Bestemmingsplan De Brink 2 Raalte
Tekst van het document
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat met betrekking tot het aspect ‘externe veiligheid’ het plan past binnen een ‘goede ruimtelijke ordening’.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in een gebied met woonfuncties en maatschappelijke functies. Het gebied kan daarom worden aangemerkt als omgevingstype ‘gemengd gebied’. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes: Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
5.5.3
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: • •
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie 'Wonen' wordt niet aangemerkt als milieubelastende functie voor de omgeving, de ontwikkeling levert dan ook geen belemmeringen op met betrekking tot het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich zorgcentrum De Hartkamp. Een dergelijke functie behoort tot milieucategorie 2 met een grootste richtafstand van 10 meter. De afstand van de woningen tot aan de maatschappelijke bestemming bedraagt circa 18 meter. Hiermee wordt ruim aan de richtafstand voldaan. Gelet op het vorenstaande wordt verwacht dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Omgekeerd zal de Hartkamp niet in haar bedrijfsvoering worden belemmerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
5.6.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Nederlands Natuurnetwerk (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden.
Afbeelding 5.2
Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden (Bron: Atlas Leefomgeving)
Het plangebied ligt niet binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Boetelerveld’ ligt op een afstand van circa 3,4 kilometer van het plangebied. Gelet op de grote afstand zijn direct negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling zoals geluid- en lichthinder op voorhand uit te sluiten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld Om significant negatieve effecten als gevolg indirecte hinder in de vorm van stikstofdepositie uit te sluiten is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening is gebleken dat er geen sprake is van significante stikstofdepositie op gevoelige Natura 2000-gebieden. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 6. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Afbeelding 5.3
Afstand tot NNN (Bron: Atlas Leefomgeving)
Het plangebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die tot NNN behoren liggen op circa 1,2 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. 5.6.3
Soortenbescherming
5.6.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.6.3.2 Situatie plangebied Ten behoeve van de sloop van de bebouwing en de voorgenomen woningbouwontwikkeling is een quickscan ecologie uitgevoerd. Hieronder wordt kort ingegaan op de conclusies. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Beschermde dieren benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt bebouwing te slopen buiten de voortplantingsperiode. Voor de amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de meeste in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet af. 5.6.4
Conclusie
De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
5.7
Archeologie & cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeente Raalte heeft haar archeologisch beleid doorvertaald in het bestemmingsplan ‘Raalte Kern’. Op basis dit bestemmingsplan is het plangebied niet bestemd met een archeologische dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 5.7.3
Conclusie
Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Het aspect ‘archeologie’ dient nader onderzocht te worden ten tijde van de omgevingsvergunning voor de bouwaanvraag.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Beoordeling
5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 3,4 kilometer afstand van het plangebied. Uit de stikstofberekening is gebleken dat er geen sprake is van significante stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Er wordt geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van de realisatie van 20 woningen. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet (onevenredig) toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.8.3
Conclusie
Dit plan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig omdat het geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de voorliggend plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Beleid waterschap Drents Overijsselse Delta
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Drents Overijsselse Delta heeft in de vergadering van 15 december 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Drents Overijsselse Delta wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
6.2 6.2.1
Waterparagraaf Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsprocedure
Het waterschap Drents Overijsselse Delta in geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenaamde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. De bijbehorende rapportage is als bijlage 8 van deze toelichting opgenomen. 6.2.3
Wateraspecten
Hemelwater Ten behoeve van de hemelwaterafvoer is een waterparagraaf opgesteld. Deze is als bijlage 9 bijgevoegd. Uit de waterparagraaf blijkt dat er voldoende waterberging voor de opvang van hemelwater wordt gerealiseerd. Ook om extreme regenbuiten op te vangen. Afvalwater Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemengde rioolstelsel dat onder de Hartkampweg ligt. Het rioolstelsel beschikt over voldoende capaciteit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012, waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan “Raalte Kern”. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • • 7.2.2
Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1)
In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •
Wijze van meten (Artikel 2)
Om op een eenduidig manier afstanden, oppervlaktes en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. 7.2.3
Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in onder andere: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld • • • • •
7.2.4
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, etc.); Nadere eisen: burgemeester en wethouders kunnen nader eisen stellen aan plaats en afmetingen van de bebouwing; Specifieke gebruiksregels: regels omtrent toegestaan en verboden gebruik binnen de bestemming; Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarden er mag worden afgeweken van de bouwregels met betrekking tot de dakhelling; Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. •
Algemene gebruiksregels
In dit artikel wordt aangeven welk gebruik in ieder geval in strijd is met het bestemmingsplan en welke uitzonderingen hierop gelden. •
Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn regels opgenomen waarin is geregeld dat de regels ten aanzien van de aanwezige bovengrondse hoogspanningsverbinding komen te vervallen, zodra de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding in gebruik is. •
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. •
Algemene procedureregels
In dit artikel worden de algemene procedureregels beschreven. Deze regels geven aan welke procedure van toepassing is op de genoemde punten. •
Overige regels
In dit artikel worden algemene bouwregels omtrent parkeren beschreven. 7.2.5
Overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Groen (Artikel 3) De bestemming ‘Groen’ is opgenomen ter plaatse van de openbare groenvoorzieningen, zoals de wadi’s. Gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn onder meer bestemd voor (infiltratie)groenvoorzieningen, bermen en beplanting, voet- en rijwielpaden en speelvoorzieningen. Binnen de bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Tuin (Artikel 4) De bestemming ‘Tuin’ is opgenomen ter plaatse van de beoogde voorerven en voortuinen. Hierbij is aangesloten op het bestemmingsplan “Raalte Kern” waarbij omliggende woonpercelen eveneens een tuinbestemming hebben ter plaatse van het voorerf. Gronden met de bestemming ’Tuin’ zijn bestemd voor tuinen, verhardingen, erven, erkers, terreinen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Daaraan ondergeschikt zijn in- en uitritten, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, (infiltratie)groenvoorzieningen en water toegestaan. In de bouwregels is opgenomen dat binnen de tuinbestemming geen gebouwen mogen worden gebouwd. Verkeer – Verblijfsgebied (Artikel 5) De bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ is opgenomen ter plaatse van de beoogde parkeerplaatsen en inen uitritten gelegen achter de woonpercelen.
Hierbij is aangesloten op het bestemmingsplan “Raalte Kern” waarbij omliggende verkeersvoorzieningen eveneens zijn aangeduid met de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied. Gronden met de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ zijn aangewezen voor woonstraten, pleinen, paden, voet- en rijwielpaden en -tunnels. Binnen de bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Wonen (Artikel 6) De bestemming 'Wonen' is opgenomen ter plaatse van de bouwlocatie voor de nieuw te bouwen woningen. Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, eventueel in combinatie met ruimte voor een beroep en/of bedrijf aan huis met de daarbijbehorende aanbouwen, bijgebouwen, tuinen, erven, terreinen en bouwwerken. Ter plaatse van de aanduiding ‘zorgwoning’ is wonen in zorgwoningen toegestaan. Hoofdgebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Op de verbeelding zijn de maximum gooten bouwhoogten door middel van maatvoeringen opgenomen. Leiding (Artikel 7) Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de nu nog aanwezige bovengrondse hoogspanningsleiding. Deze hoogspanningsleiding wordt echter vervangen door een ondergrondse hoogspanningsverbinding. In de regels is opgenomen dat het beschermingsregime komt te vervallen, zodra de nieuwe ondergrondse hoogspanningsleiding in gebruik is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarmee de economische uitvoerbaarheid is verzekerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld
HOOFDSTUK 9 9.1
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het plan is in kader van vooroverleg naar de Provincie Overijssel toegezonden. De Provincie Overijssel heeft hierop gereageerd een aangegeven dat het plan past binnen haar ruimtelijke beleidskaders. 9.1.3
Waterschap Drents-Overijsselse Delta
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde normale procedure van de watertoets wordt toegepast. De reactie van het waterschap wordt verwerkt in het bestemmingsplan.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is afgezien van het gebruik maken van een voorontwerpbestemmingsplan.
9.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is er een zienswijze door TenneT ingediend. Deze zienswijze is vervolgens weer ingetrokken. Het bestemmingsplan wordt ongewijzigd vastgesteld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Raalte Kern, De Brink 2” Vastgesteld
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1
Parkeeronderbouwing
Bijlage 2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Bijlage 4
Verkennend bodem en asbestonderzoek
Bijlage 5
Evaluatierapport
Bijlage 6
AERIUS-berekening
Bijlage 7
Quickscan flora fauna
Bijlage 8
Digitale watertoets
Bijlage 9
Waterparagraaf
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
De Brink 2 Raalte 46
(vastgesteld, versie 1)
Bijlagen bij de toelichting
De Brink 2 Raalte (vastgesteld, versie 1)
47
De Brink 2 Raalte 48
(vastgesteld, versie 1)
Bijlage 1 Parkeeronderzoek
De Brink 2 Raalte (vastgesteld, versie 1)
49
NOTITIE Woningbouw Raelterhof Raalte PARKEERADVIES Documentnr.: Projectnummer: Status: Datum:
NO01-D02-41135233-SWS2 41135233 definitief/02 30 augustus 2023
Opdrachtgever: BJZ.nu
1. INLEIDING BJZ.nu werkt aan de planologische voorbereiding van het woningbouwinitiatief ‘Raelterhof’. De ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling van een hofje met een gevarieerd woningaanbod op de locatie van voormalig school De Zonnehof in Raalte (zie figuur 1.1). Roelofs Advies en Ontwerp BV is door BJZ.nu gevraagd te adviseren over het aspect ‘parkeren’.
Figuur 1.1
1
Plankaart Raelterhof
NO01-D02-41135233-sws2
NOTITIE 2. PARKEERBEHOEFTE Het woningbouwinitiatief bevat acht aanleunwoningen, vier sociale huurwoningen en acht rijtjeswoningen (koop). Met behulp van de methodiek uit de Nota ‘Parkeernormen Raalte 2015’ is het benodigd aantal parkeerplaatsen berekend. Hierbij is uitgegaan van de betreffende parkeernormen voor een locatie in de ‘rest bebouwde kom’ in ‘Raalte/Heino’. De bruto parkeerbehoefte van het initiatief komt op: • 8x aanleunwoning * 1,2 = 9,6 parkeerplaatsen • 8x koop, tussen/hoek * 2,0 = 16,0 parkeerplaatsen • 4x huur, sociale huur * 1,6 = 6,4 parkeerplaatsen + 32,0 parkeerplaatsen De bruto parkeervraag bestaat uit de parkeervraag voor bewoners en bezoekers. Conform gemeentelijk beleid is 0,3 parkeerplaats van de parkeernorm bestemt voor bezoekers. Dit betekent dat het initiatief voor bezoekers een bruto parkeervraag van 20 * 0,3 = 6,0 parkeerplaatsen kent. De bruto parkeervraag voor bewoners is 32,0 – 6,0 = 26,0 parkeerplaatsen. Met behulp van de aanwezigheidspercentages uit de gemeentelijke parkeernormennota zijn de mogelijkheden voor dubbelgebruik inzichtelijk gemaakt. Tabel 2.1 bevat de parkeerbalans voor het initiatief inclusief dubbelgebruik. Uit de tabel volgt dat de ‘werkdagavond’ maatgevend is voor de netto parkeervraag van het initiatief (28,2 parkeerplaatsen). Dit betekent dat het initiatief een netto parkeervraag kent van afgerond 29 parkeerplaatsen.
In de plankaart zijn vooralsnog 32 parkeerplaatsen ingepast, waarmee er een overschot is van 3 parkeerplaatsen. bruto
werkdag ochtend
bewoners bezoekers totaal afgerond Tabel 2.1
2
koop
middag avond
zaterdag
zondag
nacht
avond
middag
avond
middag
100%
50%
50%
90%
100%
80%
60%
80%
70%
26,0
13,0
13,0
23,4
26,0
20,8
15,6
20,8
18,2
100%
10%
20%
80%
0%
70%
60%
100%
70%
6,0
0,6
1,2
4,8
0,0
4,2
3,6
6,0
4,2
32,0
13,6
14,2
28,2
26,0
25,0
19,2
26,8
22,4
32
14
15
29
26
25
20
27
23
Parkeerbalans Raelterhof
NO01-D02-41135233-sws2
NOTITIE 3. INVULLING PARKEEROPGAVE 3.1
LOCATIE
In voorgaand hoofdstuk is bepaald dat het woningbouwinitiatief een netto parkeerbehoefte kent van 29 parkeerplaatsen. Binnen het bouwvlak is te weinig ruimte om de volledige parkeervraag op een parkeerterrein te faciliteren, waardoor er aanvullend ook gezocht is naar ruimte rondom het bouwvlak. In de plankaart zijn 10 parkeerplaatsen binnen het bouwvlak ingepast en zijn 22 parkeervakken gesitueerd aan De Brink. De Brink is een woonerf waar het ‘verblijven’ (wonen, spelen, wandelen e.d.) centraal staat en een maximum snelheid van 15 km/uur van toepassing is. Er is geen doorgaand verkeer aanwezig en de auto is ‘te gast’. De weginrichting en de huidige intensiteit (inschatting <150 mvt/etmaal) sluiten hier goed op aan. In de plansituatie is de prognose dat de intensiteit op de maatgevende locatie (aansluiting De Brink – Hartkampweg) op circa 300 mvt/etmaal ligt. Ook deze intensiteit sluit aan bij de functie en vormgeving van de straat. Op basis van de verblijfsfunctie en bijbehorende intensiteit en snelheid is De Brink geschikt om het plangebied op een acceptabele wijze te ontsluiten en hier ook parkeervoorzieningen te treffen. De alternatieven (Hartkampweg en Jan van Arkelstraat) zijn minder geschikt om het parkeren te faciliteren.
De Hartkampweg (maximum snelheid 30 km/uur) is de ontsluitingsweg van achterliggende wijk en tevens de fietsverbinding van/naar de sportvoorzieningen aan de overzijde van de N348. De intensiteit op deze straat ligt in de plansituatie op circa 1.500 mvt/etmaal (bron: telling gemeente + verkeersgeneratie plansituatie). De Jan van Arkelstraat (maximum snelheid 30 km/uur) vormt de ontsluiting van woonzorgcomplex De Hartkamp en maakt onderdeel uit van een belangrijke fietsroute tussen de wijken Vloedkampen en Langkamp en de sport- en onderwijsvoorzieningen nabij Tijenraan. De straat kent een huidige intensiteit van circa 600 mvt/etmaal (bron: verkeersmodel gemeente) en wanneer de parkeervoorzieningen van het woningbouwinitiatief aan deze straat worden toegevoegd neemt de intensiteit toe tot circa 750 mvt/etmaal. Vanuit functioneel gebruik (arriveren en vertrekken van/naar dezelfde richting) dienen mogelijke parkeervoorzieningen aan de Hartkampweg en/of Jan van Arkelstraat bij voorkeur vormgegeven te worden als haaksparkeervak. De intensiteiten van zowel gemotoriseerd- als fietsverkeer liggen op de Hartkampweg en Jan van Arkelstraat hoger dan op De Brink. Dit betekent dat er een beduidend hoger veiligheidsrisico is voor conflicten tussen voertuigen van/naar de parkeerplaatsen en doorgaand fietsen/of gemotoriseerd verkeer.
Haaksparkeervakken zijn daarbij -met het behouden van het noodzakelijke trottoir- niet inpasbaar langs de Hartkampweg. Langs de Jan van Arkelstraat is deze ruimte er wel, maar dit gaat ten koste van de boomstructuur. Inpassing van langsparkeervakken is op beide locaties wel mogelijk, maar brengt onvoldoende capaciteit. Bijkomend nadeel vanuit comfort en verkeersveiligheid is dat geparkeerde voertuigen moeten keren in de straat.
3
NO01-D02-41135233-sws2
NOTITIE Resumerend zijn de verkeerskundige consequenties per parkeerlocatie inzichtelijk gemaakt in tabel 3.1. Uit de tabel volgt de conclusie dat De Brink de beste locatie is om de parkeervoorzieningen voor het woningbouwinitiatief te faciliteren. Aspect
De Brink
intensiteit gemotoriseerd verkeer
Hartkampweg
Jan van Arkelstraat
+/- 300 mvt/etmaal +/- 1500 mvt/etmaal +/- 750 mvt/etmaal
intensiteit fietsverkeer
laag
gemiddeld
hoog
doorgaand verkeer
nee
ja
beperkt
maximum snelheid
15 km/uur
30 km/uur
30 km/uur
verkeersveiligheid
hoog
laag
gemiddeld
inpasbaarheid
goed
slecht
gemiddeld
voetgangers
trottoir
trottoir niet mogelijk
trottoir
Tabel 3.1
3.2
Afwegingsmatrix locatie parkeren Raelterhof
VORMGEVING
In voorgaande paragraaf is geconcludeerd dat De Brink de beste locatie is om de benodigde parkeervoorzieningen te faciliteren. In de Nota Parkeernormen 2015 van de gemeente zijn eisen voor de maatvoering voor parkeervoorzieningen opgenomen. Bij een rijbaanbreedte van >5,5 m wordt een parkeervak van 2,5 m bij 5,0 m voorgeschreven. De Brink kent een rijbaan van ongeveer 5,0 m breed. Mede vanuit comfort is er tussen de rijbaan en parkeervakken een strook van ongeveer één meter voorzien. Deze strook komt de manoeuvreruimte bij het in-/uitparkeren ten goede. De totale rijbaanbreedte voor de parkeermanoeuvre komt hiermee op circa 6,0 m. Op basis van actuele richtlijnen (ASVV2021) kennen de parkeervakken in de plankaart een afmeting van 5,13 bij 2,5 m. De maatvoering voldoet hiermee aan de minimale eisen vanuit de gemeente. De strook tussen parkeervakken en rijbaan fungeert tevens als voetgangersverbinding voor personen van/naar de geparkeerde voertuigen. Dit komt de verkeersveiligheid op De Brink ten goede. Voor de reguliere voetgangersstromen is er tussen de parkeervakken en de woningen een voetpad van 1,5 m voorzien. Binnen het plangebied is een parkeerweg van circa 5,75 m voorzien. Ook deze rijbaanbreedte voldoet bij de toegepaste parkeervakken van 2,5 m breed. Rijcurvesimulaties (zie figuur 3.1) tonen aan dat ook ‘kritische’ parkeervakken ook bereikbaar zijn.
4
NO01-D02-41135233-sws2
NOTITIE
Figuur 3.1
Rijcurvesimulaties kritische parkeervakken
4. CONCLUSIES & AANBEVELINGEN Op basis van voorgaande analyse volgt de conclusie dat De Brink de beste parkeerlocatie voor het woningbouwinitiatief ‘de Raelterhof’ is. De alternatieve locaties bij de Hartkampweg en/of Jan van Arkelstraat kennen verkeerskundig gezien meer nadelen dan de locatie aan De Brink. Het initiatief kent op basis van dubbelgebruik een netto parkeerbehoefte van 29 parkeerplaatsen. Hiervoor zijn in de plankaart 32 parkeervakken ingepast, waarmee er voldoende parkeercapaciteit beschikbaar is. De maatvoering van de parkeervakken voldoet aan de eisen die die de gemeente stelt en ook de ’kritieke’ parkeervakken zijn op basis van rijcurve simulaties bereikbaar.
5
NO01-D02-41135233-sws2
NOTITIE
6
NO01-D02-41135233-sws2
De Brink 2 Raalte 56
(vastgesteld, versie 1)
Bijlage 2 Ladderonderbouwing
De Brink 2 Raalte (vastgesteld, versie 1)
57
Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking
De Brink 2, Raalte
Juni 2023
Status: Definitief
De Brink 2, Raalte Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Algemeen
Het voornemen bestaat om aan de Brink 2, ter plaatse van de voormalige school de Zonnehof, 20 grondgebonden woningen te realiseren. Deze woningen bestaan uit 8 65+ woningen (aanleunwoningen, waarbij gebruik gemaakt kan worden van de faciliteiten van woonzorgcentrum De Hartkamp), 4 sociale huurwoningen en 8 koopwoningen. De sociale woningen worden in de toekomst verhuurd door woningbouwcoöperatie SallandWonen, voor huurprijzen onder de liberalisatiegrens. De 16 overige woningen worden verkocht voor verkoopprijzen tot maximaal € 300.000,- V.O.N. In het woonprogramma van het projectgebied (Raelterhof) is geprobeerd zoveel mogelijk in te spelen op de lokale woningbehoefte. Alle woningen in het programma van Raelterhof zijn levensloopbestendig. Uitgangspunten hierbij zij toegankelijk wonen, rolstoelvriendelijk, doorgankelijkheid, oplaadmogelijkheden in de berging en praktisch en functioneel sanitair. Ook in de openbare ruimte is levensloopbestendigheid als uitgangspunt genomen. Dit sluit aan op de woningbehoefte in Raalte en omgeving. De gezamenlijke binnentuin vormt daarbij het hart van de nieuwe buurt. Deze ruimte nodigt uit tot contact met de buren en verbinding met de rest van de wijk. De vier sociale huurwoningen beschikken daarnaast over een compacte privétuin die een groene onderhoudsvriendelijke inrichting kan krijgen en een eigen berging.
De kavels van de sociale huurwoningen hebben een oppervlakte van circa 85 m2. De kavels van de koopwoningen variëren qua oppervlakte tussen de circa 85 en circa 105 m2. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Om het voornemen mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening benodigd. Onderdeel van dit bestemmingsplan is dat aangetoond moet worden dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voorliggende ladderonderbouwing voorziet in de benodigde toetsing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In afbeelding 1.1 is een tekening van de gewenste situatie weergegeven. In afbeelding 1.2 is een impressie opgenomen van de gewenste situatie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
De Brink 2, Raalte Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking
Afbeelding 1.1
Inrichting nieuwe situatie projectgebied (Bron: vanwijnen)
Afbeelding 1.2
Impressie nieuwe situatie projectgebied (Bron: vanwijnen)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
De Brink 2, Raalte Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking 1.2
Locatie projectgebied
Het projectgebied ligt in Raalte. Het projectgebied staat kadastraal bekend als gemeente Raalte, sectie L, perceelnummers 7259 en 7260. In afbeelding 1.3 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de kern Raalte en de directe omgeving met respectievelijk een rode ster en een rode omlijning weergegeven.
Afbeelding 1.3
Locatie projectgebied ten opzichte van Raalte en de directe omgeving (Bron: Plattekaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
De Brink 2, Raalte Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking
HOOFDSTUK 2
WETTELIJK KADER
In de SVIR (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, voorloper van de Nationale Omgevingsvisie) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De Ladder is van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a sub 3 van de Wabo. Deze Ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de Ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’.
In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. • •
11 woningen: geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921); 12 woningen: wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).
Het begrip “woningbouwlocatie” (zoals opgenomen in de omschrijving van het begrip “stedelijke ontwikkeling” in artikel 1.1.1. Bro) is niet nader gedefinieerd. In de praktijk speelt daarom regelmatig de vraag, hoe bepaald moet worden wanneer woningen één woningbouwlocatie vormen. Er is sprake van één woningbouwlocatie als er tussen de te realiseren woningen, ruimtelijke en functionele samenhang bestaat. Uit de jurisprudentie volgt dat daarvoor onder meer betekenis toekomt aan de onderlinge afstand tussen de woningen. Zoals hiervoor beschreven wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een woningbouwontwikkeling van 11 woningen niet gezien als een stedelijke ontwikkeling. Gelet op het feit dat de voorgenomen ontwikkeling uitgaat van de realisatie van 20 grondgebonden woningen is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
De Brink 2, Raalte Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking
HOOFDSTUK 3 3.1
TOETSING VAN HET VOORNEMEN AAN DE LADDER
Inleiding
Artikel 3.1.6 lid 2 van de Bro geeft aan dat de toelichting op een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan een aantal voorwaarden: a. b.
3.2
er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte; indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Ruimtelijk verzorgingsgebied
Wanneer sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, moet een beschrijving van de behoefte aan de woningen die mogelijk worden gemaakt bevatten. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. De aard en de omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Voor woningbouwontwikkelingen kan dit schaalniveau de gemeentegrens overstijgen. Verhuisbewegingen geven hiervoor een goede indicatie. De Ladder verplicht niet in alle gevallen tot regionale afstemming. Op basis van de aard en de omvang van het woningbouwplan moet bepaald worden of regionale afstemming nodig is. Bij kleinschalige ontwikkelingen die geen gemeentegrens overstijgend effect hebben, is bovengemeentelijke afstemming niet nodig. Hoewel in voorliggend geval sprake is van een woningbouwontwikkeling dat vooral voorziet in de lokale woonbehoefte, is in de volgende paragraaf de woonbehoefte op zowel regionaal en gemeentelijk niveau getoetst.
3.3
Behoefte
3.3.1
Kwantitatief
3.3.1.1 Regionaal Op basis van de Woonagenda West-Overijssel 2021-2025 is de prognose dat het aantal huishoudens in de regio met circa 25.000 tot ruim 251.000 huishoudens in 2030 gaat groeien. Mede in het licht van de huidige regionale woningtekorten (gemiddeld 3%, dus een kleine 7.000 woningen) en andere ontwikkelingen zoals de verstedelijkingsopgave in Deventer en Zwolle, de toenemende marktdruk (met name in het stedelijk gebied) en migratiestromen wil de regio West-Overijssel een groei van 35.000 - 40.000 huishoudens tot 2030 accommoderen. Tot en met 2025 ligt de focus op het realiseren van de bestaande harde plancapaciteit (10.292 woningen) en het versneld door ontwikkelen van de zachte plancapaciteit (15.511 woningen). In Raalte gaat dit om een harde plancapaciteit van 306 woningen en een zachte plancapaciteit van 468 woningen. De totale plancapaciteit bedraagt daarmee 774 woningen. 3.3.1.2 Gemeentelijk In de gemeente Raalte is de laatste jaren sprake van een toenemende woningkrapte in zowel de koop als huursector en steeds maar stijgende koopprijzen. Tegelijkertijd zal het aantal huishoudens de komende jaren nog groeien. Dit komt enerzijds door de autonome ontwikkeling van gezinsverdunning en anderzijds door het vestigingsoverschot zoals in de afgelopen jaren.
Om het woningtekort het hoofd te bieden en de gemeentelijke ambities waar te maken, versnelt en verhoogt de gemeente hun bouwopgave. Voor de planningsperiode van 2020-2030 gaat de gemeente uit van het realiseren van 1.500 tot 2.000 woningen. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
De Brink 2, Raalte Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking 3.3.2
Kwalitatief
3.3.2.1 Regionaal De regio wil de huidige en toekomstige vraag op een passende wijze accommoderen. We zien het als onze taak om deze groei te begeleiden door te voorzien in goede en betaalbare woningen op de goede plekken en om werk te maken van binnenstedelijke transformatie, herstructurering, verduurzaming en mismatch op de woningmarkt. De regio streeft naar een inclusieve woningmarkt. Iedereen moet in de regio kunnen wonen in een woning die past. Naast voldoende en passende woningen gaat het ook om toegankelijkheid en betaalbaarheid. Met name starters, jonge huishoudens en mensen met de laagste inkomens hebben steeds meer moeite om woningen te vinden. De regio West Overijssel beschouwt het als een gezamenlijke verantwoordelijkheid daar wat aan te doen en maken de volgende afspraken om de toegankelijkheid en slaagkansen tot 2025 te bevorderen. De regio West Overijssel stuurt in de Woonagenda West-Overijssel 2021-2025 aan dat in beginsel wordt gestuurd op trasformatie/herstructurering en het toevoegen van nieuwe woningen op binnenstedelijke locaties. De regio stimuleert bijzondere woonconcepten. Gemeenten streven naar 10-20% nieuwe, innovatieve woonvormen in het programma (afhankelijk van lokale situatie). We denken hierbij aan o.a. (C)PO en urban commoning. We kijken hierbij speciaal naar kansen in de kleine kernen.
Juist daar kunnen bijzondere woonconcepten bijdragen aan de leefbaarheid, het aantrekken of vasthouden van specifieke doelgroepen en het aansluiten op de lokale behoefte. 3.3.2.2 Gemeentelijk Gezien de toenemende vraag naar appartementen, betaalbare rijenbouw, kleine levensloopgeschikte woningen en nieuwe en flexibele concepten, zal de gemeente Raalte meer dan in het verleden de markt uitdagen om invulling te geven aan deze vraag (i.p.v. vooral kavels uit te geven). Nieuwe woongebieden richten we toekomstbestendig in. Thema 1 Langer zelfstandig wonen in de gemeente Raalte De gemeente staat voor een inclusief woonbeleid. Het is goed wonen voor alle inwoners van de Raalte, ook als dit door een bepaalde beperking of kwetsbaarheid minder vanzelfsprekend is. Een van de manieren om dit te bewerkstelligen is het inzetten op kleinschalige wooninitiatieven door en voor de inwoners van Raalte. De gemeente ziet een toenemende behoefte onder senioren aan zelfstandig maar meer geclusterd wonen al dan niet met gezamenlijke voorzieningen. Initiatieven als collectief particulier opdrachtgeverschap voor en door senioren en initiatieven voor geclusterd wonen als dan niet met gezamenlijke voorzieningen worden ondersteund. Geclusterde woonvoorzieningen ziet de gemeente bij voorkeur in de nabijheid van of in samenwerking met zorgvoorzieningen ontstaan.
Thema 3 Huren in de gemeente Raalte Er is in de toekomst vraag naar een ander type huurwoning (klein en levensloopbestendig) en op korte termijn is ook nog vraag naar meer huurwoningen. Starters en middeninkomens hebben het moeilijk om een woning te vinden. Ook zien we een aantal specifieke doelgroepen (statushouders, uitstroom beschermd wonen, woonwagenbewoners) waarover we met de woningcorporatie afspraken maken. Gezien de huidige druk op de huurmarkt vindt de gemeente het van belang dat de corporatie op korte termijn (tot 2024) zorgt voor een groei van de sociale huurwoningvoorraad. De gemeente wil met SallandWonen afspreken de reeds door haar ingezette koers van nieuwbouw van kleinere, levensloopbestendige eenheden en de verkoop van grotere eengezinswoningen voor te zetten om de huurvoorraad diverser en meer toekomstbestendig te maken. Per saldo moet de huurvoorraad de komende jaren (tot 2024) toenemen. Met SallandWonen maakt de gemeente afspraken over een evenwichtige spreiding van betaalbare huurwoningen over de wijken en kernen. Dit kan enerzijds worden gerealiseerd met het toewijzingsbeleid (meerdere inkomensgroepen in een wijk stimuleren) en anderzijds BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
De Brink 2, Raalte Onderbouwing Ladder voor duurzame verstedelijking betekent dit ook dat er in nieuwe wijken en bij nieuwe initiatieven (zowel bij gemeentelijke locaties als locaties van ontwikkelaars) een percentage sociale huur wordt toegevoegd. Thema 4 Kopen in de gemeente Raalte Uit het traject van de Omgevingsvisie blijkt een breed gedragen beeld dat de gemeente Raalte moet inzetten op starters én ouderen. Hierdoor ontstaat ook doorstroming die alle vragers op de markt ten goede komt. De woningmarkt is de afgelopen jaren flink veranderd. De laatste jaren is een toename van de woningvraag (van inwoners van Raalte en van nieuwe vestigers) en steeds maar stijgende prijzen. In de woningbouwprogrammering zal meer dan voorheen aanbod worden gerealiseerd in het kleinere en goedkope/betaalbare segment. Dit kunnen kleine grondgebonden woningen zijn maar ook (levensloopbestendige) appartementen. Deze woningen zijn geschikt voor 1 en 2 persoonshuishouders: starters én senioren op de koopmarkt. 3.3.3
Toetsing van de behoefte
In voorliggend geval wordt er voorzien in 20 grondgebonden woningen die geschikt zijn voor zowel starters als senioren in Raalte. Er wordt nadrukkelijk ingezet op levensloopbestendige en betaalbare woningen. Alle koopwoningen vallen in het betaalbare segment. Kwantitatief gezien is er sprake van voldoende ruimte om de voorgenomen ontwikkeling te verantwoorden. Kwalitatief gezien wordt eveneens aangesloten bij de actuele behoefte. De te realiseren woningen betreffen namelijk betaalbare en levensloopbestendige woningen voor ouderen en/of jongeren, hetgeen aansluit bij de behoefte. Er is een duidelijk tekort aan seniorenwoningen en woningen voor starters. Daarnaast is er ook een duidelijk tekort aan betaalbare woningen. Door de verscheidenheid aan woningen (65+woningen, sociale huurwoningen en betaalbare koopwoningen) binnen dit initiatief sluit het initiatief aan bij de behoefte in Raalte. Al met al wordt geconcludeerd dat er sprake is van kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de voorgenomen woningbouwontwikkeling.