CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

B1_Reactienota zienwijzen en adviezen Heetenseweg 9a-9c

Raadsvergadering 10 juli 2025, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen besluit omgevingsvergunning en verklaring van geen bedenkingen uitbreiding varkenshouderij Tijs (bespreekstuk)13.240 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Onder andere om die reden is voor het MMA als voorkeursalternatief gekozen. Met die keuze hoeft voor de alternatieve bedrijfsopzet ook geen omgevingsvergunning te worden verleend. Dat bij de alternatieve bedrijfsopzet andere aspecten niet zouden zijn onderzocht, is onjuist. Zie hiervoor 21

6.13

6.14

Het verlenen van een omgevingsvergunning is niet uitvoerbaar Er zal immers gezien het provincie beleid nooit een natuurvergunning verleend kunnen gaan worden. Ten eerste vanwege het feit dat Overijssel als eerste provincie de mogelijkheid van extern salderen heeft opgeschort sinds februari 2022. Dit in combinatie met het feit dat de provincie Overijssel vergunningverlening voor emissiearme stalsystemen heeft opgeschort. Daarbij wordt naar verschillende citaten van de website https://www.overijssel.nl/onderwerpen/natuur-enlandschap/stikstof-vergunningverlening-toezicht-en-handhaving verwezen. Het wel verlenen van een omgevingsvergunning hiervoor is naar mening van appellanten in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel nu gemotiveerd dient te worden waarom er wel een omgevingsvergunning wordt verleend voor een uitbreiding van een varkensstal waarvoor geen natuurvergunning zal worden verleend, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel nu er een verkeerd signaal wordt afgegeven als een omgevingsvergunning wordt verleend. De vergunningverlening is in strijd met het bestemmingsplan Appellanten menen dat de aangevraagde omgevingsvergunning in strijd is met de Omgevingsvisie Horizon 2040, waarin staat: Wij

kiezen met technologie, innovatie en experiment voor een toekomstbestendige landbouw die meerwaarde oplevert voor de leefomgeving en het landschap.’ In de Landbouwbouwvisie Overijssel 2040 staat: ‘… Daarmee vormt het de basis voor de inzet op een toekomstbestendige landbouwsector, een van de drie doelen van onze 3x3 aanpak voor het landelijk gebied. Die drie samenhangende doelen zijn: een leefbaar platteland, een toekomstbestendige landbouwsector en herstel van natuur, het watersysteem en klimaat.’ Bij het afwijken van een bestemmingsplan dient hiermee dus kenbaar rekening gehouden te worden. Er wordt overwogen dat: Bij een uitbreiding dient er

sprake te zijn van een grote plus voor ruimtelijke, duurzame en sociale kwaliteit. Niet duidelijk gemotiveerd wordt waarom hiervan sprake zou zijn. Dat de uitbreiding van het aantal dieraantallen en een bouwvlak acceptabel is, is dan ook onvoldoende onderbouwd. De provincie Overijssel heeft zoals gezegd de vergunningverlening voor deze emissiearme stalsystemen opgeschort. Er kan dan ook niet worden gesteld dat het afwijken van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.

hoofdstuk 7 van het MER (pag. 162 t/m 175) evenals de bijlagen 28 t/m 32 (in het MER behorend bij het ontwerpbesluit was dit pag. 147 t/m 163 en bijlagen 30 t/m 36). Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie o.a. de beantwoording onder punt 4.5. Daarnaast borgen wij dat er geen nieuwe stalruimte gerealiseerd kan worden zonder de benodigde Wnb/natuurvergunning. Deze omgevingsvergunning komt derhalve op zorgvuldige wijze tot stand en wij werpen de aantijgingen van appellanten dan ook verre van ons. Conclusie: De zienswijze is ongegrond en leidt op zichzelf niet tot aanpassingen.

Reactie: In par. 5.2 ROB is getoetst aan het vastgestelde provinciale beleid, zijnde de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel. Daarbij is invulling gegeven aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO), zoals is uitgewerkt in par. 5.4 ROB. De duurzame kwaliteit blijkt uit het zelfvoorzienend zijn in de energiebehoefte met productie van duurzame energie (zonnepanelen op de daken), het gebruik van warmtewisselaars om voor de bedrijfsvoering niet meer afhankelijk te zijn van aardgas. De ruimtelijke en sociale kwaliteit blijkt uit extra investeringen om grotere emissiereducties te bereiken dan wettelijk noodzakelijk om een beter woon- en leefklimaat voor omwonenden te realiseren, het vergroten van dierenwelzijn, per saldo minder verkeersbewegingen voor het aantal dieren, het realiseren van een informatie- en verkooppunt 22

6.15

Gelet op het bovenstaande wordt namens appellanten verzocht de ontwerpbeschikking te heroverwegen en de aanvraag af te wijzen.

en uiteraard het nog verder versterken van de landschappelijke inpassing met het aangepaste Landschappelijke inpassingsplan. Dit plan sluit nog meer aan bij de criteria die de provincie hanteert voor de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Door deze maatregelen wordt aan alle 3 de doelen van de 3x3 aanpak bijgedragen. Naar onze mening is voldoende ruimtelijk onderbouwd dat wij een afwijking van het bestemmingsplan met deze omgevingsvergunning toestaan. Conclusie: De zienswijze is ongegrond en leidt op zichzelf niet tot aanpassingen. Reactie: Door een aantal zienswijzen, het toetsingsadvies van de Commissie mer en de uitspraken van de RvS zijn ondergeschikte wijzigingen doorgevoerd, waardoor de definitieve beschikking is heroverwogen en aangescherpt. Dit leidt echter niet tot een afwijzing van de aanvraag. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt op zichzelf niet tot aanpassingen.

Ambtshalve wijzigingen Zowel het Waterschap Drents Overijsselse Delta (per e-mail d.d. 20 september 2024) als Provincie Overijssel (per email d.d. 10 en 15 oktober 2024) hebben naar aanleiding van de toegezonden ontwerpbesluiten met betrekking tot de stukken nog enkele opmerkingen geplaatst, waarbij zij nadrukkelijk hebben vermeld dat deze niet als zienswijzen moeten worden gezien. Daarom zullen deze opmerkingen, voor zover nodig, als ambtshalve wijzigingen worden verwerkt. Daarnaast zijn ambtelijk onjuistheden of onvolkomenheden opgemerkt. Ook die op- en aanmerkingen worden hier als ambtshalve wijzigingen vermeld. Opmerkingen Waterschap Blz. 42/84 onder 1.5: artikel 6.27 moet zijn artikel 6.2. Daaronder op blz. 43 alinea “gezien …t/m toereikend” mag weg want staat los van coördinatie. Inhoudelijk staat dit ook al onder H13.1 vermeld. Blz. 73/84 onder 13.1: lozing op riolering valt onder de Wabo: dit klopt maar er wordt niets op de riolering geloosd. Opvang/lozing in bodem valt wel onder de Wabo. Lozingen op oppervlaktewater onder de Waterwet. Vandaar nieuw tekstvoorstel: “Het lozen van afvalwater vanuit de inrichting valt onder de reikwijdte van de Wabo en Waterwet. Voor een aantal lozingen gelden algemene regels die zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling kunnen in de vergunning geen voorschriften worden opgenomen die betrekking hebben op in het Activiteitenbesluit geregelde activiteiten en aspecten, tenzij het Activiteitenbesluit of de bijbehorende regeling de mogelijkheid biedt tot het stellen van maatwerkvoorschriften. “

23

-

De zin daarachter “De voornoemde voorschriften van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling voor het doelmatig beheren en afvoeren van afvalwater zijn in deze situatie toereikend” is geen kader maar een oordeel dus past beter onder 13.3. 13.3 na de 3 bolletjes: tekstvoorstel: De voorschriften van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling voor het doelmatig beheren en afvoeren van afvalwater zijn in deze situatie toereikend, behalve voor de opslag van spuiwater.” Daarna volgt de tekst over Het spuiwater van de …. etc. Blz. 74/84 onder 13.2: voor ontijzering grondwater wordt ook ingegaan op de regelgeving onder de OW. Is dat wel noodzakelijk? In hoofdstuk 3.3 wordt namelijk ook enkel gesproken over het activiteitenbesluit. In hoofdstuk 1.2 op blz. 41 en 42 wordt er overigens al wel iets gezegd over de OW en overgangsrecht. Bovenaan blz. 42 staat: “In de paragrafen hierna, worden de afwegingen gemaakt met de ‘oude’ wet- en regelgeving zoals geregeld in het overgangsrecht”. De tekst “In de aanvraag is aangegeven dat er spoelwater van de ontijzeringsinstallatie t/m Waterschapsverordening DOD.” kan weg. Deze tekstuele opmerkingen zijn verwerkt in het definitieve besluit. Opmerkingen provincie De provincie geeft aan dat er aandacht is geschonken aan de opmerkingen die zij maakten in het kader van het vooroverleg.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit vindt zij de inzet van kwaliteitsinvesteringen minimaal. Het bedrijf wordt in verhouding tot de omvang minimaal landschappelijk ingepast. De houtwal aan de noordzijde van de nieuwe stal is bijvoorbeeld slechts 6 meter breed. In de toelichting staat in woorden dat de noordelijke houtwal naar de wegzijde verbreed zal worden, dit is niet op de inrichtingstekening opgenomen. Wij vinden dit wel belangrijk en gaan ervan uit dat dit wel wordt gerealiseerd. De andere toevoeging die gedaan wordt, is een strook bloemrijk grasland van 3 meter breed. We hopen dan ook dat de stroken verbreed worden, er meer gedaan wordt om voedselarme omstandigheden te creëren, er toch gebruik gemaakt wordt van een passend inheems zaadmengsel en afspraken gemaakt worden over het gebruik van de naastgelegen agrarische gronden. Reactie: Naar aanleiding van onder andere zienswijze 3.1 is het Landschappelijk Inpassingsplan aangepast. Daarbij zijn de bovenstaande opmerkingen van de provincie eveneens beschouwd. Zo is de houtwal aan de noordzijde van de nieuwe stal over de gehele lengte verbreed van 6 tot 10 m, zodat dit niet alleen aan de wegzijde een verbreding betreft.

De strook bloem- en faunarijk grasland wordt verbreed van 3 m naar minimaal 5 m, waarbij de natuurlijke ontwikkeling extra gestimuleerd mag worden door de strook het eerste jaar door te zaaien met een gemengd graslandmengsel wat is afgestemd op de abiotische kenmerken van de groeiplaats. Deze vooroverlegreactie is verwerkt in het Landschappelijk Inpassingsplan. Als tweede aandachtspunt geeft de provincie het volgende aan in de e-mail van 10 oktober 2024: De provincie geeft op dit moment geen positieve beschikkingen af met betrekking tot intern salderen. De ondernemer heeft voor zijn huidige bedrijfssituatie een geldende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Bij de nu voorliggende uitbreiding worden emissiereducerende stalsystemen toegepast. Er is onvoldoende zekerheid over de mate van emissiereductie die deze systemen beloven. Om die reden heeft ons college (GS) besloten om geen positieve beschikkingen betreffende intern salderen op basis van emissiearme stalsystemen af te geven tot 1 februari 2025. De provincie is er dus ook niet zeker van dat er dieren gehuisvest mogen worden in de te bouwen stallen en vinden het onwenselijk wanneer ze gebouwd worden voordat hierover zekerheid is.

Reactie: Inmiddels heeft GS van Overijssel op 10 februari 2025, naar aanleiding van de uitspraken van de RvS op 18 december 2024, een informatiebrief naar alle gemeenten in Overijssel gestuurd. Uit de uitspraken volgt dat intern salderen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020 weer vergunningplichtig is. In de informatiebrief heeft u gemeld dat tot 1 februari 2026 de vergunningverlening voor nieuwe en lopende aanvragen op basis van de Omgevingswet (Natura 2000-activiteit) en lopende aanvragen op basis van de Wet natuurbescherming met intern en/of extern salderen op te schorten. Daarnaast zijn Gedeputeerde Staten bezig om de scenario’s te verkennen om vergunningverlening zo snel als kan weer mogelijk te maken en indien daar zicht op is het besluit tot opschorting 24

zo snel mogelijk te heroverwegen. De aanvraag om een Wnb-vergunning is op 13 oktober 2023 door initiatiefnemer ingediend bij GS als bevoegd gezag en op 11 maart 2025 aangevuld met de Passende Beoordeling en de meest actuele berekeningen. Deze ‘Toelichting aanvraag WNB’ is als bijlage 6 van de Toelichting Wabo milieu ter informatie toegevoegd bij de stukken van de aanvraag omgevingsvergunning bij de gemeente Raalte. Uit r.o. 5.3 van een uitspraak van de Rechtbank Overijssel d.d. 6 maart 2025 (ECLI:NL:RBOVE 2025: 1268) volgt dat de gebiedsbeschermingsvergunning niet aanhaakt, indien deze is aangevraagd bij GS alvorens op de aanvraag omgevingsvergunning is beslist. De aanvraag omgevingsvergunning behoeft om die reden niet beoordeeld te worden op basis van de Wnb, maar alleen op de criteria volgend uit de Wabo. Aanvullend volgt uit r.o. 5.4 bovendien dat de Wnb-procedure los staat van de procedure tot verkrijgen van de omgevingsvergunning, zodat wij dit besluit met betrekking tot de omgevingsvergunning kunnen en mogen verlenen. Gezien de emissiereducties die met dit project worden bereikt, kunnen wij in het kader van een goede ruimtelijke ordening deze omgevingsvergunning verlenen. Het is aan GS om de aanvraag Wnb te beoordelen.

Wel borgen wij in artikel 3 van voorschriften Handelen in strijd met regels RO (punt 7) dat er geen nieuwe stallen gerealiseerd kunnen worden zonder de benodigde Wnb-/natuurvergunning, zodat er geen nieuwe grootschalige bebouwing kan ontstaan die niet in gebruik genomen kan worden. Op 15 oktober 2024 is vanuit de provincie nog een tweede e-mail toegezonden met de volgende vraag: Doelstelling is afname geurbelasting op woningen en afname stikstofdepositie op de omliggende Natura2000gebieden (met name Boetelerveld, volgens het document afname van 2,21 mol = -33,4%). In de ruimtelijke onderbouwing staat: Deze “vrijkomende” milieubelasting / stikstofrechten worden in het kader van de KGO niet

(elders) aangewend voor bedrijfsontwikkeling.

Hoe kan dit worden vastgelegd en gecontroleerd worden? Reactie: Daarvoor is GS zelf aan zet door in de beschikking van de Wnb-vergunning de stikstofemissie-reductie te borgen. Impliciet borgen wij dit eveneens doordat wij de uitstoot volgens de ingediende aanvraag omgevingsvergunning in de voorschriften met betrekking tot de activiteitén ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ en de milieuactiviteit c.q. het ‘Oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting - verandering [art.2.1, lid 1, sub e Wabo]’ opnemen, zodat in elk geval sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De controles vinden plaats door monitoring van parameters en de (continue) metingen omtrent de werking van de luchtwassers, welke verplichtingen eveneens met artikelen 4.2 tot en met 4.7 van de voorschriften milieu/artikelen 2 en 3 van de voorschriften onder punt 7 Handelen in strijd met regels RO van het besluit omgevingsvergunning worden vastgelegd. Ambtshalve wijzigingen/opmerkingen In de stukken wordt op diverse plaatsen abusievelijk nog verwezen naar onder andere onjuiste bijlage-nummers, eerdere versies van AERIUS of andere onjuiste verwijzingen. Bij een dergelijke omvangrijke aanvraag als deze zijn onjuiste verwijzingen of incidentele verschrijvingen helaas niet te vermijden.

De AERIUS- en andere berekeningen zijn echter wel aangepast aan de aanpassingen naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie mer en de laatste juridische uitspraken. Zo zijn de AERIUS-berekeningen uitgevoerd met 160 vleesvarkens minder in de berekeningen van de gewenste situatie (het voorkeursalternatief/MMA) en de alternatieve bedrijfsopzet. Abusievelijk staat op pagina 7 van de Passende beoordeling (bijlage 38 MER) dat in de gewenste situatie in stal 1 3.072 vleesvarkens worden gehuisvest, terwijl dit 2.912 vleesvarkens (160 minder) moeten zijn. Ook zijn deze AERIUS-berekeningen uitgevoerd met de laatste versie van deze Calculator, zijnde AERIUS versie 2024.1.1_20250210 ook wel AERIUS 2025 genoemd. Aangezien deze ‘verschrijvingen’ geen wezenlijk effect hebben op de inhoud van de aanvraag, hebben wij dit niet meer laten aanpassen. Toetsingsadvies Commissie mer In deze tabel wordt een zakelijke en verkorte weergave van het toetsingsadvies van de Commissie mer opgenomen, met per toetsingspunt de reactie hoe hiermee is omgegaan. 1. 1.1

Toetsingsadvies

Reactie

Algemeen Er ligt een uitgebreide milieueffectrapportage. Het initiatief is daarin duidelijk beschreven en in het MER is al

Wij danken de Commissie voor dit advies en nemen dit ter harte. 25

1.2

1.3

veel onderzoek is gedaan naar de milieugevolgen van het initiatief. De Commissie signaleert desondanks bij de toetsing van het MER dat belangrijke informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de omgevingsvergunning en de verklaring van geen bedenkingen. Emissies van ammoniak, geur en fijnstof: de onderbouwing van de emissiereductie van de luchtwassers is niet voldoende. Een nadere onderbouwing en/of maatregelen (in een Passende beoordeling) zijn nodig om aan te tonen dat omringende Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Ook mist een beschouwing of maatregelen mogelijk zijn die zorgen voor een vermindering van fijnstof-uitstoot en daarmee endotoxinen.

Best Beschikbare Technieken (BBT): er mist een goede onderbouwing dat voldaan wordt aan de actuele BBTconclusies voor intensieve veehouderij.

Initiatiefnemer heeft in een Passende beoordeling (bijlage 38 MER) de werking van de emissiereducerende maatregelen aangetoond en zich tevens bereid verklaard om dit met (continue) metingen inzichtelijk te maken om de emissiereductie blijvend te kunnen garanderen. Uit de Passende beoordeling blijkt tevens dat er geen significante negatieve effecten op omringende Natura 2000-gebieden kunnen optreden. De fijnstof-uitstoot wordt extra gereduceerd door een watergordijn/waterverneveling vóór de chemische luchtwassers van stallen 6 en 7 toe te passen. Deze extra reductie van circa 25 tot 50% (volgens opgave leverancier) is echter niet meegerekend in de berekeningen, omdat hier geen onafhankelijk vastgestelde reductiepercentages van bekend zijn. Wij hebben de werking van de systemen en daarmee het bereiken van de emissiereductie die in de aanvraag is beoogd, geborgd in het besluit omgevingsvergunning door (continue) metingen en controles verplicht te stellen. Zie de artikelen 4.1 tot en met 4.7 van de voorschriften milieu van het besluit omgevingsvergunning. Hoewel wij in het ontwerpbesluit al hadden getoetst aan de BBT-conclusies (welke van toepassing waren ten tijde van de aanvraag), heeft initiatiefnemer in par.

6.8.1 en 6.14 MER en bijlage 9 van de Toelichting Wabo milieu het initiatief ook getoetst aan de hand van de meest recente BBT-conclusies waarnaar de Commissie heeft verwezen. Hoewel niet aan de advies- c.q. richtafstand van 202,7 m tot de op 178 m afstand gelegen woning Heetenseweg 9b wordt voldaan, wordt met extra maatregelen (zoals het watergordijn vóór de chemische luchtwassers van stallen 6 en 7) wel al het mogelijke gedaan om risico’s ten aanzien van endotoxinen te vermijden. Daarmee wordt voldaan aan een gedegen

26

1.4

Natuur: de stikstofdepositie-berekeningen moeten worden geactualiseerd en worden aangepast (voor stal 4 en voor de bouwfase van de stallen). Daarnaast zijn de gevolgen van de extra grondwateronttrekking en de aanpassing van het waterbergingsgebied voor omringende beschermde natuurwaarden onvoldoende onderzocht. Het is niet duidelijk of de uitbreiding ook overlapt met de naastgelegen sloot behorende bij een natuurgebied (Natuurnetwerk Nederland). Tot slot zijn de gevolgen voor beschermde soorten door aanpassingen van de huidige stallen onvoldoende beschreven.

onderbouwing van het voldoen aan de BBTconclusies. Dat de stikstofdepositie-berekeningen nogmaals geactualiseerd zouden moeten worden, daarvan waren wij en initiatiefnemer zich reeds bewust. Dit komt omdat elk jaar in oktober een nieuwe release van het programma AERIUS-calculator wordt geïntroduceerd. Dat een separate berekening voor de bouwfase moet worden gemaakt, is een papieren exercitie. Dit omdat de reductie van het plaatsen van een combiluchtwasser bij stal 1 een veel grotere stikstofreductie oplevert dan alle bouwactiviteiten gedurende de rest van de aanlegfase. En op het moment van de plaatsing van de luchtwasser bij stal 1 zullen er in deze stal tijdelijk geen dieren gehouden worden. Niettemin is een AERIUSverschilberekening van de beide bouwfases ten opzichte van de referentiesituatie door initiatiefnemer aangeleverd en bijgevoegd in bijlage 14 ROB en kort toegelicht op pag. 64 ROB/bijlage 44 MER en toegelicht op pag. 127 MER. De onvolkomenheden op de tekeningen m.b.t. de sloot zijn verduidelijkt en verklaart in ‘Situatieschets-NNN’ (bijlage 11 ROB/bijlage 41 MER) en pag. 99-100 MER. Hieruit blijkt dat de sloot vanaf de insteek de grens van het NNN-gebied vormt en dus onderdeel van het NNN is.

Met het planinitiatief worden er geen (bouw-) activiteiten in het NNN uitgevoerd, want de nieuwbouw bevindt zich op circa 3,40 respectievelijk 3,80 m afstand van de grens van het NNN. De effecten van het initiatief op het NNN zijn beschreven in bijlage 42 MER en pag. 100-104 MER. Er is geen sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gronden die tot het NNN behoren. Enkele verstoringseffecten (geluid, geur en licht) zijn tijdelijk, seizoensgebonden en niet alle effecten treden continu op. Deze zijn dusdanig gering dat de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in geringe mate beïnvloed worden, in een zeer klein deel van het NNN. Gezien het naastgelegen populierenbos/houtproductie hebben de bedrijfsactiviteiten geen negatief effect op de aanwezige natuurwaarden. De QuickScan natuurwaardenonderzoek is aangevuld (bijlage 15 ROB en pag. 66-67 ROB/bijlage 40 MER en pag. 98 MER). 27

1.5

Geluid: er ontbreekt een onderzoek naar mogelijkheden om de geluidhinder bij het laden van varkens te verminderen. Dit is nodig omdat regelmatig in de nacht laadactiviteiten plaatsvinden met een hoog piekgeluid.

1.6

Bijzondere bedrijfsomstandigheden: inzicht ontbreekt in de mogelijke gevolgen van een lekkage bij de mestsilo op de aangrenzende natuur (Natuurnetwerk Nederland) en de waterkwaliteit.

Geconcludeerd is dat door het ophogen van het dak, het bouwen van de nieuwe luchtwasser, en het ophogen van de bestaande luchtwassers er geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet worden overtreden. Hoewel dit nog een procedure onder de Wabo (en de Wet natuurbescherming) betreft, is de conclusie gelijk en is geen aanvullend onderzoek en geen ontheffing Wnb of vergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Aan de adviezen van de Commissie mer is met deze aanvullende onderzoeken tegemoet gekomen. Het woord ‘onderzoek’ in het toetsingsadvies is vreemd, omdat in het akoestisch onderzoek volgens de voorgeschreven meetmethoden de piekgeluiden worden berekend. Wel zijn de mogelijkheden voor geluidsreducerende maatregelen beschreven op pag. 153 MER. Initiatiefnemer begrijpt de wens om laadactiviteiten in de nachtelijke uren zoveel mogelijk te vermijden, maar is hierbij afhankelijk van meerdere partijen in de logistieke keten. Wel heeft hij naar aanleiding van de zienswijze van zijn buren inmiddels afspraken met de transporteurs gemaakt dat de vrachtwagens bij het laden van de varkens geen achterrijdsignalering hebben of deze niet op zijn erf niet zullen gebruiken. Wij hebben het niet mogen gebruiken van de achteruitrijdsignalering ook in artikel 5.2.2 van de voorschriften milieu opgenomen. De Commissie verwijst naar de risico’s van lekkage bij atmosferische opslagtanks.

Dat betreft de opslag van chemische stoffen en stoffen waarbij druk opgebouwd kan worden, waardoor mogelijk explosiegevaar ontstaat. Tijs Heeten heeft een bestaande mestsilo en wenst een nieuwe mestsilo te plaatsen, zonder dat mestvergisting plaatsvindt en er dus ook geen druk wordt opgebouwd. De risico’s van deze betonnen mestsilo’s zijn aanzienlijk kleiner dan de Commissie schetst. Wel neemt initiatiefnemer (voorzorgs-)maatregelen om lekkages/uitstroom van mest naar de sloot en/of het NNN-gebied te vermijden. Deze maatregelen worden met artikelen 4.14.7 en 4.14.8 van de voorschriften milieu geborgd in de omgevingsvergunning. Hierdoor worden de minimale risico’s nog verder gereduceerd en mogelijke gevolgen op de 28

aangrenzende natuur en waterkwaliteit vermeden. Eindconclusie Gelet op het bovenstaande hebben de ingediende zienswijzen en het toetsingsadvies van de Commissie mer tot een aangepaste motivering en wijzigingen in de voorschriften van het besluit omgevingsvergunning geleid. De gewijzigde voorschriften zijn in de versie van het besluit met wijzigingen bijhouden te herleiden. Tevens is het definitieve besluit omgevingsvergunning bijgevoegd, waarin de wijzigingen zijn geaccepteerd. Of moeten deze wijzigingen van de voorschriften aan het eind van deze Reactienota hier vermeld worden? Dan hebben we nog min. 10 pagina’s extra, dus mijn idee niet doen!

29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=9d944d02-9036-4947-994e-a195807ccdd3