CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Ruimtelijke onderbouwing

Informatievoorziening raad 19 oktober 2023, gemeente RaalteBij agendapunt: Zonnepark De Grote Hagen15.166 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hierbij gaat de strategie uit van een initiatiefrijke samenleving die bouwt op draagvlak, zowel sociaal als financieel, met heldere doelstellingen als kader; 4. Er wordt gekozen voor een vitaal, divers en gemengd buitengebied. Een werk- en productielandschap, waar een balans is met wonen, landschappelijke- en cultuurhistorische kwaliteiten, natuur en recreatie;

28

5. Er wordt gekozen voor kleinschalige recreatie, die past in het landschap en die aansluit op andere activiteiten in het buitengebied. Relatie met initiatief Onderliggend initiatief draagt bij aan het duurzaam opwekken van energie in het buitengebied. Hiermee voldoet het plan aan de omgevingsvisie Horizon 2040.

3.3.2 Besluit gemeenteraad Raalte RES 1.0 De RES 1.0 is door de gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen vastgesteld. Hiermee geven de bestuurlijke partners in de RES aan wat zij gaan bijdragen aan de energietransitie. En hoe ze in regionaal verband met inwoners en maatschappelijke organisaties willen samenwerken aan de realisatie van de doelstellingen. De RES 1.0 heeft het karakter van een beleidsdocument dat, al dan niet in samenhang met eerdere vastgestelde beleidsdocumenten, richtinggevend is voor de verdere ontwikkeling van de energiestrategie. De RES-regio West-Overijssel doet het aanbod om vanaf 2030 jaarlijks 1,826 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken. Dit bod bestaat uit al gerealiseerde projecten, concrete initiatieven die nog niet gerealiseerd zijn en ambitie. In onderstaande figuur is het bod per gemeente te zien.

Figuur 3.6 aanbod RES West-Overijssel (bron: RES West-Overijssel) Relatie met initiatief De gemeente Raalte heeft de ambitie om in totaal 100GWh aan duurzame energie op te wekken. De gemeente wil dit doel behalen door de volgende indicatieve verdeling: -

41 GWh van zon op veld, 52 GWh door zon op dak 7 GWh door wind.

De zonneweide in Laag Zuthem levert jaarlijks 2,45 GWh, hiermee draagt dit initiatief bij aan de ambitie van de gemeente Raalte.

29

3.3.3 Richtlijnen voor zonneparken in het buitengebied In 2030 willen we 49% minder CO2 uitstoten. In 2050 willen we energieneutraal zijn. Om deze doelen te halen is het belangrijk dat we meer duurzame elektriciteit opwekken. Dit doen we met zonnepanelen op daken, zonneparken en windmolens. In regionaal verband hebben we afgesproken dat we in de gemeente Raalte in 2030 100 GWh duurzame elektriciteit opwekken. Met 100 GWh kan de gebouwde omgeving (o.a. huizen, kantoorgebouwen en scholen) van onze hele gemeente van elektriciteit worden voorzien. Dit is een eerste stap in de opgave om de CO2 uitstoot te reduceren. Daarnaast moet ook het elektriciteitsverbruik van bedrijven worden verduurzaamd én zijn maatregelen nodig in het verduurzamen van warmte en mobiliteit. We gebruiken momenteel veel aardgas. Dit gebruiken we onder andere om onze huizen mee te verwarmen en om te koken. Aardgas is een fossiele brandstof, wat betekent dat er CO2 vrijkomt als je het verbrandt en dat de voorraad niet oneindig is. In Nederland hebben we afgesproken om over te stappen op andere, duurzamere energiebronnen. Elektriciteit zal deels worden ingezet als alternatief voor aardgas. Ook elektrisch rijden zal voor een toenemende vraag naar elektriciteit leiden. Dit betekent dat het opwekken van duurzame elektriciteit in de toekomst alleen maar belangrijker wordt.

Via het Klimaatakkoord zijn ook afspraken gemaakt met de sectoren bedrijven en industrie, landbouw en mobiliteit om de CO2 uitstoot terug te dringen. Landelijke, regionale en lokale maatregelen moeten er gezamenlijk voor zorgen dat de CO2 uitstoot in 2030 is gereduceerd met 49%.

Figuur 3.7 infographic energietransitie gemeente Raalte (bron: gemeente Raalte) Zonne-energie is in de energiemix een belangrijke vorm van duurzame energie voor onze gemeente. Omdat we zuinig en zorgvuldig om willen gaan met de ruimte wordt de toepassing van ‘zon op dak’ gestimuleerd. Maar om alle energie die we verbruiken duurzaam op te wekken zijn ook andere vormen

30

van duurzame opwek nodig, waaronder zonneparken in het buitengebied. Gezien de omvang van de opgave zetten we voor zonne-energie in op de volgende ‘ladder’: • • • • •

Het zoveel mogelijk stimuleren van zon op dak; Het gebruiken van restgronden voor zonnepanelen: ‘zon op restgrond’ (bijv. braakliggende gronden, reststroken bij infrastructuur e.d.); Kleinschalige toepassing van zonnepanelen op bestaande erven; ‘Zon op erf’ of ‘rood voor zon’ 1 ; Opstellingen van zonnepanelen in het buitengebied.

Deze richtlijnen gaan over deze laatste categorie ‘zonneparken in het buitengebied’. Met deze richtlijnen wordt het voor initiatiefnemer(s) en omwonenden duidelijk wat de gemeente belangrijk vindt en wat er gevraagd wordt om een zonnepark te realiseren. Omdat alle categorieën van de ‘ladder’ nodig zijn en vanuit het besef van urgentie wachten we niet met zonneparken in het buitengebied totdat alle daken en restgronden in de gemeente vol liggen. Er zijn vijf basisuitgangspunten waar een initiatief voor een zonnepark aan moet voldoen: 1. 2. 3. 4. 5.

In dialoog met de omgeving; Omvang en inpassing passend bij de omgeving; Minimaal 50% lokaal eigenaarschap; Maatschappelijke meerwaarde; Overige randvoorwaarden (tijdelijkheid en voldoen aan wet- en regelgeving).

Relatie met initiatief Hieronder gaan we in op alle beleidsuitgangspunten van de gemeente Raalte. Het zonnepark komt tot stand in dialoog met de omgeving; Het plangebied is zorgvuldig geselecteerd. Het plangebied is relatief laag gelegen, is relatief goed landschappelijk inpasbaar en relatief weinig omwonenden hebben direct zicht op deze locatie. Bovendien is dit perceel het beste te combineren met de agrarische bedrijfsvoering. Voor het plan zijn alle omwonenden op de hoogte gebracht middels meerdere informatieavonden. Verslag zie bijlage 2. Met de belangen van de omwonenden is rekening gehouden, o.a. door de bouwwerken (waaronder de panelen en het hekwerk) zo goed mogelijk aan het zicht te onttrekken met streekeigen beplanting. Voor het beheer door melkschapen is in eerste instantie gekozen voor een maximale hoogte van 1.90 meter. In overleg met de buurt is deze hoogte verlaagd tot 1.75 meter. In de winter van 2021/2022 plaatste de grondeigenaar een proefopstelling met een hoogte van 1.80 meter. Op deze manier konden omwonenden ervaren hoe de toekomstige zonneweide eruit komt te zien. Duidelijk is dat de panelen onder de lijn van de horizon blijven.

31

Figuur 3.8 proefopstelling vanaf de Grote Hagenweg gezien De omvang en inpassing van het zonnepark zijn passend bij de omgeving; Voor een goede (landschappelijke) inpassing wordt aansluiting gevonden bij de provinciale ‘Handreiking Zonnevelden’ (april 2020), zie paragraaf 3.2.5. Onderliggend initiatief betreft een klein (tot 2 ha.) zonneveld van een lokaal initiatief welke gecombineerd wordt met gebiedsopgaven. Ten westen en ten oosten van de locatie van het zonnepark liggen natuurgebieden die onderdeel zijn van Natuurnetwerk Nederland. Daartussen heeft Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) verschillende waterbergingsgebieden langs bestaande sloten en het Overijsselsch Kanaal gerealiseerd (figuur 3.9).

Figuur 3.9 locatie van het plangebied ten opzichte van NNN en waterbergingsgebieden (bron: provincie Overijssel)

32

Door de liggen van het zonnepark en het extensieve gebruik vormt dit perceel na inrichting een stapsteen tussen de natuurgebieden. Er is daarnaast sprake van meervoudig ruimtegebruik (agrarisch, natuurwaarden en opwekking van duurzame energie). De zonneweide past binnen de huidige perceelsstructuur en de panelen worden logisch (in de strekkingsrichting van het landschap) opgesteld. Hiermee wordt het van oudsher aanwezig slagenlandschap versterkt. Het zonnepark met alle bouwwerken wordt na 25 jaar verwijderd. Lokaal eigendom minimaal 50%; Financiële participatie is een uitgangspunt bij de realisatie van grote zonneparken in Raalte. In voorliggend geval exploiteert energie coöperatie Salland West de zonneweide. De energiecoöperatie bestaat uit vrijwillige bestuursleden die ondersteund worden door (lokale) professionals. Deze vorm van lokaal eigendom maakt dat niet alleen de energietransitie wordt vormgegeven, maar dat ook een impuls ontstaat in lokaal bestuur. Met een zonnepark ontstaat een lokaal verdienmodel waarmee bijgedragen wordt in voorzieningen zoals de dorpshuizen. Dit vergroot de slagkracht van het lokale bestuur en vrijwilligerswerk. Iets wat in deze kleine kernen volop aanwezig is. Zo draagt een ruimtelijk ingepast zonnepark bij aan de leefbaarheid van het platteland. De winst van het zonnepark komt ten goede van de lokale omgeving.

Dit wordt samen met het plaatselijk belang Laag Zuthem vormgegeven. Het zonnepark heeft lokale maatschappelijke meerwaarde. Het onderhoud en beheer van de natuurlijke beplanting wordt door de coöperatie uitgevoerd, hierbij worden zo mogelijk vrijwilligers uit de omgeving ingezet. Daarmee worden de kosten laag gehouden en ontstaat sociale binding met het project. Een bijkomend voordeel is dat hiermee meer revenuen overblijven voor lokale voorzieningen zoals het dorpshuis in de kern Laag Zuthem. Omdat over de combinatie van een zonnepark, ecologie en biodiversiteit nog veel te leren en te onderzoeken valt, wordt een monitoringsprogramma opgezet. Daarbij wordt gekeken naar de biodiversiteit van de weide, de dichtheid van de grasmat, maar ook het voorkomen van insecten en kleine fauna. Ook deze monitoring zal lokaal met vrijwilligers worden opgepakt. De coöperatie en grondeigenaar zijn voornemens om vanaf het erf aan de Hogeweg excursies naar het terrein en het omliggende landschap en natuur te organiseren. Vanuit deze plek kan zowel over de historie (Armjagersdijk, maar ook het Overijsselsch kanaal), natuur en water als de nieuwe gebruiksvorm zonnepanelen worden verteld. Daarnaast is het plan om de lokale basisschool in Laag Zuthem te betrekken bij dit zonnepark door lessen te verzorgen in het veld.

Ook dit kan gericht zijn op landschap, natuur en de nieuwe techniek van de zonnepanelen. Concluderend vormt dit lokale initiatief de basis voor veel meer lokale ontwikkelingen. Daarmee draagt het plan bij aan de leefbaarheid van het platteland, de biodiversiteit en ecologie, kennisontwikkeling en het delen van deze kennis. Op deze wijze ontstaat een positieve impuls voor de omgeving. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de kleinschalige zonneweide voldoet aan de gemeentelijke richtlijnen.

3.3.4 Landschapsontwikkelingsplan Salland Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Salland is vastgesteld in 2008 en zet in op het benutten van gebiedsdynamiek om de verschillende landschapstypen te versterken. Het gaat daarbij in eerste plaats om landbouw, waarbij ook schaalvergroting een ‘motor’ kan zijn. Ook waterbeheer, natuurontwikkeling, recreatie en ‘rood’ in het landelijk gebied kunnen aanleidingen bieden voor kwaliteitsverbetering. In het

33

Landschapsontwikkelingsplan ligt het plangebied in de zone "dekzandgebied". Het doel is in dit gebied om de structuurdragers te behouden en waar mogelijk te versterken. De structuurdragers zijn lanen, bos, escomplexen en weg-, erf- en kavelgrensbeplanting. Relatie met initiatief Met de inrichting van de zonneweide wordt zo goed mogelijk aangesloten op de gebiedskenmerken. Door de zonneweide landschappelijk in te passen met inheemse soorten waarbij o.a. de bestaande zode met kruidenrijke grasland in stand blijft. Ook bij de kavelgrensbeplanting wordt natuurlijke vegetatie gebruikt. Van nature groeit hier veel wilgenopschot, op plekken waar minder natuurlijk opschot groeit worden wilgen aangeplant. Aan de noordzijde maken we gebruik van de natuurlijke rietbegroeiing langs het kanaal. Deze wordt jaarlijks om en om gemaaid, waardoor er altijd aan een van beide zijden van het Overijsselsch Kanaal een dichte rietkraag aanwezig is. Ten slotte wordt aan de zuidzijde van het perceel gekozen voor natuurlijke en cultuurhistorisch waardevolle beplanting in de vorm van wilgengriend. Op deze wijze gaat de ontwikkeling van de zonneweide gepaard met een investering in ruimtelijke kwaliteit passend binnen het LOP en wordt een bijdrage geleverd aan de energiedoelstellingen.

3.4 Conclusie Uit de voorgaande paragraaf is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het nationale, provinciale en gemeentelijk beleid.

34

4 Toets aan ruimtelijke en milieukundige aspecten 4.1 Algemeen Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat moet worden ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. In dat kader dient te kunnen worden aangetoond dat het nieuwe initiatief niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wordt onder meer het toekomstige gebruik afgezet tegen ruimtelijke en milieukundige omstandigheden ter plaatse en in de omgeving. In het volgende hoofdstuk vindt deze toets plaats voor aspecten die voor onderliggend initiatief relevant zijn.

4.2 Archeologie Beleidskader In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. De gemeenteraad van Raalte heeft in april 2010 de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart met bijbehorend beleid vastgesteld. Bij de keuze voor het archeologisch beleid heeft de gemeente Raalte niet alleen rekening gehouden met de wettelijke verplichting om archeologie op te nemen in het ruimtelijk ordeningsproces, maar ook met de belangen van de inwoners. De archeologische verwachtingskaart maakt voor het grondgebied van de gemeente Raalte duidelijk waar zich (mogelijke) archeologische resten kunnen bevinden. De kaart is hiervoor opgedeeld in drie zones: 1) hoge archeologische verwachting; 2) middelhoge archeologische verwachting; 3) lage archeologische verwachting. Daarnaast kent de gemeente Raalte 12 terreinen van hoge tot zeer hoge waarde, die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK). Het beleid is gericht op behoud in situ.

Indien dit niet mogelijk is, dan geldt altijd een onderzoekplicht en overleg met de regionaal archeoloog. Relatie met initiatief Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Raalte geconsolideerd’, welke is vastgesteld op 2 juni 2021. Hierin zijn de archeologische verwachtingswaarden per gebied aangegeven, door middel van dubbelbestemmingen. Binnen het plangebied gelden geen archeologische verwachtingswaarden. In het plangebied wordt een kleinschalige zonneweide gerealiseerd. Hierbij wordt de grond beperkt geroerd om de zonnepanelen goed te bevestigen (ongeveer 1,5 meter diepte). Gezien de beperkte grootte van het plangebied en de lage archeologische verwachtingswaarde is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Om de realisatie van de zonneweide mogelijk te maken is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

35

4.3 Bodem Beleidskader De bodem wordt op vele manieren gebruikt, voor bijvoorbeeld woningbouw, landbouw, aanleg van wegen en winning van grondstoffen. Om te zorgen dat dit nu en in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk. Doordat mensen al vele eeuwen gebruik maakt van de bodem heeft zij overal sporen achtergelaten. Deze sporen zijn terug te zien in het landschap en te vinden op en in de bodem. Door bodemsanering worden de ernstige chemische verontreiniging van de bodem aangepakt. Bescherming van de bodem betekent bovendien het voorkomen dat schone grond verontreinigd raakt en het rekening houden met de eigenschappen van de bodem. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. In artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in het plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan. Relatie met initiatief Door Krusegroep is er een vooronderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4.

Dit onderzoek is uitgevoerd om inzicht te krijgen in hoeverre verontreinigen kunnen zijn ontstaan door huidige en/of voormalige (bedrijfs-) activiteiten en of dat er mogelijk sprake is van een (historische) verontreiniging. Uit dit vooronderzoek blijkt dat er geen informatie is waaruit blijkt dat de bodem verontreinigd is. Het plangebied kan daarom als onverdacht worden beschouwd. Conclusie De bodem wordt geschikt geacht voor het gebruik als zonneweide.

4.4 Geluid Beleidskader Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij ruimtelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Relatie met initiatief Binnen het plangebied wordt geen geluidsgevoelige bestemming toegevoegd. De zonneweide hoeft dan ook niet beschermd te worden tegen geluidsoverlast. Ook is er geen sprake van industrielawaai vanuit de nieuw te realiseren zonneweide. In het plangebied worden zonnepanelen geplaatst. Deze zonnepanelen produceren geen geluid. Het compact station en omvormers vallen onder ‘elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA’ in de VNG-uitgave. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid een afstand van 30 meter opgenomen.

Dit betekent dat wordt geadviseerd om, op basis van een goede ruimtelijke ordening, een afstand van minimaal 30 meter aan te houden met geluidsgevoelige functies (zoals woningen). Het compactstation wordt midden in de zonneweide

36

gerealiseerd, hiermee ligt deze op een afstand van ruim 300 meter van de bestaande woningen. Het inkoopstation komt dicht bij het erf aan de Hogeweg 2 te liggen. Echter blijft dit inkoopstation op minimaal 30 meter van de woning aan de Hogeweg 2. De woningen van derden liggen ook buiten de grens van deze 30 meter. Hiermee blijft er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig ter plekke van de bestaande woningen. Een zonneweide betreft ook geen geluidsgevoelig object. Hiermee vormt het initiatief geen belemmering voor eventuele groei van omliggende (agrarische) bedrijven. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.5 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

37

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: - er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; - een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; - een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Relatie met initiatief Het onderliggende initiatief draagt niet in betekende mate bij aan een toename van verkeersgeneratie en de verslechtering van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit verandert met het plan niet en blijf dan ook ruim onder de waarden uit de regeling Niet In Betekende Mate (NIBM). Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Uitgangspunt bij het externe veiligheidsbeleid is een risicobenadering op basis van risicoberekeningen, met daarbij een wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico (een basisbeschermingsniveau voor elk individu) en een afwegingsruimte voor het bevoegd gezag om te bepalen welke risico’s voor grotere groepen mensen aanvaard worden (de verantwoordingsplicht van het groepsrisico). De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid luidt: ‘Het uitvoeren van een veiligheids- en risicobeleid om mens en milieu te beschermen tegen maatschappelijk onaanvaardbaar geachte gezondheids- en milieurisico’s. De overheid garandeert een zogenaamd ‘basisbeschermingsniveau’ voor externe veiligheid.’ Relatie met initiatief Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat het plangebied niet in het invloedgebied van risicovolle inrichtingen, transportroutes en/of leidingen ligt. De dichtstbijzijnde transportroute (N35) lig op ruim 1000 meter afstand. Hiermee ligt het plangebied op voldoende afstand.

38

Figuur 4.1 uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Een zonneweide betreft op zichzelf ook geen gevoelig object of inrichting die formeel een veiligheidscontour kent. Wel betreft een zonneweide een inrichting die energie in de vorm van elektriciteit opwekt en op het elektriciteitsnet levert. Om de veiligheid te waarborgen komt er een (transparant) hek rondom de zonneweide. Dit hekwerk is 1,80 meter hoog, waardoor personen niet bij de zonnepanelen kunnen. Daarnaast wordt de zonneweide niet openbaar toegankelijk. De zonneweide kan op een veilige manier worden ontsloten via het bestaande pad en de dijk, zie paragraaf 4.10. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

4.7 Flora & Fauna Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds-en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd. Relatie met initiatief Voorafgaand aan de uitvoering van de plannen dient te worden onderzocht of binnen en in de nabijheid van het plangebied streng beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of

39

deze worden aangetast. Deze eerste stap om de aanwezigheid van beschermde soorten en/of gebieden te bepalen, is het uitvoeren van een quickscan flora en fauna. De quickscan flora en fauna beschrijft in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de effecten van de ingreep op soortenbescherming en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op houtopstanden. Uit deze quickscan blijkt of de plannen (mogelijk) leiden tot aantasting van beschermde soorten en/of gebieden en of vervolgstappen noodzakelijk zijn, zoals nader onderzoek, een ontheffing en/of een vergunning. De quickscan bestaat uit een onderzoek naar soortenbescherming en gebiedsbescherming. Het plangebied is op 2 februari 2022 bezocht (bijlage 5). Aanvullend zijn er bezoeken uitgevoerd op 5 april, 22 april, 4 mei en 26 mei om duidelijkheid te krijgen over het voorkomen van de Wulp in het gebied. De uitkomsten zijn als volgt. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels t.a.v. de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland.

De afstand tot de Natura-2000 gebieden is relatief groot, de emissie tijdens de realisatie is niet hoog en de uitstoot van stikstof tijdens de gebruiksfase is verwaarloosbaar gezien het geringe aantal verkeersbewegingen (onderhoud) die dit oplevert. Een negatief effect (voor zowel bouw- als gebruiksfase) van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op voorhand uitgesloten worden. Nader onderzoek of het opstellen van een effectbeoordeling of passende beoordeling wordt niet nodig geacht. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: Met uitzondering van de Wulp, nestelen er alleen vogels in het onderzoeksgebied waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. De nestplaats van de wulp is wel jaarrond beschermd. Een vervolgonderzoek heeft uitgewezen dat de Wulp in de omgeving voorkomt, maar geen nestplaats heeft in het plangebied. Gezien het behoud van het kruidenrijke grasland belangrijk is voor het slagen van de dubbelfunctie (zon en biologische schapenhouderij) is het te verwachten dat werkzaamheden in zomer worden uitgevoerd. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden.

Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Conclusie Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect ecologie. Wanneer er werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, wordt voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelscan uitgevoerd.

4.8 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of

40

andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Relatie met initiatief Het realiseren van een zonneweide aan de Hogeweg 2 levert geen gevaar of hinder op voor omliggende gevoelige functies. Het compactstation, het onderstation en het transformatorstation hebben een bronvermogen van maximaal 2000 kVA. Omvormers die ook nog enig geluid kunnen produceren hebben een bronvermogen van maximaal 100 kW. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt dit onder de activiteit ‘elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10MVA’. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 meter opgenomen.

De beoogde zonneweide ligt op circa 220 meter van de dichtstbijzijnde woning van derden. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan en blijft er aan aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden aanwezig. Anderzijds betreft een zonneweide geen milieugevoelig object. Een zonneweide hoeft dus niet beschermd te worden tegen eventuele milieubelastende functies in het omliggende gebied. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’

4.9 Water Beleidskader Het is verplicht om in een ruimtelijke onderbouwing een waterparagraaf op te nemen. In deze waterparagraaf wordt een overzicht gegeven van het beleid dat van toepassing is op het plangebied. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden aangetoond dat in het plan mogelijkheden bestaan voor een goede waterhuishouding. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld.

Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016- 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden

41

openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en een toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Provinciaal beleid De provincie werkt nauw samen met Waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verder reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer.

Watertoets In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico’s op wateroverlast en watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuidkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuiskundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan van verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met het hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Op 4 februari 2022 is de watertoets uitgevoerd. Naar aanleiding hiervan volgen we de normale procedure. De uitgangspuntennotitie is te vinden in bijlage 7. Waterparagraaf Watersysteem: Aan- en afvoer van voldoende water, waarborg van de waterkwaliteit en ruimte voor water. Binnen het plangebied ligt een beschermingszone van een primaire A-watergang en/of secundaire Bwatergang van het Waterschap Drents Overijsselse Delta. De zonnepanelen en landschappelijke inpassing ligt op minimaal 5 meter vanuit de insteek watergang. Hiermee kan het waterschap de watergang bereiken. Waterveiligheid: Beschermen van inwoners tegen overstromingen van binnendijkse gebieden.

Waarborgen van het veiligheidsniveau van dijken en beperken van gevolgen overstromingen door een waterrobuuste inrichting. Het plangebied ligt in ‘overstroombaar gebied’. Ruimtelijke plannen die betrekking hebben op het ‘Overstroombaar gebied’, voorzien alleen in nieuwe stedelijke functies binnen deze gebieden als in het desbetreffende plan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid ook op lange termijn voldoende is gewaarborgd. De toelichting op ruimtelijke plannen die betrekking hebben op deze gebieden, voorzien in een overstromingsrisicoparagraaf die inzicht biedt in: -

de risico’s bij overstroming; de maatregelen en de voorzieningen die worden getroffen om deze risico’s te voorkomen dan wel te beperken.

42

Dit plan betreft de realisatie van een zonneweide. In en rond de zonneweide verblijven niet permanent mensen, maar alleen heel af en toe (bij onderhoud). Daarnaast is de locatie vanaf een toegangsweg goed te bereiken, waardoor bereikbaarheid en zelfredzaamheid bij calamiteiten verzekerd is. Extra maatregelen en/of voorzieningen zijn dan ook niet noodzakelijk. Waterkwaliteit: Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Er worden geen uitloogbare materialen gebruikt welke tot een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen leiden. Beheer en onderhoud: Het beheer en onderhoud is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden. Het betreft zowel waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterbeleving. De inrichting van het gebied dient zodanig te zijn, dat het beheer en onderhoud van het watersysteem op efficiënte en effectieve wijze mogelijk is. Bij nieuw aan te leggen water vindt overleg met het waterschap plaats. De obstakelvrije zone van 5 meter wordt gewaarborgd in het plan.

Energiewinning Door de energietransitie doen zich verschillende ontwikkelingen voor op het gebied van duurzame energiewinning die mogelijk ook impact hebben op de waterhuishouding. Algemeen uitgangspunt is dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot een verslechtering van het watersysteem (inclusief het onderhoud ervan).

Relatie met initiatief Voorliggende plan heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Onder de zonnepanelen wordt geen gesloten verharding aangelegd, waardoor het regenwater vrij kan infiltreren. Compensatie van verharding is daardoor ook niet aan de orde. De toename van verhard oppervlak is aanmerkelijk minder dan de grens van 1500 m2. Ook in vergelijkbare parken waarbij de nok tussen de panelen dicht is, blijft er voldoende ruimte om water te infiltreren tussen de panelen. Er komt geen afvalwater vrij. Het plan heeft dan ook geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Conclusie Het plan is onder voorbehoud van de reactie van het waterschap uitvoerbaar voor het aspect water.

4.10 Verkeer en parkeren Beleidskader Voldoende parkeervoorzieningen en een goede ontsluiting is een belangrijke voorwaarde voor bijna elke ruimtelijke ontwikkeling. In het geval van een zonneweide moet deze voornamelijk in de aanleg en in de ontmantelingsfase bereikt kunnen worden. Daarnaast dient de zonneweide enkel bereikt te worden ten behoeve van het onderhoud en beheer van de zonneweide. Relatie met initiatief De zonneweide kan op een veilige manier worden ontsloten via het bestaande pad en de dijk. Ook met auto’s kan het plangebied goed bereikt worden, zie onderstaande figuur.

43

Figuur 4.2 & 4.3 foto’s van de toekomstige ontsluiting van de zonneweide Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar op basis van het aspect verkeer en parkeren.

4.11 Lichtreflectie Er is gekozen voor zwarte panelen, op deze manier wordt de lichtreflectie verminderd. De panelen worden maximaal 1,75 meter hoog en de panelen worden oost-west georiënteerd. Daarnaast wordt het plangebied landschappelijk ingepast door de natuurlijke vegetatie. Omwonenden wonen op allemaal minimaal 200 meter afstand van het plangebied, en wonen hiermee op relatief grote afstand van de zonneweide. De huidige kwalitatieve zonnepanelen zijn voorzien van een antireflectie coating of folie. Dit voorkomt hinderlijke reflectie tijdens normale weersituaties. Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect lichtreflectie.

4.12 Elektromagnetische straling Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen. Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (μT). Dit voorzorgsprincipe dient daarmee ook gehanteerd te worden bij de ontwikkeling van een zonneveld door de afstand van een zonneveld tot woningen en andere gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 μT komt. In het RIVM ‘Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen’ (RIVM-rapport 609300011/2009) wordt aandacht besteed aan elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations. De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT wordt bereikt op een afstand van maximaal 7 m van onderzochte transformatorstations. Gezien de relatief grote afstand van zowel omvormers als de transformatoren tot de dichtstbijzijnde woningen mag redelijkerwijs worden aangenomen dat elektromagnetische straling geen gezondheidsrisico vormt.

44

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

bij

de

Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een Omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en de bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten in beeld gebracht in dit hoofdstuk. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit milieueffectrapportage.

4.14 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.

45

5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 5.1.1 Vooroverleg In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1. Bro en artikel 6.18 Bor moet een omgevingsvergunning aan verschillende overheidsinstanties voorgelegd worden. Hierna een korte samenvatting. Waterschap Drents Overijsselse Delta Vooroverleg met het Waterschap heeft plaatsgevonden via het invullen van de digitale watertoets op 4 februari 2022. Naar aanleiding van de watertoets wordt de normale procedure gevolgd, zie paragraaf 4.9. Provincie Overijssel Het plan is voorgelegd aan de provincie Overijssel. Uit dit vooroverleg werden de volgende punten benoemd: •

•

•

Wel gaat het beleid van de provincie veranderen: geen zonneweides meer op goede landbouwgronden. En Raalte heeft volgens de provincie veel goede landbouwgronden. Met onderliggend initiatief blijft de agrarische bestemming behouden. Ook na het aanleggen van de zonnepanelen blijft landbouwgebruik op dit perceel mogelijk. De provincie hangt erg aan de KGO en met name de oppervlakteverdeling daarbij: 80% zonnepark en 20% KGO. Het bestaande kruidenrijke grasland biedt nu een gevarieerde vegetatie. De zode blijft behouden, door tussen de rijen voldoende afstand (2 tot 2,5m) te behouden blijft er voldoende licht, lucht en water beschikbaar voor de kruidenrijke vegetatie. Daarnaast wordt de kavelgrensbeplanting ook gebruik gemaakt van de natuurlijke vegetatie. De bestaande wilgenopschot benutten we hiervoor, daarnaast worden er extra amandelwilgen aangeplant en laten we klimop tegen het hekwerk aangroeien. Met de ondergrond en kavelgrensbeplanting voldoen we aan de 80 – 20 verdeling. Provincie gaat in de Handreiking zonnevelden uit van een zuid-opstelling, vooral vanwege de biodiversiteit die lichtinval nodig heeft. Op zich is afwijking mogelijk maar dit moet ook weer goed gemotiveerd worden (biodiversiteit is niet het beoogde multifunctionele gebruik of iets doen met extra lichtinval op de panelen zodat er een betere spreiding van licht is).

Zowel tussen de panelen (het hoogste punt) als tussen de rijen wordt ruimte vrijgelaten. De ruimte tussen de rijen bedraagt bij de buitenste rijen 2,5 meter en bij de middelste rijen 2 meter. Hiermee kan het zonlicht de bodem bereiken en kan hier vegetatie groeien.

5.1.2 Betrokkenheid omwonenden In de periode september 2021 tot december 2021 zijn er drie informatiebijeenkomsten georganiseerd. De eerste voor direct omwonenden, de tweede voor alle belangstellenden en de derde digitaal voor alle belangstellenden. De verslagen van deze bijeenkomsten zijn te vinden in bijlage 6. In de eerste bijeenkomst is voornamelijk gesproken over de aanleiding, de locatie en de verdere stappen in dit initiatief. Tijdens de informatiesessie in oktober is het plan en precieze locatie met de omwonenden besproken. Naar aanleiding van deze sessie is de maximale van de hoogte van de panelen naar beneden bijgesteld. Tijdens de derde informatiebijeenkomst (december 2021) is de uitwerking van het landschapsplan met de omgeving gedeeld in een digitale sessie. Tijdens de avond zijn er geen reacties gekomen op het plan. Nadien is er door een groep omwonenden het gesprek gezocht met de energiecoöperatie. Daarbij is aangegeven dat de omgeving de opstelling te hoog vindt, een voorziening rond het park wil, waarmee de panelen zomer en winter aan het zicht onttrokken worden, er zorgen zijn over de doorkruisbaarheid van

46

het park voor kleinwild, de locatie en vorm van het park ter discussie staat en er zorgen zijn over de mogelijkheid tot teruglevering van elektriciteit door particulieren in hetzelfde netwerk. Met de direct omwonenden is driemaal gesproken over deze aspecten. Naar aanleiding van de geuite zorgen zijn verschillende aanpassingen aan het plan gedaan. Zo is voor een dichtere beplanting gekozen zo nodig aangevuld met klimop in het hekwerk, wordt er een ecologische corridor aangelegd tussen de panelen en is de hoogte van de zonnepanelen aangepast van 1,90 naar 1,75 m. De aanpassingen aan het plan zijn in overleg met de gemeente en het Oversticht gedaan. Een deel van de omwonenden heeft begrip voor de uitleg en het feit dat er slechts beperkte aanpassingen mogelijk zijn. Een deel van de omwonenden houdt vast aan de bezwaren op dit plan. In overleg met de verzekeringsmaatschappij wordt gezocht naar een alternatief voor het hekwerk (in schapenafrastering met schrikdraad en breukdetectie). Met omwonenden is afgesproken om het plan over twee jaar te evalueren. Aanpassingen kunnen op dat moment in overleg met omwonenden, grondeigenaar en coöperatie worden gedaan.

5.1.3 Zienswijzen De ontwerp omgevingsvergunning wordt zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn kan iedereen zienswijzen indienen bij de gemeenteraad van Raalte. Na deze termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze ruimtelijke onderbouwing weergegeven.

5.2 Economische uitvoerbaarheid In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat ruimtelijke plannen economisch uitvoerbaar moeten zijn. De gemeente Raalte sluit een ontwikkelingsovereenkomst met de aanvrager. Hierin wordt vastgelegd dat de kosten voor de procedure, de landschappelijke inpassing en eventuele kosten voor planschade voor zijn rekening komen. Het is niet nodig een exploitatieplan vast te stellen omdat het kostenverhaal met een ontwikkelingsovereenkomst is geregeld. De economische uitvoerbaarheid van deze ontwikkeling is hiermee voldoende gegarandeerd. Enexis heeft een offerte afgegeven voor de aansluiting op het net. Hiermee is ook de afzet van de hernieuwbare energie geborgd.

5.3 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk, en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.

47

6 Bijlagen Bijlage 1 – Landschappelijk inrichtingsplan Bijlage 2 – Advies ervenconsulent Bijlage 2b – Advies ervenconsulent 2 Bijlage 3 – Technische tekening Bijlage 4 – Vooronderzoek bodem Bijlage 5 – Quick scan flora en fauna Bijlage 5b – Quick scan flora en fauna Bijlage 6 – Informatiemomenten omwonenden gespreksnotities Bijlage 7 - Watertoets

48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=c5a9a790-f87f-4794-8167-97c7dacb9ae6