B3_ROB Tijs Heeten - maart2025-incl. bijlagen
Tekst van het document
chemisch luchtwassysteem; 95% ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
0,07
125,44
Totaal:
4777,12
* emissie in kg NH3 per dierplaats per jaar volgens de Regeling ammoniak en veehouderij
In de gewenste situatie worden de (nieuwe) stallen voor het huisvesten van de vleesvarkens uitgevoerd met aanvullend uitgevoerd met een extra (dubbel) emissiearm stalsysteem. Hieronder is de berekening van de bijbehorende ammoniakemissiefactor opgenomen. In de RAV (eindnoot 3) is het volgende opgenomen indien naast het toepassen van een luchtwassysteem in combinatie met een ander emissiearm stalsysteem: 3 De emissiefactor die bij de betreffende luchtwassystemen (en biofilters) staat vermeld, is gebaseerd op de toepassing van het luchtwassysteem bij een traditioneel (niet emissiearm) huisvestingssysteem. Indien het luchtwassysteem wordt toegepast in combinatie met een ander emissiearm huisvestingssysteem – niet zijnde een ander luchtwassysteem --, wordt de emissiefactor van die combinatie als volgt berekend: efc = 0,01 x (100 – rpl) x efa (efc en efa zijn daarbij de emissiefactoren van de combinatie respectievelijk van het andere emissiearme systeem is; rpl geeft het reductiepercentage van de luchtwasser weer). Indien het reductiepercentage van het andere huisvestingssysteem evenwel hoger is dan 70 (efa < 0,3efo, waarbij efo de emissiefactor van overige huisvestingssystemen van de betreffende diercategorie is), dan geldt evenwel: efc = 0,01 x (100 – rpl) x 0,3efo.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
60
Vleesvarkens In de gewenste situatie worden de beide nieuwe stallen voor het huisvesten van de vleesvarkens (stal 6 & 7) uitgevoerd met een ICV-systeem (stalen roosters / emitterend oppervlak per dier is > 0,18 en < 0,27 m2) in de kelders (BWL 2004.04V2) en een chemische luchtwasser (BWL 2008.08V6). De ammoniakemissiefactor van het ICV-systeem (BWL 2004.04V2) bedraagt 1,4 kg per dier per jaar (< 70% reductie) en het reductiepercentage van de luchtwasser BWL 2008.08V6 is 95%. Op basis van de formule efc = 0,01 x (100 – rpl) x efa bedraagt voor deze toepassing de ammoniakemissiefactor 0,07 kg per dier per jaar. ➔ 0,01 x (100 – 95) x 1,4 = 0,07. In de gewenste situatie is er ten opzichte van de referentiesituatie sprake van een ruime afname van de ammoniakemissie (6.841,3 – 4.777,1 =) – 2.064,2 kg (-30,2%). In de gewenste situatie mag op grond van Wav de ammoniakemissie bij het houden van de gewenste veebezetting maximaal 22.693,8 kg bedragen. Nu de ammoniakemissie slechts 4.777,1 kg bedraagt, is de ammoniakemissie in de gewenste situatie ruimschoots lager dan het geldende maximale “ammoniakemissieplafond” op grond van de Wav en het BeHV. In de gewenste situatie wordt de volledige bedrijfsopzet uitgevoerd op basis va BBT++.
De gewenste bedrijfsopzet voldoet hierdoor ruimschoots aan het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij, de “Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij”, de Oplegnotitie bij de BREF en het Besluit emissiearme huisvesting veehouderij (BeHV).
7.3 Wet Natuurbescherming Gebiedsbescherming / stikstof Binnen 25 kilometer van de varkenshouderij liggen 8 Natura2000 gebieden. De 8 gebieden liggen op de volgende afstand van de bedrijfslocatie: • Boetelerveld : 2,6 kilometer • Sallandse Heuvelrug : 6,7 kilometer • Rijntakken (Uiterwaarden IJssel) : 10,6 kilometer • Vecht- en Beneden Reggebied : 13,0 kilometer • Wierdense Veld : 15,1 kilometer • Veluwe : 16,2 kilometer • Borkeld : 16,6 kilometer • Uiterwaarden Zwarte water & Vecht : 19,3 kilometer De varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a is gelegen op ruime afstand van een Natura 2000 gebied (> 2,5 kilometer).
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
61
Gelet op deze ruime afstand tot een Natura 2000 gebied behoeft in het MMA, naast de stikstofdepositie, niet voor “significant negatieve effecten” / directe invloed met betrekking tot andere aspecten (o.a. verstoring, geluidhinder, lichthinder etc.) te worden gevreesd. Significant negatieve effecten als gevolg van deze bedrijfsopzet kunnen worden uitgesloten. Het college van GS van Overijssel heeft voor onderhavige varkenshouderij op 28 november 2014 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 verleend (2014/0327650). De stikstofdepositie op de 8 omliggende Natura2000 gebieden is ten aanzien van de gewenste situatie / MMA inzichtelijk gemaakt met het verspreidingsmodel Aerius. Totale jaarlijkse emissie berekening stikstofdepositie Aerius: •
5.586,3 kg NH3
• 301,3 kg NOx In de navolgende figuur (uitdraai Aerius-berekening / bijlage 7) is de stikstofdepositie ter plaatse van de 8 omliggende Natura2000 gebieden en de aanvullende 9 beoordelingspunten in de directe omgeving inzichtelijk gemaakt. De hoogste bijdrage vindt plaats op Natura2000 gebied Boetelerveld en deze bedraagt 4,37 mol/hectare/jaar.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
62
Verschilberekening Aerius Vervolgens is met toepassing van het Aerius-model 2024 ook een zogenaamde verschilberekening gemaakt. In deze verschilberekening (zie bijlage 8) is de vigerende situatie conform de geldende vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (2014) opgenomen alsmede de gewenste bedrijfsopzet. Uit deze verschilberekening blijkt dat ter plaatse van de 8 omliggende N2000 gebieden er sprake is van een (ruime) afname van de stikstofdepositie. Ter plaatse van het maatgevende N2000 gebied Boetelerveld is er sprake van een afname van 2,51 mol (- 36,5%). De in de berekening / uitdraai weergegeven “toename” kan op basis van het Aerius-model 2024 worden beschouwd als een “randeffect” (zie bijlage 8). Op alle (extra) rekenpunten in het achterliggende bosgebied is eveneens sprake van een (ruime) afname van de stikstofdepositie (minimaal - 4,91 mol). Deze rekenpunten c.q. dit bosgebied worden ten aanzien van de stikstofdepositie echter niet beschermd op grond van Wet Natuurbescherming en vormen derhalve formeel geen toetsingspunten. In de gewenste situatie is, op basis van de verschilberekening met toepassing van het Aeriusmodel, ten opzichte van de referentiesituatie (Natuurtoestemming WNB 2014) ter plaatse van de 8 omliggende N2000 gebieden er sprake is van een (ruime) afname van de stikstofdepositie.
Deze afname van de stikstofdepositie heeft een positief effect op de aanwezige stikstofgevoelige habitats in de betreffende N2000 gebieden. Gelet op voornoemde kan worden gesteld dat de gewenste bedrijfsopzet een positieve bijdrage levert aan de reductie van de stikstofdepositie in de omliggende N2000-gebieden en aan het behoud van de natuurdoelen c.q. het behalen van instandhoudingsdoelstellingen. De stikstofdepositie van de gewenste bedrijfsopzet vormt op grond van de WNB dan ook geen belemmering om deze variant te realiseren. De genoemde en te bewerkstelligen afname / daling van de stikstofdepositie komt ten goede aan doelstellingen van de N2000-gebieden en zal niet elders worden aangewend. Deze afname kan eveneens worden gezien als een investering in het kader van het KGO-beleid.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
63
Realisatiefase In de gewenste bedrijfsopzet worden nieuwe stallen (stal 6 en 7) alsmede enkele nieuwe bedrijfsgebouwen/bouwwerken gerealiseerd. Daarnaast wordt het aantal vleesvarkens in de bestaande stalruimte (stal 1) verminderd en wordt deze stal aangesloten op een gecombineerde luchtwasser. Om te voorkomen dat er als gevolg van de realisatiefase (tijdelijk) een toename van de ammoniakemissie / stikstofdepositie zal optreden, wordt eerst de bestaande stal (stal 1) aangepast (verminderen aantal dieren en uitgevoerd met de beoogde gecombineerde luchtwasser) alvorens een aanvang wordt gemaakt met de realisatie van de nieuwe stalruimte (stallen 6 en 7) en de realisatie van de overige nieuwe bedrijfsgebouwen/bouwwerken. Als gevolg van deze aanpassing van de bestaande stal 1 wordt de totale ammoniakemissie afkomstig van de veebezetting verminderd met (6.841,3 – 3.887,8 =) 2.953,5 kg. Hiermee wordt eerst de voorgestelde reductie van de ammoniakemissie / stikstofdepositie in de bestaande stalruimte bewerkstelligd, alvorens een aanvang wordt gemaakt met de realisatiefase. Op basis hiervan kan worden gegarandeerd dat er als gevolg van de realisatie (bouw) en in gebruikname van de nieuwe stalruimte geen sprake is van een (tijdelijke) toename van de ammoniakemissie / stikstofdepositie. Voornoemde kan als voorwaarde in de omgevingsvergunning worden opgenomen.
Daarnaast is de realisatiefase van de gewenste bedrijfsopzet (in 2 stappen) inzichtelijk gemaakt met behulp van het Aerius-model. De notitie incl. uitdraai van de Aeriusberekeningen zijn als bijlage 14 toegevoegd. Uit deze berekeningen blijkt dat in de realisatiefase (toegepaste ‘worst-case’ benadering) de stikstofdepositie niet leidt tot significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Derhalve kan op voorhand worden uitgesloten dat er bij onderhavig bouwproject sprake zal zijn van significant negatieve effecten.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
64
Soorten bescherming In de Wet natuurbescherming staan beschermingsregels voor de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Vanwege de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 2017 zijn de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet komen te vervallen. Zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming zijn nu in de Wet natuurbescherming geregeld. Op onderhavige locatie is een Quick scan (natuurtoets) flora & fauna uitgevoerd ten aanzien van de soortenbescherming en gebiedsbescherming (o.a. NNN). Het volledige rapport is bijgevoegd als bijlage 9. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn hierna opgenomen:
Conclusies op basis van de uitgevoerde QuickScan Flora en Fauna: De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’, en het opzettelijk ‘verstoren, beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
65
Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren of te doden en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Overijssel. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, zoals de toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te kunnen stellen dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats en bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust-of voortplantingsplaats in het plangebied en er nestelen geen vogels. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen `doden’ en het `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Door het bebouwen en verharden van een deel van het plangebied, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende beschermde dieren af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.
Uit de uitgevoerde QuickScan blijkt dat het aspect flora en fauna geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling. In aanvulling op voornoemde onderzoek is ten behoeve van de realisatie van een centrale afzuiging / luchtkanaal en de luchtwasser in stal 1 (bestaande stal vleesvarkens) en het wijzigen van de emissiepunten in de bestaande stallen stal 4 & 5) een QuickScan uitgevoerd. Uit deze QuickScan komt de volgende conclusie naar voren: Door het ophogen van het dak, het bouwen van de nieuwe luchtwasser, en het ophogen van de bestaande luchtwassers worden er geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
66
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden of een geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te voeren in het kader van de Omgevingswet. Het rapport van deze aanvullende QuickScan is bijgevoegd als bijlage 15.
7.4 Bodem Ter plaatse van de beoogde nieuwe stalruimte is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken: De onderzoekslocatie bestaat uit grasland. In zowel de bovengrond (BM1 en BM2) als in de ondergrond (OM1 en OM2) zijn geen verhogingen aangetroffen. In de grondwatermonsters (PB1 WM1 en PB3 WM1) zijn lichte verhogingen barium aangetroffen. In het grondwatermonster (PB2 WM1) zijn lichte verhogingen barium en nikkel aangetroffen. Tevens is in het grondwatermonster (PB1 WM1) de concentratie nikkel verhoogd aangetroffen ten opzichte van de tussenwaarde. Naar aanleiding van deze verhoging is de bestaande peilbuis opnieuw bemonsterd. Uit het analysecertificaat van het her-monster (PB1 HER Ni) blijkt dat er een lichte verhoging nikkel is aangetroffen in het grondwater. De verhoging nikkel in het grondwatermonster (PB1 WM1) geeft formeel aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek. Echter zijn er een aantal redenen om af te zien van een nader onderzoek: • In het her-monster van de bestaande peilbuis is slechts een lichte verhoging nikkel aangetroffen; • Er is geen eenduidige bron voor de verhoging aan te wijzen; • Zware metalen worden vaker verhoogd aangetroffen in het grondwater en kunnen van nature verhoogd voorkomen. Tevens kunnen zware metalen in concentratie sterk fluctueren.
Algemeen Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het “Besluit bodemkwaliteit” van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘meldpunt bodemkwaliteit’. De kwaliteit van de bodem en grondwater vormt geen beperking voor het realiseren van nieuwe stalruimte voor dieren. Het betreffende rapport is als bijlage 10 toegevoegd. Activiteit
Maatregel
- gecombineerde biowassers - opslag spuiwater gecombineerde biowassers - chemische luchtwassers - opslag spuiwater chemische luchtwassers - opslag zwavelzuur - opslag ontsmettings- / reinigingsmiddelen - opslag bestrijdingsmiddelen
gesloten proces // vloeistofkerende units dichte kelders gesloten proces // vloeistofkerende-zuurbestendige units productbestendige kunststof spuiwatersilo’s productbestendige IBC’s werkvoorraad in dichte kast werkvoorraad in dichte kast
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
67
- opslag medicijnen - berging / werkplaats - spoelplaats - opslag dunne mest - opslag dikke fractie - opslag grondstoffen - opslag veevoeder / graan - opslag dieselolie en smeerolie - hal mestscheiding
werkvoorraad in dichte kast vloeistofkerende vloer vloeistofkerende vloer opslag in mestdichte kelders / mestsilo’s inpandige opslag / mestdichte vloer dichte productbestendige silo’s dichte productbestendige silo’s dubbelwandige tank / vaten in lekbak gesloten / vloeistofkerende vloer
Gelet op bovenstaande zijn voor alle bodembedreigende activiteiten voldoende maatregelen getroffen. Als gevolg van het toepassen van deze beschermende voorzieningen, zal het risico op bodemverontreiniging gering zijn. Op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodemrisico is er hierdoor sprake van een aanvaardbaar verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging (categorie I).
7.5 Archeologie & Cultuurhistorie Archeologie De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze (naar verwachting) in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Gronden binnen het plangebied zijn op basis van het geldende bestemmingsplan Buitengebied Raalte voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie 1, 2 & 3'. Binnen deze dubbelbestemmingen geldt een archeologische onderzoeksplicht bij werkzaamheden c.q. realisatie van gebouwen en bouwwerken. De locatie Heetenseweg 9a te Heeten is niet voorzien van een dubbelbestemming “Waarde-Archeologie”. Ter plaatse zijn derhalve geen archeologische waarden te verwachten en geldt geen onderzoeksverplichting.
Wel geldt bij de uitvoering de bodemingrepen voor de realisatie van de gewenste bedrijfsopzet een algemene zorgplicht ten aanzien van archeologische waarden. Mochten dergelijke archeologische restanten ter plaatse worden aangetroffen dan dient hiervan melding te worden gemaakt.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
68
Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat bij het vaststellen van een plan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Er bevinden zich in het beoogde plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de uitvoering van het project.
7.6
Water
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de Waterschappen Drents Overijsselse Delta, Reest en Wieden, Regge en Dinkel, Rijn en IJssel en Velt en Vecht. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze Waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Gevolg van deze samenwerking is een grotendeels gemeenschappelijk waterbeheerplan. De waterbeheerplannen beschrijven het beleid van de vijf Waterschappen in Rijn-Oost. De hoofdthema's zijn: het waarborgen van veiligheid, het watersysteembeheer en het ontwikkelen van de afvalwaterketen. Ook opgenomen zijn de maatregelen voor het uitvoeren van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Waterbeheer 21e eeuw. De Waterschappen hebben voor het uitvoeren van de KRW-maatregelen een resultaatsverplichting. Het beleid van waterschap Drents Overijsselse Delta, is beschreven in het Waterbeheerplan en de Beleidsnotitie stedelijk waterbeheer Water Raakt!. De plannen omvatten ook een uitvoeringsprogramma op hoofdlijnen. De plannen worden verder vormgegeven en uitvoeren in dialoog en in samenwerking met alle betrokken partijen.
Om alle uitdagingen het hoofd te kunnen bieden is er naast aandacht voor water vooral ook ruimte voor water nodig om in de toekomst West-Overijssel veilig en leefbaar te houden. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft meer ruimte voor water nodig om wateroverlast en verdroging te voorkomen waarbij natuurwaarden zich kunnen ontwikkelen. Met de uitvoering van het programma Ruimte om te leven met water wordt gestreefd naar realisatie. Uitvoering heeft de komende jaren prioriteit, vooral van de Kaderrichtlijn water maatregelen waarvoor een resultaatsverplichting geldt. Deze uitvoering vraagt na inrichting van het nieuwe watersysteem om een aangepast beheer en onderhoud. Om ook op de lange termijn doelmatig gestalte te kunnen geven aan het afvalwaterketenbeheer worden nieuwe (zuiverings) technologieën en werkwijzen ontwikkeld en doorgevoerd.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
69
Het Waterplan is een beleidsdocument waarin al het water binnen de gemeentegrenzen van Raalte integraal benaderd wordt. Door deze integraliteit vormt het Waterplan een sterke basis voor het streven naar een duurzaam, toekomstgericht watersysteem. Het Waterplan biedt daarnaast een waterkader voor alle beleidsvelden die raken aan het waterbeheer. Het Waterplan heeft geen wettelijke basis, maar vormt een functioneel beleidsdocument. Het Waterplan richt zich op zowel het watersysteem binnen de bebouwde kernen van de gemeente Raalte als daarbuiten. Het watersysteem buiten de bebouwde kernen is eveneens opgenomen in het waterbeheerplan van Waterschap Drents Overijsselse Delta. De projectlocatie ligt in het stroomgebied Sallandse weteringen. Rond het plangebied liggen primaire A-watergangen (kanaal aan de westzijde + sloot aan de noordzijde) in het beheer van het Waterschap Drents Overijsselse Delta.
Figuur 31: Legger oppervlaktewateren / A-watergangen (bron: Waterschap Drents Overijsselse Delta)
Watersysteem Aan- en afvoer van voldoende water, waarborg van de waterkwaliteit en ruimte voor water. Watergangen: Het project ligt niet een beschermingszone van een primaire A-watergang en/of secundaire Bwatergang van het Waterschap Drents Overijsselse Delta.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
70
o Primaire A-watergangen (>25 L/s afvoer gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): watergangen waar het waterschap verantwoordelijk is voor de inrichting en het onderhoud. o Secundaire B-watergangen (>10 L/s afvoer en <25 L/s gedurende gemiddeld 1 tot 2 dagen per jaar): waterschap is verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer, maar de grondgebruikers zijn verantwoordelijk voor het onderhoud (eigenaar is onderhoudsplichtig). In de B-watergangen is een bepaalde vorm van toezicht door het waterschap mogelijk (schouw). o C-watergangen: hier zijn de grondgebruikers verantwoordelijk voor de inrichting en ze doen zelf het onderhoud. Er geldt geen onderhoudsverplichting en het waterschap houdt geen toezicht of onderhoud goed wordt uitgevoerd. Wijzigingen aan het watersysteem Dempen of graven wateren: In de gewenste situatie worden watergangen gegraven en/of gedempt. Waterveiligheid Beschermen van inwoners tegen overstromingen van binnendijkse gebieden. Waarborgen van het veiligheidsniveau van dijken en beperken van gevolgen overstromingen door een water robuuste inrichting. In de omgeving van de bedrijfslocatie ligt een regionale kering. Deze kering heeft geen beperkingen voor het project.
Wateroverlast Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt worden afgevoerd, zonder dat dit leidt tot water-op-straat of wateroverlast benedenstrooms van het plangebied. Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. Er wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die gemeenten stellen aan: • het benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte; • het gescheiden houden van hemelwater; • de capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater. Compensatie nieuwbouw uitbreidingslocaties • Bij deze beoordeling is rekening gehouden met minimaal 10% meer neerslag in 2050; • Ontwerp in de dagelijkse beheersituatie: Hoe hoog het waterpeil kan stijgen is afhankelijk van de beschikbare ruimte voor water en de toegestane afvoer. Om ervoor te zorgen dat bij nieuwe ruimtelijke plannen de versnelde afvoer van water naar het omliggende gebied wordt beperkt, hanteren we een afvoernorm. De te hanteren afvoernorm voor een situatie die 1 of 2 dagen per jaar optreedt is gemiddeld 0,8 l/s/ha. ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
71
Toetsbui voor extreme neerslagsituatie: Het watersysteem wordt getoetst op basis van een hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden. Er wordt rekening gehouden met een bui van 111 mm in 48 uur. De toegestane afvoer in deze neerslagsituatie is 1,6 L/s/ha. Onderstaande tabel toont aan dat STOWA statistieken op basis van deze uitgangspunten leiden tot een bergingsopgave van 80 mm. Neerslagstatistiek Klimaatscenario Afvoer (L/s/ha) T=1 Afvoer (L/s/ha) T=100 (maatgevend) Maatgevende buiduur (uur) Totale neerslaghoeveelheid (mm) Afvoer via oppervlaktewater (mm) Berging dak/straat/etc (mm) Benodigde berging (mm)
Statistiek volgens Stowa rapport 2015-10 Huidig klimaat +10% 0,8 1,6 48 111 (100,9*1,1) 28 3 80
Tabel 1: Overzicht van hoeveelheden en benodigde berging
In de gewenste situatie omvat de toename van de verharde oppervlakte in totaal 15.074 m2. Het vrijkomende hemelwater van deze verharding wordt ter plaatse geborgd en kan vervolgens ter plaatse infiltreren. Hiervoor worden ten behoeve van het project een opvangsloot en 2 opvangvijvers gerealiseerd. Deze opvangvoorzieningen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 1.550 m2. Hierbij is een “worst-case” buffer van minimaal 0,8 meter als uitgangspunt gehanteerd. Uit de grondwatertrappenkaart van het Waterschap (Waterbeheerprogramma 2022-2027) blijkt dat in omgeving sprake is van een relatief hoge grondwaterstand. De gemiddelde hoogte van het grondwater (GHG) bedraagt 25-40 cm. en de gemiddelde laagste hoogte van het grondwater (GLG) bedraagt > 120 cm. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek is gebleken dat de grondwaterstand ter plaatse van de beoogde nieuwe stalruimte (maart 2021) 87 cm. bedroeg. De bedrijfslocatie van Tijs Heeten is echter verhoogd uitgevoerd. Bij de realisatie van de bestaande stallen en bedrijfsgebouwen/-woningen is namelijk het peil aangehouden ten opzichte van de naastgelegen Heetenseweg. Deze provinciale weg is, onder meer vanwege het naastgelegen kanaal, veel hoger gelegen dan de omliggende percelen. Ook bij de realisatie van de nieuwe stallen bouwwerken wordt het (verhoogde) peil van de Heetenseweg gehanteerd.
Als gevolg van voornoemde bedraagt de gemiddelde hoogte van het grondwater (GHG), gemeten vanaf het peil op de bedrijfslocatie (voorerf), ongeveer 100-120 cm. Op basis van een buffercapaciteit van minimaal 80 cm. heeft de opvangvoorziening (opvangvijvers en opvangsloot) een minimale capaciteit van 1.240 m3 en voldoet aan de gestelde voorwaarde van (15.074 m2 x 80 mm =) 1.205 m3.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
72
Figuur 32: opvangvoorzieningen hemelwater (bron VanWestreenen Adviseurs)
Grondwateroverlast: Ter plaatse kan incidenteel grondwateroverlast plaatsvinden. De nieuwe stalruimtes worden hiertoe voorzien van vloeistofdichte-/mestdichte betonkelders. Daarnaast worden de nieuwe stallen verhoogd uitgevoerd (10 cm boven bestaande bebouwing / ong. 40-50 cm. boven peil). Primair watergebied Overijssel: De primaire watergebieden, zijn door de provincie Overijssel aangewezen als ruimte voor natuurlijke waterberging in extreme situaties om stedelijk gebied te beschermen tegen wateroverlast. Ze worden ruimtelijke beschermd en dienen vrijgehouden te worden van ontwikkelingen die de wateropvangfunctie belemmeren. Deze gebieden zijn relatief laaggelegen en lopen bij extreme neerslag vanzelf onder water. De kuubs die verloren gaan door ophoging van een plangebied moeten elders in het gebied (grenzend aan het huidige waterbergingsgebied) worden gecompenseerd zodat het als zodanig gaat functioneren als waterberging. In overleg met de gemeente moet goed worden gekeken hoe dit planologisch verankerd moet worden. De locatie Heetenseweg 9a is deels gelegen in een gebied dat is aangeduid als “waterbergingsgebied”. Dit gebied valt aan de noordoostzijde van het erf gedeeltelijk over de bestaande bebouwing en bouwvlak alsmede is de beoogde uitbreiding ook gedeeltelijk gelegen in dit bergingsgebied. Zie navolgend figuur.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
73
Figuur 33: situering waterbergingsgebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De volgende gebouwen en bouwwerken inclusief verhardingen worden in het waterbergingsgebied gerealiseerd mestsilo (gedeeltelijk): 475m² Loods: 150m² Verlenging biggenstal + stalruimte vleesvarkens (ged.): 8.072m² Verharding: 1.577m² Totaal: 10.274m² In totaal wordt derhalve 10.274 m2 aan bebouwing/verharding gerealiseerd in het aangeduide waterbergingsgebied. Dit gebied ligt ten opzichte van de omgeving relatief hoog. Tijs Heeten b.v. beschikt in de (directe) omgeving over diverse percelen landbouwgrond. Onder meer aan de noordoostzijde liggen lager gelegen percelen akkerbouwgrond. Ter compensatie van de genoemde bebouwing is voorgesteld om het waterbergingsgebied op eigen grond te compenseren, door het genoemde lager gelegen perceel aan de noordoostzijde met een omvang van 15.000 m2 toe te voegen aan het waterbergingsgebied. Bij de voorschriften van de te verlenen omgevingsvergunning wordt de uitbreiding van dit waterbergingsgebied als voorwaarde toegevoegd. Met het ruim opnemen en vastleggen van het besluitvlak op ruimtelijkeplannen.nl en/of na 1 januari 2024 in het Digitaal Stelsel Omgevingswet wordt geborgd dat de compensatie van het waterbergingsgebied juridisch is opgenomen. De Gemeenteraad van Raalte kan dit gebied bij een eerstvolgende wijziging van het geldende bestemmingsplan dan wel het op te stellen Omgevingsplan als zodanig aanmerken.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
74
Als gevolg van deze vergroting van het waterbergingsgebied met een lager gelegen perceel, wordt de aanwezige buffer voor hemelwater niet belemmerd en ruimschoots / afdoende gecompenseerd. Voornoemde is in navolgende figuur met een rode pijl alsmede op de situatieschets behorende bij bijlage 11 weergegeven.
Figuur 34: compensatie waterbergingsgebied (bron: VanWestreenen Adviseurs)
Ter plaatse van de beoogde nieuwe stalruimte (huidige waterbergingsgebied) bedraagt de hoogte 6 meter boven NAP. Zie onderstaande figuur.
Figuur 35: Topografische (hoogte)kaart Raalte (bron: topographic-map.com)
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
75
Ter plaatse van het beoogde nieuwe waterbergingsgebied met een omvang van 15.000 m2, perceel in eigendom van Tijs Heeten b.v. in noordoostelijke richting, bedraagt de hoogte 5 meter boven NAP. Zie navolgende figuur.
Figuur 36: Topografische (hoogte)kaart Raalte (bron: topographic-map.com)
Het beoogde aanvullende (nieuwe) waterbergingsgebied is derhalve lager gelegen (- 1 m. NAP). Dit perceel is hierdoor veel meer geschikt om eventuele overtollig water op te vangen. Ter plaatse van dit perceel zijn fysiek geen ingrepen t.b.v. een eventuele waterberging (bijv. maaiveldverlaging) benodigd. Hierbij wordt opgemerkt dat in de afgelopen 40 jaar in het als zodanig aangewezen gebied fysiek geen berging van overtollige water heeft plaatsgevonden. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta & de provincie Overijssel hebben, gelet op de situering van het beoogde nieuwe waterbergingsgebied en de ruime mate van compensatie, goedkeuring verleend aan het verleggen van het waterbergingsgebied Waterkwaliteit Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. In de gewenste situatie wordt geen watersysteem gerealiseerd c.q. vindt geen lozing op het oppervlaktewater plaats. De opvang van het hemelwater in de gewenste situatie ten behoeve van o.a. de flora en fauna wordt geïntegreerd in de landschappelijke inpassing. Riolering/afvalwater In het projectgebied is geen riolering (vuilwater en/of hemelwater) aanwezig. In de huidige en gewenste situatie wordt bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard (beide bedrijfswoningen) geloosd op de bodem via een IBA (2 x 6 m3).
Het bedrijfsafvalwater (schoonmaken van de stallen, spoelplaats etc.) wordt opgevangen in de mestkelders en vervolgens als meststof afgevoerd en uitgereden op landbouwgronden. ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
76
Het spoelwater van de waterpomp en ontijzeringsinstallatie wordt in de gewenste situatie ongewijzigd geloosd op de sloot ten oosten van de inrichting. Deze lozing bedraagt conform opgave van de leverancier (Remon Service b.v.) in de gewenste situatie ongeveer 25 m3 per maand. Externe werking ruimtelijk plan Beschermen en handhaven grond- en oppervlaktewatersysteem om nadelige gevolgen op de omgeving te voorkomen. In de gewenste situatie / projectfase worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Voor een eventuele tijdelijke grondwateronttrekking (bronbemaling) wordt ten behoeve van de realisatie een melding op grond van de Waterwet ingediend bij het Waterschap. Watertoets Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Ten behoeve van onderhavig project is op 25 januari 2023 via het digitale loket een aanvraag “digitale watertoets” ingediend bij Waterschap. De uitdraai van deze toets is als bijlage 12 toegevoegd.
Grondwater Ten behoeve van de drinkwatervoorzieningen, luchtwassers en schoonmaakwerkzaamheden wordt gebruik gemaakt van grondwater. Met behulp van een eigen bron wordt het grondwater op een diepte van maximaal 50 meter opgepompt. De locatie aan de Heetenseweg is gelegen in een waterbergingsgebied en ter plaatse is sprake van een relatief hoge grondwaterstand en kwelwater. In de gewenste situatie zal extra grondwater worden opgepompt t.b.v. de nieuwe stallen voor het houden/huisvesten van de vleesvarkens. Gelet op de (ruime) beschikbaarheid van grondwater alsmede de diepte op welke deze relatief kwantitatieve geringe hoeveelheden worden opgepompt, behoeft voor negatieve gevolgen als gevolg van deze aanvullende grondwateronttrekking niet te worden gevreesd. Voor de opvang van hemelwater zijn ter plaatse geen voorzieningen aanwezig. Daarnaast is het in verband met de ontwikkeling van bacteriën, dierziekten / besmettingsgevaar etc. niet wenselijk om hemelwater (stilstaand water) langdurig op te slaan in een voorziening. Het toepassen van hemelwater als alternatief voor grondwater wordt derhalve niet wenselijk en haalbaar geacht.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
77
7.7
Gebruik grondstoffen en bouwmaterialen
Het gemiddelde energie- en waterverbruik in de gewenste situatie is als volgt: Tabel 5 Energie- en waterverbruik Energiedrager
Verbruik per jaar
Gas (m3) Elektriciteit (kWh) Water (m3)
12.000 1.180.000 leidingwater = 1.200 grondwater = 75.000 5.000
Dieselolie (L)
In de gewenste bedrijfsopzet worden de daken voorzien van zonnepanelen. Met behulp van deze zonnepanelen kan jaarlijks 1,4 MW worden opgewerkt. Het surplus aan elektriciteit (220.000 kW / = elektraverbruik van gemiddeld 88 huishoudens) wordt op het netwerk ingevoerd. De warmte voor de stallen wordt verkregen door het toepassen van warmtepompen. Met behulp van deze toepassing kan alle benodigde warmte voor het huisvesten van de dieren worden verkregen. Het aardgas wordt gebruikt voor de beide bedrijfswoningen alsmede in geval van calamiteiten of extreme winterkou. Het waterverbruik is in hoofdzaak bestemd als drinkwater voor de dieren, het schoonmaken van de stallen / voertuigen en het wassen van de lucht in de luchtwassers. Ten aanzien van dit verbruik kunnen geen besparende maatregelen worden getroffen. De stallen worden na de iedere ronde met behulp van water schoongemaakt. De stallen worden hierbij veegschoon gemaakt en vervolgens ingeweekt. Daarna wordt met behulp van een hoge drukreiniger de stal schoongespoten. Door deze wijze van schoonmaken wordt het waterverbruik zoveel mogelijk beperkt. Gelet op voornoemde kunnen in de gewenste bedrijfsopzet geen verdergaande energie- reducerende en waterbesparende maatregelen worden getroffen. Het energie- en waterverbruik voldoen hierdoor aan het gestelde in de Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve varkenshouderij.
Duurzaam bouwen Bij de beoordeling van duurzaamheid van materialen wordt onder meer gekeken naar de milieubelasting bij de productie van het product, de hoeveelheid benodigd materiaal en de levensduur. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de milieubelasting bij het afbreken van het product en de mogelijkheid tot recyclen hiervan. Voor de realisatie van de gewenste bedrijfsopzet zullen onder meer de volgende materialen worden gebruikt: •
Staal:
spanten / wapening in de vloeren en kelders
•
Beton:
mestkelders en vloeren / mestsilo
•
Steen:
muren en verharding
•
Hout:
gordingen / deuren
•
Kunststof:
hokafscheiding
•
Geïsoleerde panelen:
dak
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
78
•
Glas:
ramen
• PVC: leidingwerk / dakgoten Bij de realisatie van de nieuwe gebouwen zal de nodige aandacht worden besteed aan het materiaal gebruik en zullen alleen duurzame materialen worden toepast.
7.8
Geurhinder
In de onderstaande tabel is de geuremissie van de gewenste bedrijfsopzet opgenomen: Stalsysteem Stal
Diercategorie
Aantal dieren
1
Vleesvarkens
2912
2
Kraamzeugen
3
Kraamzeugen
=Invoer!E201
Geuremissie
BWL / BB code
Omschrijving
OUe per dierplaats**
OUe totaal
D 3.2.15.4
BWL 2010.02.V7
gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
12,7
36982,4
196
D 1.2.13
BWL 2006.08.V1
mestpan onder kraamhok
27,9
5468,4
160
D 1.2.13
BWL 2006.08.V1
mestpan onder kraamhok
27,9
4464
10,3
61,8
4
Dekberen
6
D 2.4.4
BWL 2010.02.V7
gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
4
Guste en Dragende zeugen
1170
D 1.3.12.4
BWL 2010.02.V7
gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
10,3
12051
4
Opfokzeugen
288
D 3.2.15.4
BWL 2010.02.V7
gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
12,7
3657,6
5
Gespeende biggen
8100
D 1.1.15.4
BWL 2009.12.V5
gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
4,3
34830
6a
Vleesvarkens
3584
D 3.2.14
Dubbel GL: ICV systeem BWL 2004.04V2 + chemische LW BWL 2008.08V6
chemisch luchtwassysteem; 95% ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
12,5
44800
6b
Vleesvarkens
1792
D 3.2.14
Dubbel GL: ICV systeem BWL 2004.04V2 + chemische LW BWL 2008.08V6
chemisch luchtwassysteem; 95% ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
12,5
22400
7a
Vleesvarkens
3584
D 3.2.14
Dubbel GL: ICV systeem BWL 2004.04V2 + chemische LW BWL 2008.08V6
chemisch luchtwassysteem; 95% ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
12,5
44800
7b
Vleesvarkens
1792
D 3.2.14
Dubbel GL: ICV systeem BWL 2004.04V2 + chemische LW BWL 2008.08V6
chemisch luchtwassysteem; 95% ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
12,5
22400
** geuremissiefactor in odour units per seconde per dier volgens de Regeling geurhinder en veehouderij
231915,2
De totale geuremissie bedraagt in de gewenste bedrijfsopzet derhalve 231.915 Ou. In de navolgende tabel zijn de resultaten van de geurberekening weergegeven.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
79
Uit deze berekening blijkt dat in de gewenste situatie ter plaatse van alle omliggende geurgevoelige objecten wordt voldaan aan de normstelling. Daarnaast is er ten opzichte van de vigerende situatie ter plaatse van alle geurgevoelige objecten alsmede ter plaatse van de 9 aanvullende beoordelingspunten in de directe omgeving, sprake van een ruime afname van de geurbelasting. Ter plaatse van de maatgevende woning Heetenseweg 9 bedraagt de geurbelasting 10,5 Ou (afname -5,2 OU / -33 %) en is er geen sprake meer van een ‘met geuroverbelaste situatie’. De gewenste bedrijfsopzet voldoet derhalve aan de geldende normstelling op grond van de Wet geurhinder en veehouderij. In navolgende overzicht is het leefklimaat ten aanzien van de omliggende woningen inzichtelijk gemaakt op basis van de voorgrondbelasting (V-stacks 2020). Woning
GeurNorm
Geurbelasting
Leefklimaat
Geurbelasting
Leefklimaat
Heetenseweg 9
14
vergund 2015
vergund
beoogd
beoogd
15,7
slecht
10,5
tamelijk slecht
Heetenseweg 7
14
14,6
slecht
10,2
tamelijk slecht
Heetenseweg 13
14
7,1
matig
3,8
redelijk goed
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
80
Heetenseweg 15
14
7,9
matig
4,1
redelijk goed
Heetenseweg 6
14
3,9
redelijk goed
2,2
goed
Oosterenkweg 5
14
5,0
redelijk goed
3,2
goed
Kom Raalte
3
1,4
zeer goed
1,0
zeer goed
Kom Heeten
3
0,8
zeer goed
0,4
zeer goed
Op basis van de berekende voorgrondbelasting is er ter plaatse van de omliggende woningen in het buitengebied (in een concentratiegebied) in de gewenste situatie sprake van een “tamelijk slecht” tot “goed” woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de bebouwde kom is er sprake van een “zeer goed” woon- en leefklimaat. In de gewenste situatie is derhalve in de omgeving sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat. Voor bedrijfswoningen, die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij, geldt een minimaal in acht te nemen vaste afstand van 50 meter (gemeten vanaf emissiepunt). De dichtstbijgelegen bedrijfswoning behorende bij een veehouderij van derden (Heetenseweg 3) is gelegen op een afstand van circa 425 meter. Cumulatieve stankhinder Met behulp van de cumulatieve geurberekening en beoordeling kan het effect van de gewenste bedrijfssituatie ter plaatse van de omliggende woningen in relatie tot de reeds bestaande “initiatieven” (bestaande intensieve veehouderijen) inzichtelijk worden gemaakt. Binnen een staal van 2 kilometer van de varkenshouderij van Tijs Heeten b.v. liggen 26 veehouderijen van derden. Het betreffen hier intensieve veehouderijen of grondgebonden bedrijven met een intensieve tak (> 100 OU). Deze gegevens zijn verstrekt door de gemeente Raalte.
Vervolgens zijn deze gegevens samen met de invoergegevens van Tijs Heeten van de gewenste bedrijfsopzet ingevoerd in V-stacks Gebied 2020. De berekeningen zijn uitgevoerd ter plaatse van de eerder genoemde omliggende en maatgevende geurgevoelige objecten in het buitengebied. Uit deze berekening blijkt dat de totale geurbelasting ter plaatse van de omliggende geurgevoelige objecten als volgt bedraagt: Tabel 6 Resultaten berekening V-stacks gebied RecepID 1 2 3 4 5 6 7 8
X-coor Y-coor Geurlasting [OU/m3] 215387 485952 11.36 215387 485970 11.08 215417 485201 5.67 215515 485231 5.67 215161 485014 4.00 214807 485640 16.73 215088 487455 2.59 215812 483595 1.54
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
GGO Heetenseweg Heetenseweg Heetenseweg Heetenseweg Heetenseweg Oosterenkweg Kom Raalte Kom Heeten
9 7 13 15 6 5
81
Het RIVM hanteert voor de beoordeling van (cumulatieve) geurhinder de volgende milieukwaliteitscriteria: Tabel 7: Relatie tussen de Achtergrondbelasting en de geurhinder (bron: invoerbestand infomil) Achtergrondbelasting *
GEURGEHINDERDEN
[ouE/m3 als 98-percentiel]
Concentratiegebied
1
2%
1,5
3%
2
4%
3
5%
4
6%
5
7%
6
8%
7
10%
8
10%
9
11%
10
12%
12
14%
14
16%
16
17%
18
19%
De invoerwaarden in bovenstaande tabel betreffen de objecten gelegen in het buitengebied. In onderstaande tabel is de relatie tussen de milieukwaliteit en geurgehinderden weergegeven. Tabel 8 Relatie milieukwaliteit en geurgehinderden (bron: GGD-richtlijn geurhinder 2002) Milieukwaliteit
Geurgehinderden [%]
zeer goed
<5
goed
5 – 10
redelijk goed
10 – 15
matig
15 – 20
tamelijk slecht
20 – 25
slecht
25 – 30
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
82
ADRES
GEURBELASTING
% GEHINDERDEN
MILIEUKWALITEIT
T.o.v. REFERENTIE
Heetenseweg 9
11,4
13,5%
Redelijk goed
Afname 3,6 Ou // 3%
Heetenseweg 7
11,1
13,5%
Redelijk goed
Afname 3,1 Ou // 2%
Heetenseweg 13
5,7
8%
Goed
Afname 1,8 Ou // 2%
Heetenseweg 15
5,7
8%
Goed
Afname 2,6 Ou // 2%
Heetenseweg 6
4,0
6%
Goed
Afname 1,1 Ou // 1%
Oosterenkweg 5
16,7
18%
Matig
Toename 0,6 Ou // 1%
Kom Raalte
2,6
4,5%
Zeer goed
Afname 0,4 Ou // 0,5%
Kom Heeten
1,5
3%
Zeer goed
Afname 0,2 Ou // 0%
Op basis van de berekende achtergrondbelasting is er ter plaatse van de omliggende woningen in het buitengebied (in een concentratiegebied) in de gewenste situatie (MMA) sprake van een “matig” tot “goed” woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de bebouwde kom is er sprake van een “zeer goed” woon- en leefklimaat. Ter plaatse van de (maatgevende) woning Heetenseweg 9 is, zoals ook uit de individuele geurhinderberekening met behulp van V-stacks Vergunningen 2020 blijkt (zie paragraaf 6.6.3), sprake van een (ruime) afname van de geurbelasting. Ter plaatse van de woning Oosterenkweg 5 is sprake van een geringe toename van de cumulatieve geurbelasting. Vanwege de hoge voorgrondbelasting van de varkenshouderij van derden aan de Hofmeijersweg 18 (18,7 Ou) is de bijdrage / toename van de varkenshouderij van Tijs Heeten b.v. echter niet maatgevend en in ruime mate ondergeschikt. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat de voorgrondbelasting t.p.v. de woning Oosterenkweg 5 in de gewenste situatie afneemt. Geuremissie voerkeuken Het aanmaken van droogvoer vindt plaats in de centrale brijvoerkeuken aan de voorzijde in stal 5. Om eventuele geurhinder bij het aanmaken en opslag van het voer te voorkomen, wordt deze ruimte door middel van een relatief kleine (inpandige) ventilator op onderdruk gebracht. De vuile luchtstroom wordt op deze manier afgezogen en in het centrale luchtkanaal gebracht.
Vervolgens wordt deze vuile lucht, alvorens deze in de buitenlucht wordt gebracht, via de gecombineerde luchtwasser in stal 5 geleid en hier gereinigd. Het betreft hier een geringe luchtstroom van maximaal 500 m3 per uur. In stal 5 bedraagt de maximale benodigde luchtverversing t.b.v. de gespeende biggen 162.000 m3 per uur. In deze stal zijn 7 ventilatoren (Stienen SGS-92H-D4S) aanwezig met een totale capaciteit van (7 x 24.970 =) 174.790 m3 per uur. De geïnstalleerde ventilatiecapaciteit is derhalve afdoende voor de benodigde afzuiging van de voerkeuken. De luchtwasser in stal 5 heeft daarnaast eveneens afdoende restcapaciteit (totaal 207.500 m3 per uur) om deze geringe luchtstroom van 500 m3 per uur te reinigen/te verwerken. Voor eventuele geurhinder afkomstig bij het aanmaken en opslaan van het voer behoeft dan ook niet te worden gevreesd. ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
83
De aanwezige opslag van voer en grondstoffen (droog) geschiedt in afgesloten productbestendige silo’s. Vanuit deze (bestaande) opslag behoeft niet te worden gevreesd voor geurhinder. Geuremissie mestopslag De vrijkomende drijfmest wordt in de gewenste situatie opgeslagen in mestkelders onder de aanwezige stallen en in 2 mestsilo’s. De mestkelders zijn gelegen onder de bestaande stallen en voorzien van een emissiearm systeem of de stallucht wordt afgezogen naar de bestaande gecombineerde luchtwassers. De mestsilo’s worden conform de eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer afgesloten en voorzien van een doelmatige afdekking met ontluchting. Op grond van het Activiteitenbesluit dient, om geurhinder te voorkomen, ten aanzien van de mestsilo’s een afstand van 100 meter in acht te worden genomen tot een woning van derden. In werkelijkheid bedraagt de afstand tussen de (nieuwe) mestsilo en dichtstbijgelegen woning Heetenseweg 9b ruim 225 meter. Voor eventuele geurhinder afkomstig van de opslag van mest behoeft dan ook niet te worden gevreesd. Geuremissie loods mestscheiding In de beoogde nieuwe loods wordt een mobiele mestscheider opgesteld. De ruimte heeft een oppervlakte van 50 m2 en een inhoud van 225 m3.
Om eventuele geurhinder bij het scheiden van de drijfmest / opslag dikke fractie te voorkomen wordt deze afgesloten ruimte door middel van een relatief kleine (inpandige) ventilator op onderdruk gebracht. De vuile luchtstroom wordt op deze manier afgezogen en vervolgens met een afvoerbuis aangesloten op het centrale luchtkanaal in de naastgelegen stal 5 (biggenstal). Vervolgens wordt deze vuile lucht, alvorens deze in de buitenlucht wordt gebracht, via de gecombineerde luchtwasser in stal 5 geleid en hier gereinigd. Op basis van het technisch informatiedocument ‘luchtwassystemen voor de veehouderij (versie 2.2, november 2017) wordt als uitgangspunt gehanteerd dat per uur 4 maal de luchtinhoud van de loods wordt ververst. Het betreft hier derhalve een geringe (periodieke) luchtstroom van maximaal (4 x 225 =) 900 m3. In stal 5 bedraagt de maximale benodigde luchtverversing t.b.v. de gespeende biggen 162.000 m3 per uur. In deze stal zijn 7 ventilatoren (Stienen SGS-92H-D4S) aanwezig met een totale capaciteit van (7 x 24.970 =) 174.790 m3 per uur. De geïnstalleerde ventilatiecapaciteit is derhalve afdoende voor de benodigde afzuiging van de loods (& voerkeuken). De luchtwasser in stal 5 heeft daarnaast eveneens afdoende restcapaciteit (totaal 207.500 m3 per uur) om deze geringe periodiek luchtstroom van 900 m3 per uur te reinigen/te verwerken.
Voor eventuele geurhinder afkomstig bij het scheiden van de drijfmest / opslag dikke fractie behoeft dan ook niet te worden gevreesd.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
84
7.9 Luchtkwaliteit Fijn stof De emissie van fijn stof (PM10) op basis van de gewenste veebezetting kan op basis van de geldende emissiefactoren (2024) als volgt worden berekend. Tabel 9 Overzicht emissie PM10 gewenste bedrijfsopzet Stalsysteem Stal
Diercategorie
Aantal dieren
=Invoer!E201
1
Vleesvarkens
2912
2
Kraamzeugen
3
Kraamzeugen
Fijnstofemissie
BWL / BB code
Omschrijving
Fijnstof g PM10/ dier/jaar***
D 3.2.15.4
BWL 2010.02.V7
gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
31
90272
196
D 1.2.13
BWL 2006.08.V1
mestpan onder kraamhok
160
31360
160
D 1.2.13
BWL 2006.08.V1
mestpan onder kraamhok
160
25600
36
216
Fijnstof totaal
4
Dekberen
6
D 2.4.4
BWL 2010.02.V7
gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
4
Guste en Dragende zeugen
1170
D 1.3.12.4
BWL 2010.02.V7
gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
35
40950
4
Opfokzeugen
288
D 3.2.15.4
BWL 2010.02.V7
gecombineerd luchtwassysteem 85% ammoniak emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
31
8928
5
Gespeende biggen
8100
D 1.1.15.4
BWL 2009.12.V5
gecombineerd luchtwassysteem 85% emissiereductie (45% geur en 80% fijn stof emissiereductie) met watergordijn en biologische wasser
15
121500
6a
Vleesvarkens
3584
D 3.2.14
Dubbel GL: ICV systeem BWL 2004.04V2 + chemische LW BWL 2008.08V6
chemisch luchtwassysteem; 95% ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
99
354816
6b
Vleesvarkens
1792
D 3.2.14
Dubbel GL: ICV systeem BWL 2004.04V2 + chemische LW BWL 2008.08V6
chemisch luchtwassysteem; 95% ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
99
177408
7a
Vleesvarkens
3584
D 3.2.14
Dubbel GL: ICV systeem BWL 2004.04V2 + chemische LW BWL 2008.08V6
chemisch luchtwassysteem; 95% ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
99
354816
7b
Vleesvarkens
1792
D 3.2.14
Dubbel GL: ICV systeem BWL 2004.04V2 + chemische LW BWL 2008.08V6
chemisch luchtwassysteem; 95% ammoniak emissiereductie (30% geur en 35% fijn stof emissiereductie)
99
177408
** fijn stofemissie (g PM10/dier/jaar) volgens de lijst ‘Emissiefactoren fijn stof voor veehouderij’ op rijksoverheid.nl
1383274
De totale emissie fijn stof (PM10) bedraagt in de gewenste situatie 1.383,3 kg/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er sprake van een toename van (1.383,3 - 749,4 =) 633,9 kg/jaar. Voor het houden van varkens zijn in het Besluit emissiearme huisvesting veehouderijen geen grens/drempelwaarden opgenomen. In de gewenste situatie worden alle stallen uitgevoerd met een emissiearm stalsysteem en worden alle stallen met uitzondering van de kraamstallen uitgevoerd met gecombineerde of chemische luchtwasser met (voor fijn stof) een reductiepercentage van respectievelijk 80% & 35%. In de stallen die zijn voorzien van een gecombineerde luchtwasser (stallen 1, 4 en 5) wordt derhalve een zo hoog mogelijke reductie van fijn stof bewerkstelligd.
ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
85
In de bestaande stallen voor het huisvesten van de kraamzeugen (stallen 2 & 3) is redelijkerwijs, nu deze zijn uitgevoerd met een emissiearme techniek in de mestkelders (mestpannen) en deze diercategorie een relatief lage emissie van fijn stof veroorzaakt, geen aanvullende maatregelen mogelijk voor de reductie van fijn stof. In de nieuwe stallen voor het houden van de vleesvarkens (stallen 6a / 6b & 7a / 7b) wordt een chemische luchtwasser toegepast met een reductiepercentage van 35%. Tijs Heeten b.v. heeft besloten om deze nieuwe stallen een extra maatregel toe te passen van de reductie van fijn stof. Het betreft hier het toepassen van een waterverneveling. Hierbij wordt de vuile stallucht, alvorens deze in de chemisch luchtwasser wordt ingevoerd, door een waterverneveling/-gordijn geleid. Voornoemde is vergelijkbaar met het watergordijn van de gecombineerde luchtwassers. Deze aanvullende maatregel heeft een positieve werking op de reductie van het fijn stof. Naar verwachting zal de emissie van fijn stof uit deze nieuwe stallen hierdoor aanvullend met 25 tot 50%** worden gereduceerd.
** gebaseerd op praktijkinformatie van de leverancier firma Devrie In de gewenste situatie vindt monitoring ten aanzien van de emissie van fijn stof in hoofdzaak plaats op basis van een controle op de goede werking van de luchtwassers (en voornoemd waterverneveling/-gordijn) inclusief onderhoud en inspectie. Op basis van een goede werking van de luchtwassers (zie ook aspecten ammoniak en geur) kan de beschreven reductie van de emissie van fijn stof afdoende worden gewaarborgd. In deze paragraaf is de emissie en immissie van fijnstof PM10 (exclusief de aanvullende reductie in de stallen 6a, 6b, 7a en 7b) beoordeeld. Voor PM10 geldt een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3. Daarnaast geldt dat de 24- uurgemiddelde concentratie van 50 μg/m3 niet vaker dan 35 keer (dagen) per jaar overschreden mag worden. Daarnaast geldt er vanaf 1 januari 2015 voor PM2,5 (een fractie van PM10) de grenswaarde van 25 μg/m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Voor de PM2,5 is verder overigens geen maximaal aantal overschrijdingsdagen vastgesteld. Voor het vaststellen van de PM2,5-factor (gram per dier/ jaar) moet er bij bronnen in de intensieve veehouderij vanuit worden gegaan dat deze 20% van de PM10-factor bedraagt.
Jaargemiddelde concentratie PM10 & Overschrijdingsdagen 24-uurgemiddelde grenswaarde Zoals hiervoor beschreven geldt voor PM10 een grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3. Daarnaast geldt dat de 24-uurgemiddelde concentratie van 50 μg/m3 niet vaker dan 35 keer (dagen) per jaar overschreden mag worden. Ten behoeve van gewenste bedrijfsopzet is een luchtkwaliteitsonderzoek met behulp van verspreidingsmodel Geomilieu uitgevoerd. Onderzocht is of in de gewenste situatie op de beoordelingslocaties, voldaan kan worden aan de grenswaarden zoals deze zijn opgenomen in de Wet Luchtkwaliteit // ministeriële regeling “Beoordeling luchtkwaliteit 2007” (Rbl). In onderstaande tabel is voor de gewenste bedrijfsopzet de berekende PM10-concentratie weergegeven. ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
86
Tabel 10 Resultaten Geomilieu berekening
Uit de voorgaande tabel blijkt dat op alle beoordelingslocaties ruimschoots kan worden voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3. De maximale concentratie ter plaatse van de maatgevende woning bedraagt 14,2 μg/m3. Het aantal overschrijdingsdagen betreft 6,0. In de gewenste situatie is er ten opzichte van de huidige/vergunde situatie (ter plaatse van de omliggende objecten) sprake van een lichte afname van de jaargemiddelde concentratie PM10. De emissie van fijn stof kan in onderhavige situatie worden aangemerkt als “niet in betekende mate”. Cumulatie van fijn stof PM10 Op grond van artikel 73 tweede lid van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 dienen in
sommige gevallen emissiekenmerken van veehouderijen in de omgeving als bron opgenomen te worden in de Geomilieu-berekening. Dit is enkel van toepassing indien de stallen van deze bedrijven geheel of gedeeltelijk binnen 500 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt van onderhavig bedrijf gelegen zijn, en dan enkel wanneer de totale emissie van zwevende deeltjes / PM10 meer bedraagt dan: o o
800 kg per jaar, wanneer het bedrijf waarvoor een aanvraag wordt gedaan meer dan 800 kg zwevende deeltjes per jaar uitstoot, ofwel; 500 kg per jaar, wanneer het bedrijf waarvoor een aanvraag wordt gedaan meer dan 500 kg zwevende deeltjes per jaar uitstoot en de achtergrondconcentratie hoger is dan 27 µg/m3.
Binnen een afstand van 500 meter van de stallen van de varkenshouderij van Tijs Heeten b.v. zijn geen veehouderijen van derden aanwezig met een totale emissie van > 500 kg PM10. Gelet op voornoemde wordt voldaan aan het gestelde in de Wet luchtkwaliteit en bestaat er, mede gelet op de geringe emissie en de achtergrondbelasting, geen verdere noodzaak voor een verdere toetsing en/of (cumulatieve) beoordeling. Fijnstof PM2,5 Zoals hiervoor reeds beschreven geldt er vanaf 1 januari 2015 voor PM2,5 (een kleinere fractie van PM10) de grenswaarde van 25 μg/m3, gedefinieerd als jaargemiddelde concentratie. Voor de PM2,5 is geen maximaal aantal overschrijdingsdagen vastgesteld. De berekende PM10-concentraties op de verschillende beoordelingslocaties liggen maximaal op 13,9 μg/m3. In deze PM10-concentratie zit het aandeel PM2,5-concentratie verdisconteerd. De PM2,5-concentratie is immers de kleine fractie van de berekende totale PM10-concentratie. ROB – Tijs Heeten b.v., Heetenseweg 9a te Heeten
87
Daarnaast is de PM2,5-factor (gram per dier/ jaar) bij agrarische bronnen slechts 20 % van de PM10factor. Nu de berekende totale PM10-concentratie op alle beoordelingslocaties maximaal op 13,9 μg/m3 bedraagt en de PM2,5-concentratie slechts een kleine fractie (20%) van de berekende totale PM10-concentratie is, zal de totale PM2,5-concentratie ter hoogte van de beoordelingslocaties voor de gewenste situatie ruimschoots lager dan 25 μg/m3 blijven. Daarmee wordt voldaan aan de normering op grond van de Wet luchtkwaliteit. Bij de verwerken van graan met behulp van onder meer de hamermolen en mengers kan stof vrijkomen. Deze werkzaamheden worden inpandig uitgevoerd. De lucht afkomstig uit deze ruimte wordt afgevoerd naar de luchtwasser (stal 5) en hierin gereinigd. Voor de emissie van stof afkomstig van deze werkzaamheden behoeft dan ook niet te worden gevreesd. NO2 In de gewenste situatie vinden dagelijks, op basis van het akoestisch onderzoek, de volgende aanen afvoerbewegingen plaats: Vrachtwagens: 12 per dag Personenauto 7 per dag; Aantal voertuigen per dag = 19 stuks (71% is vrachtverkeer). Met behulp van de NIBM-tool versie 2022 (zie onderstaande afbeelding van de uitdraai) is de NO2 emissie in de gewenste bedrijfssituatie vastgesteld. Uit deze berekening blijkt, dat de emissiebijdrage NO2 van de voertuigen per dag maximaal 0,17 µg/m3 bedraagt.