CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a

Raadsvergadering 20 mei 2021, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Lemelerveldseweg 39a (hamerstuk)28.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Beleidsnota Erven in beweging

4.3.4.1 Algemeen Op 21 december 2017 is de beleidsnota ‘Erven in beweging’ vastgesteld door de gemeenteraad van Raalte. Aanleiding hiervoor is de veranderingen in het buitengebied van Raalte. In de periode 2012 – 2030 komt naar verwachting ca 300.000 m2 agrarische bebouwing vrij door bedrijfsbeëindiging van agrarische bedrijven. Om te voorkomen dat op grote schaal leegstand ontstaat bevat de beleidsnota ‘ Erven in beweging’ een aantal aanvullende mogelijkheden/instrumenten om leegstand tegen te gaan. De gemeente Raalte zet in op sloop en BJZ.nu Bestemmingsplannen

25

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp hergebruik. Enerzijds om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te versterken. Anderzijds om een levendig buitengebied te houden waarin gewoond en gewerkt kan worden. Met de extra mogelijkheden die dit beleid bevat heeft een eigenaar van een erf met leegstaande gebouwen onder andere de volgende mogelijkheden: •

• • •

Naast een woning bouwen in ruil voor sloop van minimaal 850 m2 (rood voor rood regeling) ook de mogelijkheid om op een andere locatie de compensatiewoning te bouwen in ruil voor sloop van minimaal 1000 m2; Een (niet-agrarisch) bedrijf starten; Oppervlakte bijgebouwen verruimen van 100m2 naar 150 m2 Extra (bij)gebouwen bouwen bij een woning of bedrijf in ruil voor sloop van een veelvoud aan gebouwen (schuur voor schuur regeling)

De voor dit plan belangrijke verruimingen ten opzichte van het bestaande beleid wordt hieronder beschreven. Rood voor Rood De Rood voor Rood regeling is op de volgende punten versoepelt: 1) Inzet van sloop vierkante meters uit de sloopbank is mogelijk. 2) Het realiseren van andere typen woningen dan de (nu gebruikelijke) vrijstaande woningen is mogelijk, indien die in een behoefte voorzien en mits deze passen in het gemeentelijk woonbeleid (kwantitatief en kwalitatief). Toelichting Te denken valt aan vormen met meerdere generaties op één erf, knooperven, kleinere wooneenheden in één gebouw of een tweede bedrijfswoning indien die op grond van de eisen die het bestemmingsplan Buitengebied stelt niet mogelijk is. De gemeente legt op dit moment niet vast aan welke regels (bijv. sloopverhoudingen) dergelijke afwijkende woonvormen moet voldoen. De gemeente laat zich verrassen door initiatieven en zoekt in de geest van het Rood voor Rood beleid met de initiatiefnemer naar een goede balans tussen ontwikkelruimte en kwaliteitswinst. 3) De strikte voorwaarde dat alle (voormalige) bedrijfsgebouwen gesloopt moeten worden komt te vervallen om maatwerk mogelijk te maken. Sloop van alle landschapsontsierende gebouwen op een erf blijft het uitgangspunt.

Toelichting In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk meer dan 150 m 2 of 250 m2 aan bijgebouwen te laten staan ten behoeve van hobbymatige of kleinschalige bedrijfsactiviteiten. In die situatie wordt wel beoordeeld of in het Rood voor Rood traject waarin de slooplocatie wordt ingezet voldoende kwaliteitswinst wordt bereikt. Voorwaarde is dat de resterende gebouwen niet later voor een ander ontwikkeltraject worden ingezet. Geadviseerd wordt eventueel resterende gebouwen asbestvrij te maken. In deze situatie is een erfinrichtingsplan waaruit blijkt dat het erf goed landschappelijk wordt ingepast vereist. 4) De voorwaarde dat taxaties van herbouwwaarde, sloopoffertes etc. ingediend moeten worden vervalt. Toelichting Deze voorwaarde had als doel om te beoordelen of ontwikkelruimte in balans is met de investeringen in ruimtelijke kwaliteit. Deze voorwaarde is in 2012 bij Rood voor Rood projecten met 1 woning al vervallen. De gemeente laat deze voorwaarde nu in het algemeen vervallen. Sloop van ontsierende bebouwing in combinatie met een goede inrichting van sloop- en bouwlocatie(s) levert voldoende kwaliteitswinst op. De gemeente heeft voldoende ervaring met deze regeling opgebouwd om zonder financiële berekeningen te bepalen of ontwikkelruimte en kwaliteitswinst in evenwicht zijn.

4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Beleidsnota Erven in beweging’ Voorliggend initiatief is passend binnen de uitgangspunten van de ‘Beleidsnota Erven in beweging’. Aan de Lemelerveldseweg 39a te Heino is een voormalige waterschapslocatie met een oppervlakte van circa 720 m² perceeloppervlakte aanwezig. Deze waterschapsacitiviteiten zijn sinds 1997 beëindigd. De voormalige

BJZ.nu Bestemmingsplannen

26

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp bedrijfsbebouwing (177 m²) heeft geen vervolgfunctie, waardoor ook niet langer in het onderhoud van de bebouwing wordt geïnvesteerd. Initiatiefnemer gaat deze bebouwing slopen in het kader van het beleid ‘Erven in transitie’. De overige benodigde sloopmeters in het kader van het beleid ‘Erven in transitie’ zijn gevonden aan de Stoevenweg 46-48 in Heino. Hier wordt 943 m² aan landschapsontsierende bebouwing gesloopt. Met deze sloopmeters en de sloopmeters aan de Lemelerveldseweg 39a wordt voldaan aan de minimale sloopnorm van het beleid ‘Erven in transitie’. Er zal een schuurwoning teruggebouwd worden aan de Lemelerveldseweg 39a te Heino. Daarnaast zullen er meerdere generaties op het erf gaan wonen, omdat in de levensloopbestendige woning mantelzorg verleend zal worden aan de zoon van initiatiefnemer. Daarnaast is in de gemeentelijke woningbouwprogrammering rekening gehouden met woningaanvragen vanuit Rood voor rood, hiermee wordt geconcludeerd dat daarmee de ontwikkeling binnen deze programmering past. Geconcludeerd wordt dat het initiatief passend is binnen de beleidsnota. 4.3.5

Welstandsnota Raalte

De gemeenteraad heeft op 29 oktober 2015 de Welstandsnota gemeente Raalte 2016 vastgesteld. Hierdoor is het welstandstoezicht per 1 januari 2016 afgeschaft. In dit bestemmingsplan zijn via een bouwvlak en bouwregels de bouwmogelijkheden binnen het plangebied geregeld. 4.3.6

Parkeernormen Raalte 2015

Het college van burgemeester en wethouders van Raalte heeft op 3 november 2015 de ‘Parkeernormen Raalte 2015’ vastgesteld. De landelijke parkeerkencijfers van de CROW zijn hierbij als uitgangspunt genomen. Om de bereikbaarheid en kwaliteit van de openbare ruimte te waarborgen dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst te worden aan deze gemeentelijke parkeernormen. In paragraaf 3.3 is hier reeds uitgebreid op ingegaan. 4.3.7

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid zoals genoemd in de hiervoor beschreven beleidsstukken.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

27

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

In dit geval is sprake van een nieuw geluidsgevoelig object namelijk de realisatie van een vrijstaande woning. 5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.2.3 Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).

In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte afhankelijk is van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied (binnenstedelijk gebied of buitenstedelijk gebied). Het plangebied ligt in ‘buitenstedelijk’ gebied binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone, als bedoeld in artikel 74 van de Wet geluidhinder, van de Lemelerveldseweg. In voorliggend geval wordt een nieuwe BJZ.nu Bestemmingsplannen

28

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp geluidsgevoelige functie (de nieuwe woning) mogelijk gemaakt. De beoogde locatie van de schuurwoning ligt op circa 60 meter van de Lemelerveldseweg. De woning komt hiermee te liggen binnen de wettelijke geluidszone van deze weg (250 meter). De afstand tot de weg is echter ruimen er is eveneens sprake van afschermende werking van de bestaande bebouwing en beplanting ten opzichte van de nieuwe woning. Verder heeft de Lemelerveldseweg een beperkte verkeersintensiteit (voornamelijk bestemmingsverkeer). Gelet op het voorgaande wordt ervan uitgegaan dat de voorkeurswaarde van 48 dB niet wordt overschreden en wordt ter plaatse van de nieuwe woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inzake wegverkeerslawaai verwacht. Nader onderzoek met betrekking tot wegverkeerslawaai wordt niet noodzakelijk geacht. 5.1.3

Conclusie

Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In mei en juni 2020 is er door Hunneman Milieu-Advies Raalte BV, een verkennend/actualisatie bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie aan de Lemelerveldseweg 39a te Heino. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen herontwikkeling van en nieuwbouw op de locatie, en heeft tot doel een actueel en betrouwbaar inzicht te geven in de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Hieronder wordt de resultaten van het uitgevoerde onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 2. 5.2.2

Situatie plangebied

Minerale oliecomponenten verontreiniging bovengrondse dieseltank Ten zuidoosten van het bestaande gebouw heeft een bovengrondse dieseltank gestaan. In de bodem is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank is zintuiglijk en analytisch in de vaste bodem een olieverontreiniging aangetoond, vanaf 0,5 tot maximaal 1,5 mmv. De aangetoonde verontreiniging is afgeperkt. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. De omvang van de met olie verontreinigde grond is beperkt van omvang (< 25 m3) en betreft derhalve geen geval van ernstige bodemverontreiniging. De gemeente Raalte/Omgevingsdienst IJsselland is het bevoegd gezag. Op het overige terrein zijn in de vaste bodem licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd. 5.2.3

Conclusie

Op basis van de beschikbare informatie wordt door Hunneman geadviseerd om de aangetoonde verontreiniging met oliecomponenten, ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank, onder milieukundige begeleiding te verwijderen. Voor de verwijdering van de aangetoonde olieverontreiniging is in hoofdstuk 5 van het bodemonderzoek een plan van aanpak opgenomen. Het aspect bodem vormt na sanering in het kader van deze bestemmingsplanprocedure geen belemmering meer voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

29

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet Luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Van belang om is om te beoordelen of er nog relevante industriële emissiebronnen zin. In de directe omgeving van het plan zijn geen relevante industriële immissiebronnen gelegen. Wel zijn er in de omgeving van het plan agrarische bedrijven gevestigd, waaronder 2 intensieve veehouderijen op een afstand van circa 90 meter en circa 160 meter. Van belang is om te beoordelen of deze bedrijven in betekenende mate bijdragen aan fijnstof concentratie op de planlocatie.

Daarvoor is met behulp van de tabel ‘vuistregel fijnstofemissie’ vastgesteld dat de bijdrage van fijnstof van deze bedrijven individueel, zowel als cumulatief, zijn gelegen onder 3% van de grenswaarde Niet in Betekende Mate (NIBM). Voor een verdere toetsing wordt verwezen naar paragraaf 5.6 van deze toelichting. 5.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

30

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp Tot slot wordt opgemerkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een zone waar toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit benodigd is voor gevoelige bestemmingen in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2

Gemeentelijk beleid externe veiligheid

De gemeente wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om de verantwoordelijkheid in te vullen heeft de gemeente Raalte externe veiligheidsbeleid geformuleerd in haar ‘Integraal Veiligheidsbeleid 2015-2018’. Bij externe veiligheid gaat het om de risico's op de omgeving die samenhangen met het produceren, verwerken, opslaan en vervoeren van gevaarlijke stoffen. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om een toetsingskader te hebben dat duidelijk maakt welke externe veiligheidsrisico’s in de gemeente aanwezig zijn en hoe er met deze en toekomstige risico's dient te worden omgegaan. De gemeente neemt bij besluiten in het kader van vergunningverlening en ruimtelijke ordening het externe veiligheidsbeleid in acht, zoals dat in de rapportage is beschreven. 5.4.3

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico’s, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen

BJZ.nu Bestemmingsplannen

31

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

5.4.4

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne BJZ.nu Bestemmingsplannen

32

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis worden gezien door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNGuitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De (agrarische) bedrijven liggen op redelijke afstand van het plangebied, daarom kan de omgeving worden aangemerkt als ‘rustige woonwijk’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als

BJZ.nu Bestemmingsplannen

33

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In dit geval worden de woningen binnen het plangebied aangemerkt als milieugevoelige functies. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele intensieve (doch biologische) veehouderijen en een grondgebonden paardenhouderij. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden op basis van de VNG-uitgave bepalend, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige bedrijven. Daarom wordt hier het aspect ‘geur’ buiten beschouwing gelaten, in paragraaf 5.6 zal hier nader op in worden gegaan. De afstand tussen het gevoelige object (de compensatiewoning) en in de nabije omgeving gelegen inrichtingen zijn getoetst aan de afstanden die genoemd zijn in de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering”, met uitzondering van het aspect ‘geur’.

In onderstaande tabel wordt het bedrijf met bijbehorende milieucategorie en richtafstand (op basis van de VNG-uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’) en de afstand tot het plangebied beschreven. Adres Lemelerveldseweg 32, 8141 PS Heino

Aard bedrijf Intensieve veehouderij

Lemelerveldseweg 37, 8141 PS Heino Lemelerveldseweg 15, 8141 PV Heino

Café/Restaurant

Bosweg 4, 8141 PZ Heino

Intensieve (doch biologische) veehouderij

Kleinjansweg 1, 8141 PN Heino

Grondgebonden paardenhouderij

Intensieve veehouderij

Categorie en richtafstand 4.1 / 50 m (geluid) 30 m (stof) 1/ 10 m (grootste afstand) 4.1 / 200 m (geur) 50 m (geluid) 30 m (stof) 4.1 / 200 m (geur) 50 m (geluid) 30 m (stof) 3.1 / 50 m (geluid) 30 m (stof)

Afstand tot plangebied Circa 160 m

Circa 45 m Circa 410 m

Circa 80 m

Circa 260 m

Gezien de afstand van de nieuwe vrijstaande woning tot de omliggende milieubelastende functies wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde woning – beoordelend zonder het aspect geur, in paragraaf 5.6 zal hier nader op in worden gegaan - wordt voldaan aan de richtafstanden voor geluid- en stofhinder en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens worden de in de omgeving voorkomende (agrarische) bedrijven niet belemmerd door de in dit plan besloten ontwikkeling. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Geur

5.6.2

Wet Geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader. In de Wet geurhinder en veehouderij wordt onderscheidt gemaakt in twee soorten dieren:

BJZ.nu Bestemmingsplannen

34

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp •

•

dieren waarvoor een geuremissiefactor (uitgedrukt in odour units per seconde) is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Met behulp van deze geuremissiefactor kan de geurbelasting op een ‘geurgevoelig object’ (ggo) worden berekend en worden getoetst aan de geurnorm. Deze dieren noemen we verder odour unit-dieren, afgekort als OU-dieren. dieren waarvoor géén geuremissiefactor is bepaald. Voor deze dieren geldt een minimaal te respecteren afstand (‘vaste afstand’) tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de buitenzijde van een ‘geurgevoelig object’ (ggo). Deze dieren noemen we verder vaste afstand dieren, afgekort als VA-dieren.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dienen tussen dierverblijven waar VA-dieren worden gehouden en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een nietconcentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. 5.6.2

Situatie plangebied

Omdat er op korte afstand van het plangebied een biologische varkenshouderij is gelegen is door Windmill Milieu en Management een Quickscan geurhinder uitgevoerd inzake de inpasbaarheid van de beoogde woning. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 3, hieronder worden de resultaten toegelicht. In de omgeving van het plangebied zijn op basis van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Raalte, enkele veehouderijen toegestaan. In het onderzoek zijn allereerst de veehouderijen die binnen een straal van 2 kilometer van het plangebied op basis van het Bestand Veehouderij Bedrijven (WebBVB) van de provincie Overijssel beschouwd. Binnen een straal van 2 kilometer zijn in totaal 57 veehouderijen gelegen waarvan 38 met OU-dieren. Vervolgens is ingezoomd op de veehouderijen binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de veehouderijen welke binnen deze straal liggen. Het gaat hier om:

Gebleken is dat de veehouderij aan Bosweg 4 mogelijk relevant is voor de nieuwe woonfunctie. Veehouderij Bosweg 4 – vergunde milieurechten & planologische rechten Bestaande situatie Van aantasting van planologische geurrechten van de Bosweg 4 kan slechts sprake zijn indien de nieuw te realiseren woning Lemelerveldseweg 39a in de toekomst de maatgevende beperking vormt voor de veehouderij. In de onderhavige situatie blijkt uit de berekening van de voorgrondgeurbelasting, op basis van de vigerende vergunning van de Bosweg 4 dat ter plaatse van de bestaande woning aan de Verversweg 6 de

BJZ.nu Bestemmingsplannen

35

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp voorgrondgeurbelasting 8,9 OUE/m3 bedraagt en daarmee de normstelling van 8 OUE/m3 overschrijdt . Dergelijke situaties kunnen van oudsher zijn ontstaan. Ter plaatse van de woning aan de Verversweg 6 is sprake van een overbelaste situatie. Uitbreiding van de geuremissie, afkomstig van het bedrijf dat is gevestigd op het perceel Bosweg 4 is om die reden op dit moment niet mogelijk. Theoretische situatie Uit onderzoek blijkt dat de locatie Lemelerveldseweg 39a reeds als een geurgevoelig verblijfsobject wordt aangemerkt waarbinnen geruime tijd per dag verbleven mag worden. Deze locatie is ook meegenomen in de geurberekening behorende bij de vergunde dierbezetting van de vigerende vergunning voor Bosweg 4. Dit is eveneens zichtbaar en opgenomen in de BAG (zie uitsnede hieronder). Hiermee wordt het bestaande object Lemelerveldseweg 39a als een bestaand geurgevoelig verblijfsobject aangemerkt.

Uitsnede uit de BAG (Bron: BJZ.nu)

Wel is als rekenpunt voor de geurbelasting van het perceel Bosweg 4 uitgegaan van het middelpunt van het verblijfsobject Lemelerveldseweg 39a. De berekende geurbelasting op dit punt, met de coördinaten x: 214 557 en y: 494802 (zie de uitsnede op de volgende pagina), bedraagt 6,8 OUE/m3. De berekening van het middelpunt is niet juist, bij dit soort geurbelastingberekeningen dienen de hoekpunten van de gevel een verblijfsobject berekend te worden. Dit heeft tot gevolg dat de berekende geurbelasting op de gevel van het bestaande verblijfsobject 7,4 en 7,2 OUE/m³ bedraagt, zie de uitsnede uit de VSTACKS-berekening op de volgende pagina. Dit betekent omgekeerd dat bij de nieuw te realiseren woning Lemelerveldseweg 39a de geurbelasting niet meer dan 7,4 OUE/m3 mag bedragen. Doordat de woning aan de Lemelerveldseweg 39a in de vigerende milieuvergunning van Bosweg 4 al als geurgevoelig object is meegenomen verandert er als gevolg van voorliggend bestemmingsplan niets, zowel een woning (dit bestemmingsplan) als een bedrijfsbestemming met bestaand object (huidige bestemmingsplan) betreft een geurgevoelig object. In die situatie blijkt dat als zodanig geen sprake van ongebruikte theoretische planologische uitbreidingsrechten die door het beoogde bouwplan worden beperkt.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

36

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

Uitsnede uit de vigerende bouwvergunning uit 2012 van de Bosweg 4 (Bron :BJZ.nu)

Uitsnede uit VSTACKS-berekening 2020 (Bron: Omgevingsdienst Ijsseland)

BJZ.nu Bestemmingsplannen

37

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp Woon- en leefklimaat van de beoogde woning Voorgrondgeurbelasting De berekende voorgrondgeurbelasting, veroorzaakt door de vergunde dierbezetting op de veehouderij aan de Bosweg 4, bedraagt 7,4, respectievelijk 7,2 OUE/m3 ter plaatse van de hoekpunten van het bestaande verblijfsobject. Het bouwvlak van de nieuw te realiseren woning aan de Lemelerveldseweg 39a is exact gesitueerd op 7,4 OUE/m³, zie ook de plankaart hieronder.

Op basis van de berekende geurbelasting van 7,4 OUE/m3 is het woon- en leefklimaat te kwalificeren als ‘slecht’. Hier kiest initiatiefnemer zelf voor, mensen kiezen er zelf voor om in het buitengebied te gaan wonen. Achtergrondgeurbelasting De berekende achtergrondgeurbelasting ter plaatse van het woningbouwplan bedraagt tussen de 3,5 en 6,5 OUE/m3. Op basis hiervan is het woon- en leefklimaat als gevolg van de achtergrondgeurbelasting te kwalificeren als ‘redelijk goed’. Conform de vuistregel ‘dat de voorgrondgeurbelasting maatgevend is indien die tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting” is in onderhavige situatie de voorgrondgeurbelasting maatgevend voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat. Fijnstof Een voor de volksgezondheid belangrijke vorm van luchtverontreiniging is het fijnstof. Dit zijn in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 micrometer (<10 µm). Fijnstof is bij inademing schadelijk voor de gezondheid, met name voor de luchtwegen. Omdat de deeltjes niet allemaal dezelfde vorm hebben wordt fijnstof uitgedrukt in PM10. Momenteel wordt gewerkt aan regels en eisen voor een Pm²,5 omdat de meest fijne deeltjes de meest gezondheidsproblemen zouden veroorzaken. Volgens het Milieu en Natuur Planbureau is de voorgestelde Pm²,5 norm voor fijn stof echter niet strenger dan de bestaande normen voor PM 10.

Bronnen van fijnstof zijn het verkeer, met name roet uit dieselmotoren, de industrie, waaronder het storten en overslaan van bulkgoederen, de landbouwbedrijven, met name stallen, de uitstoot door elektriciteitscentrales, de uitstoot uit woningen, bijvoorbeeld door een open haard en natuurlijke bronnen, bijvoorbeeld zeezout, of stof vanuit de bodem.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

38

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp Plangebied Als gevolg van het bedrijf aan de Bosweg 4 kunnen door bijvoorbeeld grondverzet en verplaatsing van vee gronddeeltjes verwaaien tot grof stof in de lucht. Dit kan in de omgeving tijdelijk tot een hogere depositie leiden. Grof stof in de lucht is niet gevaarlijk voor de gezondheid, maar als er in korte tijd een grote hoeveelheid stof neerslaat, dan kan dit wel hinderlijk zijn. Afhankelijk van de weersomstandigheden en de windrichting kan de Bosweg 4 dus bijdragen aan emissie en depositie van grof stof in de omgeving. Aangezien de daadwerkelijke onderliggende afstanden tot de woonbebouwing (en tot het plangebied aan de Lemelerveldseweg 39a) groot zijn, is de Bosweg 4 slechts beperkt bepalend voor de stofhinder. In de praktijk zal deze bijdrage aan grof stof uit de Bosweg 4 op of binnen het plangebied waarschijnlijk niet waarneembaar zijn. Gezondheid De aanwezigheid van een veehouderij nabij een woning kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. De GGD'en hebben de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid' ontwikkeld zodat ze op dezelfde manier hierover kunnen adviseren. De coördinatie van de richtlijn ligt bij het RIVM. De richtlijn beschrijft de huidige kennis over veehouderij en gezondheid.

Ook geeft de richtlijn input voor gezondheidskundige adviezen voor omwonenden in verschillende situaties. Denk aan de uitbreiding of vestiging van veehouderijbedrijven, of de gebiedsinrichting van het platteland. In onderhavig bestemmingsplan is uitgebreid onderzoek gedaan naar de aspecten geur en millieuzonering. Er zijn weloverwogen keuzes gemaakt, waarbij als gevolg van dit bestemmingsplan geen sprake is van uitbreiding van een veehouderij, en waarbij tevens geen sprake is van toename van de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen. 5.6.3 Conclusie De bestaande vergunde bedrijfssituatie van Bosweg 4 wordt niet belemmerd (de geurbelasting op geprojecteerde woning voldoet aan de wettelijke geurnorm). Er wordt voldaan aan het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij.

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Nederlands Natuurnetwerk (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Hieronder worden de onderzoeksresultaten ten aanzien van gebiedsbescherming en soortenbescherming weergeven.. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. In de nabijheid van het plangebied is geen Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied “Vecht- en Beneden Regge-gebied” is gelegen op een afstand van minimaal 8 kilometer. Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening (opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting) met betrekking tot zowel de aanleg- als gebruiksfase blijkt dat in beide fases van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

39

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig 5.7.1.2 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale Actualisatie Omgevingsvisie en –verordening uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Gronden die tot het NNN behoren liggen minimaal op 0,8 kilometer afstand van het plangebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het NNN ten opzichte van het plangebied met een rode ster weergegeven. Gelet op deze afstand en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling kunnen negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden uitgesloten.

Afbeelding 5.2

5.7.2

Ligging van Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied (Bron: Provincie Overijssel)

Soortenbescherming

5.7.2.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Eco Groen heeft ter plaatse van het plangebied een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. In bijlage 4 van deze toelichting is de onderzoeksrapportage opgenomen. In de bomen en bebouwing binnen en langs het plangebied zijn geen potentiële vleermuisverblijfplaatsen aangetroffen. Evenmin is sprake van essentiële foerageergebieden of vliegroutes van vleermuizen. Vervolgstappen ten aanzien van vleermuizen zijn niet aan de orde. Nesten van broedvogels met jaarrond beschermde nesten en onmisbare foerageergebieden zijn niet aanwezig in het plangebied. Wel zijn gedurende de broedtijd enkele algemene vogelsoorten broedend te verwachten

BJZ.nu Bestemmingsplannen

40

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp binnen het projectgebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Bij de geplande werkzaamheden kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling verloren gaan. Het project heeft geen negatief effect op beschermde flora, reptielen, vissen en ongewervelden. 5.7.3

Conclusie

De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Overijssel vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Raalte heeft archeologische verwachtingswaarden in bestemmingsplannen doorvertaald. De betreffende gronden hebben in het bestemmingsplan ‘Buitengebied geconsolideerd’ de dubbelbestemming ‘Waarde - archeologie - 2’. Hier geldt een onderzoeksverplichting bij het bodemingrepen waarbij de bodem dieper dan 0,5 m -Mv wordt geroerd over een oppervlakte van meer dan 5.000 m². De bouwplannen gaan deze oppervlakte niet te boven, een nader onderzoek naar archeologische waarden is niet noodzakelijk. 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Op grond van de wet Modernisering Monumentenzorg (de MoMo), die per 1 januari 2012 van kracht is geworden, moet een goede ruimtelijke onderbouwing een beschrijving bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart Overijssel, in het plangebied zelf geen rijksdanwel gemeentelijke monumenten. Naast de objecten dient er ook gekeken te worden naar structuren en patronen in het landschap. Er bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen structuren of patronen BJZ.nu Bestemmingsplannen

41

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp welke verwijzen naar vervlogen tijden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.8.3

Conclusie

Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Tevens is er geen sprake van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit temeer omdat het plangebied op een ruime afstand van circa 8 kilometer vanaf het dichtstbijzijnde Natura2000 gebied ‘Vecht- en Beneden Reggegebied’ is gelegen en de ontwikkeling beperkt van aard is. 5.9.2.2 Aerius-berekening Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot zowel de aanleg- als de gebruiksfase blijkt dat in beide fases van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De onderdelen en resultaten van de AERIUS-berekening zijn in bijlage 4 bijgevoegd.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

42

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. Om deze reden is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschreden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

In dit geval worden één woning gebouwd en worden de drempelwaarden niet overschreden, waardoor geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit bestemmingsplan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Het vorenstaande houdt in dat van een stedelijke ontwikkeling geen sprake is. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk en het volgende hoofdstuk dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk maken. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

43

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Inleiding

Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet.

6.2

Vigerend beleid

6.2.1

Europees beleid

Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater verbeterd zodat het water chemisch en ecologisch (weer) gezond wordt. Alle waterbeheerders moeten ervoor zorgen dat de waterkwaliteit in 2015 op orde is. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op stroomgebied niveau plannen opgesteld In deze stroomgebiedplannen staan de concrete doelstellingen en maatregelen beschreven voor de verschillende stroomgebieden. 6.2.2

Rijksbeleid/Waterwet

De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Daarnaast zijn alle voormalige vergunningstelsels opgegaan in één watervergunning en drie lozingenbesluiten om zo de regeldruk te verlagen. 6.2.2.1 Nationaal waterplan 2009-2015 Onderdeel van de bovengenoemde Waterwet is het zesjaarlijkse Nationaal Waterplan. Dit plan is de opvolger van de 4e Nota Waterhuishouding (1998) en heeft de status van structuurvisie binnen de Wet ruimtelijke ordening. Tevens maken de (vier) stroomgebiedsbeheersplannen (SGBP's) onderdeel uit van het Nationaal Waterplan. Op deze wijze ontstaat er een heldere koppeling tussen Europees beleid (KRW) en rijksbeleid. Duurzaam waterbeheer is het devies van het Nationaal Waterplan. Gemeenten hebben specifieke taken op het gebied van omgaan met afvalwater, hemelwater en grondwater.

Daarnaast kunnen gemeenten faciliterend optreden bij het nemen van bepaalde ruimtelijke maatregelen. 6.2.2.2 Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water De opgetreden wateroverlast in het verleden heeft aangetoond dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. In grote lijnen ligt in de belangrijkste nationale beleidsstukken de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken. 6.2.2.3 Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot het aanscherpen van een aantal begrippen en het BJZ.nu Bestemmingsplannen

44

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's. Ook is een nieuwe fase aangebroken in het samenwerkingsproces, waarbij het zwaartepunt verschuift van planvorming naar uitvoering. Het NBW is een uitwerking van de uitvoering van waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: • •

6.2.3

het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit. Provinciaal beleid

De Omgevingsvisie Overijssel bevat het provinciale waterbeleid en is daarmee ook het Regionaal Waterplan. De provincie omschrijft haar ambitie met het waterbeleid voor de komende jaren in één zin als volgt: ‘We willen onze watersystemen zo inrichten dat ze voldoende en goed water bevatten en dat ze voor lange tijd veilig zijn en bestand tegen klimaatverandering’. Om daar te komen heeft de Omgevingsvisie vijf centrale thema’s: • • • • •

6.2.4

Veiligheid: een veilige omgeving om te wonen en te werken door voldoende bescherming tegen het water te bieden Schoon en gezond water: een goede drinkwatervoorziening onmisbaar. Goed functionerende ecosystemen hebben voldoende en schoon water nodig. Gebruik van water: een goed waterpeil voor de landbouw of beregening Water als waardevol element. Water heeft behalve praktisch nut ook een belevingswaarde. Water is een waardevol element in de woon- en werkomgeving en in het buitengebied. Sturing waterbeleid: In de Omgevingsvisie geeft de provincie aan welke rol ze in het waterbeleid wil spelen. Waterschapsbeleid

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan. •

•

•

6.2.5

Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond. Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan. Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken. Gemeentelijk beleid

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor: • • •

inzameling en transport van stedelijk afvalwater. het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater. grondwater(maatregelen).

BJZ.nu Bestemmingsplannen

45

Bestemmingsplan Buitengebied Raalte, part. herz. nr. 36, omgeving Lemelerveldseweg 39a Ontwerp De gemeente Raalte heeft een Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) vastgesteld. Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater. Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen): •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=d567b7f7-e132-491f-b830-4cf88921c802