Bijlagen bij de toelichting Bodemonderzoek
Tekst van het document
De saneerder voert de sanering uit overeenkomstig het door het bevoegd gezag goedgekeurde saneringsplan en de voorschriften die zij aan de instemming hebben verbonden. Sanering en/of evaluatie uitvoeren (Wbb-vervolg=start sanering of uitvoeren (aanvullende) evaluatie) Als het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan kan de sanering worden uitgevoerd. Na afronding van de sanering stelt de saneerder een evaluatierapport op. Op basis van het evaluatierapport zal het bevoegd gezag beoordelen of een sanering voldoende is uitgevoerd. Voldoende gesaneerde locatie behoren daarmee niet meer tot de werkvoorraad van de provincie. Zorgmaatregelen uitvoeren (Wbb-vervolg=uitvoeren tijdelijke beveiliging, actieve nazorg, monitoring en registratie restverontreiniging) Na sanering kan sprake zijn van restverontreiniging (bijv. indien sprake is van een afdeklaag als saneringsmaatregel). Deze maatregelen kunnen bestaan uit beperkingen in het gebruik van de locatie of het voorkomen blootstelling aan of verspreiding van de restverontreiniging. Gesaneerd (Wbb-vervolg=voldoende gesaneerd) Indien een sanering is uitgevoerd wordt doo het bevoegd gezag het evaluatierapport beoordeeld. Indien met een beschikking wordt ingestemd met de uitgevoerde sanering (aan de saneringsdoelstelling is voldaan) behoort de locatie niet meer tot de werkvoorraad van de provincie.
Wel kan nog sprake zijn van nazorg zoals bijvoorbeeld het in stand houden van een afdeklaag of het verplicht melden van gewijzigd gebruik. Geen werkvoorraad (meer) (Wbb-vervolg=voldoende onderzocht of leeg) De locatie behoort op basis van de UBI score niet tot de werkvoorraad of is voldoende onderzocht of er is geen aanleiding tot onderzoek maar wel bodeminformatie beschikbaar. Toelichting op de gerapporteerde informatie Locatie Algemene gegevens waaronder de locatie in het BIS bekend is. Daarnaast wordt aangegeven of de locatie betrekking heeft op een verontreiniging die na 1 januari 1987 is ontstaan (een zorgplicht geval dat onmiddellijk ongedaan gemaakt moet worden/zijn). Status In de wet bodembescherming wordt onderscheid gemaakt tussen ernstige en niet ernstige verontreinigingen. Op basis daarvan wordt bepaald of een locatie door het bevoegd gezag wordt opgepakt. Voordat het bevoegd gezag hierover in een beschikking een uitspraak doet wordt de beoordeling op basis van historisch- en/of verkennend onderzoek vastgelegd (beoordeling). Indien er een uitspraak is van het bevoegd gezag dan wordt dat vermeld bij het veld ‘Beschikking’. Sanering In een saneringsplan wordt aangegeven hoe de sanering wordt uitgevoerd. Dit kan in fasen gebeuren of in delen van de verontreiniging.
Indien het bevoegd gezag een termijn heeft afgegeven voor het starten van de sanering dan wordt dat hier vermeld. Door het beoordelen van een evaluatierapport van de sanering wordt tevens de einddatum van de sanering bepaald. Uitgevoerde onderzoeken Een lijst van rapporten die betrekking hebben op de locatie. Deze rapporten worden in het geval van ernstige verontreiniging beoordeeld door het bevoegd gezag Wbb (provincie). Door uitwisseling van gegevens met gemeenten worden ook rapporten vermeld die in het bezit zijn van de betreffende gemeente maar die niet bij de provincie aanwezig zijn. (mogelijk) Verontreinigende activiteiten Dit is een overzicht van potentieel verontreinigende (bedrijfs)activiteiten die op de locatie (mogelijk) zijn uitgevoerd, worden vermoed (HBB) en/of zijn onderzocht. Met ‘vervallen’ wordt aangegeven of een activiteit werkelijk op de locatie heeft plaatsgevonden. Met ‘Benoemd’ wordt aangegeven of deze activiteit ook in de bodemonderzoeken zijn benoemd. Vervolgens wordt aangegeven of er een verontreiniging veroorzaakt door deze activiteit aanwezig is. Geconstateerde Verontreinigingen Indien verontreinigingen in de grond of het grondwater zijn aangetroffen wordt in deze tabel aangegeven in welke mate overschrijding van de normen heeft plaatsgevonden. Tevens wordt vermeld welke omvang de verontreiniging heeft en op welke diepte deze zit.
Besluiten Op basis van de aangeleverde rapporten doet het bevoegd gezag uitspraak over de mate van verontreiniging (ernst), de spoedeisendheid van saneren (spoed), te nemen maatregelen voor, na en
Pagina 6 van 7
-
14-12-2021
tijdens sanering, saneringsplannen en de uitvoering van de sanering (evaluatie). In dit overzicht worden de door de provincie genomen besluiten vermeld. Saneringscontouren Indien sprake is van sanering in delen of fasen dan worden meerdere contouren vermeld. Per fase of deel wordt aangegeven welke saneringsvariant voor de boven- of ondergrond uiteindelijk is uitgevoerd. Zorgmaatregelen Indien na sanering nog verontreiniging is achtergebleven zullen maatregelen worden genomen om blootstelling aan of verspreiding van de restverontreiniging te voorkomen. Deze maatregelen worden in het BIS geregistreerd. Het bevoegd gezag houdt toezicht op het in stand houden van deze maatregelen.
Show the Debugger Trace Report
Pagina 7 van 7
-
14-12-2021
\ n cierux24 d 06b I O' 09-OöM
TAUW Infra Consult B.V. Milieu en Technologie
Loonbedrijf Rensen t.a.v. de heer J. Rensen Linderteseweg 48 8106 PB MARIËNHEEM
Uw ref.:
Onze ref.; Datum: B3291553.P01/GHL 14 juli 1993
Projectnummer : 3291553 Betreft ; Verkennend bodemonderzoek Linderteseweg 48 te Mariënheem Behandeld door: ing G.H. Lutje Schipholt (doorkiesnummer: 0570099750)
Geachte heer Rensen, Hierbij doen wij u de resultaten toekomen van een door ons bureau verricht verkennend bodemonderzoek ter plaatse van een lokatie ge legen aan de Linderteseweg te Mariënheem.
Doel van het onderzoek is een indruk te verkrijgen van de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslokatie. Aanleiding tot het onderzoek is het voornemen van de opdrachtgever de nulsituatie ter plaatse van het onderzoeksterrein te bepalen in verband met de aanleg van een vloeistofdichte vloer. Bij de onderzoeksopzet is de NVN-5740 richtlijn voor verdachte (deel)lokaties met bekende plaatsen van voorkomen gevolgd. Tevens is de strategie voor onverdachte lokaties meegenomen in de onder¬ zoeksopzet .
Handelsregister Deventer nr. 14965
DW03030000
../l Deventer, Postbus 479, 7400 AL, Telefoon 05700 - 99911, Telefax 05700 - 99666 / 99444. Bezoekadres; Handelskade 11, Deventer Overige vestigingen: Best, Groningen, Rotterdam, Essen, Freiberg (Sachsen), Mannheim, Alle opdrachten worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen opgenomen in de Regeling van de Verhouding tussen Opdrachtgever en adviserend Ingenieursbureau (RVOl 1987), gedeponeerd ter Griffie van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage Het milieulaboratorium is door STERLAB erkend en onder no. 5 ingeschreven in het register. * LU De milieumeetdienst van de sector Bodem is door STERLAB erkend en onder no. 95 ingeschreven in het regislei, oNf
03.03
-Blad 2 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d. 14 juli 1993
1
VOORONDERZOEK EN HYPOTHESR
1.1
Historische informatie Uit de door de opdrachtgever verstrekte informatie is naar voren gekomen dat de lokatie voorheen in gebruik is geweest als weiland. Momenteel is een loonbedrijf op de lokatie gevestigd. De oppervlakte van de lokatie bedraagt circa 850 m^. Op het terrein bevinden zich twee dieselpompen en een kelder met dieselopslagtanks.
1.2
Geohvdrologie Bodemopbouw Ter plaatse van de onderzoekslokatie kan op basis van literatuurge¬ gevens de volgende regionale geohydrologische bodemopbouw worden aangehouden (zie tabel 1.1). Tabel 2.1
Regionale geohydrologische bodemopbouw
diepte m -mv
samenstelling
formatie
geohydrologische betekenis
0- 8
fijn zand
Twente
deklaag
8-35
matig grof.grindig zand (klei laagjes)
Kreftenheye
eerste watervoerende pakket
35-65
klei
Drenthe
scheidende laag
65-160
matig fijn zand
Oosterhout/Scheemda
tweede watervoerende pakket
> 160
mariene klei
Breda
ondoorlatende, geohydrologische basis
GrondwaterStroming Volgens de literatuur is de regionale stromingsrichting van het grondwater, in beide watervoerende pakketten, noordwestelijk ge¬ richt.
. ./3
-Blad 3 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d. 14 juli 1993
Hypothese voor het onderzoek Op basis van de door de opdrachtgever verstrekte informatie wordt als hypothese gesteld dat de onderzoekslokatie verdacht is, ten aanzien mogelijke bodemverontreiniging. In de NVN 5740-richtlijn wordt afhankelijk van de hypothese aange¬ geven welke strategie dient te worden gevolgd betreffende: de diepte van de boringen en de te bemonsteren lagen; het monsternemingspatroon; de aantallen te nemen grond- en grondwatermonsters; de aantallen te analyseren monsters en het hanteren van mengmonsters; de te analyseren stoffen. Deze aspecten worden beschreven in het hoofdstuk "Uitgevoerde werk¬ zaamheden" . '
UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN Algemeen De veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de Nederlandse Praktijkrichtlijnen (NPR) van het ministerie van VROM en de geldende NEN-normen en zijn gecertificeerd door de Stichting Erkenning Laboratoria (Sterlab). Vanwege het spoedeisende karakter is, in afwijking van de NPR, het grondwater direct bemonsterd.
Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 23 juni 1993 en hebben be¬ staan uit: het verrichten van 4 handboringen tot 0,5 m -mv (monsterpunten 9 t/m 12); het verrichten van 3 handboringen tot 2,0 m -mv (monsterpunten 4, 5 en 8); het verrichten van 2 handboringen tot 2,5 m -mv (monsterpunten 6 en 7); het verrichten van één handboring tot 4,0 m -mv (monsterpunt 3): het plaatsen van 2 peilbuizen met filterdiepten van 1,5 tot 3,5 en 1,7 tot i,7 m -mv (monsterpunten 1 en 2);
-Blad 4 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d.
14 juli 1993
het zintuiglijk beoordelen van het bij de boringen vrijgekomen materiaal; het bemonsteren van de grond en het grondwater Er is niet inpandig geboord. De situering van de monsterpunten is aangegeven in bijlage 1. Een overzicht van de gehanteerde bemonsteringstechnieken is opgenomen in bijlage 2, blad 1 en 2. Het opgeboorde bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op kleur, geur, textuur en bijzonderheden. Per 50 cm vrijgekomen bodemmateriaal, of per zintuiglijk veront¬ reinigde laag is in het veld een representatief mengmonster samen¬ gesteld.
2.3
Laboratorlumwerkzaamheden Van de bovengrond is één mengmonster samengesteld ter analyse op zware metalen (8), EOX, PAK (10) en minerale olie (GC). Van de on¬ dergrond één mengmonster geanalyseerd op zware metalen (8) en EOX. De lutumfractie en het gehalte aan organisch stof zijn geschat aan de hand van de veldwaarnemingen. In tabel 2.1 staan de geanalyseerde grond(meng)monsters weer¬ gegeven. Tabel 2.1
Chemische analyses grond
monsterpunt
3, 9, 10, 11 en 12
diepte
zware
(m -mv)
metalen®
0-0,5
X
3
0,5-2,0
X
PAK*^ EOX®
minerale olie (GC)
X
X
X
X
1
0-1,0
6, 7 en 8
0-0,5
X
5
0-1,0
X
2 en 4
0-0,5
X
X
a: zware metalen: Cd, Cr, Cu, Hg, Ni, Pb, Zn, As b: PAK: polycyclische aromatische koolwaterstoffen (10-Leidraad) c: EOX: extraheerbare organohalogeenverbindingen
Het grondwatermonster van peilbuis 1 is geanalyseerd op aromatische en alifatische oplosmiddelen en minerale olie. Het grondwater¬ monster van peilbuis 2 is geanalyseerd op zware metalen (8), EOX, fenol(index) en aromatische en chloorhoudende oplosmiddelen (vluchtige aromatische en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (inclusief naftaleen)) en minerale olie. . ./5
-Blad 5 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d.
14 juli 1993
De zuurgraad (pH) en de elektrische geleidbaarheid (EC) van het grondwater zijn in het veld gemeten. Een overzicht van de gehanteerde analysemethoden is weergegeven in bijlage 2, blad 3 en 4.
3
RESULTATEN EN BESPREKING
3.1
Veldwaarnemingen Het bij de boringen vrijgekomen materiaal is in het veld zintuiglijk beoordeeld qua kleur, geur, textuur en het voorkomen van bij zonderheden. De boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3. Bodemopbouw Uit het opgeboorde materiaal kan de bodemopbouw tot circa 4,0 m -mv (einddiepte boring) globaal als volgt worden omschreven: 0 - 0,5 m -mv : fijn zand, overwegend sterk humeus 0,5- 1,2 m -mv : fijn zand, overwegend matig humeus 1,2- 1,7 m -mv : fijn zand, overwegend zwak humeus 1,7- 3,0 m -mv : fijn zand 3,0- 4,0 m -mv : matig grof zand Ten tijde van de veldwerkzaamheden bevond de grondwaterstand zich op een diepte van circa 2,0 m -mv. Zintuiglijke waarnemingen In tabel 3.1 zijn de zintuiglijke waarnemingen weergegeven Tabel 3.1 Zintuiali ike waarneminaen monsterpunt
traject geur
1 1 1 1 1
0 -0,5 0,5-1,0 1,0-2,0 1,2-1,5 1,5-2,8
4
0
-1,0
5
0
-1,0
8
0
-0,5 ‘
zintuiglijke waarnem bijzonderheden
lichte dieselgeur lichte dieselgeur zeer lichte dieselgeur
matige oliefilm lichte oliefilm lichte oliefilm weinig olieplaatjes zeer weinig olieplaatjes zeer weinig olieplaatjes
zeer lichte brandstofgeur
zeer weinig olieplaatjes zeer weinig, fijn puin
../6
-Blad 6 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d.
14 juli 1993
Verder zijn er zintuiglijk geen voor het onderzoek van belang zijnde bijzonderheden waargenomen, die kunnen duiden op de aanwe¬ zigheid van verontreinigingen in grond en grondwater.
3.2
Toelichting resultaten chemische analyses De analyseresultaten zijn als bijlage 4 opgenomen. Voor de inter¬ pretatie van de analyseresultaten is gebruik gemaakt van de toetsingstabel uit de Leidraad bodembescherming opgesteld door het ministerie van VROM. Deze toetsingstabel is opgenomen als bijlage 5, blad 1 en 2. Hierbij worden de referentiewaarden voor onder andere zware metalen, PAK en minerale olie afhankelijk gesteld van het organisch stofgehalte (humus) en/of de lutumfractie (lutum). Ter bepaling van deze referentiewaarden in de grond zijn het or¬ ganische stofgehalte (H) en de lutumfractie (L) voor de boven- en ondergrond aan de hand van de veldwaarnemingen geschat. Hierbij zijn H en L als volgt geschat, H= 5 % en L= 2 %. De aan de hand hiervan berekende referentiewaarden zijn vermeld in bijlage 6. Bij de interpretatie van de analyseresultaten is de volgende ter¬ minologie gehanteerd: kleiner dan A-waarde of detectiegrens: groter dan de A-waarde : + groter dan of gelijk aan de B-waarde : ++ groter dan of gelijk aan de C-waarde : De verschillende toetsingswaarden staan voor: A-waarde: referentiewaarde (achtergrondwaarde); B-waarde. toetsingswaarde ten behoeve van nader onderzoek; C-waarde: toetsingswaarde ten behoeve van saneringsonderzoek. Bij de olie-analyse met behulp van gaschromatografische technieken worden de koolwaterstoffracties in het monster bepaald.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een vluchtige en niet-vluchtige frac¬ tie. Voor de vluchtige koolwaterstoffractie zijn geen toetsings¬ waarden opgenomen. Wel kunnen, als de vluchtige koolwaterstoffractie wordt gemeten, componenten als aromaten en/of octaan en heptaan in het monster aanwezig zijn. De niet-vluchtige koolwaterstoffractie wordt geïnterpreteerd aan de waarden voor minerale olie. Ter beoordeling van mogelijke risico's voor de volksgezondheid en de aantasting v^n het milieu dient naast de aard en de concentra¬ ties van stoffen ook rekening te worden gehouden met de lokale verontreinigingssituatie en het gebruik van de bodem ter plaatse. ■
■/7
-Blad 7 van brlefnununer B3291553.POl/GHL d.d.
3.3
14 juli 1993
Verontreinigingssituatie grond
Onverdachte terreingedeelte In tabel 3.1 zijn de analyseresultaten en de bijbehorende interpretatie van de grondmonsters weergegeven. Tabel 3.1 Analyseresultaten en interpretatie van de grondmonsters (gehalten in mg/kg d.s.) 1 Cadmium (cd) Chroom (cr) Koper (CU) Kwik (hg) Nikkel (ni) Lood (pb) Zink (zn) Arseen (as)
< <
< <
0.1 5 1 0,1 2 10 7 0,5
2 -
-
PAK: Naftaleen Fenantreen Anthraceen Fluorantheen Chryseen Benzo(a)anthraceen Benzo(a)pyreen Benzo(k)fluorantheen Indeno(123-cd)pyreen Benzo(ghi)peryleen Pak-totaal
< < <
< < •
<
minerale olie: vluchtige kws niet-vluchtige kws EOX 1 : 2 : * :
<
-
<
<
0,1
-
0,1 6 3 0.2 4 25 11 1,0
0,05 0,01 0,01 0,02 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,2
. . -
-
. . _ >
+ -
-
-
10 * 55 0,1
-
boring 3 (0,5-2,0m-mv) boringen 3,9,10,11 en 12 {0-0,5m-niv) niet geïnterpreteerd als zijnde boven de A-waarde i.v.m. detectie van humusachtige verbindingen tijdens de GC-bepaling . ./8
-Blad 8 van briefnunimer B3291553.POl/GHL d.d. 14 juli 1993
Uit tabel 3.1 blijkt dat in het mengmonster van de monsterpunten 3, 9, 10, 11 en 12 (0-0,5 m -mv) de individuele PAK chryseen is ge¬ meten in een licht verhoogd gehalte (boven de A-waarde). Dit licht verhoogde gehalte aan chryseen is niet te verklaren aan de hand van zintuiglijke waarnemingen. Het licht verhoogde gehalte aan minerale olie wordt geïnterpreteerd als zijnde beneden de A-waarde i.v.m. detectie van humusachtige verbindingen tijdens de GC-bepaling. De gehalten aan de overige componenten waarop is geanalyseerd in boven aangehaalde, en het mengmonster van de ondergrond, zijn lager dan de A-waarden en/of de detectiegrenzen. Opgemerkt dient te worden dat een aantal analyses zijn uitgevoerd bij mengmonsters. Theoretisch bezien kan dat inhouden dat de ge halten in de deelmonsters hoger zijn. Dieseloliepomp A In tabel 3.2 zijn de analyseresultaten en de bijbehorende interpre¬ tatie van de grondmonsters weergegeven. label 3.2 Analyseresultaten en interpretatie van de orondmonsters (gehalten in mq/kg d.s.)
minerale olie: vluchtige koolwaterstoffen niet vluchtige koolwaterstoffen 1 : 2 : 3 :
1
2
< 40 13000
< 10 +++ 50
3 < +
10^ 160
boring 1 (0-1,0 m-mv) boring 1 (2-2,5 m-mv) boring 6,7 en 8 (0-0,5 m-mv) . niet geïnterpreteerd als zijnde boven de A-waarde i.v.m. detectie van humusachtige verbindingen tijdens de GC-bepaling
Uit tabel 3.2 blijkt dat ter plaatse van monsterpunt 1 (0-1,0 m rav) minerale 'Ts gemeten in sterk verhoogd gehalte (ruim 2x de Cwaarde). Dit sterk verhoogde gehalte aan minerale olie kan enigzins worden verklaard aan de hand van de zintuiglijk waargenomen lichte dieselgeur en lichte tot matige oliefilm. In de ondergrond (2-2,5 m -mv) is minerale olie gemeten in een licht verhoogd gehalte (boven de A-waarde). In het mengmonster van de monsterpunten 6, 7 en 8 (0-0,5 m -mv) is minerale gemeten in een gehalte dat de detectiegrens overschrijdt; dit gehalte wordt niet geïnterpreteerd als zijnde boven de A-waarde i.v.m. de detecpie van humusachtige verbindingen tijdens de GCbepaling .
-Blad 9 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d. 14 juli 1993
Dieseloliepomp B
In tabel 3.3 zijn de analyseresultaten en de bijbehorende interpretatie van de grondmonsters weergegeven. Tabel 3.3 Analyseresultaten en interpretatie van de grondmonsters (gehalten in mg/kg d.s.) 1
2
3
minerale olie: vluchtige koolwaterstoffen <10 <10 <10 niet vluchtige koolwaterstoffen 2000 ++ < 50 - < 50 1 : 2 : 3 :
boring 5 (0-1,0 m-mv) boring 5 (1,6-2,2 m-mv) boringen 2 en 4 (0-0,5 m-mv)
Uit tabel 3.3 blijkt dat ter plaatse van monsterpunt 5 in de boven¬ grond (0-1,0 m -mv) minerale olie is gemeten in matig verhoogd ge¬ halte (boven de B-waarde). Dit sterk verhoogde gehalte aan minerale olie kan enigzins worden verklaard aan de hand van de zintuiglijk waargenomen zeer lichte dieselgeur. In het traject van 1,6-2,2 m mv is bij monsterpunt 5 minerale olie gemeten in een gehalte dat beneden de A-waarde en/of detectiegrens ligt. Tevens is in het mengmonster van de monsterpunten 2 en 4 (0-0,5 m -mv) minerale olie gemeten in een gehalte dat de A-waarde en/of detectiegrens niet 234overschrij dt.
3.3
Verontreinigingssituatie grondwater De analyseresultaten en bijbehorende interpretatie van de grondwatermonsters is weergegeven in tabel 3.2.
. ./lO
-Blad 10 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d. 14 juli 1993
label 3.2 Analyseresultaten en interpretatie van de grofKlwatermonsters (concentraties in tfq/l)
peilbuis 1 (1,7-3,7 m -mv)
peiIbuis 2 (1,5-3,5 m -mv)
zware metalen: Cadmium (cd) Chroom (cr) Koper (cu) Kwik (hg) Nikkel (ni) Lood (pb) Zink (zn) Arseen (as)
<
<
< < < < < < < <
O O
\JX
A
< 0,2 < 0,5 A
oplosmiddelen: benzeen tolueen ethylbenzeen meta- en paraxyleen orthoxyleen naftaleen dichloormethaan trichloormethaan tetrachloormethaan trichlooretheen (tri) tetrachlooretheen (per) 1,1,1 -trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan
<
< 0,5 < 0,4
O
zuurgraad (pH) geleidingsvermogen (EC)
-
< <
50 100
-
<
1
-
<
fenol index 7,12 457
. -
1
< <
+++
-
<
<
1100
++
<
<
V
minerale olie: vluchtige koolwaterstof niet vluchtige koolwate
. . -
0,2 0,5 0,5 0,5 0,5 0,2 2 1 1 1 1 1 1 5 2
<
EOX
0,6 0,5 1,5 0,03 5 8 465 0,5
•
-
5,40 457
. ./ll
-Blad 11 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d. 14 juli 1993
Uit tabel 3.2 blijkt dat in het grondwater van peilbuis 1 minerale olie is gemeten in een sterk verhoogde concentratie (boven de Cwaarde). In peilbuis 2 is zink gemeten in een concentratie die de B-waarde overschrijdt. De concentraties aan de overige componenten in het grondwater waar¬ op is geanalyseerd zijn lager dan de A-waarden en/of de detectiegrenzen. De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH) en het elektrische geleidingsvermogen (EC) kunnen, gezien de ligging van de lokatie in de regio, als normaal worden beschouwd. 3.5
Toetsing hypothese De vooraf gestelde hypothese "lokatie verdacht" komt met het boven¬ staande grotendeels overeen. Met betrekking tot de gevolgde onderzoeksstrategie wordt gesteld dat op basis van de beschikbare gegevens uit het vooronderzoek (mondelinge mededeling opdrachtgever) de strategie voldoende van opzet is geweest om de toetsing te verrichten.
4
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
4.1
Conclusies Grond Onverdachte terreingedeelte Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de grond getoetst aan de richtlijn uit de Leidraad Bodembescherming nagenoeg vrij is van verontreinigingen. Chryseen is gemeten in een licht verhoogd gehalte (boven de A-waarde). De overige geanalyseerde parameters zijn gemeten in gehalten die de desbetreffende A-waarden en/of detectiegrenzen niet over¬ schrijden. Dieseloliepomp A In de bovengrond ter plaatse van monsterpunt 1 is minerale olie gemeten in een sterk verhoogde gehalte (boven de C-waarde). In het traject van 2,0-2,5 m -mv is minerale olie aangetroffen in een licht verhoogd gehalte (boven de A-waarde). . ./12
-Blad 12 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d. 14 juli 1993
Resumerend kan worden gesteld dat de verontreiniging aan minerale olie redelijk in kaart is gebracht. Echter, in hoeverre de veront¬ reiniging zich onder de aangrenzende bebouwing bevindt is nog on¬ bekend. Dieseloliepomp B In de bovengrond ter plaatse van monsterpunt 5 is minerale olie gemeten in een matig verhoogd gehalte (boven de B-waarde). In het traject van 1,6-2,2 m -mv ligt het gehalte aan minerale olie be¬ neden de A-waarde danwel detectiegrens. Resumerend kan worden gesteld dat de verontreiniging aan minerale olie, verticaal gezien, redelijk in kaart is gebracht. Echter, in hoeverre de verontreiniging zich, horizontaal gezien (met name onder de aangrenzende bebouwing), zich heeft verspreidt, is nog niet bekend. Grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 is een sterk verhoogde concentratie (boven de C-waarde) aan minerale olie gemeten. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 2 is een matig verhoogd gehalte aan zink (boven de B-waarde) gemeten. 4.2
Aanbevelingen Grond Onverdacht terreingedeelte Gezien het feit dat de grond niet geheel vrij is van verontreinigingen dient er bij eventuele graafwerkzaamheden rekening mee ge¬ houden te worden dat vrijkomende grond, formeel gezien, niet ge¬ schikt is voor onbeperkt hergebruik. Voor bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond dient, in overleg met betrokken gemeentelijke overheden, gezocht te worden naar verwerkingsmogelijkheden. Mogelijk zijn hier kosten aan verbonden. Echter, gezien de zeer geringe mate van verontreiniging (alleen chryseen > A) is het waarschijnlijk wel mogelijk om vrijkomende grond op het eigen terrein te hergebruiken. In het algemeen zijn de gemeten verhoogde concentraties in de grond dusdanig gering ,dat ons inziens geen verhoogde risico's voor de volksgezondheid'of het milieu te verwachten zijn. . ./13
-Blad 13 van briefnummer B3291553.POl/GHL d.d.
14 juli 1993
Verdachte terreingedeelten Aanbevolen wordt een aanvullend bodemonderzoek uit te voeren om de verontreinigingen ter plaatse van beide dieseloliepoinpen volledig, en met name onder de gebouwen, in kaart te brengen.
Grondwater
Aanbevolen wordt om: peilbuis 1 en 2 te laten herbemonsteren en te analyseren op zink; een nader onderzoek uit te voeren om de omvang van de verontreiniging aan minerale olie in het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 (dieseloliepomp A) te bepalen.
Wij verwachten u hiermee van dienst te zijn. Hoogachtend, TAUW Infra Consult B.V. Milieu en Technologie
ir. J. van der Molen projectleider adviesgroep Bodemonderzoek
Bijlagen 1. Situering monsterpunten 2. Bemonsteringstechnieken en analysemethoden 3. Boorprofielen 4. Analyseresultaten 5. Toetsingstabel Leidraad bodembescherming 6. Referentiewaarden
Bijlage 1
BIJLAGE 3 Boorbeschrijving grondboring
01 0
gras / cm t ov m aaiveld
0
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, m at ig hum eus, neut raal bruin, ow: geen, edelm an
50
-50
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, neut raal geel, ow: geen, edelm an
-100
100
zand, m at ig fijn, zwak silt ig, licht geel, ow: geen, edelm an
150
200 t ype dat um boorm eest er
-200
g r on d b or in g 2 8 -0 2 -2 0 2 2 R. Roe lof s
bodem profielen sch a a l 1 :2 0 onderzoek project code get ekend conform
H O Lin se r t se w e g 4 8 M a r ie n h e e m 211152 N EN 5 1 0 4
PEILBUIS
BORIN G
OLIE OP W ATER REACTIE
num m er
bodem m onst er, geroerd
Geen casing
Zwak
Mat ig
St erk
Uit erst
bodem laag
GEUR IN TEN SITEIT
bent oniet
grondwat erst and t ijdens boren
bodem m onst er, ongeroerd
filt ergrind
Geen Zeer zwak
Zwak
Mat ig
St erk
bodem laag filt ert raject grondwat erst and
links= cm -m aaiveld recht s= cm + NAP
GRON D SOORTEN
M ATE V AN BIJM EN GIN G
GRIND, grindig (G,g)
zwak - (0-5%)
ZAND, zandig (Z,z)
m at ig - (5-15%)
LEEM, silt ig (L,s)
st erk - (15-50%)
KLEI, kleiig (K,k)
uit erst - (> 50%)
VEEN, hum eus (V,h)
slib
V ERH ARD IN GEN
GRAD ATIE Z AN D
asfalt , bet on, klinkers, t egels st elconplaat , ondoordringbare laag
uf = uit erst fijn (63-105 um ) zf = zeer fijn (105-150 um ) m f = m at ig fijn (150-210 um ) m g = m at ig grof (210-300 um ) zg = zeer grof (300-420 um ) ug = uit erst grof (420-2000 um )
OV ERIG
GRAD ATIE GRIN D
bodem vreem de best andsdelen aanwezig
f = fijn (2-5.6 m m ) m g = m at ig grof (5.6-16 m m ) zg = zeer grof (16-63 m m )
wat er
BESCH RIJV IN G BOD EM LAAG pid = fot o ionisat ie det ect or bv = bodem vocht ow = olie op wat er
Zeer st erk
BIJLAGE 4 Foto
TEKENING 1-1: Situatie onderzoekslocatie met boringen