of ze op koers ligt met het regionale bod voor 2030. Het Voortgangsdocument heeft een cyclus van 2 jaar (1 juli 2023, 2025, etc.). In de RES 2.0 zullen vervolgens eventuele nieuwe ontwikkelingen en aanvullende afspraken opgenomen worden om sturing te geven aan de verdere uitvoering van de RES. Context Binnen de RES-regio West-Overijssel werken elf gemeenten, provincie Overijssel, vier waterschappen en drie netbeheerders samen aan duurzame energie met een Regionale Energiestrategie (RES). In de RES 1.0 van West-Overijssel staat hoe we in onze regio van fossiele energie overschakelen op duurzame elektriciteit en duurzame warmte. Ook staat in diezelfde RES welke infrastructuur en opslag daarvoor nodig zijn, hoe we dit in relatie tot de ruimtelijke kwaliteit vormgeven en hoe inwoners hierbij betrokken worden. We hebben daarbij gezamenlijk afgesproken om in 2030 ruim 1,8 TWh duurzame elektriciteit met grootschalige wind en zon op te wekken binnen de regio.
Doel van deze rapportage De regio beschrijft in deze rapportage de voortgang van het realiseren van de RES-bieding (gerealiseerd, pijplijn, ambitie van hernieuwbare energie, warmte, netwerk en participatie) en afspraken die in de RES 1.0 omschreven zijn. Daarbij wordt ook inzicht gegeven in hoeverre de resultaten van de RES zijn verankerd in het omgevingsbeleid en welke instrumenten daarvoor zijn gebruikt. Is er bijvoorbeeld al een PlanMER uitgevoerd? Zijn er al onherroepelijke vergunningen? Kan het op het net? Hoe verloopt de participatie? Welke relaties zijn er gelegd met andere sectoren/thema’s in het gebied? Leidt dit tot koppelkansen? Dit is cruciale informatie voor de regio om inzicht te krijgen in de stand van zaken en voor het Rijk om landelijk te kunnen monitoren of de 30 regio’s sámen ook op koers liggen voor 2030. De regio’s worden gevraagd om aan te geven of en zo ja, welke knelpunten en/of belemmeringen zij signaleren die landelijk, provinciaal, regionaal of lokaal opgelost moeten worden om het gewenste doel te realiseren. Wat vindt u in deze Voortgangsrapportage? Deze Voortgangsrapportage begint met een overzicht van de opgaven zoals die in de RES 1.0 zijn geformuleerd en/of tussentijds aan de opgaven zijn toegevoegd door de bestuurders (hoofdstuk 2). Dat is het vertrekpunt.
Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 beschreven waar we staan ten opzichte van 1 juli 2021 toen de RES 1.0 werd ingediend. We beschrijven de beleidsontwikkelingen de feiten en cijfers met betrekking tot de afspraken over de opwek van energie (TWh) en de verdeling daarvan tussen zon- en wind, de ruimtelijke kwaliteit (Hoofdstuk 4), het netwerk (Hoofdstuk 5), warmte (Hoofdstuk 6) en participatie en lokaal eigendom (Hoofdstuk 7). Hoofdstuk 8 geeft een doorkijk naar de volgende RES-periode.
7
2.
Voortgang in grip op uitvoering medio 2023
2.1 De opgaven uit de RES 1.0 In de RES 1.0 zijn over de verschillende onderwerpen afspraken gemaakt om te komen tot realisatie van de opwek van duurzame energie op land en een samenhangende regionale structuur voor de warmte-opgave. Een deel van de opgaven valt onder de verantwoordelijkheid van de individuele gemeenten, een deel bestaat uit gezamenlijke opgaven. De noodzakelijke stappen om te komen tot realisatie van het RES 1.0-bod staan in onderstaande tabel (tabel 1) samengevat en per opgave is met kleur aangegeven wat de stand van zaken is in relatie tot de gestelde doelen. Vervolgens zijn de bijbehorende procesindicatoren uitgewerkt in het volgende hoofdstuk. Tabel 1 - Samenvatting benodigde uitwerkingsstappen RES 1.0 en stand van zaken per 1 januari 2023
Thema/Uitwerkingsstap Duurzame energie opwek op land Borging RES 1.0 in provinciaal en lokaal beleid Onderzoek PlanMER-plicht Uitvoering PlanMER Vaststellen zoekgebieden wind Zon- en windprojecten vergund Streven naar verdeling wind:zon=60:40 Realisatie RES-bod van 1,826 TWh in 2030 Ruimtelijke kwaliteit Optimaliseren ruimtelijke kwaliteit Subregionale samenwerking Netwerk Afstemming projecten en opgaven netwerk regionaal en lokaal Warmte Verdiepen aanwezigheid en verdeling bovenlokale bronnen Kennisontwikkeling versleepbare bronnen Afstemming TVW en RSW en consequenties Verkenning regionaal of gemeentelijk energieof warmte(net)bedrijf Participatie Borging minimaal 50% lokaal eigendom Participatie Grip op de uitvoering Monitoring, voortgang en verantwoording Implementatie organisatie
Datum
1/06 2023
RES 2.0 2022 2023 1 juli 2023 1 januari 2025 2023 en verder 2030
Hoofdstuk 3 Afgerond Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 3
2022 en verder 2023 en verder
Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 4
2022 en verder
Hoofdstuk 5
RES 2.0
Hoofdstuk 6
RES 2.0 RES 2.0 2022 en verder
Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 6
1 juli 2023 2022 en verder
Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 7
2 keer per jaar 2022
Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 2
Rood: knelpunt / oranje: geen knelpunt maar nog niet afgerond / groen: op schema
8
Het afwegingskwadrant Binnen RES West-Overijssel wordt gewerkt met het afwegingskwadrant van de NP RES. De plannen en de zoekgebieden worden afgewogen binnen de hoekpunten ‘bijdrage energietransitie’, ‘maatschappelijke kostenefficiency’, ‘ruimtelijke kwaliteit’ en ‘maatschappelijke acceptatie’. Dit afwegingskwadrant hanteren we bij de toetsing van de voortgang van de RES in West-Overijssel. De activiteiten en plannen zullen aan alle hoekpunten van dit kwadrant zo veel als mogelijk evenredig moeten bijdragen waardoor het kwadrant in evenwicht is. Dat zal niet altijd lukken en dan helpt het kwadrant ook om tot een goede onderbouwing te komen van de gemaakte keuze.
Figuur 1:
Afwegingskwadrant RES West-Overijssel
2.2 Proces 2021 – 2023 2.2.1 Proces De uitvoering van de RES West-Overijssel komt steeds meer op stoom. De afgelopen periode heeft veelal in het teken gestaan van het organiseren van bestuurlijk draagvlak bij gemeenten om met grootschalige opwek (met name wind) aan de slag te gaan. Ondertussen is in bijna alle gemeenten het beleid hiervoor vastgesteld of op route gebracht voor besluitvorming in de gemeenteraad. De Provincie Overijssel is op basis van de afspraken in de RES het gesprek aangegaan en heeft duidelijkheid gegeven over haar rol en de wettelijke taken (beschreven in het PPE) die daarbij horen en de partners te houden aan de afspraak uit de RES 1.0 (aanwijzen zoekgebieden wind voor 1 juli 2023). De Provincie heeft aan gemeenten die nu in het proces zitten om zoekgebieden aan te wijzen na 1 juli, laten weten uitstel te verlenen op het starten van een PIP proces. Ook is er door gemeenten en provincie flink geïnvesteerd in mensen waarbij de provincie o.a. trainees beschikbaar heeft gesteld aan gemeenten. Waar het gebrek aan capaciteit op dit vlak aan het begin van de RES nog een groot knelpunt was, zien we hier stap voor stap verbetering in. Door de financiële 9
bijdrage vanuit het Rijk zijn gemeenten in staat om meer mensen aan te nemen. Hoewel de krapte op de arbeidsmarkt ons hier ook parten speelt. Ondanks dat zien we een versnelling in de borging van de RES-afspraken in beleid en het aanwijzen van zoekgebieden. Om voortgang in planvorming en uitvoering in de RES te blijven boeken, is een proces uitgelijnd met daarin concrete stappen en oplevermomenten zoals voorliggende Voortgangsrapportage en de RES 2.0 (planning begin 2024). Door duidelijkheid te bieden in de planning, wanneer er een besluit moet worden genomen, waarover en door wie, ontstaat er meer ontspanning en is ook duidelijk wanneer in eigen huis besluitvorming over de RES plaats moet vinden. De planning wordt regelmatig gedeeld met ambtenaren, bestuurders, Adviesgroep en ook de Werkgroep RSAB.
2.2.2 Samenwerking De regio West-Overijssel kent geen lange historie op samenwerking zoals andere regio’s die vanuit de WGR zijn ingesteld. Het is voor de regio dan ook zoeken hoe die samenwerking het best kan worden vormgegeven. De eigen autonomie is een groot goed en is dan ook als randvoorwaarde in de RES 1.0 opgenomen. We zien dat de gemeenten op ambtelijk vlak samenwerken in de vorm van samen ontwikkelen, kennis delen en opdoen, projecten starten. Daar heeft het provinciale programma Nieuwe Energie Overijssel (NEO) een groot aandeel in. In de daarvoor goed georganiseerde werkplaatsen treffen ambtenaren en soms ook maatschappelijke organisaties elkaar maandelijks om te werken aan de energietransitie in brede zin. De bestuurders weten elkaar ook te vinden en afstemming over gezamenlijke opgaven en hoe die ten uitvoer te brengen, komt op gang. Afstemming in het belang van de ruimtelijke kwaliteit, het netwerk en participatie zijn van belang.
2.2.3 Organisatie Na het opleveren van de RES 1.0 is een half jaar later een nieuwe werkorganisatie opgezet. Doel was om deze te bemensen via detachering vanuit de betrokken RES-partners. Om de betrokkenheid en het eigenaarschap te vergroten/versterken. De vorige werkorganisatie bestond uit externe inhuur en door onduidelijkheid over beschikbare middelen is deze na oplevering van de RES 1.0 ontmanteld met als gevolg stilstand in het RES-proces. Een deel van de werkorganisatie bestaat nog steeds uit externe inhuur. Het streven blijft deze op den duur te vervangen door detachering vanuit de partners. Door de toezegging van de langjarige financiering van de RES ‘en door het Rijk is de continuïteit van de uitvoering van het proces geborgd. Er heeft sinds de start van de RES geen structuurwijziging plaatsgevonden ten opzichte van de RES 1.0. Het Bestuurlijk Platform RES West-Overijssel is het orgaan dat de besluiten neemt over de RES in de vorm van documenten die doorgeleid worden naar de colleges van burgemeester en wethouders, Gedeputeerde Staten en de dagelijks besturen van de waterschappen. Het Bestuurlijk Platform bestaat uit een bestuurlijke vertegenwoordiging van gemeenten, provincie en waterschappen. De netwerkbedrijven zijn toegevoegd als adviseur.
De Stuurgroep RES West-Overijssel bereidt het Bestuurlijk Platform voor en stuurt, daarin geadviseerd door het ambtelijk overleg en de werkorganisatie, op het proces van de RES. Binnen de RES West-Overijssel is een regionale werkgroep van raadsleden, Statenleden en algemene bestuursleden van waterschappen opgericht die het mogelijk maakt voor volksvertegenwoordigers om gezamenlijk op te trekken in het RES-proces. De Werkgroep RSAB RES West-Overijssel adviseert de Stuurgroep over de informatie en/of activiteiten die nodig zijn voor de gezamenlijke beeldvorming van de RES. Deze activiteit hangt nadrukkelijk samen met het versterken van de informatiepositie van volksvertegenwoordigers, ook in het eigen gemeentehuis. De adviesfunctie van de maatschappelijke partners richting het Bestuurlijk Platform is vormgegeven via de Adviesgroep voor maatschappelijke organisaties.
10
2.3 PlanMER Ten behoeve van de RES 2.0 West-Overijssel wordt een PlanMER opgesteld. Provincie Overijssel treedt binnen de m.e.r.-procedure op als coördinerend bevoegd gezag. Om te bepalen wat er onderzocht wordt en tot op welk niveau, is een conceptnotitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. Deze notitie bevat het plan van aanpak voor het op te stellen PlanMER en geeft antwoord op de vragen: welke milieueffecten gaan we onderzoeken? En op welke thema’s? We kijken daarbij naar de effecten op leefbaarheid van mens en dier, veiligheid, landschap, natuur, de infrastructuur van het energienet en de maatschappelijke kosten. In het PlanMER wordt een viertal thematische alternatieven uitgewerkt. Deze alternatieven worden ingezet om de hoeken van het speelveld in beeld te brengen en dienen ter ondersteuning voor de te maken keuzes met betrekking tot de zoekgebieden wind en zon die een plek krijgen in de RES 2.0, 3.0 en verder. Van 8 februari tot en met 22 maart jl. lag deze concept-NRD ter inzage, de verwerking van zienswijzen in een Reactienota, Samenvatting en Notitie wijzigingen is momenteel in uitvoering. Voorzien is dat het PlanMER samen met het ruimtelijk besluit, de RES 2.0, eind 2023 ter inzage wordt gelegd.
2.4 Herijking RES Na het in werking treden van de Omgevingswet is de RES PlanMER-plichtig. Dit heeft gevolgen voor de inrichting van het RES-proces. Er zal voortaan een onderscheid worden gemaakt tussen: 1. Een RES Voortgangsdocument, verschijnt tweejaarlijks, te beginnen juli 2023. 2. De RES 2.0, waarin nieuwe of aangepaste strategische keuzes worden vastgelegd. En als de RES 2.0 niet meer voldoet volgt, er een RES 3.0, 4.0 en verder. De ‘NP RES term’ Herijking vertalen wij in West-Overijssel naar de volgende vraag: welke (aanpassingen van/aanvulling op) afspraken zijn er nodig om de doelstelling uit de RES 1.0 te realiseren voor 2030? We kijken daarbij naar waar we staan, wat er nog moet en wat er nodig is om dat te realiseren. Uitgangspunt zijn het bod en de afspraken uit de RES 1.0. Voor de zomer starten we met beantwoorden van deze vraag en nemen de uitkomsten mee in de RES 2.0 die begin november gereed is voor de terinzagelegging samen met de PlanMER.
2.5 Conclusie De samenwerking in de RES-regio West-Overijssel komt op gang. Bestuurlijk zijn er de afgelopen periode significante stappen gezet. Partners weten elkaar te vinden en zetten stappen om ook de moeilijkere gesprekken onderling aan te gaan. De organisatie en de overlegstructuur staan, de opgaven zijn duidelijk, het PlanMER is bijna gereed, er zijn (voldoende) middelen, er staat niet veel meer in de weg om te komen tot verdere uitvoering. De samenwerking verdient nog wel aandacht en kan verder gaan dan tot nu toe is gedaan. Dat is noodzakelijk om een versnelling in de uitvoering tot stand te brengen.
11
3.
Waar staat de regio in het realiseren van duurzame opwek op land?
3.1 Ontwikkelingen in beleid In de RES 1.0 is de afspraak gemaakt om voor 1 juli 2023 zoekgebieden aan te wijzen en dit in het ruimtelijk beleid van de deelnemende overheden op te nemen. Nu, twee jaar later, hebben veel gemeenten zoekgebieden vastgesteld of zijn gemeenten van plan dat voor 1 juli 2023 te doen. Een aantal gaat dat net niet redden maar zet zich in om uiterlijk 1 januari 2024 haar zoekgebieden aan te wijzen. Voor gemeenten die 1 januari 2024 niet halen, zal de provincie, als een windinitiatief zich meldt en het past binnen het provinciaal beleid, het initiatief in behandeling nemen en een Provinciaal Inpassingsplan (PIP) starten. Zij zal dit in samenwerking met de gemeente blijven doen maar daarmee verliest de gemeente wel haar regie op het initiatief. Acht gemeenten; Dalfsen, Staphorst, Hardenberg, Zwolle, Zwartewaterland, Ommen, Kampen en OlstWijhe, hebben zoekgebieden voor wind vastgesteld. Drie gemeenten hebben nog geen zoekgebieden vastgesteld (Deventer, Steenwijkerland en Raalte). In Steenwijkerland werkt men momenteel aan besluitvorming rondom windbeleid. De verwachting is dat deze najaar 2024 ter besluitvorming aan de gemeenteraden voorgelegd gaan worden. Ook Raalte heeft besloten zoekgebieden te gaan aanwijzen en windbeleid op te gaan stellen.
Wanneer dit ter besluitvorming aan de gemeenteraad kan worden voorgelegd wordt momenteel in een proces nader vormgegeven. In Deventer ligt na de zomer het collegevoorstel voor het aanwijzen van een zone als zoekgebied voor wind ter besluitvorming voor aan de gemeenteraad. Gekoppeld aan dit besluit is de start van een gebiedsproces in het najaar waarin met diverse betrokken partijen een lokaal toetsingskader voor wind wordt uitgewerkt. Daarbij gaat het o.a. om voorwaarden voor participatie, gebiedsfondsen, eigenaarschap en geluidsnormen. Staphorst heeft haar windopgave voor 2030 al gerealiseerd en heeft zoekgebieden vastgesteld voor na 2030.
Figuur 2:
Kaart met vastgestelde zoekgebieden tot 2030. NB Staphorst heeft zoekgebieden vastgesteld voor na 2030. Deze staan niet op deze kaart. 12
3.2 Overzicht gerealiseerd, pijplijn en resterend Circa 45% van het bod is gerealiseerd of in ontwikkeling, 55% moet nog worden ontwikkeld. Vanwege de lange ontwikkeltijd bij windprojecten moeten vergunningen voor windprojecten uiterlijk 1 januari 2025 zijn verleend om het bod voor wind in 2030 te kunnen halen. In een aantal gemeenten volgt nog besluitvorming rondom ruimtelijke kaders, zoekgebieden en/of uitsluitingsgebieden. Daarnaast zien we de gewogen pijplijn langzaam opdrogen. Deze wordt onvoldoende aangevuld met nieuwe initiatieven. Dat betekent niet dat er geen initiatieven zijn maar wel dat deze beleidsmatig nog niet passen vanwege het op moment van schrijven nog ontbreken van vastgesteld beleid en zoekgebieden en nog niet boven water komen in de monitor. Denk hierbij aan een windproject dat al behoorlijk in de steigers staat maar wat speelt in een gemeente dat (nog) geen zoekgebied heeft vastgesteld. Dit beeld kan bij beleidswijzigingen dus ook snel veranderen. Met betrekking tot de opwek (1,8 TWh) verwachten we dat als de regio niet versnelt, de opwek van 1,8 TWh in 2030 niet gehaald wordt. Deze conclusie is gebaseerd op de cijfers van de monitor (figuur 3) in combinatie met de volgende procesindicatoren: - Aantal gemeenten met vastgestelde zoekgebieden wind. - Aantal gemeenten die de RES 1.0 hebben vastgelegd in beleid.
- Aantal projecten (wind) in de initiatieffase en nog niet in behandeling (onder de radar). - De tijd die realisatie van een windproject kost (gemiddeld zeven jaar).
Figuur 3:
De gewogen pijplijn bevat die projecten die al in procedure/voorbereiding zijn en een redelijke kans van slagen hebben
3.3 Stand van zaken zon We zien een positieve ontwikkeling in de realisatie van zonneparken. Het is echter nog wel een uitdaging om het bod ter zake tijdig te realiseren. Het is binnen de RES-periode haalbaar de doelstellingen die gesteld zijn voor zon-op-veld te behalen. Ook zon-op-dak loopt voorspoedig. Er wordt meer zon-op-dak gerealiseerd. Dit is positief want daaruit blijkt dat meer en meer de zonneladder wordt gevolgd. Ook in de communicatie naar inwoners toe is dat belangrijk. Een vaak gehoord argument is ‘Leg eerst de daken maar vol’. 13
Opgemerkt wordt dat er zowel op Rijksniveau (zonnebrief minister Jetten), provinciaal niveau (Het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie) als bij verschillende gemeentes nieuwe inzichten zijn ontstaan over de toepasbaarheid van zon op land. Het Rijk wil zonprojecten zoveel mogelijk realiseren op daken en andere objecten en op die manier landbouw- en natuurgronden zo veel mogelijk ontzien. Daarbij zijn nieuwe monofunctionele zonnevelden (tenzij gekoppeld aan windlocaties) steeds minder in beeld als techniek die een bijdrage moet leveren aan de RES-doelstellingen. Dat heeft consequenties voor de ontwikkeling van zonneparken in het veld. De gevolgen zijn helemaal groot voor gemeenten die vooral inzetten op zon. In die gemeenten zal een deel van het bod dat eerder gevuld werd met zon op land gerealiseerd moeten worden via wind op land.
Figuur 4:
Stand van zaken zon op dak
Figuur 5:
Stand van zaken zon op veld
3.4 Stand van zaken wind Voor wind geldt dat we achterlopen in de realisatie daarvan. Niet overal, maar wel in veel gemeenten. Het grootste struikelblok was tot voor kort het gebrek aan beleid voor wind in 14
gemeenten. Hier is de afgelopen periode in veel gemeenten verandering in gekomen en de verwachting is dan ook dat er snel meer projecten in de pijplijn zullen verschijnen. De procesindicatoren: aantal gemeenten met vastgestelde zoekgebieden wind, aantal gemeenten die RES 1.0 hebben vastgelegd in beleid, aantal projecten (wind) in de initiatieffase, en de tijd die realisatie kost (gemiddeld zeven jaar), geven niet de indruk dat het tempo significant omhoog gaat de komende periode. Daarbij wordt opgemerkt dat het huidige aandeel gerealiseerde windparken (waarvan de opwek is weergegeven in figuur 6) voornamelijk is gebaseerd op windparken waarvan de plannen zijn gemaakt voor de start van de RES.
Figuur 6:
Stand van zaken wind
Er is sprake van een toename van het aantal gemeenten dat zoekgebieden voor wind heeft vastgesteld. Echter, een vastgesteld zoekgebied is nog geen garantie voor een snelle uitrol van projecten. Dit geldt vooral voor gemeenten die aangeven geen wind te willen ontwikkelen en die nog geen windbeleid hebben. We zien nog te weinig concrete nieuwe initiatieven voor windparken en de initiatieven die er zijn, vertonen te weinig voortgang. Het gegeven dat de voortgang op wind achterblijft, heeft grote consequenties voor de verhouding wind:zon (zie hierna).
Verhouding Wind-Zon Wes t-Overijs s el Zwol l e Zwa rtewa terl a nd Steenwi jkerl a nd Staphors t Ra a l te Ommen Ol s t-Wi jhe Ka mpen Ha rdenberg Deventer Da l fs en 0%
Figuur 7:
20%
40%
60%
Aandeel Wind
Aandeel zon
80%
100%
Verhouding wind/zon van het aandeel gerealiseerd + de gewogen pijplijn (in MWh)
15
De blauwe lijn geeft aan waar we zouden moeten staan om de doelstelling van 1,1 TWh (60% wind ten opzichte van het totale bod van 1,8 TWh) te behalen. Hierbij is rekening gehouden met de realisatiegraad van de windparken. De gemiddelde doorlooptijd van een windpark van planfase tot realisatie is 7 jaar. Rekening houdend met de doorlooptijd van windprojecten zouden de plannen het volgende traject af dienen te leggen om de ambitie te halen: • • •
2023: RO procedure (Fase 2, realisatiegraad 50%) 2025: Vergunningaanvraag (Fase 3, realisatiegraad 60%) 2027: Subsidiebeschikking (Fase 5, realisatiegraad 95%)
Voortgang Windenergie 1,20 1,00 0,80 0,60 0,40 0,20 0,00 2022 - 2023 Q4 Q2
2023
2024
Gerealiseerd Figuur 8:
2025
2026
2027
Pijplijn (gewogen)
2028
2029
2030
Traject
Voortgang in relatie tot zon:wind verhouding
Momenteel is er 220 GWh aan opwek door windturbines gerealiseerd en zit er voor 100 GWh aan plannen in de (gewogen) pijplijn. Gezien de doorlooptijd zou de optelling van realisatie plus gewogen pijplijn op 550 GWh moeten zitten. Er is dus een ‘gat’ van 230 GWh om het huidige bod te realiseren. Dit correspondeert met 23 turbines in RO procedure (Fase 2, 50% realisatiegraad). Om de omslag 60:40 te bereiken is er meer nodig. Hierover meer in de volgende paragraaf.
3.5 De afspraak verhouding wind:zon van 60%:40% In de RES 1.0 is afgesproken toe te werken naar een verhouding wind 60%:zon 40%. Vanuit het netwerk bekeken is een verhouding van 80:20 gewenst maar omdat dit niet in balans te krijgen is met de overige hoekpunten van het afwegingskwadrant is afgesproken te streven naar 60:40. Deze afspraak geldt op regionaal niveau. Dit betekent dat gemeenten ver boven de 60% en ver onder de 60% wind uit mogen komen zolang het netwerk dit aankan, het ruimtelijk passend is en we regionaal aan de afspraak voldoen. Als voorbeeld: Dalfsen lijkt boven de 60% uit te gaan komen, Zwolle eronder. Dit is ook logisch als je kijkt naar de grote hoeveelheid zon-op-dak-projecten in Zwolle en de fysieke ruimte die Zwolle heeft. Zolang dit elkaar uit blijft middelen, is dit acceptabel. Daarvoor moeten er meer windprojecten in de pijplijn komen. De verhouding wind:zon is uit evenwicht De verhouding opgesteld vermogen wind ten opzichte van zon is te laag. Over de hele regio bezien, is deze verhouding 37% wind:63% zon. Voor systeem efficiëntie is het relevant dat deze verhouding op het niveau 16
van de HS/MS stations van TenneT en de regionale netbeheerder wordt nagestreefd. Figuur 8 geeft de relatie weer hoe de huidige voortgang zich verhoudt tot de nagestreefde wind:zon ratio. Hieruit wordt duidelijk dat zonne-energie al snel de grens van 730 GWh nadert. Zeker als we in ogenschouw nemen dat de realisatie van zon-op-dak sneller gaat dan we tot nu toe aannamen en er nog steeds zon op veld projecten worden ontwikkeld. Voor windenergie geldt het tegenovergestelde. Terwijl de huidige plannen goed zijn voor iets meer dan 300 GWh (realisatie en gewogen pijplijn), moet er dus nog concreet invulling gegeven worden aan ongeveer 800 GWh aan windprojecten om tot 1,1 TWh te komen. Oorzaken van de scheve wind:zon-verhouding zijn de toenemende realisatie van zon (op dak), het feit dat veel gemeenten voor wind nog in de beleidsvorming rondom zoekgebieden zitten en externe factoren zoals veranderende wet- en regelgeving. Daarnaast speelt ook de maatschappelijke discussie over windenergie een belangrijke rol. Er is regiobreed slechts een minimale versnelling richting de 60% wind te zien. Maar het succes van zonop-dak helpt niet om deze omslag te realiseren. Elke extra GWh zon moet eigenlijk vergezeld gaan van (minimaal) een gelijke inspanning op wind. De programmering van wind blijft echter achter.
Versneld extra programmeren op wind is noodzakelijk om de gewenste verhouding 60:40 en het bod van 1,8TWh in 2030 te behalen. Het gaat hierbij om de realisatie van 50-77 windmolens, afhankelijk van de grootte.
Wind
Zon
1400 1200
[GWh]
1000 800 600 400 200 0
Figuur 9:
Gerealiseerd
Pijplijn (gewogen)
Resterend
Windverhouding 60%
Voortgang in relatie tot wind:zon verhouding
De verhouding wind:zon staat overigens nog meer onder druk omdat er meer zon-op-dak wordt gerealiseerd zonder SDE-subsidie. Omdat de monitoring loopt via SDE-informatie (en hier ook geen goed alternatief voor is), is dit gedeelte niet volledig in beeld. Omdat zon-op-dak geen vergunningstraject behoeft, is hier ook minder sturing mogelijk. Een versnelling van zon-op-dak kan gecompenseerd worden door te minderen met zon op veld, om zo de wind:zon verhouding in de juiste richting te sturen. Financiële consequenties worden afgewenteld op de inwoner Als de verhouding tussen wind en zon niet wijzigt naar 60:40 heeft dit ook financiële consequenties. Om het huidige bod van 1,8 TWh te realiseren, wordt dan 100 tot 165 miljoen meer uitgegeven. De meerkosten zitten in extra uitbreidingen van het netwerk en extra SDE-subsidies. Dit zijn allemaal maatschappelijk kosten die uiteindelijk door de inwoners van West-Overijssel worden betaald. 17
Oplossingsrichtingen Om aan de na te streven wind:zon verhouding te voldoen, zullen er, gezien de gemiddelde doorlooptijd, op korte termijn concrete plannen moeten worden gemaakt voor de realisatie van 800 GWh aan windparken. Dit verbetert de systeemefficiëntie van het elektriciteitsnet waardoor de kansen om de RESdoelstellingen te halen toenemen en er minder netwerkuitbreidingen nodig zijn. Oplossingsrichtingen zijn het naar voren halen van windprojecten, het op korte termijn invullen en concreet maken van de ambities door die gemeenten die dat nog niet gedaan hebben (afspraak RES 1.0) en het versnellen in de uitvoering. Hier moet ook bekeken worden waar overprogrammering mogelijk is. Daarnaast kunnen gemeenten ook verder met wind als zij zelf geluidsnormen gaan vaststellen en niet wachten op het Rijk. Dit is ondertussen door de Raad van State onderschreven. Er zijn al succesvolle voorbeelden in de regio. Subregionale samenwerking is noodzakelijk om versneld tot oplossingen te komen zoals ook in de RES 1.0 is voorzien. Door rondom de netwerkstructuur de samenwerking met de buurgemeenten te zoeken, kan afstemming plaatsvinden over realisatie van zon en wind om dichter bij de verhouding 60:40 te geraken en tot een integrale gebiedsgerichte aanpak te komen.
3.6 Conclusie De productie van duurzame energie met wind en zon in West-Overijssel gaat niet snel genoeg om in 2030 de afgesproken 1,8TWh te halen. De productie van zonne-energie ontwikkeld zich positief waarvan zonop-dak een forse voortgang boekt. Het aandeel wind blijft echter ver achter en dat heeft nadelige consequenties voor het netwerk en de doelstelling om de CO-uitstoot te verminderen. Daarmee is het Afwegingskwadrant uit balans. Het is daarom noodzakelijk om een versnelling te realiseren op de uitvoering van windprojecten en de programmering voor zon op land te heroverwegen.
18
4.
Ruimtelijke Kwaliteit
4.1 Algemeen Ruimtelijke kwaliteit beschouwen we in de RES vanuit een regionale blik. Daarmee sluiten we lokale, kleinschalige projecten niet uit. Binnen de bebouwde omgeving benutten gemeenten kansen, stimuleren zon-op-dak, kleinschalige opwek en lokale opslag. Door de opwek niet te zien als een extra opgave maar als kans en katalysator, neemt het multifunctioneel gebruik toe en benutten we meekoppelkansen. Op basis van een uitgebreide landschappelijke analyse is bij de RES 1.0 een aantal ontwerp principes uitgewerkt ten behoeve van de ruimtelijke potentie op schaal van de regio: • • • • • •
Benutten van kansen binnen de bebouwde omgeving. Koppeling van energievraag en aanbod. De ruimtelijke meekoppelkansen. Energieopwekking langs hoofdinfrastructuur. Het ontzien van waardevolle gebieden. Clustering in de daarvoor geschikte landschappen.
Figuur 10:
Kaart met vastgestelde zoekgebieden tot 2030 op regioniveau
19
4.2 Wat zien we? Als we kijken naar de afspraken over ruimtelijke kwaliteit in de RES 1.0 kunnen we constateren dat er de afgelopen periode door veel gemeenten gewerkt is volgens de afgesproken principes. Zo wordt er gewerkt aan clustering van grootschalige opwek (wind) op gemeenteniveau, er wordt steeds meer integraal gekeken naar andere gebiedsopgaven en de meest waardevolle gebieden zijn steeds ontzien. Wel zien we nog steeds dat de lokale en regionale blik soms van elkaar afwijken. Zo wordt het ZSDZ-gebied beleidsmatig vaak aangeduid als één cluster maar is het heel goed mogelijk dat er uiteindelijk opstellingen worden gekozen die landschappelijk met elkaar gaan interfereren. De afspraken zijn dan op gemeentelijk niveau goed nageleefd maar zijn op (sub)regionaal niveau niet op elkaar afgestemd omdat iedere gemeente haar zoekgebieden inbrengt in een subregionaal proces in plaats van samen subregionaal te kijken wat de beste opties zijn en deze te vertalen naar gemeentelijke zoekgebieden. In het voorbeeld van ZSDZ melden belangen- en bewonersgroepen zich met de oproep te komen tot een subregionale visie voor het gebied (zie kader). In april 2022 stuurden zes belangen- en bewonersgroepen uit het gebied Zwolle Dalfsen Staphorst en Zwartewaterland de provincie Overijssel een brief waarin ze wezen op de talrijke ingrijpende opgaven en (ruimtelijke) ontwikkelingen in dit gebied.
Ze onderstreepten het belang van regie, afstemming tussen betrokken overheden en tijdige betrokkenheid van organisaties en inwoners. De brief was aanleiding voor een gesprek, gevolgd door drie werksessies in april, mei en september 2022. De sessies, waaraan provincie, belangengroepen, gemeenten, ENEXIS en waterschap deelnamen, leidden tot meer inzicht in de ruimtelijke ontwikkelingen en opgaven die spelen in het gebied. Bij deze partijen bestaat de behoefte om samen een visie op het gebied op te stellen. Hier is ondertussen een proces voor opgestart.
Figuur 11:
Een deel van de windmolens in het ZSDZ-gebied in één beeld gevangen (foto: Leander Broere)
Het uitgangspunt van de RES om bottom-up te werken, kan gaan wringen met de regionale kwaliteit. Dit verdient aandacht en vraagt nog meer om grens ontkennend werken. Zeker ook wanneer plannen gemaakt gaan worden voor nieuwe zoekgebieden voor de opgave na 2030. Want hebben de huidige zoekgebieden voldoende uitbreidingscapaciteit of moeten er nieuwe zoekgebieden bijkomen? En wat levert dit landschappelijk voor beeld op? Dit hebben we nu nog onvoldoende in beeld maar het lijkt erop dat er (op regionaal niveau) een (te) versnipperd beeld gaat ontstaan. Ten behoeve van het landschap en de ruimtelijke kwaliteit hiervan is het raadzaam meer vanuit (sub)regionaal niveau te kijken. De provincie kan hierin een belangrijke rol spelen.
20
De volgende (voorlopige) lessen kunnen worden geleerd van de subregionale samenwerking in het ZSDZ-gebied: 1) Samen sta je sterk Samen optrekken en elkaar informeren m.b.t. RES bod, voortgang binnen ZSDZ en benodigde netversterking. Dit heeft ervoor gezorgd dat er kortere lijnen zijn ontstaan; per gemeente zijn er veelbelovende ontwikkelingen, zoals bijv. Smart Energy Hub Zwolle Noord, nu wordt gewerkt aan de integraliteit op ZSDZ schaal; 2) Helder kader belangrijke voorwaarde Door tempoverschillen tussen gemeenten zijn kaders nog niet uniform, vooral aandachtspunt bij grensoverschrijdende clusters en initiatieven. We hebben gemerkt dat dit juist essentieel is, daarom wordt aan verdere uniformering gewerkt. 3) Het gebied in samenhang ontwikkelen Naast energie is voor veel andere opgaven in dit gebied (bedrijventerreinen, landelijk gebied, water, woningbouw, enz.) stevigere RO coördinatie gewenst. Hier is een integraal gebiedsvisie proces gestart genaamd ‘ten noorden van de Vecht’, waarin samen met bewonersvertegenwoordigers wordt opgetrokken. 4) Gelijk speelveld creëren Aanpak gemeenten nu nog onvoldoende op elkaar afgestemd; bij grensclusters is dit een aandachtspunt en wordt opgepakt door beleidskaders meer te gaan afstemmen.
5) Eenduidige externe communicatie Vergelijkbaar met de RES is er behoefte aan een duidelijk verhaal met zo min mogelijk ruis, afstemming tussen de gemeenten over de externe communicatie draagt hieraan bij.
4.3 Conclusie ruimtelijke kwaliteit In de RES 1.0 is aangegeven dat voor de uitvoering wordt ingezet op afstemming met buurgemeenten en een grensontkennende gebiedsgerichte aanpak op subregionaal niveau. We zien subregionale samenwerking, maar nog niet overal en niet altijd integraal én gebiedsgericht. In de samenwerking wordt nog (te) veel vanuit het gemeentelijke perspectief gewerkt (gemeente brengt zoekgebied in) in plaats vanuit het subregionale perspectief. Hier liggen wel kansen. Kansen om te komen tot een regionale visie op de ontwikkeling van wind en zon, passend bij het landschap waardoor voorkomen wordt dat er in West Overijssel overal wel iets gebeurt en landschappen daarvan de dupe worden. Te denken valt hier aan clustering A1 bij Deventer met Rijssen-Holten en de A28 bij Steenwijk met Meppel/Westerveld. Ook het project OER (Energie op Rijksgrond) biedt goede kansen voor onze regio om subregionaal samen te werken. Het is daarbij ook van belang om grensontkennend tussen de RES-regio’s te gaan werken.
21
5.
Het elektriciteitsnetwerk
5.1 Stand van zaken elektriciteitsnetwerk Momenteel kent het hele gebied van RES West-Overijssel transportschaarste voor invoeding. Tevens zijn er in kleine delen van West-Overijssel reeds gebieden waarbij transportschaarste voor de afname van elektriciteit geldt. Dit heeft impact op zowel duurzame opwek ambities als ook op economische ambities van gemeenten. De elektriciteitsinfrastructuur is een randvoorwaarde voor het realiseren van RES-plannen en is daarom niet voor niets een van de hoekpunten van het afwegingskwadrant. Het aanleggen van infrastructuur kost namelijk veel geld en, niet minder belangrijk, legt ook een groot beslag op de fysieke ruimte, en vraagt veel inzet (mens en middelen). Daarnaast kunnen sommige stations onvoldoende worden uitgebreid door bestaande beperkingen, bijvoorbeeld beschikbare fysieke ruimte in boven en/of ondergrond. Mensen, materialen en ruimte zijn steeds schaarser en moeten daarom zo optimaal mogelijk worden ingezet. Dat betekent zo veel mogelijk duurzame opwek met zo min mogelijk infrastructuur (capaciteit), ook wel bekend als systeemefficiëntie. Niet alleen helpt dit om het RES bod haalbaar te maken, maar zo streven we ook naar een betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem. In de RES-regio West-Overijssel is nog veel winst te behalen op het vlak van systeemefficiëntie.
Maatregelen ten behoeve van een efficiënter energiesysteem zorgen ervoor dat het aantal uitbreidingen beperkt kan blijven, waardoor ook maatschappelijke kosten en fysieke ruimte worden bespaard. Dat kan door te werken aan een evenwichtiger verhouding zon:wind. Dit bijvoorbeeld door zon-op-land te vervangen door windenergie. Windturbines leveren 3x zoveel energie op dan zonnepanelen bij dezelfde netbelasting. Voorbeeldberekening wind vs zon Een windmolen van 5,6 MW met 3500 vollasturen (tijdsduur op vol vermogen gedraaid) levert gemiddeld 17.500 MWh per jaar. Voor een zonneweide van 5 MW met 1.000 vollasturen geldt dat deze in één jaar 5*1.000 = 5.000 MWh opwekt. Een windturbine wekt dus 3x meer energie dan een zonneweide met hetzelfde vermogen. De voorbeeldberekening laat ook zien dat voor eenzelfde netcapaciteit (bijv. 5 MW) een windmolen meer energie opwekt, en dus efficiënter gebruik maakt van de netcapaciteit, dan een zonneweide. Dit is tevens te zien in de opwek van een windmolen gedurende de dag of jaar ten opzichte van een zonnepark; de opwek voor een windmolen is constanter en varieert minder. Niet alleen helpt meer wind om het RES-bod haalbaar te maken, maar zo streven we ook naar een betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem.
Maar denk ook aan het dichter bij elkaar brengen van opwek en afname, het toepassen van cablepooling (zon en wind op de zelfde aansluiting) en potentiële opweklocaties toetsen aan beschikbare (toekomstige) capaciteit. Gezien de tijdsdruk richting 2030 om het bod (voornamelijk het deel wind) te realiseren, is het belangrijk om zo snel mogelijk te starten met het voorbereiden van grote windprojecten, juist vanwege de huidige netcongestie. Omdat de volledige ontwikkelperiode van windenergie en netuitbreidingen beiden een gelijksoortige doorlooptijd hebben, moet goed worden nagedacht hoe de realisatie van windprojecten en netuitbreidingen optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd.
5.2 Bijdrage RES aan programmering regionale energiesysteem De provincie heeft de regierol op het programmeren van het energiesysteem. Zij heeft bij de start van de RES het initiatief genomen om met de betrokken partijen zoals de netbeheerder(s) en vertegenwoordigers van de twee Overijsselse RES-regio’s het SNIP-overleg te starten: Samen Naar Integraal Programmeren.
22
De projecten en initiatieven die door alle gemeenten zijn aangeleverd t.b.v. de monitor, zijn de basis geweest voor de netimpactanalyse van de netbeheerder (peildatum 2 maart 2023). De uitkomsten en inzichten van deze analyse zijn door de provincie gebruikt om te komen tot een prioriteringsvolgorde in de uitbreidingsinvesteringen van netbeheerders en vastgelegd in het pMIEK (provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat). Deze prioritering noemen we het Afwegingskader. In de SNIP-samenwerking is het Afwegingskader besproken en toegelicht. Dit kader geeft netbeheerders een handvat voor het prioriteren van haar investeringen voor de netinfrastructuur. Rekening houdend met veiligheid en leveringszekerheid.
Figuur 12:
Afwegingskader pMIEK Overijssel
De investeringen waarmee de knelpunten voortkomend uit de netimpactanalyse, kunnen worden opgelost, zijn met inzet van het Afwegingskader op volgorde van maatschappelijke prioriteit gezet. Daaruit is een eerste pMIEK voortgekomen waarin de onderstations zijn ingedeeld in vier categorieën variërend van ‘hoogste’ prioriteit tot ‘geen’ prioriteit. Zie figuur 13.
Figuur 13:
Prioritering in capaciteitsuitbreidingen (peildatum 28 maart 2023) Tussen haakjes de omvang van het knelpunt aan de afname- en invoedingskant (in MW) *HSMS-stations waar momenteel geen aansluiting van een windpark wordt voorzien
5.3 Impact van programmeren voor de RES Voor de RES heeft de maatschappelijke prioritering vanuit het pMIEK op de korte termijn weinig impact doordat de investeringsprocedures al gestart waren voordat het Afwegingskader was opgesteld. Voor investeringen op de middellange termijn (5 tot 10 jaar) kan de prioritering wel gevolgen hebben. De effecten zullen echter per station verschillen. Zo zullen de onderstations waar netcongestie optreedt als gevolg van duurzame opwek, langer moeten wachten op een uitbreiding waardoor duurzame opwekprojecten niet op tijd kunnen worden aangesloten.
23
De netimpactanalyse van de regionale netbeheerders alsook de analyse van TenneT van het RES 1.0 bod hebben uitgewezen dat het RES-bod bijna helemaal aangesloten kan worden in 2030. Daarmee is de impact dus beperkt. Een aantal onderstations die uitbreiding behoeven vanwege afnamecongestie zullen volgens het Afwegingskader versneld worden uitgebreid, wat ook weer extra ruimte biedt voor duurzame opwek. Wanneer vaststelling van de zoekgebieden voor wind uitblijft, kan in het pMIEK ook geen rekening worden gehouden met de daarvoor benodigde capaciteitsbehoefte. Het is mede daardoor belangrijk dat de zoekgebieden voor wind, tijdig bekend zijn.
5.4 Conclusie Er is nog veel winst te behalen met betrekking tot het hoekpunt systeemefficiëntie. In grote delen van West-Overijssel kunnen maatregelen voor systeemefficiëntie de haalbaarheid en betaalbaarheid van het RES-bod vergroten. Gemeenten en provincie spelen hier een belangrijke rol in. Zij kunnen beleidsmatig voorrang geven aan windprojecten of een combinatie van zon-wind projecten en bijvoorbeeld zonnevelden met enkelgebruik niet langer toestaan. Daarnaast moet worden nagedacht over hoe we de verschillende ontwikkelstappen van windprojecten en het moment van aansluiten optimaal op elkaar af kunnen stemmen zonder dat businesscases in gevaar komen en animo onder initiatiefnemers zoals bijvoorbeeld de lokale energie-initiatieven afneemt. Inzicht in waar en wanneer afnameschaarste gaat optreden is alleen op hoofdlijnen beschikbaar. De actualiteit laat zien dat in steeds grotere delen van Overijsel er geen capaciteit meer beschikbaar is voor nieuwe grootverbruikers. De noodzaak om beide opgaven meer aan elkaar te koppelen, is evident, en vraagt om verbreding van de aanpak waarbij tot dusver de focus lag op duurzame stroomopwekking in relatie tot de netwerkcapaciteit. Prioriteren en programmeren van netwerkuitbreidingen heeft middels SNIP en pMIEK een plek gekregen en blijft een belangrijk thema.
Tenslotte spelen gemeenten een rol bij het versnellen van realisatie van de benodigde uitbreidingen en verzwaringen van de elektriciteitsinfrastructuur, door ruimte beschikbaar te stellen en/of RO-procedures rondom uitbreidingen te versnellen.
24
6.
Warmte (Regionale Strategie Warmte)
6.1 Inleiding actuele RSW De Regionale Structuur Warmte 1.0 (RSW) richtte zich vooral op het neerzetten van een eerste regionaal warmtebeeld. De afgelopen periode hebben we dit beeld herijkt en hebben we daarmee een richting bepaald naar de verdere uitwerking van het warmtedeel in de RSW 2.0. Het regionale warmtebeeld is herijkt op basis van nieuwe gegevens en inzichten. Denk daarbij aan lokaal beleid in de Transitievisies Warmte (TVW), wijkuitvoeringsplannen (WUP) en recente onderzoeken naar bovenlokale bronnen en landelijke cijfers van de klimaatmonitor. Op basis van de herijking van de regionale warmtematch hebben we een scherper zicht gekregen op de voor de regio West-Overijssel relevante regionale warmtethema’s. Met name als het gaat om de inzet van bovenlokale warmtebronnen en warmte-infrastructuur. Deze thema’s zijn door de regionale werkgroep uitgewerkt en voorgelegd aan het ambtelijk en bestuurlijk platform. Dat heeft een duidelijke richting opgeleverd, waar ook de regionale meerwaarde wordt ervaren en waar (nog) niet. Tenslotte hebben we een aantal denkrichtingen ontwikkeld voor de bovenlokale aspecten van de warmtetransitie en welke rol de RES-samenwerking daarin kan vervullen.
De bedoeling is om deze denkrichtingen in de RSW 2.0 verder uit te werken en waar nodig te komen tot bestuurlijke afspraken op regionaal niveau, zodat er een stevige basis ligt om de uitvoering op deze regionale warmtethema’s ter hand te nemen.
6.2
Actualisatie van het regionale warmtebeeld
Ontwikkelingen sinds RSW 1.0 Door diverse ontwikkelingen is het regionale warmtebeeld sinds de RSW 1.0 veranderd. Zo hebben we de afgelopen jaren te maken gehad met een coronacrisis en energiecrisis. Alle West-Overijsselse gemeenten hebben een lokale Transitievisie Warmte vastgesteld. De eerste wijkuitvoeringsplannen zijn opgesteld en vastgesteld. En in de regio is een aantal collectieve (warmtenet)projecten in onderzoeks- en voorbereidingsfase. Tegelijk zien we dat het speelveld flink in beweging is en wordt er op landelijk en Europees niveau gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving. Denk daarbij bijvoorbeeld aan: Wet collectieve warmtevoorzieningen, Hybride warmtepompen als nieuwe standaard vanaf 2026, de kamerbrief over Programma Groen Gas en bijmengverplichting Groen Gas en verhoogde Europese ambities n.a.v. energiecrisis (o.a. verdubbeling doel groengas). Regionale warmtevraag De ontwikkeling van de regionale warmtevraag hebben we in de herijking uitgewerkt met als referentiejaar 2019. Verwacht wordt dat deze zich zal ontwikkelen van 12,9 PJ in 2019, naar 11,7 PJ in 2030, naar 9,5 PJ in 2050. Richting 2050 wordt dus een reductie van de warmtevraag verwacht van 27% (ten opzichte van 2019). Hierin is ook tot 2030 de verwachte groei van woningbouw meegenomen. Deze besparing kan gerealiseerd worden door isoleren, inzet van zuiniger apparaten en verandering van gedrag.
De energiecrisis van 2021/2022 heeft geleerd dat er onder druk een flinke warmtevraagreductie mogelijk is (tot wel 25% of meer). Deze gaat in aantal gevallen ten koste van comfort (energiearmoede) en/of economische activiteit. Inzet warmtebronnen in lokale TVW’s In onderstaande tabel is op een rij gezet op welke warmtebronnen gemeenten inzetten in hun lokale Transitievisies Warmte.
25
Geothermie
Restwarmte Groengas x Deventer ? x Hardenberg x x Kampen x x Olst-Wijhe x Ommen x Raalte x Staphorst x Steenwijkerland x Zwartewaterland x Zwolle x x Figuur 14: Warmtebronnen per lokale Transitievisie Warmte
TEO
Dalfsen
x x x x
TEA x x
x x
x x ?
?
Hybride x x x x x x x x x x x
All-electric x x x x x x x x x x x
Duidelijk is dat alle gemeenten inzetten op Groen Gas én elektrificatie (hybride en/of all-electric). We zien niet of nauwelijks inzet van hoge temperatuur restwarmte in de regio. Zwolle, Deventer en Kampen zetten in op geothermie, al is dat nog wel omgeven met de nodige onzekerheden onder meer op het vlak van beperkingen, draagvlak en kosten. Een aantal gemeenten zet daarnaast ook in op LT-warmtebronnen: Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO) en/of Afvalwater (TEA). Ook hierbij is de daadwerkelijke inzet van bronnen nog onzeker. Regionaal warmtebeeld in een warmtebalans Vanuit de herijking van vraag en aanbod is het volgende samenvattende regionale warmtebeeld ontstaan. In het rood/oranje is de totale regionale warmtevraag weergegeven en de verwachte ontwikkeling daarvan in 2030 en 2050. Daarnaast is gekleurd het aanbod aan warmtebronnen weergegeven. Om het verschil tussen theoretische potentie en realistische benutting duidelijk te maken, is een HOOG en LAAG aanbod uitgewerkt.
Figuur 15:
Regionaal warmtebeeld in een warmtebalans
26
Draaiknoppen om de regionale warmtebalans te beïnvloeden In de warmtebalans zijn genummerd een aantal ‘draaiknoppen’ weergegeven die ingezet kunnen worden om de warmtebalans te beïnvloeden. Dit betreft: 1. Meer besparing (indien realistisch); 2. Aanleg warmtenetten om basislast te dekken; 3. Groengas (maximaal) inzetten; 4. Elektrificatie resterende warmtevraag (restant). Uit de regionale warmtebalans blijkt heel duidelijk dat het al of niet benutten van de potentie voor groengas en HT-bronnen (geothermie) voor warmtenetten een groot effect heeft op de elektrificatie van de resterende warmtevraag. Anders geformuleerd, als de potentie voor Groen Gas en HTbronnen voor warmtenetten niet wordt benut zullen veel woningen en gebouwen op basis van elektriciteit verwarmd moeten worden. Dat vergroot de al bestaande netwerkproblemen en brengt ook een extra opwekdoelstelling met zich mee.
6.3 Thema’s voor de RSW 2.0 Op basis van de herijking van het regionale warmtebeeld zijn de volgende conclusies getrokken over de inzet van bovenlokale warmtebronnen en een regionale warmte-infrastructuur. Deze conclusies zijn bepalend voor de warmtethema’s waarop verdere verdieping nodig is. Deze thema’s zijn ook vastgesteld door het bestuurlijk platform als denkrichting voor de RSW 2.0, deze worden hieronder nader omschreven. Wel een regionaal warmtethema in RES/RSW Elektrificatie van de resterende warmtevraag vormt een substantieel onderdeel van het warmte-aanbod. De wens is om regionaal een betere duiding te krijgen bij de verwachte omvang van deze opgave. Daarom actualiseren we de cijfermatige onderbouwing uit de RES 1.0, zodat deze in de RES 3.0 kan worden geagendeerd als (extra) opwekdoelstelling voor na 2030. Er zijn veel onduidelijkheden, onzekerheden en risico’s bij de ontwikkeling van warmtenetten. Daarom is regionale kennisdeling en samenwerking gewenst met name op het vlak van de inrichting van de Governance om op dit thema tot verdere opschaling te komen. Slim samenwerken en kennisdelen over de lokale warmtetransitie onder andere door het goed koppelen van de regionale ondersteuningsstructuur vanuit Nationaal Programma Landelijke Warmtetransitie (NPLW) aan de gemeenten.
Tot slot is het blijven monitoren van de voortgang van de warmtetransitie (lokaal en regionaal) van belang om te weten of de gestelde doelen bereikt worden of dat andere regionale inzet gewenst is. Geen regionaal warmtethema in RES/RSW Vraagreductie: energiebesparing levert een belangrijk bijdrage aan het bereiken van de warmtebalans. Immers, wat je niet gebruikt hoef je ook niet op te wekken. Het besparen en isoleren wordt door gemeenten lokaal opgepakt, ondersteund door landelijke subsidies. Industriële restwarmte is niet beschikbaar als bovenlokale warmtebron en daarmee is dit geen regionaal warmtethema. Geothermie als hoge temperatuurbron is inzetbaar in Zwolle en Kampen en in Deventer mogelijk in de toekomst, vooralsnog is dit een lokaal of intergemeentelijk thema. In de regio is veel potentie voor de opwek van groen gas uit mest aanwezig. Lokaal wordt er volop ingezet om deze potentie te benutten door kleinschalige en grootschalige mestvergisting. Dit is ook onderkend in de RSW 1.0. Deze lijn houden we vast. Wel blijft het 27
-
lastige om geschikte locaties voor opwek te vinden. We monitoren of in de toekomst een regionaal doel, beleid of aanpak nodig of wenselijk is om tot verder opschaling te komen. In de regio West-Overijssel zijn er geen kansen zijn voor een fysieke regionale warmteinfrastructuur (zie ook de RSW 1.0 inzake het onderscheid in versleepbare en nietversleepbare bronnen).
6.4 Conclusie De afgelopen periode is de richting bepaald voor de verdere uitwerking van het warmtedeel in de RES 2.0. Daarbij is geconcludeerd dat de elektrificatie van de warmtevraag aanscherping van deze richting nodig maakt. Verder wordt er op regionaal niveau gewerkt aan inrichting van de samenwerking NPLW en de mogelijk ontwikkeling van een regionaal warmte(netwerk)bedrijf. De regionale warmtemonitor is in ontwikkeling en deze wordt gekoppeld aan de RES brede monitoring. De conclusie is dan ook dat de RSW (het warmtedeel van de RES) op koers ligt ten aanzien van die onderwerpen waarop regionale meerwaarde kan worden bereikt.
28
7.
Participatie
7.1 Voortgang participatie Algemeen De energietransitie heeft impact op de directe leefomgeving van iedereen: ons landschap gaat veranderen. Daarom is het belangrijk dat iedereen begrijpt waarom deze energietransitie noodzakelijk is en besluitvorming hierover nodig is. Door zoveel mogelijk mensen te betrekken bij die energietransitie werken we aan maatschappelijke acceptatie. Er zijn verschillende vormen om mensen te betrekken: tijdens het maken van beleidskeuzes (procesparticipatie), maar ook tijdens de uitvoering van het project (projectparticipatie). In die laatste fase zijn het realiseren van eigenaarschap, de verdeling van de lusten en de lasten en invloed en/of zeggenschap belangrijk.