CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a

Raadsvergadering 20 mei 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Lemelerveldseweg 39a (hamerstuk)28.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

•

• •

De trits “vasthouden --> bergen --> afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving. De trits “schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd. Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem).

Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel.

Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.

6.3

Waterparagraaf

6.3.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21 e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

BJZ.nu Bestemmingsplannen

46

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp 6.3.2

Watertoets

Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl/). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. De hierbij behorende standaard waterparagraaf is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. Op basis van de uitgangspunten van het waterschap en het gemeentelijke waterbeleid (paragraaf 6.2.5) is invulling gegeven aan de relevante wateraspecten voor dit bestemmingsplan. Huishoudelijk afvalwater De bestaande woning Lemelerveldseweg 39 is aangesloten op het openbaar riool (drukriolering). Omdat de afstand van het perceel waarop de nieuwe woning wordt gerealiseerd minder is dan 40 meter is het doelmatig dat het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd naar het openbaar rioolstelsel. Hierdoor is vuilemissie naar het milieu nihil. De capaciteit van het drukriool is voldoende om het extra afvalwater van de tweede woning te verwerken. Hemelwater Door het slopen van bedrijfsgebouwen neemt het verhard oppervlak in omvang af. Hemelwater wordt in de bodem geïnfiltreerd in het perceel en/of afgevoerd naar het oppervlaktewater. De ontwikkeling heeft daarom een positieve uitwerking op de waterhuishouding. Ontwatering Voor het houden van droge voeten onder normale omstandigheden is de grondwaterstand van belang.

Op basis van de Bodemkaart (schaal 1:50.000) komt het grondwaterregime overeen met grondwatertrap VII. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is (GHG) zal ongeveer tussen de 80-140 cm onder het maaiveld liggen. Voor de ontwatering van het perceel is dit voldoende en zijn er geen aanvullende maatregelen nodig. Het advies is om voor het bouwpeil minimaal NAP + 4,35 meter aan te houden. Extreme neerslagsituaties Als gevolg van de klimaatverandering nemen extreme neerslagsituaties toe. Om schade aan gebouwen door overvloedige neerslag te voorkomen wordt geadviseerd voor de bouwpeilen van kwetsbare gebouwen ten opzichte van de omgeving een waakhoogte van minimaal 20 cm aan te houden. Omdat het onverharde gedeelten in en rondom het plangebied lager liggen dan het geadviseerde bouwpeil is de kans op wateroverlast in extreme neerslagsituaties klein. 6.3.3

Overstromingsriscio’s

Als gevolg van klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. De dijkringgebieden zijn vastgelegd in de nieuwe waterkaart. Voor dergelijke gebieden is het risico inzichtelijk gemaakt voor overstroming bij een doorbraak van de dijk. De gevolgen van een overstroming zijn bepaald door inzicht te geven in de maximale waterdiepte tijdens een overstroming en de snelheid waarmee een gebied overstroomt. Uit de risicokaart blijkt dat dat het plangebied buiten het overstromingsgebied (kans van 1:1000 jaar) ligt. De kans op overstroming als gevolg van dijkdoorbraak is nihil en daarmee het risico. Er zijn daarom geen aanvullende maatregelen nodig.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

47

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

Afbeelding 6.1

Overstromingsrisico (Bron: provincie Overijssel)

BJZ.nu Bestemmingsplannen

48

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc.); Nadere eisen: burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan plaats en afmetingen van de bebouwing; BJZ.nu Bestemmingsplannen

49

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp • • •

Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag worden afgeweken van de aangegeven bouwmogelijkheden. Specifieke gebruiksregels: elk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan zijn; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

In paragraaf 7.3 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor een bepaalde bestemming is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel zijn regels opgenomen omtrent het bouwen met afwijkende maten, overschrijding van bouwgrenzen en herbouwen en parkeren. In de parkeerregeling wordt aangeven dat onverminderd het bepaalde in de overige artikelen van deze regels uitsluitend mag worden gebouwd, indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, voorzien wordt in voldoende parkeerruimte ten behoeve van het parkeren of stallen van motorvoertuigen.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene aanduidingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de aanduiding welke is gelegen op de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving en de aanduidingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 11) Dit artikel beschrijft in welke gevallen burgemeester en wethouders het bestemmingsplan kunnen wijzigen. Overige regels (Artikel 12) In dit artikel wordt aangegeven dat wettelijke regelingen waarnaar in dit bestemmingsplan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

•

•

•

•

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing

BJZ.nu Bestemmingsplannen

50

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In onderstaande paragraaf worden de verschillende bestemmingen nader onderbouwd. Wonen (Artikel 3) Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor het wonen al dan niet in combinatie met ruimte voor een beroep en/of bedrijf aan huis. Tevens zijn tuinen, erven en terreinen toegestaan. Daaraan ondergeschikt zijn ook nutsvoorzieningen, paden, parkeervoorzieningen, (infiltratie)groenvoorzieningen, water en paardenbakken toegestaan. Voor het bouwen geldt dat gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- of terreinafscheidingen, uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming mogen worden gebouwd. Daarnaast dient de bebouwing qua situering in hoofdlijnen overeen te komen met het inrichtingsplan zoals opgenomen is in bijlage 1 bij de regels.

De afstand tussen de woning en het bijgebouw mag ten hoogste 20 meter bedragen. Voor maximale inhoud, oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte en dakhelling geldt onderstaande. Er is een onderscheid gemaakt in de regels tussen de bestaande woning op nummer 39 en de nieuwe woning op nummer 39a (zoals beschreven in dit bestemmingsplan).

De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag voor de voorgevel niet meer dan 1 meter bedragen en op overige plaatsen niet meer dan 2 meter. Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen maximaal 3 meter bedragen. In de gebruiksregels is een voorwaardelijk verplichting opgenomen, waarmee wordt geregeld dat het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen voorwaardelijke verplichting' uitsluitend toelaatbaar is indien de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 1 van de regels opgenomen erfinrichtingstekening is uitgevoerd en in stand wordt gehouden. Waarde- Archeologie 2 (Artikel 4) De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in een archeologische verwachtingszone met een hoge archeologische verwachting. Waarde – Landschap – 1 (Artikel 5) Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor behoud, versterking en ontwikkeling van waarden met betrekking tot openheid en reliëf.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

51

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

52

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

HOOFDSTUK 9 9.1

VOOROVERLEG, INSPRAAK & ZIENSWIJZEN

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 9.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Overijssel

Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. De provincie Overijssel heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt en een zogenoemde ‘Vooroverleglijst ruimtelijke plannen’ opgesteld. Voor plannen in het buitengebied/ groene omgeving is in deze lijst onder B, lid 4 opgenomen: Agrarische bouwblokken, Rood voor Rood en VAB’s Plannen/projectbesluiten voor uitbreiding van agrarische bouwblokken, Rood voor Rood en Vrijkomende Agrarische Bedrijfslocaties (VAB’s) mits passend in een gemeentelijk kwaliteitskader dat in lijn is met het Werkboek Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en de Omgevingsvisie Overijssel. Voor plannen en besluiten die (tevens) andere provinciale belangen raken (zoals NNN en verblijfsrecreatie) blijft vooroverleg noodzakelijk. In het voorliggende geval is sprake van ontwikkeling in de geest van de Rood voor Roodregeling. Gezien het vorenstaande wordt daarom afgezien van het voeren van vooroverleg met de provincie Overijssel. 9.1.3

Waterschap Drents Overijsselse Delta

In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat de ‘korte procedure’ en standaard waterparagraaf van toepassing zijn. Er is geen nader overleg noodzakelijk met het waterschap.

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt geen voorontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd. Wel heeft initiatiefnemer zelf de omliggende buren geïnformeerd over de beoogde ontwikkelingen. Deze buren hebben positief gereageerd en hebben geen bezwaren kenbaar gemaakt tegen de beoogde ontwikkeling. Er is aangegeven door de buren dat zij het initiatief (er zal mantelzorg worden verleend in de woning aan een zoon van initiatiefnemer met een beperking) een mooi gebaar vinden. Daarnaast is aangegeven door omliggende buren dat zijn blij zijn dat er geen nieuwe bedrijfsgebouwen gerealiseerd gaan worden (voortvloeiend uit de huidige bedrijfsbestemming). Met de nabijgelegen veehouderij aan de Bosweg 4 (welke ondermeer aan bod komt in de paragraaf 5.6 ‘Geur’ is goed contact. Dit contact is over de bouwplannen is reeds gestart op 8 mei 2019 tijdens een huisbezoek waarbij de initiatiefnemer de Bosweg 4 heeft geïnformeerd over de plannen voor het bouwen van een schuurwoning op de plek van het bestaande gebouw (kantoor/loods). Initiatiefnemer heeft aangegeven dat de familie op deze plaats zolang mogelijk hun oudste zoon mantelzorg willen geven met onze andere zoon samen en dat kunnen ze alleen bereiken om bij elkaar te gaan wonen.

De eigenaar van Bosweg 4 vond dit een mooi initiatief, en vond daarnaast een schuurwoning goed passen in het landelijk geheel, een voorbeeld daarvan BJZ.nu Bestemmingsplannen

53

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp had hij zien staan aan de Lemelerveldseweg 16B in Heino. Hij gaf aan als tussenliggende afstand (50 meter tussenliggende afstand) tussen de schuren van de Bosweg 4 en de nieuwe woning niet veranderd, dit vergunning-technisch geen problemen zal opleveren. Hij vertelde verder dat hij geen (uitbreidings)plannen had aan de zuidkant van zijn bedrijf. Gedurende het jaar 2019 en 2020 is er goed contact tussen initiatiefnemer en de Bosweg 4.

9.3

Zienswijzen

P.M.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

54

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1

Erfinrichtingsplan

BJZ.nu Bestemmingsplannen

55

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

Bijlage 2

Bodemonderzoek

BJZ.nu Bestemmingsplannen

56

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

Bijlage 3

Quickscan Geurhinder

BJZ.nu Bestemmingsplannen

57

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

Bijlage 4

Quickscan Flora en Fauna

BJZ.nu Bestemmingsplannen

58

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

Bijlage 5

Aerius-berekening

BJZ.nu Bestemmingsplannen

59

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

Bijlage 6

Watertoets

BJZ.nu Bestemmingsplannen

60

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a

Inhoudsopgave

Bijlage toelichting

3

Bijlage 1

Erfinrichtingsplan

5

Bijlage 2

Bodemonderzoek

9

Bijlage 3

Quickscan Geurhinder

103

Bijlage 4

Quickscan Flora en Fauna

145

Bijlage 5

Aerius-berekening

167

Bijlage 6

Watertoets

191

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemele rveldsew eg 39a 2

(ontw erp, versie 1)

Bijlage toelichting

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldsew eg 39a (ontw erp, versie 1)

3

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemele rveldsew eg 39a 4

(ontw erp, versie 1)

Bijlage 1 Erfinrichtingsplan

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldsew eg 39a (ontw erp, versie 1)

5

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemele rveldsew eg 39a 8

(ontw erp, versie 1)

Bijlage 2 Bodemonderzoek

Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldsew eg 39a (ontw erp, versie 1)

9

Veldkamp Verkennend/actualisatie bodem- en asbestonderzoek met plan van aanpak op de locatie aan de Lemelerveldseweg 39a te Heino Projectnummer: 200431_02/dh/sh Datum: 17 juni 2020

Opdrachtgever Veldkamp Lemelerveldseweg 39a 8141 PS HEINO Hunneman Milieu-Advies Raalte BV Postbus 253 8100 AG RAALTE Tel: 0572-360998 E-mail: info@hunneman-milieu.nl

BRL-SIKB 2000

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING............................................................................................................................. 1

2

VOORONDERZOEK ............................................................................................................ 2

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3

VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK .................................................................. 6

3.1 3.2 3.3 3.4 4

VELDONDERZOEK ................................................................................................. 6 LABORATORIUM ONDERZOEK .............................................................................. 7 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN NEN-PARAMETERS................... 7 TOETSINGSCRITERIA EN ANALYSERESULTATEN ASBEST ................................... 10

INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN ....................................................... 11

4.1 4.2 4.3 4.4 5

ONDERZOEKSAANLEIDING ................................................................................... 2 ACHTERGRONDINFORMATIE................................................................................. 2 HISTORISCHE INFORMATIE ................................................................................... 3 BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ................................................................. 4 HYPOTHESE EN ONDERZOEKSSTRATEGIE ............................................................. 4 BETROUWBAARHEID ONDERZOEK ........................................................................ 5

ASBESTONDERZOEK ........................................................................................... 11 VASTE BODEM EN GRONDWATER, ACTUALISATIE ONDERZOEK ......................... 11 VASTE BODEM EN GRONDWATER; ONVERDACHT TERREIN ................................ 12 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................... 12

PLAN VAN AANPAK .......................................................................................................... 13

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

UITGANGSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN ..................................................... 13 VOORBEREIDENDE WERKZAAMHEDEN............................................................... 13 SANERING VASTE BODEM ................................................................................... 14 GRONDWATER .................................................................................................... 14 PLANNING ........................................................................................................... 14 VEILIGHEID ......................................................................................................... 15 UITVOERING, MILIEUKUNDIGE BEGELEIDING EN EVALUATIE ............................ 15

BIJLAGEN: 1 Kadastraal overzicht 2 Boorbeschrijvingen 3 Toetsingstabellen en analyserapporten vaste bodem, grondwater en asbest 4 Monsternemingsplan en -formulier asbest 5 Historische informatie 6 bepaling veiligheidsklasse

TEKENING: 1-1 Situatie met monsterpunten, peilbuizen en contourlijn vaste bodem

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

1

INLEIDING

In opdracht van Veldkamp is in mei en juni 2020, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend/actualisatie bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Lemelerveldseweg 39a te Heino. Voor een kadastraal overzicht van de onderzoekslocatie en omgeving verwijzen wij naar bijlage 1. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen herontwikkeling van en nieuwbouw op de locatie. Het onderzoek heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het veldwerk, de grond- en/of grondwaterbemonstering en het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform de geldende beoordelingsrichtlijn “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” BRL-SIKB 2000. Voor deze richtlijn is Hunneman Milieu-Advies Raalte BV in het bezit van een procescertificaat, welke is afgegeven door KIWA. Het procescertificaat van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV (certificaatnummer K26828) en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”. Hunneman MilieuAdvies Raalte BV is geen eigenaar van de te onderzoeken percelen en is onafhankelijk van de opdrachtgever en/of terreineigenaar. Op basis van de resultaten uit het bodemonderzoek is in hoofdstuk 5 een plan van aanpak opgesteld, voor de sanering van de aangetoonde olieverontreiniging.

Het rapport is als volgt ingedeeld: • Vooronderzoek • Veld- en laboratorium onderzoek • Interpretatie onderzoeksresultaten • Plan van aanpak

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4); (hoofdstuk 5).

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

1

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

2

VOORONDERZOEK

In de NEN-5725 zijn 7 aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. Tabel 1:

verschillende onderzoeksaspecten ONDERZOEKSASPECTEN

1. locatiegegevens

eigendomssituatie hoogteligging 2.bodemopbouw en bodemopbouw geohydrologie antropogene lagen in de bodem geohydrologie 3. verwachting t.a.v. de geval van ernstige bodemverontreiniging bodemkwaliteit kwaliteit o.b.v. BKK o.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken voormalig 4. gebruik/beïnvloeding van de locatie, verdachte huidig situatie, activiteiten, toekomst ongewoon voorval asbestverdacht 5. terreinverkenning voorafgaand aan de uitvoering

Aanleidingen tot vooronderzoek A

B

O

O

C

D

E

F

G

O O O

A. bodemonderzoek, par. 6.2.1; E. opstellen/ actualiseren bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.5; F. gebruik bodemkwaliteitskaart (Bbk), par. 6.2.6; B. nul‐ en eindsituatieonderzoek, par. 6.2.2; G. inschatten van arbeidshygiënische risico’s, par. 6.2.7. C. bodemkwaliteitsklasse (Bbk), par. 6.2.3; D. partijkeuring, par. 6.2.4; Verplicht onderzoeksaspect. Indien niet van toepassing, wordt dit vermeld en gemotiveerd O Optioneel

2.1

Onderzoeksaanleiding

Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725. Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden; • informatie Omgevingsdienst IJsselland; • Omgevingsrapportage Provincie Overijssel; • voorgaand bodemonderzoek; • www.topotijdreis.nl; • Kadaster; • Bagviewer; • grondwaterkaart van Nederland. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader toegelicht. De relevante gegevens zijn opgenomen in bijlage 5. 2.2

Achtergrondinformatie

De onderzoekslocatie is gesitueerd op de locatie aan de Lemelerveldseweg 39a Heino en staat kadastraal bekend als: gemeente Heino, sectie K, nummers 395 (ged.) en 396 (ged.). Op de locatie is een bedrijfsgebouw aanwezig die in gebruik is geweest als werkplaats. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 800 m2. De locatie is in gebruik geweest bij Waterschap Salland en bij een veetransportbedrijf. Aan de oostzijde van de locatie is een bovengrondse dieseltank met lekbak aanwezig geweest. Het maaiveld is voorzien van tegels, klinkers en/of braakliggend. Voor de inrichting van het terrein verwijzen wij naar tekening 1-1. Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

2

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

Figuur 1: locatie voormalige bovengrondse tank

2.3

Historische informatie

In februari 1996 is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd door Consulmij (kenmerk ZB.96.042-3). De belangrijkste kenmerken uit dit onderzoek zijn: • ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank zijn zintuiglijk en analytisch oliecomponenten aangetroffen; • zintuiglijk zijn in de bovengrond puinbijmengingen waargenomen; • in de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK en minerale olie aangetoond; • in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen, vluchtige aromaten, en een matig verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. De locatie is volgens de asbestdakenkaart van de Provincie Overijssel onverdacht voor asbest (zie figuur 2). Figuur 2: asbestdakenkaart Provincie Overijssel

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

3

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

2.4

Bodemopbouw en geohydrologie

Regionale bodemopbouw Voor de bodemgegevens en geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van de grondwaterkaart van Nederland. Uit dit rapport en uit bodemkundig onderzoek ter plaatse van de locatie zijn de volgende regionale gegevens samengevat. Tabel 2:

schematische voorstelling van de regionale bodemopbouw

pakket 1e WVP Form. van Twente en Kreftenheye scheidende laag Form. van Drenthe 2e WVP Form van Urk, Enschede, Harderwijk basis Form van Breda

diepte (m-mv) 0-30 30-70 70-200

samenstelling matig fijn tot matig grof zand klei fijn tot matig grof zand

parameters kD-waarde ca. 2500 m2 *d-1 -

Toelichting: WVP = watervoerend pakket

kD-waarde = doorlaatvermogen of transmissiviteit

>200

klei

-

Grondwaterstroming In het eerste watervoerende pakket stroomt het grondwater in noordwestelijke richting. 2.5

Hypothese en onderzoeksstrategie

Op basis van de geïnventariseerde gegevens is de locatie grotendeels onverdacht voor bodemverontreiniging, met uitzondering van de tijdens het voorgaand bodemonderzoek aangetroffen olieverontreiniging, en de aanwezigheid van asbest in de actuele contactzone. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek op niet verdachte locaties (strategie “ONV” uit de NEN 5740). De (grond)watermonsters zijn aanvullend geanalyseerd op de voor de Gemeente Raalte kritische parameters arseen en chroom. Vanwege variatie in de bodemopbouw is een extra NEN-pakket ingezet. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank is het onderzoek uitgevoerd volgens de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek op verdachte locaties, met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (strategie “VEP” uit de NEN 5740). In aanvulling op het verkennend bodemonderzoek is een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd, conform de onderzoeksstrategie op een onverdachte locatie (strategie 6.4.2 uit de NEN-5707). Het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek is samengevat in tabel 3. Tabel 3:

veld- en laboratoriumonderzoek veldonderzoek boringen tot waarvan tot 0,5 m-mv > 2 m-mv

sublocatie/onderdeel verkennend NEN-5740 oppervlakte < 1.000 m2

laboratoriumonderzoek met peilbuis

vaste bodem

grondwater

8

4

1 x her.

3 x NEN-grond

1 x NEN-water

2

asbestonderzoek <1.000 m

8#

2#

-

-

Actualisatie vm. dieseltank

8

7

2 x her.

1 x asbest grond 5 x olie/aromaten 1 x PFAS

#: in combinatie met onderzoek onverdacht

2 x olie/aromaten

#: putjes van 30 x 30 cm

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

4

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

De samenstelling van de in tabel 3 genoemde “NEN-pakketten” is samengevat in tabel 4. Tabel 4:

samenstelling NEN Pakketten

Parameters zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink PCB’s PAK polycyclische aromatische koolwaterstoffen minerale olie vluchtige aromaten (incl. naftaleen en styreen) VCK (vluchtige chloorkoolwaterstoffen) bromoform

2.6

NEN-grond

NEN-grondwater

X

X

X X X -

X X X X

Betrouwbaarheid onderzoek

Onderhavig onderzoek beschrijft de actuele bodemkwaliteit en heeft alleen betrekking op de bodem van de terreindelen, welke zijn beschreven in het vooronderzoek van deze rapportage. De in het vooronderzoek geraadpleegde bronnen kunnen mogelijk onvolledig zijn. Het kan voorkomen dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Het onderzoek is gebaseerd op het nemen van een, conform de geldende richtlijnen, representatief geacht aantal monsters. Bij het interpreteren van de onderzoeksresultaten moet rekening worden gehouden met het feit dat analyses mogelijk zijn uitgevoerd op basis van mengmonsters, waardoor lokaal hogere concentraties van de onderzochte stoffen niet zijn uit te sluiten. Tevens kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de bodemkwaliteit van niet onderzochte (verdachte) deellocaties en blijft het mogelijk dat lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt. Een bodemonderzoek betreft een momentopname. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Eventuele toekomstige activiteiten, calamiteiten, sloopwerkzaamheden, bouwrijp maken en/of aanvoer van grond van elders, kunnen de bodemkwaliteit (sterk) beïnvloeden.

Tijdens werkzaamheden in de bodem dient men alert te blijven op waarneembare bijzonderheden, die kunnen duiden op eventuele verontreinigingen. Het onderzoek moet worden beoordeeld als één geheel, en betreft een inschatting van de bodemkwaliteit, op een bepaald moment. Het onderzoek is gebaseerd op informatie van derden en het verrichten van een beperkt aantal boringen en analyses, conform de geldende richtlijnen. Hierdoor is het mogelijk dat niet alle informatie is verkregen, dan wel dat niet alle afwijkingen in de bodem zijn geconstateerd. Voor eventueel hieruit voortvloeiende schade en/of gevolgen aanvaardt Hunneman Milieu-Advies Raalte BV op geen enkele wijze aansprakelijkheid.

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

5

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

3

VELD- EN LABORATORIUM ONDERZOEK

3.1

Veldonderzoek

Het veldonderzoek is uitgevoerd op 28 mei en 4 juni 2020, door de gecertificeerde medewerkers dhr. R. Roelofs en dhr. J. Molenkamp van Hunneman Milieu-Advies Raalte BV. Voor het verkennend bodemonderzoek zijn 8 handboringen uitgevoerd (21 t/m 28), Voor het actualisatie bodemonderzoek zijn 8 handboringen uitgevoerd (29 t/m 36). Voor het grondwateronderzoek zijn drie bestaande peilbuizen herbemonsterd. De maximale boordiepte bedraagt 2,0 m-mv. Voorafgaand aan het verkennend asbestonderzoek is een maaiveldinspectie uitgevoerd. Tijdens de maaiveldinspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voor het verkennend asbestonderzoek zijn de monsterpunten 21 t/m 28 uit het verkennend bodemonderzoek handmatig gegraven tot maximaal 0,5 m-mv, met een minimale oppervlakte van 0,09 m2 (30 x 30 cm). De monsterpunten zijn met behulp van een grondboor (diameter 12 cm) doorgezet tot de onderliggende/ongeroerde bodemlaag. De opgegraven grond is uitgespreid over een zeef, met een maaswijdte van 20 mm. Het achterblijvende residu op de zeef is geïnspecteerd op aanwezigheid van asbestverdacht materiaal en afval- en puinrestanten. Van de uitgezeefde grond is een mengmonster samengesteld van de actuele contactzone (0,0-0,5 m-mv), voor de analytische bepaling van asbest in grond. In bijlage 5 zijn de monsternameformulieren asbest opgenomen.

Voor de situatie van de monsterpunten en peilbuizen verwijzen wij naar tekening 1-1. Bodemopbouw In het veld zijn de fysische bodemeigenschappen per monsterpunt en bodemlaag beschreven. De beschrijvingen van de bodemprofielen zijn opgenomen in bijlage 2, en samengevat in tabel 5. Tabel 5: traject (m-mv) 0,0 ~ 0,1

samenvatting van het lokaal aangetroffen bodemprofiel hoofdnaam

toevoeging

klinker/gras

0,1 ~ 1,5

zand, matig fijn

zwak tot matig siltig, lokaal zwak tot matig humeus

1,5 ~ 2,0

zand, matig fijn

zwak siltig

grondwaterstand: circa 1,5 m-mv

Zintuiglijke waarnemingen Tijdens het veldonderzoek is de opgeboorde grond beoordeeld op zintuiglijk waarneembare verontreinigingsindicaties. Hierbij is gebruik gemaakt van de olie/watertest (O/W-test) en is gelet op afwijkende kleur of geur van de bodem. Zintuiglijk zijn in de ondergrond, ter plaatse van monsterpunt 34, brokken puin waargenomen. Zintuiglijk zijn in de boringen 34 en 36, ter plaatse van voormalige bovengrondse dieseltank, oliecomponenten waargenomen, vanaf 0,5 tot maximaal 1,5 m-mv. In de overige monsterpunten zijn geen oliecomponenten waargenomen. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in de boorbeschrijvingen (bijlage 2).

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

6

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

Monstername Voor het chemisch onderzoek zijn uit de boringen, van iedere 0,5 m (0,2 m bij monstername met steekbus) of onderscheiden bodemlaag, monsters genomen. Op de deellocaties, waar de vluchtige verbindingen de kritische parameters zijn, is de monstername, voor zover technisch mogelijk, verricht met een steekbus. Het grondwater uit de bestaande peilbuizen is bemonsterd. De zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid (NTU) van het grondwater zijn in het veld gemeten. De meetresultaten zijn weergegeven in tabel 7. Afwijking op BRL SIKB 2000: De bestaande peilbuizen zijn vanwege de filterstelling en de actuele grondwaterstand mogelijk belucht tijdens de monstername. Hierdoor kunnen eventueel aanwezige vluchtige verbindingen verminderen. Bij verhoogde meetwaarden dienen deze als indicatief te worden beschouwd. 3.2

Laboratorium onderzoek

Op basis van de gehanteerde onderzoeksstrategie en waarnemingen uit het veld zijn (meng)monsters samengesteld voor analyse. De samenstelling van de (meng)monsters is weergegeven in tabel 6 en 8. De analyses zijn uitgevoerd door een door de RvA geaccrediteerd laboratorium, welke door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is erkend om, in het kader van de Wet Bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk), analyses uit te voeren conform AS-3000 en AP-04. De analyserapporten van het laboratorium zijn opgenomen in bijlage 3. De resultaten van de analyses zijn weergegeven in tabel 6 t/m 8. 3.3

Toetsingscriteria en analyseresultaten NEN-parameters

Het toetsingskader voor de vaste bodem en het grondwater is afkomstig uit de “Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013” (Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa). De vaste bodem wordt getoetst aan de achtergrond- en interventiewaarden. Het grondwater wordt getoetst aan de streef- en interventiewaarden. De meetwaarden voor de vaste bodem zijn afhankelijk gesteld van de gemeten organische stof- en/of lutumgehalten van de bodem, die meestal afwijken van de gehalten van de Standaardbodem. De volgende toetsingswaarden worden onderscheiden: AW/S(•)1:De achtergrond- en/of streefwaarden geven het niveau aan waar beneden sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De waarden hebben betrekking op de in de natuur voorkomende achtergrondgehalten of detectiegrenzen bij stoffen die niet in natuurlijke milieus voorkomen. T (••)1:

De tussenwaarde betreft het gemiddelde van de interventiewaarde + achtergrondwaarde of streefwaarde waarboven, in beginsel, een nader onderzoek noodzakelijk is.

I (•••)1 :

De interventiewaarden geven het concentratieniveau voor verontreinigende stoffen aan, waarboven sprake is van ernstige bodemverontreiniging. In bijzondere situaties kan ook bij gehaltes beneden de interventiewaarden sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging. De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico’s voor de volksgezondheid en het ecosysteem.

1

De symbolen tussen haakjes corresponderen met de “overschrijdingssymbolen” van tabel 6 en 7.

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

7

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

Van een geval van ernstige bodemverontreiniging is sprake indien de verontreiniging is ontstaan voor 1987, waarbij de gemiddelde concentratie van een verontreinigende stof in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde. Bodemverontreiniging die is ontstaan na 1 januari 1987 (nieuwe verontreiniging) valt onder de zgn. zorgplicht en dient zo spoedig mogelijk te worden gesaneerd. Tabel 6: % H* = % L*= monster

analyseresultaten vaste bodem en toetsing 10 25

boring traject (m-mv) arseen barium cadmium chroom kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK (10)-tot. PCB’s min.olie PFAS parameters som PFOA som PFOS

gestandaardiseerde resultaten en overschrijdingen toetsingswaarden standaard bodem [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage] (mg/kg d.s.) MM-01 MM-02 MM-03 36-02 21+22+24+27 23+25+26 23+25+28 36 AW½ +28+30 I-waarde waarde (AW+I) 0,0~1,3 0,0~0,5 0,5-2,0 1,1-1,3 < < < < 20 48 76 @ @ @ @ @ @ @ < < < < 0,6 6,8 13 < < < < 55 117,5 180 < < < < 15 102,5 190 < < < < 40 115 190 < < < < 0,15 18,08 36 94• < < < 50 290 530 < < < < 1,5 96 190 < < < < 35 67,5 100 180• < < < 140 430 720 7,3• < < < 1,5 20,8 40 < < < < 0,02 0,51 1 < < < 12000••• 190 2595 5000 AW Wonen Industrie < 0,8 7 7 < 0,9 3 3

Toelichting bij tabel: < : geen overschrijding van de achtergrondwaarde : overschrijding van de achtergrondwaarde • •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding van de interventiewaarde

Tabel 6.1:

-: niet geanalyseerd #: na heranalyse @: geen toetsoordeel mogelijk * : lutum- en humusgehalten standaard bodem **: in µg/kg d.s. H : organisch stof L : lutum

zintuiglijke waarnemingen en analyseresultaten vaste bodem gestandaardiseerde resultaten/overschrijding toetsingswaarden [mg/kg d.s.] [BoToVa-toetsing is opgenomen in de bijlage]

Veldwaarnemingen en verklaring symbolen O/W test: 1=licht 2=matig 3= sterk

Aard: B= benzine d = detectiegrens D = diesel Ol= olie h = humusstoring HBO = huisbrandolie

locatie

max. boring boordiepte [nr.] [m-mv]

vml. bg. dieseltank

29 30

AW-waarde ½(AW+I) waarde I-waarde H*= 10%

190 2595 5000

0,2 0,65 1,1

0,2 16,1 32

0,2 55,1 110

0,45 8,7 17

tolueen

ethylbenz.

xylenen

zintuiglijke waarnemingen diepte O/W Aard [m-mv] Test

monster diepte [m-mv]

code

2,0

geen

1,1-1,3

29-01

<

<

<

<

<

2,0

geen

31

2,0

geen

1,1-1,3

31-01

<

<

<

<

<

32

2,0

geen

33

2,0

34

1,2

1,0-1,2

34-01

1300•

<

<

<

<

35

2,0

36

2,0

0,7-0,9 1,1-1,3 1,7-1,9

36-01 36-02 36-03

7000••• 12000••• <

< <

< <

< <

< <

\Toelichting tabel:

< • •• •••

min. olie benzeen [GC]

geen 1,0-1,2

1 D geen

0,0-0,5 0,5-1,0 1,0-1,5 1,5-2,0

geen 1 2 geen

D D

: geen overschrijding van de achtergrondwaarde : overschrijding van de achtergrondwaarde : overschrijding tussenwaarde : overschrijding interventiewaarde

S : steekbus *: humusgehalten standaard bodem - : niet geanalyseerd

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

8

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

Tabel 7:

analyseresultaten grondwater

peilbuis filter (m-mv)

pH EC (µs/cm) troebelheid (NTU) grondwater [m-mv] zware metalen arseen barium cadmium chroom kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink vluchtige aromaten benzeen tolueen ethylbenzeen xylenen (som) styreen naftaleen gechloreerde koolwaterstoffen 1,1-dichloorethaan 1,2-dichloorethaan 1,1-dichlooretheen cis 1,2-dichlooretheen trans 1,2-dichlooretheen dichloormethaan dichloorpropanen tetrachlooretheen (per) tetrachloormethaan (tetra) 1,1,1-trichloorethaan 1,1,2-trichloorethaan trichlooretheen (tri) trichloormethaan (chloroform) vinylchloride minerale olie bromoform Toelichting bij tabel:

analyseresultaten (µg/l) 1 1,0-2,0 5,6 406 3 1,5

toetsingswaarden (µg/l) 13 2,75-3,75 5,5 382 4 1,5

15 1,15-2,15 6,6 648 4 1,65

-

< < < 5,4• 25• < < < < < <

< < < < < 180• -

• : overschrijding van de streefwaarde •• : overschrijding van de tussenwaarde ••• : overschrijding interventiewaarde

Swaarde

½ (S+I)

Iwaarde

-

10 50 0,4 1 20 15 0,05 15 5 15 65

35 337,5 3,2 15,5 60 45 0,17 45 152,5 45 432,5

60 625 6 30 100 75 0,30 75 300 75 800

< < < < < <

< < < < <

0,2 7 4 0,2 6 0,01

15,1 503,5 77 35,1 153 35

30 1000 150 70 300 70

< < < < < < < < < < < < < < < <

< -

7 7 0,01 0,01 0,01 0,01 0,8 0,01 0,01 0,01 0,01 24 6 0,01 50 #

453,5 203,5 5 10 10 500 40,4 20 5 150 65 262 203 2,5 325 315

900 400 10 20 20 1000 80 40 10 300 130 500 400 5 600 630

< : geen overschrijdingen detectiegrens en/of streefwaarde # : geen toetsingswaarden voor gegeven -: niet geanalyseerd

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

9

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

3.4

Toetsingscriteria en analyseresultaten asbest

Voor asbestonderzoek is de interventiewaarde uit de “Circulaire bodemsanering van 1 juli 2013” voor asbest in grond of puin (100 mg/kg d.s. gewogen) van toepassing. Conform de NEN 5707 wordt in een verkennend onderzoek asbest beoordeeld of sprake is van een verdachte of een onverdachte locatie op het voorkomen van asbest. Het resultaat van het verkennend onderzoek is een uitspraak over de mogelijke verontreiniging van de bodem op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond. Aan de hand van het verkregen indicatieve gehalte aan asbest wordt nagegaan of nader onderzoek al dan niet noodzakelijk is. Door de lagere onderzoeksintensiteit van het verkennend onderzoek kan in deze fase niet direct worden getoetst aan de interventiewaarde. In het verkennend onderzoek wordt het gehalte getoetst aan de interventiewaarde, gecorrigeerd met een factor 2. Deze correctiefactor is een maat voor de betrouwbaarheid van het verkennend onderzoek in relatie tot het nader onderzoek. Alleen indien in het verkennend onderzoek de onderzoeksintensiteit (hoeveelheid geïnspecteerde grond in de gaten en het aantal analyses) op hetzelfde niveau zit als in het nader onderzoek, dan is een directe toetsing aan de interventiewaarde mogelijk.

Indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogste bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Toetsing van de concentratie aan respirabele vezels (<0,5 mm) vindt plaats door toetsing van de gemeten concentratie aan de maximale waarde van 10 mg/kg d.s. (gewogen). Bij overschrijding van deze waarde is sprake van ‘onaanvaardbare risico’s buiten’. Uit onderzoek dat TNO (RIVM rapport 711701034/2003) heeft uitgevoerd blijkt dat zelfs voor het meest ‘losse’ niet-hechtgebonden asbest het aandeel aan respirabele vezels nooit meer zal zijn dan 5~10%. Dit betekent dat bij een asbestconcentratie in de grond van 100 mg/kg d.s. de concentratie aan respirabele vezels nooit meer zal zijn dan 5~10 mg/kg d.s. en derhalve geen sprake is van ‘onaanvaardbare risico’s’. Grond of puin waarin een (gewogen) concentratie asbest boven de interventiewaarde wordt aangetroffen wordt, ongeacht het volume, beschouwd als verontreinigd met asbest.

Indien na uitvoering van een nader onderzoek asbest in de grond of puin een (gewogen) concentratie asbest lager dan de interventiewaarde wordt aangetoond, wordt de bodem als niet verontreinigd aangemerkt. Tabel 8:

analyseresultaten asbest in grond (fase verkennend derhalve indicatieve gehalten)

monstergegevens Monster

Sleuf/MP

traject (m-mv)

RE-01

21 t/m 28

0,0~0,5

analyseresultaten (mg of mg/kg d.s.) materiaalbodem/puin bodem/puin Gewogen* monster(s) > 0,5< 20 mm < 0,5 mm asbestgehalte >20mm (mg) in mg/kg ds. in mg/kg ds. in de bodem -

<1

n.a.

<1

asbesttype soort asbest

H/NH

-

-

Toelichting bij tabel: n.g.: niet geanalyseerd -: niet van toepassing n.a.: niet aangetoond S: serpentijn-asbest H: hechtgebonden asbest SL: sleuf A: amfibool NH: niet hechtgebonden asbest MP: monsterpunt *: gewogen concentratie asbest in de bodem of puin in mg/kg ds. wordt gevormd door de aangetoonde concentratie in het materiaal (verzamel)-monster aan asbestplaatjes in de gegraven monsterpunten en/of sleuven, vermeerderd met de aangetoonde concentratie aan asbest in het bodem/puin (meng)monster.

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

10

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

4

INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN

In opdracht van Veldkamp is in mei en juni 2020, door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend/actualisatie bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Lemelerveldseweg 39a te Heino. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen herontwikkeling van en nieuwbouw op de locatie, en heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Op basis van de resultaten zijn op tekening 1-1 de contourlijnen weergegeven, waarbinnen zintuiglijk en analytisch minerale olie is aangetroffen boven de achtergrondwaarde. 4.1

Asbestonderzoek

Zintuiglijk zijn in de ondergrond, ter plaatse van monsterpunt 34, brokken puin waargenomen. In de bodem is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Analytisch is in de actuele contactzone binnen RE-01 [0,0~0,5 m-mv], in de fractie > 0,5 mm en < 20 mm, analytisch geen gewogen asbest aangetoond. 4.2

Vaste bodem en grondwater, actualisatie onderzoek

Zintuiglijk zijn in de boringen 34 en 36, ter plaatse van voormalige bovengrondse dieseltank, oliecomponenten waargenomen, vanaf 0,5 tot maximaal 1,5 m-mv. In de overige monsterpunten zijn geen oliecomponenten waargenomen. Voormalige bovengrondse dieseltank Analytisch zijn in de vaste bodem, ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank, sterk verhoogde gehalten aan minerale olie aangetoond. De maximaal aangetoonde gehalten aan minerale olie overschrijden de interventiewaarde. Van de overige geanalyseerde parameters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. Analytisch zijn geen verhoogde gehalten aan PFAS aangetoond. In het ter verticale inkadering geanalyseerde monster uit boring 36 (1,7-1,9 m-mv) zijn geen verhoogde gehalten aan minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond. In de ter horizontale inkadering geanalyseerde monsters (boring 29 t/m 35) zijn, met uitzondering van een licht verhoogd gehalte aan minerale olie in boring 34, geen verhoogde gehalten aan minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond. Het aangetoonde gehalte aan minerale olie overschrijdt de achtergrondwaarde, maar blijft beneden de tussenwaarden. In het grondwater (peilbuis 1 en 15) zijn, met uitzondering van een licht verhoogd gehalte aan minerale olie in peilbuis 1, geen verhoogde gehalten aan minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond.

Het aangetoonde gehalte aan minerale olie overschrijdt de streefwaarde, maar blijft beneden de tussenwaarde.

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

11

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

4.3

Vaste bodem en grondwater; onverdacht terrein

Analytisch zijn in de mengmonsters van de bovengrond (MM-01 en MM-02), met uitzondering van licht verhoogde gehalten aan lood, zink en PAK in MM-01, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. De aangetoonde gehalten aan lood, zink en PAK overschrijden de achtergrondwaarden, maar blijven beneden de tussenwaarden. Analytisch zijn in het mengmonster van de ondergrond (MM-03), van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het grondwater (peilbuis 13) zijn licht verhoogde gehalten aan chroom en kobalt aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de streefwaarden, maar blijven beneden de tussenwaarden. 4.4

Conclusies en aanbevelingen

In de bodem is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank is zintuiglijk en analytisch in de vaste bodem een olieverontreiniging aangetoond, vanaf 0,5 tot maximaal 1,5 m-mv. De aangetoonde verontreiniging is afgeperkt. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. De omvang van de met olie verontreinigde grond is beperkt van omvang (< 25 m3) en betreft derhalve geen geval van ernstige bodemverontreiniging. De gemeente Raalte/Omgevingsdienst IJsselland is het bevoegd gezag. Op het overige terrein zijn in de vaste bodem licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd. Wij adviseren om bij ontwikkeling van de locatie te werken met een gesloten grondbalans. Indien grond vrijkomt en van de locatie wordt afgevoerd is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing (Bbk). De aangetoonde verhogingen in de vaste bodem kunnen, bij toetsing aan het Bbk, beperkingen opleveren ten aanzien van het (her-) gebruik elders. Af te voeren grond dient eventueel AP-04 te worden ingekeurd, voor de bepaling van de definitieve afzetmogelijkheden.

Wij adviseren de aangetoonde verontreiniging met oliecomponenten, ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank, onder milieukundige begeleiding te verwijderen. Voor de verwijdering dient voorafgaand een plan van aanpak te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Voor de verwijdering van de aangetoonde olieverontreiniging is in hoofdstuk 5 een plan van aanpak opgenomen.

Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

12

_______________________________________ Hunneman Milieu-Advies ______________

5

PLAN VAN AANPAK

5.1

Uitgangspunten en randvoorwaarden

Voor de verwijdering van de verontreinigingsspot met minerale olie zijn de volgende uitgangspunten en randvoorwaarden gehanteerd: • de bodemopbouw/verontreinigingssituatie, zoals beschreven in onderhavig onderzoek • het maximaal aangetoonde gehalte aan minerale olie overschrijdt de interventiewaarde; • het betreft derhalve geen geval van ernstige bodemverontreiniging; • de gemeente Raalte/Omgevingsdienst IJsselland is het bevoegd gezag; • de verontreiniging wordt gesaneerd tot beneden de terugsaneerwaarde voor minerale olie in de vaste bodem (AW-waarde); • het saneringsresultaat van de vaste bodem wordt getoetst door analyses van grondmonsters op minerale olie. • de bodemopbouw/verontreinigingssituatie, zoals beschreven in onderhavig onderzoek; • de ARBO- en veiligheidsvoorschriften, conform Arbo Informatieblad AI-22 en de CROW publicatie 400 worden gehanteerd; • indien tijdens de sanering blijkt dat een afwijking van de uitgangspunten en randvoorwaarden plaats zal vinden zal, in overleg met betrokkenen, naar een oplossing worden gezocht; • schade aan infrastructuur moet worden voorkomen. Eventuele schade die is veroorzaakt door de grondsanering moet worden hersteld; • eisen die voortkomen uit eventuele andere vergunningen. 5.2

Voorbereidende werkzaamheden

Vergunningen Voor het uitvoeren van de sanering zijn de volgende vergunningen/meldingen noodzakelijk: Tabel 9

overzicht benodigde vergunningen

activiteit

vergunning/melding

bevoegd gezag

uitvoeren sanering

goedkeuring plan van aanpak

transport van verontreinigde grond

VBA- of PmG- ontheffing

gemeente Raalte omgevingsdienst IJsselland provincie bestemming grond

Bovenstaande vergunningen c.q. toestemmingen dienen te worden aangevraagd.

Kabels en leidingen De aannemer dient minimaal 3 dagen voor aanvang van de werkzaamheden een definitieve KLIC-melding te doen. Inrichting werkterrein Voorafgaand aan de start van de bodemsanering wordt de saneringslocatie afgezet met hekwerk/lint en ingericht. De eventuele noodzakelijke saneringsunit, schaftkeet en sanitaire voorzieningen worden aangevoerd en buiten de verontreinigde zone gesitueerd. Binnen het werkterrein en/of in de nabije omgeving van de saneringslocatie wordt een locatie ingericht, voor de tijdelijke opslag van de zintuiglijke schone (boven)grond. De tijdelijke opslaglocatie wordt nader bepaald. De in te zetten vrachtwagens worden zo schoon mogelijk geladen en worden gecontroleerd voor het verlaten van de saneringslocatie en/of tijdelijke depotlocatie. Indien nodig worden de vrachtwagens op een borstelplaats of gelijkwaardige voorziening ontdaan van de aanhangende (verontreinigde) grond. Het streven is het laden van de verontreinigde grond zo uit te voeren dat de wielen van de in te zetten vrachtwagens niet in aanraking komen met de verontreinigde grond. Verkennend/actualisatie bodem en asbestonderzoek met plan van aanpak, Lemelerveldseweg 39a te Heino

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=d567b7f7-e132-491f-b830-4cf88921c802