Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing met bijlagen
Tekst van het document
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 12
Gevolgen plangebied Een klein gedeelte van deelgebied 3 ligt binnen het NNN van de provincie Overijssel (afbeelding 6). Het betreft een stuk bos welke behouden blijft bij de ontwikkeling van het zonnepark. Zolang de huidige natuurbestemming behouden blijft is een nadere toetsing niet aan de orde.
Afbeelding 6: weergave van het plangebied ten opzichte van NNN gebied.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 13
4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is (indien beschikbaar) gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database.
4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door C. Oldenburger uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 13 maart 2023 bij 16°C, heldere hemel en windkracht 3 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
• •
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
•
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 14
5 Beschermde soorten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.2 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Derhalve is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, het intensieve beheer en de agrarische functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. In de buurt van het plangebied (zo’n 1600 meter oostelijk van het plangebied) is de groenknolorchis aangetroffen (NDFF, 2023). Deze soort staat in natte, stikstof- en voedselarme bodems, met veelal een mos- of rietvegetatie. Binnen het plangebied is een dergelijk biotoop niet aanwezig, door bemesting is het zeer voedselrijk. In de greppels van deelgebied 1 zijn duidelijk kwel indicaties aanwezig. Dit biedt wel kansen om een soortenrijke, interessante vegetatie te ontwikkelen in de toekomst. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aanwezig. Negatief effect op beschermde planten is uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.
5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 15
Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis is voornamelijk boom bewonend en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
De enige gebouwen binnen het plangebied bevinden zich in deelgebied 1; de koeienschuren en het woonhuis. Gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis maken veelal gebruik van spouwmuren en boeiboorden voor verblijfplaatsen. Een deel van het achterhuis heeft houtbetimmering aan de gevel, het is mogelijk dat vleermuizen hier gebruik van maken voor verblijfplaatsen. Ook de boeiboorden bij het woonhuis zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats. Binnen het plangebied zijn verschillende bomen aanwezig. Deze bomen zijn gecontroleerd op holten zoals scheuren in de bast, spechtengaten, ingerotte snoeiwonden etc. die mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Deze zijn niet aanwezig. Foerageergebieden en vliegroutes Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen zoals bosranden en bomenrijen om zich langs te verplaatsen. Met name de bosranden en bomenrijen rondom de deelgebieden zijn geschikt als foerageergebied of vliegroute. Ook rondom of op het erf van deelgebied 1 is het goed mogelijk dat vleermuizen gebruik maken van de aanwezige lijnvormige elementen. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn.
Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Verblijfplaatsen In deelgebied 1 zijn verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet uit te sluiten. Vanwege het ontbreken van gebouwen in de andere deelgebieden, worden gebouwbewonende vleermuizen wel uitgesloten in de andere deelgebieden. Verblijfplaatsen van boombewonende soorten worden uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikte bomen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen worden uitgesloten omdat gebouwen en beplanting behouden blijven. Foerageergebieden en vliegroutes Negatieve effecten op vliegroutes en foerageergebieden worden uitgesloten. De aanwezige lijnvormige elementen (bosranden, bomenrijen) blijven behouden, waardoor vliegroutes en mogelijke foerageergebieden aanwezig blijven. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing voor deze soortgroep wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 16
Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
5.3.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn en diverse algemene (spits)muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leefen foerageergebied. Daarnaast maken een aantal mogelijk van het plangebied gebruik als onderdeel van de migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals eekhoorn, bunzing, hermelijn, wezel, egel, steenmarter en das, worden in alle drie de deelgebieden verwacht. Verblijfplaatsen van de eekhoorn en das zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Wel zijn er van das diverse sporen gevonden in alle drie de deelgebieden, het meeste in deelgebied 3. Deze zijn gevolgd tot een stuk buiten de deelgebieden, echter zijn geen burchten ontdekt in de omliggende boselementen. De dichtstbijzijnde waarneming is gedaan op zo’n 250 meter vanaf deelgebied 2, aan de overkant van het treinspoor (NDFF, 2023). Verblijfplaatsen van steenmarter kunnen aanwezig zijn op het erf, hier zijn echter geen sporen van gevonden.
Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen en egel zijn hoofdzakelijk te verwachten aan de randen van de deelgebieden, in de dichtere braamstruweel bij de spoorlijn bijvoorbeeld. Het is aannemelijk dat deze soorten gebruik maken van het plangebied als onderdeel van hun leefgebied. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk en beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Vermoedelijk wordt de uiteindelijke inrichting van het plangebied beter voor veel soorten dan het geval is bij het huidige agrarische landgebruik. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor bovenstaande soorten, de soorten met een bescherming als eekhoorn, bunzing, hermelijn, wezel, egel, steenmarter en das geldt dat negatieve effecten voor het merendeel zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn ter plaatse van de werkzaamheden niet aangetroffen en worden niet verwacht. Mogelijk maakt het plangebied wel onderdeel uit van het leefgebied van de betreffende soorten. De bossingels, bospassage en watergangen blijven behouden.
Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 17
Das gebruikt alle drie percelen als onderdeel van het foerageergebied, mogelijk gaat het hierbij ook om essentieel foerageergebied. Door de ontwikkeling van een zonnepark gaat circa 44 ha aan foerageergebied verloren wanneer geen maatregelen worden genomen. De kwaliteit van het foerageergebied zal ook veranderen. Ideaal bulkvoedsel voor das zijn regenwormen, deze zijn goed bereikbaar op de huidige, regelmatig gemaaide en bemeste graslanden. Ondanks dat de inrichting momenteel nog onbekend is, is het waarschijnlijk dat het zonnepark extensiever zal worden beheerd dan in de huidige situatie het geval is. Variatie zal echter toenemen met meer variatie in voedsel door een toename van insecten, zaden en bessen. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor das is niet noodzakelijk, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: • •
Werkzaamheden mogen alleen plaatsvinden tussen zonsopkomst en zonsondergang. Plaatsen hekwerk op 20cm boven maaiveld, rondom alle deelgebieden.
Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk indien de werkzaamheden overdag worden uitgevoerd, en het te realiseren hekwerk op minimaal 20 centimeter hoogte boven maaiveld wordt geplaatst.
5.4 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen de deelgebieden of aan de randen hiervan. Het is mogelijk dat het woonhuis in deelgebied 1 wordt gebruik door huismus. In de omgeving van deelgebied 2 is een foeragerende buizerd waargenomen.
Het is zeer waarschijnlijk dat deze en andere jaarrond beschermde soorten zoals torenvalk gebruik maken van het plangebied als foerageergebied. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als zwarte roodstaart, spreeuw, veldleeuwerik, etc. Binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van agrarisch gebied. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; scholekster, graspieper, patrijs, ekster, houtduif, tjiftjaf, grasmus, zwartkop, kievit, merel, roodborst, koolmees en winterkoning. Binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen van algemeen voorkomende broedvogels. Nesten van met name grond broedende soorten kunnen binnen het broedseizoen wel aanwezig zijn. Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 18
Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Negatief effect op jaarrond beschermde vogelsoorten wordt uitgesloten. Huismus kan uitsluitend aanwezig zijn in de woning, welke wordt behouden. Gezien het ontbreken van andere mogelijke nesten van jaarrond beschermde soorten wordt negatief effect hierop ook uitgesloten. Het plangebied bevindt zich in een groene omgeving, hierdoor blijft er zowel tijdens als na de werkzaamheden voldoende foerageergebied aanwezig. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing voor jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet noodzakelijk geacht. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om hoogstens enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde.
Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Het wordt aangeraden om het bouwrijp maken van het plangebied buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien het bouwrijp maken van het plangebied gebeurt tussen 1 maart en 15 juli, dient voorafgaand een check uitgevoerd te worden op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten.
Wanneer nesten worden aangetroffen kan dit consequenties hebben voor de uitvoering. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing voor vogels wordt niet noodzakelijk geacht. Indien het bouwrijp maken van het plangebied gebeurt tussen 1 maart en 15 juli (het broedseizoen), wordt het noodzakelijk geacht voor aanvang een broedvogelcheck uit te voeren.
5.5 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF, 2023). 1 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 19
Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
5.6 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of poelkikker, worden niet verwacht in het plangebied vanwege de aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Beide beschermde soorten zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2023). Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikt habitat voor deze soorten, omdat ze gebruik maken van poelen als voortplantingsgebied, welke niet aanwezig zijn binnen het plangebied. Tevens zijn de waarnemingen op een redelijk grote afstand (meer dan 1300 meter) met een drukke weg en spoorbaan tussen het plangebied en de waarnemingen, waardoor wordt verwacht dat deze soorten ook niet incidenteel binnen het plangebied aanwezig zijn. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk en beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”.
Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijssel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Hiernaast is de inrichting van het plangebied als zonnepark geschikter voor veel soorten dan in de huidige situatie het geval is. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.
5.7 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen die geschikt zijn voor beschermde vissen, omdat de bestaande greppels veelal te klein zijn en een deel van het jaar droog staan. Tevens zijn er geen waarnemingen van beschermde vissen in de omgeving van het plangebied (NDFF, 2023).
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 20
Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.8 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat. Deze soorten hebben een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie nodig voor het afzetten van hun eieren. Vanwege het bestaande beheer bij de deelgebieden is dit niet aanwezig. Derhalve is ook geen geschikt leefgebied aanwezig. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 21
6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Das Das gebruikt alle drie percelen als onderdeel van het foerageergebied, mogelijk gaat het hierbij ook om essentieel foerageergebied. Door de ontwikkeling van een zonnepark gaat circa 44 ha aan foerageergebied verloren wanneer geen maatregelen worden genomen. De kwaliteit van het foerageergebied zal ook veranderen. Ideaal bulkvoedsel voor das zijn regenwormen, deze zijn goed bereikbaar op de huidige, regelmatig gemaaide en bemeste graslanden. Ondanks dat de inrichting momenteel nog onbekend is, is het waarschijnlijk dat het zonnepark extensiever zal worden beheerd dan in de huidige situatie het geval is. Variatie zal echter toenemen met meer variatie in voedsel door een toename van insecten, zaden en bessen. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor das is niet noodzakelijk, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: • •
Werkzaamheden mogen alleen plaatsvinden tussen zonsopkomst en zonsondergang; Plaatsen hekwerk op 20cm boven maaiveld, rondom alle deelgebieden.
Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 2. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Het wordt aangeraden om het bouwrijp maken van het plangebied buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien het bouwrijp maken van het plangebied gebeurt tussen 1 maart en 15 juli, dient voorafgaand een check uitgevoerd te worden op de aanwezigheid van in gebruik zijnde nesten.
Wanneer nesten worden aangetroffen kan dit consequenties hebben voor de uitvoering. 2 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 22
6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 5 km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Boetelerveld. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een Stikstofberekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Een stikstofberekening zal worden uitgevoerd en worden weergegeven in een separate rapportage.
6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen of struiken gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
6.4 Natuurnetwerk Nederland Een klein gedeelte van deelgebied 3 ligt binnen het NNN van de provincie Overijssel (afbeelding 6). Het betreft een stuk bos welke behouden blijft bij de ontwikkeling van het zonnepark. Zolang de huidige natuurbestemming behouden blijft is een nadere toetsing niet aan de orde.
6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is een toetsing aan het Overijssels natuurbeleid noodzakelijk. Vanuit de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar met betrekking tot de onderdelen gebiedsbescherming en houtopstanden, mits een Stikstofberekening wordt uitgevoerd. In het kader van de soortenbescherming van de Wet natuurbescherming wordt het noodzakelijk geacht dat, indien het bouwrijp maken van de percelen binnen het broedseizoen van 1 maart tot 15 juli gebeurt, een broedvogelcheck wordt uitgevoerd. Tevens is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk werkzaamheden aan de watergangen uit te voeren buiten de kwetsbare periode van amfibieën (globaal 1 november tot 1 augustus).
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 23
6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 24
7 Literatuur • • • • •
Aerius. (2023). Aerius calculator. Opgehaald van Calculator.aerius.nl: https://calculator.aerius.nl/wnb/source/ ESRI. (2023). ESRI Nederland. Opgehaald van Esri.nl: http://www.esri.nl Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. NDFF. (2023). Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van ndff-ecogrid.nl: https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul#1 Provincie Overijssel, ESRI. (2022). Begrenzing NNN en Zone Ondernemen met Natuur en Water (Ref). Opgehaald van Arcgis.com: https://www.geoportaaloverijssel.nl/metadata/dataset/e32ecb1c-a0234db7-b2d0-f889ee6fac46
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 25
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 26
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 27
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 28
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.
Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 29
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Realisatie zonnepark, Raalte | Eelerwoude | 30