CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen_Beheerplan bomen_Raalte_20201218_Definitief

Informatievoorziening raad 27 januari 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Collegevoorstel en besluit beheerplan bomen 2-12-202011.231 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Communicatie Over watermerkziekte hoeft niet algemeen gecommuniceerd te worden.

5

Protocol wilgenhoutrups Aantasting

Wilgenhoutrups (Cossus cossus) is de larve van de Wilgenhoutvlinder, een insect. In Nederland heeft wilgenhoutrups geen specifieke status.

Gastheer De wilgenhoutrups boort gaten in de onderstam van loofbomen, vooral wilg (Salix sp.) en populier (Populus sp.), maar andere soorten kunnen ook aangetast worden. De jonge rupsen kunnen alleen zachte of beschadigde delen van de stam aantasten, daarom ontstaat er soms ringing net onder het maaiveld. Oude rupsen tasten ook gezonde bomen aan.

Symptomen De rupsen van de wilgenhoutvlinder kunnen tot 10 cm groot worden en zijn circa 1 cm dik. De rups is ’s nachts actief in de maanden juni en juli. De rupsen treden bij voorkeur een boom binnen via beschadigd stamweefsel. Bij voldoende voedsel kunnen ze tot wel 4 á 5 jaar in een boom verblijven. Bij veel aantasting is het ook mogelijk dat de rupsen de boom verlaten en naast staande gezonde onbeschadigde bomen aantasten. De rupsen hebben een roodbruine kleur aan de bovenzijde en een geelwitte onderzijde. Ze hebben grote, zwarte ogen. Ze kunnen twee tot viermaal overwinteren in boomschors of spinthout voordat ze zich verpoppen. De vlinder komt voor in noordelijk Afrika, Azië en Europa en is algemeen in heel Nederland en België. De wilgenhoutvlinder geeft de voorkeur aan een vochtige omgeving met oude bomen zoals de wilg, populier of iep. Zij laat de eitjes in het gras vallen en binnen 14 dagen komen deze uit. De vliegtijd is van april tot en met augustus. De aantasting is te herkennen aan de grote, ovale openingen (tot 2 cm diameter). Uit de opening kan sterk naar azijn ruikend, afgewerkt nat boormeel komen. De rups maakt azijnzuur aan om het hout enigszins te kunnen verteren. De wilgenhoutrups vreet gangen in het hout waardoor de boom uiteindelijk breukgevoelig kan worden.

6

Monitoring De vraatgangen van de rups zijn het hele jaar door waarneembaar. Regelmatige controle van aangetaste bomen is noodzakelijk, bij incidentele aantasting kan de controle wel binnen een gebruikelijke frequentie van eenmaal in de drie jaar vallen. Mate van aantasting is met een geluidstomograaf niet in beeld te brengen, een trekproef biedt wel een betrouwbaar beeld.

Maatregelen Het voorkomen van schade aan de stamvoet is belangrijk. Kleinschalig worden rupsen wel eens (met hoge druk) uitgespoten, ook dit werkt niet volkomen. Alleen oudere rupsen in de gangen worden doodgespoten. Heet water geeft daarbij vaak een beter resultaat.. Dit moet drie jaar volhouden om de cyclus te doorbreken. Bij incidentele gaten is het een optie de vraatgang dicht te stoppen met klei en vervolgens een grote hoeveelheid insectparasitaire nematoden te injecteren in de vraatgang.

Communicatie Over wilgenhoutrups hoeft niet algemeen gecommuniceerd te worden.

7

Protocol kastanjebloedingsziekte Aantasting

De kastanjebloedingsziekte wordt in Nederland vanaf 2002 waargenomen. De ziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Pseudomonas syringae pv aesculi en wordt aangetroffen bij de witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) Er bestaat geen meldplicht bij de NVWA. Gezondheidsrisico’s in verband met de aantasting zijn niet bekend bij het RIVM.

Gastheer

Boomsoorten: de ziekte wordt het meest aangetroffen bij de witte paardenkastanje (Aesculus hippocastanum), maar kan ook bij andere paardenkastanjes voorkomen. Bij de tamme kastanje (Castanea) komt de ziekte niet voor.

Symptomen De kastanjebloedingsziekte laat een opeenvolging van symptomen zien. Op de stam verschijnen roestbruine vlekken, deze verspreiden zich snel over de hele stam. Uit de vlekken komt een vloeistof: de boom bloedt als het ware. Het vocht is eerst helder maar verkleurt snel naar donkerkbruin en wordt stroperig. Daarna gaat de bast onder de vlekken rotten en sterft uiteindelijk af. Vervolgens ontstaan bastscheuren en in een aantal gevallen sterft de boom af. Bij oudere bomen kan in enkele gevallen herstel plaatsvinden, bij zaailingen of jonge kwekerijbomen is de aantasting vaak fataal

Monitoring Op basis van symptomen: tijdens de boomveiligheidscontroles dient een vorm van deze aantasting opgenomen te worden in het bomenpaspoort. De kenmerken zijn jaarrond waar te nemen, echter met name wanneer de sapstromen op gang zijn. De bomen kunnen in de driejarige of jaarlijkse inspectie worden beoordeeld, afhankelijk van het stadium van de aantasting.

Maatregelen Uit onderzoek is gebleken dat de bacterie temperatuurgevoelig is in een bereik waar kastanjezaailingen niet onder lijden. Er lopen proeven om na te gaan of deze warmtebehandeling ook bij volwassen bomen geschikt is om de bacterie te bestrijden. Het ontsmetten van gereedschap na contact met een geïnfecteerde boom wordt genoemd, echter in de literatuur is geen bewijs gevonden voor het nut van deze maatregel. 8

Communicatie De ziekte komt inmiddels algemeen voor. Wanneer grote aantallen bomen, of bijzondere bomen vanwege de aantasting worden geveld, wordt dit specifiek vermeld bij de kapvergunningsaanvraag of in het persbericht.

Meer informatie NVWA (Nationale Voedsel- en warenautoriteit) www.nvwa.nl Wageningen Universiteit en Researchcentrum www.wageningenur.nl/nl/Dossiers/dossier/Kastanjebloedingsziekte.htm

9

Protocol eikenprocessierups Aantasting

Eikenprocessierups (-vlinder) Thaumetopoea processionea De rups en vlinder hebben in Nederland geen speciale status. Inmiddels komt de rups in bijna heel Nederland voor, uitgezonderd de Waddeneilanden. Er is geen meldplicht. Wel kunnen waarnemingen doorgegeven worden aan de Natuurkalender, waar de verspreiding en ontwikkeling in Nederland jaarlijks gevolgd worden.

Gastheer en verspreiding

De rupsen voeden zich met alle in Nederland voorkomende soorten eiken met een lichte voorkeur voor de zomereik (Quercus robur), maar zij kunnen bijvoorbeeld ook voorkomen op Hongaarse eik (Quercus frainetto), Moeraseik (Quercus palustris) en Amerikaanse eik (Quercus rubra). De eiken met een zuilvorm (fastigiata-vormen) kunnen ook nesten van de eikenprocessierups herbergen, ondanks dat er geen gedeelte met een kale stam aanwezig is. Vrouwtjes verspreiden zich weinig, en leggen hun eipakketten in of dicht bij de boom waar ze zelf uit een ei gekomen zijn. De brandharen van rupsen en oude nesten kunnen door de wind ver verspreid worden en veel overlast geven.

Beschrijving en voorkomen In april komen de oranjekleurige rupsen van het eerste stadium uit hun eipakket dat vastzit op de stam. Alle rupsen van hetzelfde eipakket komen tegelijkertijd uit. De kleur van de rupsen verandert in grijsgroen met een lichte streep aan de zijden. Ze blijven dicht bij elkaar en kunnen als kluitjes rupsen op uiteinden van takken worden waargenomen tot en met het derde stadium. Alle stadia van de rups hebben opvallende lange witte haren (tot wel 10 mm bij de oudere stadia). Vanaf het derde stadium komen de 0,1 tot 0,3 mm kleine (zwarte) brandharen voor, gegroepeerd in borstels. Met elk volgende rupsstadium neemt het aantal borstels met brandharen toe. ’s Nachts gaan de eikenprocessierupsen in optocht (in processie) op zoek naar eikenbladeren in de bladkroon van de boom. Tijdens deze processie wordt een dikke spinseldraad gesponnen langs de takken en later langs de stam van de boom. Zo’n spinseldraad is een goede indicatie voor aanwezigheid van de eikenprocessierups. Vanaf half mei tot begin juli kan men de eikenprocessierups aantreffen in de vorm van plakkaten op de stam van eiken. Kort voor de vervelling worden de rupsen immobiel, krijgen een ‘opgeblazen’ uiterlijk en gelige kleur en maken spinsel op de dikkere takken of stam van de boom, waarin ze vervellen

10

In het vierde tot en met zesde stadium worden kenmerkende nesten gemaakt om in te vervellen en om overdag in te schuilen. Deze nesten zijn gemaakt van dichte spinsels waarin vervellinghuidjes achterblijven en worden gevormd in oksels van takken of tegen de stam van de boom. Ze verschillen in grootte van tennisbal tot voetbalafmetingen of platte spinsels als plakkaat tegen de boomstam. De eikenprocessierups kan vanaf het vierde stadium zich ook ingraven in de grond aan de voet van de stam van de eik. De rupsen zitten daar overdag op een kluitje bij elkaar. In de nacht trekken ze van daar uit de boom in om van de bladeren te eten. Het laatste nest wordt gemaakt om in te verpoppen. Dit nest is zeer compact en bevat de meeste brandharen. Oude nesten verkleuren van grijswit naar bruin en waaien soms uit elkaar tot lange slierten van spinsel, haren en oude pophuidjes. Deze nesten kunnen bij wind nog brandharen verspreiden in de lucht. Ook kunnen ze uit de boom waaien en dan kunnen brandharen in de wegberm terechtkomen

Monitoring Mannetjesvlinders kunnen zich over grotere afstanden verplaatsen en worden aangetrokken door een geurstof (feromoon) die de vrouwtjes afscheiden. Voor monitoren zijn feromoonvallen een goed hulpmiddel. De aantallen mannetjesvlinders die gevangen worden (eind zomer-begin herfst), geven samen met gegevens over aantallen nesten (lente-zomer) en weersomstandigheden een indicatie van de populatiedichtheid voor het komend jaar.

Vanaf het moment dat in het nieuwe jaar (winter-vroege lente) de eerste (ei)nesten weer zichtbaar zijn, kan het verloop van de ontwikkeling van de eitjes en later rupsen gevolgd worden. De eipakketten zitten op de stam van de boom, de latere rupsnesten ook. De rupsnesten kunnen zowel hoog als later ook laag bij de grond zitten. De Natuurkalender volgt de verspreiding en ontwikkeling van de eikenprocessierups in Nederland jaarlijks.

11

Maatregelen De brandharen van de rupsen vormen een gevaar voor de volksgezondheid. Verwijdering van de rupsen, nesten of het voorkomen van de ontwikkeling van de rupsen is van belang, vooral in bewoonde gebieden, met een prioriteit voor centrumgebieden. Bij aanwezigheid van een enkel nest kan afscherming met lint of hek met daarbij een informatiebord volstaan (tot eventueel het nest wordt verwijderd), bij grote hoeveelheden nesten zal eerder ingegrepen moeten worden. Bij meldingen van nesten kan men gebruik maken van diverse apparaten voor het wegzuigen van de nesten. Op moeilijk bereikbare plekken kunnen nesten ook handmatig worden verwijderd. Bij risico op veel overlast kan worden ingegrepen door toepassing van bestrijdingsmiddelen op basis van de bacterie Bacillus thuringiensis. Dit gebeurt op het moment dat de eikenprocessierups in het tweede en derde stadium is en dus voor overlast kan zorgen. De keuze voor deze toepassing moet zorgvuldig worden bepaald aan de hand van gegevens over de populatiedichtheid en verwachting van overlast. Overigens is de eigenaar van de boom altijd zelf verantwoordelijk voor bestrijding.

Communicatie Inwoners kunnen via de website, social media en eventueel een berichtje in de krant op de hoogte gebracht worden van het voorkomen van nesten in de omgeving, waar mogelijk ook met aanduidingen van locaties met grote besmettingen. Van belang daarbij is dat ook wordt aangegeven wat er al dan niet aan maatregelen voor getroffen wordt. Bij specifieke locaties met nesten kunnen waarschuwingsbordjes en –lint geplaatst worden.

Meer informatie NVWA (Nationale Voedsel- en warenautoriteit www.nvwa.nl Kenniscentrum Eikenprocessierups http://www.fsd.nl/eikenprocessierups De Natuurkalender www.natuurkalender.nl

12

Bijlage K Beslisbomen vellen en beheerbaarheid, projecten Opstellen vellijst 1A: Veiligheid en beheerbaarheid

1

Opstellen vellijst 1B: Omgevingscheck

2

Beslisboom projecten 2A

3

Beslisboom projecten 2B

4

Bijlage L Richtlijn particulier beheer boomspiegels Inwoners van gemeente Raalte kunnen bij de gemeente het verzoek doen om één of enkele boomspiegels in hun directe woonomgeving zelf voor langere tijd duurzaam te beheren. Met de (groep) inwoner(s) worden dan specifieke afspraken gemaakt wat betreft periode van particulier beheer en eventuele locatiegebonden inrichtingseisen (beplantingssoorten die passen bij de rest van de groene inrichting). Deze afspraken worden vastgelegd in contractvorm en in het gemeentelijke beheersysteem gekoppeld aan de desbetreffende boom of bomen. Particulier beheerde boomspiegels zijn te herkennen aan een speciaal boomsymbool, dat door de gemeente voor dit doel aangebracht wordt. Groenmedewerkers en boomverzorgers kunnen zo de particulier beheerde boomspiegels herkennen. Deze worden vervolgens bij onderhoudswerkzaamheden overgeslagen. De toezichthouder groen van de gemeente zal periodiek de kwaliteit van het beheer beoordelen en de betreffende particuliere beheerders aanspreken in geval de kwaliteit niet voldoende is. De inwoners die het beheer van één of meerdere boomspiegels op zich nemen, dienen zich te houden aan de hierna beschreven richtlijnen.

Graven en grondwerkzaamheden rondom de stam en stamvoet Op de meeste locaties zitten de boomwortels vrij dicht onder de oppervlakte. Direct rondom de stam en stamvoet (het gebied van de boomspiegel) tot 1,5 meter buiten de kroonprojectie bevindt zich de kwetsbare zone van de boom (zie afbeelding Handboek Bomen). Hier mag alleen handmatig gegraven worden, om de boomwortels niet te beschadigen. Dunne boomwortels (< 5 cm) mogen indien nodig voor de aanplant van onderbeplanting voorzichtig worden doorgeknipt (nooit: hakken, trekken of scheuren, daardoor gaat het weefsel rafelen).

1

Boomwortels dikker dan 5 cm mogen niet worden stukgetrokken, doorgezaagd of doorgeknipt. Blootliggende (levende) wortels dienen zo snel mogelijk weer te worden bedekt met aarde om uitdroging te voorkomen. De boomspiegel mag maximaal 10 cm worden opgehoogd met aarde of potgrond. Daarbij moet direct om de stam heen contact van de opgebracht grond met de schors worden vermeden, om rotting van het schorsweefsel en daarmee permanente beschadiging aan de boom te voorkomen. De boomspiegel mag niet worden afgesloten van de buitenlucht door onnatuurlijke materialen (tegels, grind, houten platen, cement, plastic et cetera). Dit voorkomt het doordringen van regenwater en zuurstof, waardoor de wortels niet de benodigde voedingsstoffen kunnen opnemen en afsterven. Hierdoor kan de boom ziek worden en een risico gaan vormen voor de omgeving. Grondwerkzaamheden in de boomspiegel waarbij aarde verplaatst wordt (inclusief het graven en vullen van plantgaten) mag niet onder natte (regen, sneeuw) of bevroren omstandigheden. Ook mogen geen gras- of plantenpollen worden ondergespit. Daarmee wordt de losse structuur van de grond teniet gedaan en in feite een afsluitende laag boven de wortels gecreëerd. Indien geconstateerd wordt dat er na regen water op de boomspiegel blijft staan, dient zo snel mogelijk contact opgenomen te worden met de toezichthouder groen.

Beplanting Het planten van beplanting op of tussen intensieve boombeworteling wordt afgeraden, omdat de boomwortels naar alle waarschijnlijkheid alle vocht onttrekken aan die plek. Met handmatige bewatering kan dit nog wel enigszins ondervangen worden. Aangebracht beplanting mag niet hoger worden dan 50 cm, mag niet overhangen buiten de boomspiegel, en mag niet het zicht belemmeren van het eventuele verkeer in de omgeving. Klimplanten zijn niet toegestaan. Ook invasieve exoten als Japanse duizendknoop zijn niet toegestaan. Bij twijfel over geschikte aanplant kan contact opgenomen worden met de toezichthouder groen.

Voorkomen van schade aan de stam en kroon van de boom Bij het inplanten of onderhouden van de beplanting in de boomspiegel dient beschadiging aan de bovengrondse delen van de boom (stam en kroon) eveneens vermeden te worden. Let bijvoorbeeld op dat bij het uitscheppen van een plantgat de steel van de schep niet per ongeluk tegen een deel van de schors van de boomstam tikt. Of dat laaghangende takken door personen of gereedschappen beschadigd raken.

Onderhoud aan de boom Werkzaamheden aan de boom zelf (snoeien, aanbrengen of verwijderen boompalen) mogen niet door de particuliere beheerder van de boomspiegel worden uitgevoerd. Dit geldt ook voor het eventuele bijknippen van laaghangende of beschadigde takken. Alle werkzaamheden aan de boom zelf worden uitgevoerd door een door de gemeente of 1 van haar aannemers aangewezen vakbekwame boomverzorger. Bij de werkzaamheden zal getracht worden de beplanting van de boomspiegel zoveel mogelijk te ontzien. Hiervoor is het van belang dat het door de gemeente aangebrachte boomsymbool dat het particuliere beheer aanmerkt, duidelijk zichtbaar is. 2

Kap en vervanging van de boom Indien de boom vanwege veiligheidsredenen of herinrichting gekapt moet worden, wordt dit tijdig aan de particuliere beheerder(s) kenbaar gemaakt. Tijdens de werkzaamheden (rooien, eventuele herplant) kan de beplanting in de boomspiegel niet behouden blijven. Deze kan eventueel voor aanvang door de particulier beheerder verwijderd worden. Het beheercontract wordt op dat moment ontbonden. Eventueel kan na herplant opnieuw particulier beheer overwogen worden.

Vragen en contact Voor vragen en afspraken kan door inwoners contact opgenomen worden met de toezichthouder groen.

3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=ec601300-4eca-4f1c-8088-2de3d814079e