CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen toelichting

Raadsvergadering 4 april 2024, gemeente RaalteBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan buitengebied Raalte, omgeving Holterweg 52 en 54 Heeten (hamerstuk)10.846 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.4 Bescherming van houtopstanden Het kappen of rooien van bomen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en

Erfontwikkeling Holterweg 52, Heeten | Eelerwoude | 17

• • •

o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.

De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Dit Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk en hebben hiervoor soms een andere benaming. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Een toetsing aan het natuurbeleid is alleen noodzakelijk als de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast moet het plangebied in het NNN of een andere door de provincie beschermde natuurzone liggen. In een aantal provincies kent het natuurbeleid externe werking. Dit betekent dat in die provincie bij een ontwikkeling waarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is altijd een toetsing aan het natuurbeleid moet worden uitgevoerd. Gevolgen plangebied De ontwikkeling is in strijd met het bestemmingsplan, maar het plangebied ligt niet binnen het NNN of de GO/Zone ondernemen met natuur en water. Het NNN en de GO kennen in deze provincie ook geen externe werking. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.

Erfontwikkeling Holterweg 52, Heeten | Eelerwoude | 18

4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database.

4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door C. Oldenburger en J. Veldman uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 16 december 2022 bij -3°C, bewolkt weer en windkracht 1 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

• •

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

•

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

•

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Erfontwikkeling Holterweg 52, Heeten | Eelerwoude | 19

5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de periode van het jaar (winter) lag dit ook niet in de verwachting. Er zijn enkele ruigtes waargenomen met soorten als ridderzuring en Canadese fijnstraal. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Alle beschermde plantensoorten komen voor in zeer specifieke biotopen als kalkgraslanden, eeuwenoude muren of hoogvenen. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop niet verwacht, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.

Erfontwikkeling Holterweg 52, Heeten | Eelerwoude | 20

Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Gebouw bewonende soorten De gebouwen op het erf hebben verschillende bouwkundige eigenschappen. De ligboxenstal, de kapschuur en de schuur die aanwezig zijn, zijn open en hierom tochtig. Mede hierom zijn ze ongeschikt voor gebouw bewonende soorten, vleermuizen hebben een voorkeur voor verblijfplaatsen met een zeer stabiel microklimaat. In de schuren bevinden zich echter geen wegkruipmogelijkheden als een spouwmuur of dakbeschot. De schuren zijn enkelsteens of gebouwd met enkelzijdige beplating. De monumentale boerderij heeft vrijwel dezelfde eigenschappen als een enkelsteense muur en het ontbreken van dakbeschot (rieten dak). De bungalow heeft wel een spouwmuur en dakbeschot waardoor hier geschikte verblijfplaatsmogelijkheden zijn voor diverse gebouw bewonende vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Boom bewonende soorten Binnen het plangebied staan meerdere grote eiken waarbij geen holtes zijn waargenomen waar een vleermuis zou kunnen verblijven. Wel is er een eik in de houtsingel aan de oostkant waar de top dood van is. Dit zou een mogelijke verblijfplaats kunnen zijn. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied voor de vleermuizen door de aanwezigheid van groen, in combinatie met luwe zones door de aanwezige bomen en bebouwing.

De directe omgeving is tevens ook geschikt als foerageergebied door de aanwezigheid van grasland met veel kleinschalige landschapselementen. Naast dat het als foerageergebied gebruikt kan worden, kan de aanwezige bomenlaan ook gebruikt worden als vliegroute. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Verblijfplaatsen Vanwege de ongunstige bouwkundige eigenschappen van de ligboxenstal, de kapschuur, de schuur en de monumentale boerderij kan worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. De bouwkundige eigenschappen van de bungalow zijn wel gunstig dit betekent dat er niet uitgesloten kan worden dat hier verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Dit komt door de spouwmuur en het dakbeschot, er kunnen negatieve effecten ontstaan als de toegangspunten door de overhangende gevelpannen dichtgezet

Erfontwikkeling Holterweg 52, Heeten | Eelerwoude | 21

worden. Indien dit gebeurt bij het esthetisch opwaarderen, is een nader onderzoek noodzakelijk om na te gaan of er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Indien verblijfplaatsen worden aangetroffen, is een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming noodzakelijk om werkzaamheden aan de woning te kunnen verrichten. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied kan mogelijk als foerageergebied worden gebruikt, alleen betreft dit geen essentieel foerageergebied door veel alternatief leefgebied in de directe omgeving. De bomenlaan kan mogelijk als vliegroute gebruikt worden, dit betreft mogelijk een essentiële vliegroute. Omdat er geen werkzaamheden aan de bomenlaan gebeuren, is nader onderzoek niet noodzakelijk. Conclusie: Nader onderzoek is niet noodzakelijk zolang er geen werkzaamheden plaatsvinden die de toegang bij de dakrand van de bungalow blokkeren. Mocht dit toch het geval zijn, is een nader onderzoek noodzakelijk om na te gaan of er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Indien deze worden aangetroffen, is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk om de betreffende woning te kunnen verbouwen. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt.

Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

5.3.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken mogelijk een aantal soorten van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Binnen en/of rondom het plangebied komen mogelijk ook enkele beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals steenmarter, eekhoorn, egel, das en diverse kleine marterachtigen. Steenmarter Er zijn geen sporen, zoals prooiresten, prenten of latrines, in het plangebied aangetroffen dat kan duiden op een verblijfplaats van de steenmarter. In de omgeving zijn wel waarnemingen van een steenmarter gedaan, dit kan duiden op dat de steenmarter het plangebied mogelijk (incidenteel) gebruikt als foerageergebied. (NDFF, 2022).

Erfontwikkeling Holterweg 52, Heeten | Eelerwoude | 22

Eekhoorn In de directe omgeving zijn waarnemingen gedaan van de eekhoorn, dit maakt het mogelijk dat de eekhoorn het plangebied gebruikt als onderdeel van het foerageergebied (NDFF, 2022). Gekeken naar de omgeving is er voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Verblijfplaatsen in de vorm van nesten zijn niet waargenomen. Egel De egel is een soort die gebruik maakt van struikbeplanting en takkenrillen en andere dichte bodembedekking. In het plangebied zijn struikbeplanting en takkenhopen aanwezig. Naast foerageergebied is het mogelijk dat er ook verblijfplaatsen aanwezig zijn in de beplanting aan de oostkant van het erf of de stenenstapels. Das Het is mogelijk dat das gebruik maakt van het plangebied als foerageergebied. Echter zijn er geen sporen aangetroffen in de vorm van prenten, latrines of graafputjes. Ook zijn er in het plangebied geen burchten aanwezig. Het plangebied maakt hierom geen essentieel onderdeel uit van het foerageergebied/verblijfplaatsen van de das. Het is wel mogelijk dat nabije percelen (incidenteel) benut worden als foerageergebied. Kleine marterachtigen Het is mogelijk dat er verblijfplaatsen van de bunzing, wezel en hermelijn zijn binnen het plangebied, ook al zijn er geen sporen gevonden. Dit gezien dat er binnen het plangebied geschikte plekken aanwezig zijn in de vorm van de takkenrillen, struweel en steenhopen.

Het is ook mogelijk dat deze soorten het plangebied als foerageergebied gebruiken. Het gaat hierbij niet om een essentieel gebied, doordat er in de nabije omgeving verschillende geschikte plekken voor deze soorten aanwezig zijn. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor de bovenstaande soorten, die geen provinciale vrijstelling hebben zijn negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden waarschijnlijk. Steenmarter Negatieve effecten zijn voor deze soort uit te sluiten. Het is onwaarschijnlijk dat de steenmarter gebruik maakt van de gebouwen als verblijfplaats en er wordt geen afbreuk gedaan aan het foerageergebied. Eekhoorn Er worden geen bomen gekapt in het plangebied, daarnaast zijn er geen nesten van de eekhoorn aangetroffen in de bomen. Negatieve effecten zijn daarom voor deze soort uit te sluiten. Egel De struikbeplanting die de soort mogelijk gebruikt, wordt niet weggehaald, maar de takkenhopen en steenstapels wel.

Erfontwikkeling Holterweg 52, Heeten | Eelerwoude | 23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=01db2c6a-4dc6-4364-a5be-f5929c2ec121