B1_Reactienota zienwijzen en adviezen Heetenseweg 9a-9c
Tekst van het document
Reactienota zienswijzen en adviezen inzake het ontwerpbesluit omgevingsvergunning, ontwerp vvgb en milieueffectrapportage uitbreiding varkenshouderij Heetenseweg 9a-9c te Heeten (zaaknummer 0177ESUITE530132022) Aanleiding Het ontwerpbesluit omgevingsvergunning, ruimtelijke onderbouwing en de ontwerp verklaring van geen bedenkingen (vvgb) alsmede de milieueffectrapportage voor de uitbreiding van een varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a en 9c te Heeten heeft donderdag 5 september tot en met woensdag 16 oktober 2024 ter inzage gelegen. De publicatie heeft plaatsgevonden op de websites van het Gemeenteblad (publicatie met nr. 379233 en kennisgeving met nr. 379234) en mijnpublicaties.nl op 4 september 2024. De terinzagelegging is tevens gepubliceerd in het Weekblad van Salland van 11 september 2024. Daarbij is aangegeven, dat de aanvraag, het ontwerpbesluit en de bijbehorende stukken vanaf de dag na online publicatie voor een ieder gedurende zes weken ter inzage liggen en een ieder zienswijzen kan inbrengen. In de publicatie met nr. 379233 stond dat de stukken ter inzage lagen vanaf de dag van publicatie tot zes weken erna. De stukken waren digitaal ter beschikking gesteld via mijnpublicaties.nl en daarnaast kon het ontwerp worden opgevraagd via omgevingsloket@raalte.nl Door het verschil in publicaties heeft het ontwerp gedurende 6 weken en 1 dag ter inzage gelegen.
Er zijn tijdens de ter inzagelegging zes zienswijzen ingediend. Zienswijzen Van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen hebben 6 appellanten gebruik gemaakt: 1. Appellant 1, e-mail ontvangen op 19 september 2024 (Z62229-2024), op het op 25 september 2024 verzonden verzoek per e-mail om aanvulling/ondertekening is niet (binnen de inzagetermijn) gereageerd; 2. Appellant 2, brief gedateerd 11 oktober 2024, per e-mail ontvangen op 13 oktober 2024 (Z61035-2024); 3. Appellanten 3, brief gedateerd 10 oktober 2024, per e-mail ontvangen op 15 oktober 2024 (Z61641-2024); 4. Appellant 4, brief gedateerd 15 oktober 2024, per e-mail ontvangen op 15 oktober 2024 (Z61671-2024); 5. Appellanten 5, brief gedateerd 15 oktober 2024, per e-mail ontvangen op 16 oktober 2024 en tevens per post ontvangen op 17 oktober 2024 (uw kenmerk GT/645-123, Z61680-2024); 6. Appellanten 6, brief gedateerd 15 oktober 2024, per e-mail ontvangen op 15 oktober 2024 (uw kenmerk 00606141/WW/ww, Z61785-2024). De geanonimiseerde zienswijzen zijn als bijlagen bij dit document gevoegd. Ontvankelijkheid De zienswijzen zijn allen binnen de termijn van tervisielegging van het ontwerpbesluit en overige stukken ingediend. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat zienswijze 1, 2 en 3 niet zijn ondertekend en daarmee strikt genomen niet voldoen aan de voorwaarden voor het indienen van een zienswijze.
Naar aanleiding van de ingediende e-mail van zienswijze 1 is de indiener verzocht om zijn zienswijze te ondertekenen binnen de resterende inzagetermijn van op dat moment nog 3 weken. De indieners van zienswijze 2 en 3 hebben in een eerder stadium bij de startnotitie reeds een zienswijze ingediend en zijn bekend bij de gemeente. Hoewel de ondertekening van de zienswijzen door de eerste drie appellanten ontbreekt, zullen wij deze zienswijzen uit coulance wel ontvankelijk verklaren. De zienswijzen 5 en 6 zijn ingediend door een rentmeesterskantoor en een advocatenkantoor namens andere entiteiten. Hoewel de machtiging van deze adviseurs door de entiteiten niet is meegezonden met de zienswijze, is dit bij deze fase van de procedure niet onoverkomelijk. Een zienswijze mag immers door een ieder worden ingediend. Geconcludeerd wordt dat alle 6 zienswijzen ontvankelijk zijn. Reactie op zienswijzen In deze tabel wordt een zakelijke en verkorte weergave van de zienswijzen opgenomen, met per zienswijze de reactie van ons college. Dit betekent niet dat onderdelen van de zienswijzen, die niet expliciet worden benoemd, niet bij de beoordeling zijn betrokken. De gehele zienswijze is bij de beantwoording meegewogen. Waar een zienswijze qua inhoud dan wel strekking gelijk is aan een eerder in deze nota behandelde zienswijze, zal voor de beantwoording kortheidshalve hiernaar worden verwezen.
Zienswijze 1. 1.1
Zienswijze 1 Wij kunnen niet begrijpen waarom dit bedrijf wil uitbreiden in een tijd waar collega’s moeten inkrimpen. Groot is groot genoeg, ook al heeft het bedrijf naar eigen inzien "goede voornemens" wat betreft milieu/omgeving enz...!!!!. Wij hopen dat niet door mag/kan gaan!!!
2. 2.1
Zienswijze 2 RIVM-onderzoek van de laatste jaren geeft aan dat berekende waarden voor met name de stikstofemissie vaak niet overeenkomen met de gemeten waarden. De rekenmodellen geven regelmatig een onderschatting van de emissie. Dit is het ammoniakgat. De verklaring hiervoor is complex: niet-optimale rekenmodellen of maatregelen voor het emissie-arm maken van stallen en mestopslag blijken minder effectief dan verondersteld. Daarom is voorzichtigheid op zijn plaats bij de interpretatie van de cijfers in de combi-MER. Er kan geen absolute waarde aan de rekenuitkomsten worden toegekend. Wel kan een verwacht effect worden aangegeven. Maar de mate waarin genomen maatregelen effectief zijn zal in de praktijk moeten worden bevestigd en gemonitord.
2.2
In de huidige situatie is er uitzicht en ruimte. In de eventuele nieuwe situatie staat er een veel groter gebouwencomplex, dat
Reactie gemeente Raalte Reactie: Wij nemen kennis van deze mening. Met onze principemedewerking hebben wij een gedegen afweging van de diverse belangen gemaakte en ruimte geboden voor dit innovatieve bedrijf. Er is niet alleen sprake van goede voornemens, maar de te nemen maatregelen om emissies te reduceren worden nadrukkelijk geborgd met metingen. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen.
Reactie: Wij begrijpen uw zorgen. De noodzaak om met metingen de effectiviteit van de stalsystemen te monitoren worden ook onderschreven door de Commissie mer. De reeds uitgevoerde onafhankelijke metingen (nu bijlage 34 MER) bij de biggenstal/stal 5 en de zeugenstal/stal 4 geven met een emissiereductie van de luchtwassers van 92% en 88% aan dat deze het beter doen dan de berekende waarden van 85% reductie van dit type combi-luchtwassers. Daarnaast heeft initiatiefnemer met een Passende beoordeling (bijlage 38 MER) aangetoond hoe hij dit blijvend kan garanderen. Wij hebben dit in het besluit omgevingsvergunning in het kader van een goede ruimtelijke ordening geborgd door (continue) metingen verplicht te stellen. Zie voorschriften milieu 4.2 tot en met 4.7 (en verwijzing hiernaar vanuit artikel 2 van de RO-voorschriften onder punt 7) van het besluit omgevingsvergunning. Conclusie: Deze zienswijze is deels gegrond en heeft tezamen met het advies van de Commissie mer tot aanpassingen van het MER en het besluit omgevingsvergunning geleid. Reactie: Op basis van de opiniërende bespreking in de gemeenteraad van 2
veel ruimte in beslag neemt en het uitzicht beperkt. Doen we het veelgeprezen Sallandse landschap geweld aan? En: éénmaal bebouwd, het uitzicht is voor altijd weg.
2.3
Er wordt grondwater opgepompt, ongeveer 75000 m3 per jaar, waarvan een groot deel drinkwater voor de dieren is, en water om het voer mee te bereiden. Het jaarlijks aan de bodem te onttrekken grondwater komt overeen met een laag water van ruim 4 centimeter op een oppervlakte ter grootte van het Boetelerveld (170 hectare). Frappant dat drie kilometer verderop in het Boetelerveld met man en macht wordt geprobeerd het waterpeil te verhogen. In de combi-MER wordt deze waterwinning niet als problematisch gezien, ook niet in de vorm van verdroging van het naastgelegen natuurgebied van landgoed Schoonheten!
2.4
Drijfmest is de bron van ammoniakemissie, van methaan-emissie en ook van geuroverlast. Door de technische maatregelen van het Meest Milieuvriendelijke Alternatief, namelijk speciale vloersystemen en luchtwassers, daalt volgens het rekenmodel de ammoniakuitstoot ten opzichte van de huidige situatie. En blijft stikstof meer in de mest gebonden. Althans, dit zijn de goede bedoelingen. Het is vanwege de onderschatting van de daadwerkelijke uitstoot nodig dat de ammoniakuitstoot goed wordt gemonitord. Echter voor real-time-metingen bij varkensstallen is nog geen haalbaar en betaalbaar instrumentarium beschikbaar (bladz. 122 van de combiMER). Wel kunnen rendementsmetingen van de luchtwassers worden uitgevoerd. De vergunningvrager heeft zulke metingen laten doen
oktober en november 2021, hebben wij als college op 8 maart 2022 onze principemedewerking onder een aantal voorwaarden uitgesproken. Dat er een groot oppervlak bebouwd zou worden, was ons op dat moment al bekend en is in onze overwegingen afgewogen. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en heeft niet tot aanpassingen geleid. Reactie: Op de uitbreiding van de grondwateronttrekking is in par. 6.5.4/pag. 137 MER nader ingegaan. Hieruit blijkt dat de bedrijfslocatie niet is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied en/of nabij een Natura 2000-gebied en de onttrekking minder is dan 10 m3 per uur. Hierdoor gelden er geen speciale regels en/of een meldings/vergunningsplicht. Appellant presenteert onterecht dat de grondwateronttrekking alleen betrekking zou hebben op de 170 ha van het Boetelerveld en deze vindt niet op 1 moment plaats, maar verspreid over het jaar. Significant negatieve gevolgen van deze (aanvullende) grondwateronttrekking zijn gezien de ruime afstand tot het Natura 2000-gebied uitgesloten. Aanvullende of strengere regels dan het beleid van het Waterschap zijn dan ook niet benodigd. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie de beantwoording bij punt 2.1. De door uw aangehaalde tekst is incompleet.
Er staat ook: “Mocht er in de toekomst een haalbaar en betaalbaar toepasbaar instrumentarium beschikbaar komen voor het real-time meten van de ammoniakconcentratie, dan kan deze in de toekomst als aanvulling in de stallen worden toegepast.” Deze toekomst is sneller gekomen dan gedacht, omdat deze metingen in de aanvraag zijn opgenomen naar 3
bij andere bedrijven met vergelijkbare luchtwassers. De resultaten waren volgens verwachting. Het is van belang dat deze metingen ook in de eventuele nieuwe bedrijfssituatie worden uitgevoerd. Bij voorkeur periodiek.
2.5
Stank: de geuroverlast zou in de nieuwe situatie ondanks het bijna dubbele aantal dieren door technische maatregelen en ook door hogere afvoerpijpen volgens de rekenmodellen kunnen afnemen. Ook hier geldt hetzelfde als bij het ammoniakgat: er is kans op onderschatting van de overlast. Geuroverlast is zeer hinderlijk, daarom is ook hier monitoring van belang om te controleren of alles wel werkt zoals berekend is. De vraag is: hoe? Als er klachten over stank komen heeft de aanpak zijn doel gemist, en zijn de omwonenden de dupe!
2.6
Fijnstof: de uitstoot neemt fors toe, vanwege het veel grotere aantal dieren. Ondanks technische maatregelen lijkt dit volgens de rekenmodellen niet te voorkómen. Echter: de te verwachten, berekende concentraties liggen ruim onder de grenswaarde. De details en de onderbouwing hiervan zouden moeten staan in bijlage 28. Maar in bijlage 28 staan deze gegevens niet en ze zijn ook elders niet te vinden! Meer fijnstof van dieren betekent ook: meer endotoxinen, met mogelijk schadelijk effect voor de volksgezondheid.
aanleiding van de RvS-uitspraken en het toetsingsadvies van de Commissie mer, en door ons in de voorschriften verwerkt. Conclusie: Deze zienswijze is deels gegrond en heeft tot aanpassingen van het MER en het besluit omgevingsvergunning geleid. Reactie: Zie de beantwoording bij punt 2.1. Als de controles van parameters, zoals de pH en de (continue) metingen m.b.t. ammoniak voldoen, doen de luchtwassers hun werk naar behoren. Dit geldt niet alleen voor het aspect ammoniak, maar ook voor geur en fijn stof. Het is daarmee aannemelijk dat eveneens aan de geurberekeningen voldaan wordt. Daarnaast wordt opgemerkt dat de berekende geurbelasting op de maatgevende woning van 15,7 naar 10,5 odeureenheden daalt. De risico’s op geuroverlast nemen juist af. Conclusie: Deze zienswijze is deels gegrond en heeft tot aanpassingen van het MER en het besluit omgevingsvergunning geleid. Reactie: Abusievelijk bleek deze bijlage niet correct als bijlage van het MER-rapport te zijn opgenomen. Deze berekening was echter wel opgenomen in bijlage 7 van de ‘Toelichting Wabo Milieu 22 mei’ en is te vinden op pag. 249-250 van die pdf (behorende bij de ontwerpvergunning). In het aangepaste MER is deze onderbouwing te vinden in par. 6.8.1/pag. 148-150, terwijl de berekening in bijlage 26 is opgenomen. N.a.v.
de opmerkingen over endotoxinen in het toetsingsadvies van de Commissie mer worden extra maatregelen genomen door bij de nieuw te realiseren vleesvarkensstallen 6 en 7 vóór de chemische luchtwasser een waterverneveling/watergordijn te installeren. Op basis van praktijkcijfers wordt de emissie van fijnstof uit deze stallen aanvullend met 25 tot 50% gereduceerd. Die 4
2.7
Er zal ook uitstoot zijn van methaan. Dit is een sterk broeikasgas, twintig keer sterker dan CO2. In de combi-MER wordt de uitstoot niet erg belangrijk geacht, en dit wordt verder niet concreet gemaakt.
2.8
Tegenstrijdige belangen. Het individuele belang voor de betreffende ondernemer is groot. Dit is ofwel gestoeld op economische gronden, ofwel op de wens tot het opbouwen van een toekomstbestendig bedrijf, ofwel op de ambitie om een mooi bedrijf neer te zetten. Is het in het kader van het algemene belang noodzakelijk om zoveel varkensvlees grotendeels voor de export te produceren? En de gemeenschap hier blijft zitten met de mest, het stikstofoverschot, de geuroverlast, een groot gebouwencomplex dat beslag legt op ruimte en uitzicht, de verlaging van de grondwaterstand en de natuurschade. En wat is het belang van de dieren zelf bij deze grootschalige plannen?
2.9
Appellant vindt het belangrijk welke waarden en belangen we in de maatschappij nastreven en benoemt een aantal keuzes hierin. Zo ook: Kiezen we voor de spiraal van steeds grotere bedrijven, met overproductie en lagere prijzen, waardoor een verdergaande
extra reductie is niet in de berekening meegenomen, omdat die reductie niet door een onafhankelijk onderzoeksinstituut is geaccrediteerd. Niettemin blijven de berekende concentraties ruimschoots onder de grenswaarden voor fijnstof. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt op zichzelf niet tot aanpassingen. Reactie: In paragraaf 6.8.3 is op de uitstoot van methaan kort ingegaan. Aangezien in wet- en regelgeving geen toetsingskaders voor methaan zijn gesteld, is het voor initiatiefnemer en voor ons als bevoegd gezag niet mogelijk om de uitstoot nader te kwantificeren en/of te toetsen. Met de luchtwassers worden naast de emissies van ammoniak, geur en fijnstof ook de emissies van methaan beperkt dan wel zoveel mogelijk voorkomen. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Er zijn verschillende manieren waarop tegen de diverse belangen aangekeken kan worden. Daarbij benoemt u slechts een aantal van die belangen, waarbij u een zwart-wit beeld schetst van de diverse voors en tegens. Zo wordt door de innovatieve opzet van de bedrijfsvoering door de ondernemer bijgedragen aan een afname van het stikstofoverschot en wordt zorggedragen voor een beter dierenwelzijn door de varkens op 1 bedrijf te huisvesten.
De gemeenteraad en het college hebben eind 2021/begin 2022 een brede afweging gemaakt van de belangen, wat heeft geleid tot de principemedewerking voor dit initiatief. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie de beantwoording bij punt 2.8. Aanvullend hierop dienen wij een vergunningaanvraag te beoordelen o.b.v. de geldende wet5
2.10
2.11
3. 3.1
schaalvergroting steeds nodig is, en waarbij de boer en het milieu (en de burger) uiteindelijk het onderspit delven? Of voor een visie die rekening houdt met de verdere toekomst, met minder vleesconsumptie en meer nadruk op milieu, en circulaire, kleinschalige bedrijfsvoering, in combinatie met landschapsbeheer? Appellant pleit bij voorgaande keuzemogelijkheden steeds voor het tweede alternatief. Op langere termijn is een stringenter wordend overheidsbeleid inzake stikstofemissie te verwachten. Het is onontkoombaar om hier rekening mee te houden. Dit geldt voor de betreffende ondernemer en ook voor de gemeente. In het Meest Milieuvriendelijk Alternatief moeten uitgebreide technische voorzieningen ervoor zorgen dat schade en hinder worden beperkt, onder andere door schoorstenen te verhogen. De beoogde gunstige effecten hiervan zijn berekend, maar de praktijk heeft geleerd dat de gunstige effecten gemakkelijk worden overschat en in de praktijk niet worden gehaald. De beste manier om uitstoot te voorkomen is het nemen van maatregen “aan de bron “, dat wil zeggen: minder vee geeft minder uitstoot.
Voor het betreffende plan zijn er inhoudelijke bezwaren en zijn er grote vraagtekens te zetten bij de uiteindelijke effecten op de nabije en verdere omgeving. Belangrijk hierbij is te beseffen dat alles met elkaar samenhangt: kwaliteit van bodem, lucht, water, biodiversiteit, maar ook het klimaat. Dat we andere keuzes moeten maken dan voorheen is al lang duidelijk. Het gaat om de afweging van het belang van 1 plan ten opzichte van het veel grotere belang van aarde, mens en dier. Raalte heeft de verantwoordelijkheid om hierin de juiste keuze te maken, namelijk niet kiezen voor een megastal. Een nog expliciet te noemen aspect is de kwaliteit van het landschap: De extra stallen in de nabije omgeving van landgoed Schoonheten komen het landschappelijk schoon niet ten goede. Dit moet in de besluitvorming worden meegenomen. Zienswijze 3 We hebben al eerder een zienswijze en brieven naar de gemeente gestuurd over dit onderwerp. De standpunten, argumenten en zorgen die wij geuit hebben in deze brieven blijven bestaan en zijn voor ons niet veranderd.
en regelgeving. Daarbij reduceert de initiatiefnemer de stikstofemissies aanzienlijk. Initiatiefnemer houdt derhalve rekening met een stringenter wordend overheidsbeleid. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie de beantwoording van punt 2.1. Aanvullend wordt opgemerkt dat het aantal dieren binnen regio Oost niet toeneemt. Daarnaast worden door de technische voorzieningen bij dit bedrijf juist gezorgd voor minder schade en hinder dan in de huidige situatie met minder dieren en zonder deze maatregelen. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie de beantwoording van met name de punten 2.1, 2.2 en 2.8. Dat dit initiatief een groot beslag legt op de ruimte en impact heeft op het landschap is door college en raad reeds meegewogen bij de afwegingen in najaar 2021/voorjaar 2022 die geleid hebben tot de principemedewerking van 8 maart 2022. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen.
Reactie: De zienswijze van appellanten op de startnotitie is in 2022 reeds beantwoord. Naar aanleiding van de inspraak tijdens de Rond-de-tafel-bijeenkomst op 4 juli 2024 en de brief van 14 juli 2024 aan de raadsleden, hebben appellanten op 5 september 2024 een verduidelijkende brief ontvangen. In die brief hebben wij aangeboden om meer rekening te houden met de wensen van appellanten ten 6
3.2
Appellanten zijn het niet eens met het besluit tot uitbreiding van de stallen. Ook de brief met antwoorden op hun vragen stelt hun niet gerust. Ten eerste lezen wij het stukje wat de GGD adviseert … Het blijkt dat we nu 3x zo’n hoge geur belasting hebben en straks nog 2x zo’n hoge geur belasting (dit is nu al erg waar te nemen). Dit vinden wij niet acceptabel. Het wordt ook nog eens afgedaan met dat wij de enige zijn die veel geuroverlast hebben, dus dat moeten wij maar op de koop toe nemen.
aanzien van de landschappelijke inpassing. Uit de diverse stukken bleken er verschillende beelden omtrent de landschappelijke inpassing te bestaan, zowel wat betreft de wensen als hetgeen er was afgesproken. Om misverstanden en ruis te vermijden, zijn zowel appellanten, initiatiefnemer en de adviseur die het Landschappelijk inpassingsplan heeft opgesteld op het gemeentehuis uitgenodigd voor een overleg. De besproken aanpassingen zijn door de adviseur verwerkt in het rapport d.d. 21 januari 2025 (bijlage 5 ROB/bijlage 14 MER). Het conceptrapport is eind januari 2025 aan appellanten toegezonden met de mogelijkheid om opmerkingen door te geven. Wij hebben geen nadere reactie ontvangen, zodat wij ervan uit mogen gaan dat appellanten met dit plan hebben ingestemd, waarna het rapport definitief is gemaakt. Conclusie: Deze zienswijze is deels gegrond en heeft geleid tot een aangepast Landschappelijk Inpassingsplan. Reactie: De advieswaarde van de GGD voor de voorgrondbelasting van 5,0 Odeureenheden komt niet overeen met de wettelijke geurnorm in het buitengebied van 14,0 Odeureenheden (Ou). Door de te nemen technische maatregelen neemt bij alle omliggende woningen evenals de kernen Raalte en Heeten de geurbelasting aanzienlijk af door uitvoering van dit initiatief en is deze ruimschoots lager dan de wettelijke geurnorm.
Bij de woningen Heetenseweg 7 en 9 blijft de geurbelasting echter wel boven de advieswaarde van de GGD, want de geurbelasting op deze woningen daalt van 14,6 in de vergunde c.q. referentiesituatie naar 10,2 (afname van 4,4 Ou) respectievelijk 15,7 naar 10,5 Ou (afname van 5,2 Ou). Wij kunnen begrijpen dat appellanten geen voorstanders zijn van de uitbreiding, 7
3.3
Ook de uitleg die de gemeente naar ons heeft gedaan over de overlast van de vrachtwagens klopt niet. Er wordt uitgelegd dat de vrachtwagens niet achteruitrijden langs de lengte van de stal. Dit is door de gemeente verkeerd begrepen. Wij gaven aan dat ze langs onze kant ´s nachts gaan rijden naar achter en dan bij het laadperron achteruitrijden. Ook worden aan onze kant de varkens dan geladen. Dit betekent veel geluid van schreeuwende varkens. Het geluid dat de vrachtwagens maken weerkaatst van de schuur richting onze kant. Ook al zitten we dan net onder de norm van 30 DB, dit is ‘s nachts/ ‘s ochtends vroeg niet acceptabel. In het eerste plan hebben we gesproken met initiatiefnemer over het vervoer van de varkens. Daar heeft hij ons gegarandeerd dat deze vervoersbewegingen niet aan onze kant zouden komen.
3.4
In het tweede plan hebben wij niets vernomen van de wijzigingen die hij heeft gemaakt. Wij vrezen echt voor onze nacht rust. Ook kan ik niet echt vinden wat de GGD hiervan vindt. Dit schaadt de gezondheid van de mens.
maar door de maatregelen die met de uitbreiding gepaard gaan wordt de geurbelasting wel aanzienlijk lager. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Over wat tussen appellant en initiatiefnemer al dan niet is afgesproken, kunnen wij als gemeente niet oordelen. In de aanvulling op het MER wordt in par. 6.9 en specifiek op pag. 153 op de geluidsaspecten en de aanpassingen nader ingegaan. Hoewel aan de geluidnormen en specifiek de normen van het maximale geluidniveau (LA, max) van het Activiteitenbesluit wordt voldaan, hebben wij vanwege de toezegging van initiatiefnemer om de achteruitrijdsignalering van vrachtwagens uit te (laten) zetten op het erf dit tevens vastgelegd in artikel 5.2.2 van de voorschriften milieu van het besluit omgevingsvergunning. Conclusie: De zienswijze is deels gegrond en heeft geleid tot een voorschrift om de achteruitrijdsignalering van de vrachtwagens op het erf uit te zetten. Reactie: Er zijn diverse aanpassingen doorgevoerd n.a.v. het overleg van de initiatiefnemer met appellanten. Niettemin zijn er n.a.v. de brief van appellanten, onze reactie hierop en de in oktober ingediende zienswijze wederom aanpassingen doorgevoerd.
Het verbod tot het gebruiken van achteruitrijdsignalering, het zoveel mogelijk beperken van het laden van varkens in de nachtelijke uren en het toepassen van waterverneveling/watergordijn voor de chemische luchtwassers bij de nieuw te bouwen stallen 6 en 7 zijn hier voorbeelden van. Daardoor wordt appellanten op een aantal punten tegemoetgekomen, voor zover dat binnen de wettelijke normen afdwingbaar is bij 8
3.5
Tevens is er in september weer een artikel over luchtwassers gepubliceerd, waarin de Raad van State de omgevingsvergunning vernietigd vanwege onzekerheid over de werking van combiluchtwassers. https://www.boerderij.nl/raad-van-state-zet-streep-dooromgevingsvergunning-varkenshouder-om-combiluchtwasser Wij snappen niet dat de gemeente Raalte zo´n stal nog goed keurt. Het schaadt alleen maar de gezondheid van mens, dier en milieu. In deze tijden moet je dit niet meer willen. Uit dit artikel blijkt maar weer eens dat het allemaal niet zo zeker is dat er minder reductie is van ammoniakuitstoot. Daarom vragen wij de gemeente om nog eens heel goed te kijken naar dit ingrijpende plan die zij willen goedkeuren.
4.
Zienswijze 4
initiatiefnemer, dan wel dat initiatiefnemer zelf de bereidheid heeft uitgesproken om verder te gaan dan de wettelijke normen. Zo is het advies van de GGD m.b.t. geurbelasting en endotoxinen strenger dan de wettelijke normen. De wettelijke normen zijn vastgesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens, terwijl de GGD vanuit een voorzorgsprincipe adviseert om een ruimere veiligheidsmarge in acht te nemen. Door dit initiatief neemt bij uw woning de geurbelasting juist af en aan de door de GGD genoemde adviesgrenswaarde van 30 EU/m3/richtafstand van 202,7 m wordt bij de woning van appellanten voldaan. Conclusie: De zienswijze is deels gegrond en heeft geleid tot aanvullende aanpassingen. Reactie: Zie de beantwoording onder punten 1.1, 2.1 en 2.8. Wij nemen niet alleen voorschriften op die de werking van de luchtwassers zou moeten garanderen, maar vereisen ook (continue) metingen om inzichtelijk te hebben dat de luchtwassers werken zoals ze moeten werken. Daarmee wordt met zekerheid de reductie van (ammoniak)uitstoot geborgd. Conclusie: Deze zienswijze is deels gegrond en heeft tezamen met het advies van de Commissie mer tot aanpassingen van het MER en het besluit omgevingsvergunning geleid.
9
4.1
4.2
4.3
4.4
Onze samenleving staat voor grote uitdagingen. Zowel op grote wereldwijde schaal als bij minder omvangrijke, lokale projecten, is het zaak om breder te kijken dan de beperkte visie van de directe omgeving. De impact kan veel groter zijn. Dat is o.a. het geval met de problematiek rond milieu en klimaat. De uitdagingen zijn helder, net zoals de richting waarin veranderingen in ons gedrag zouden moeten bewegen. Het is in ieder geval zonneklaar dat de wijze, waarop onze samenleving nu is georganiseerd geen constructieve bijdrage vormt voor onze bestaanszekerheid in de toekomst. Dat heeft consequenties, ook en misschien vooral in de besluitvorming op lokaal niveau. Het is niet meer een eenvoudige kwestie van toepassen van de ambtelijke regels. Het algemeen belang stijgt daar ver bovenuit, maar is (nog?) niet afdoende in die regels vertegenwoordigd. Eén van die consequenties is het terugdringen van de huidige veehouderij. Er bestaat grote overeenstemming over het gunstige effect dat inkrimping van de veestapel zal hebben op milieu- en klimaat gerelateerde problemen. Ik begrijp best dat er rekening moet worden gehouden met de belangen van veehouders, maar dat betekent niet dat we moeten volhouden in onze race naar de afgrond. Het minste dat we van een verstandig bestuur mogen verwachten is besluitvorming die de bedreigingen niet aanwakkert, maar juist tegengaat.
Daarom begrijp ik niet dat de gemeenteraad van Raalte geen bezwaar ziet in de uitbreiding van de varkenshouderij aan de Heetenseweg 9a/9c, het tegenovergestelde van de gewenste inkrimping van de veestapel. Er zijn volop aanleidingen om bedenkingen te hebben bij deze plannen. Het ontwerp Verklaring van geen bedenkingen (vvgb) is een bedreiging voor de maatschappij in brede zin, voor de bestaanszekerheid op de langere termijn voor velen, louter voor het financiële gewin op de korte termijn voor enkelen. Het gaat immers niet alleen om het voldoen aan specifieke ambtelijke criteria volgens de MER, Bouwbesluit of ruimtelijke ordening. Er spelen veel meer verder reikende belangen mee. Het zal u duidelijk zijn: ik heb wel degelijk bedenkingen. Zelfs zoveel dat ik bezwaar aanteken tegen een goedkeuring van het ingediende uitbreidingsplan. De beperkte economische baten wegen niet op tegen de maatschappelijke lasten van velen. Er zijn veel belanghebbenden: de omwonenden, die baat hebben bij een afwijzing van dit plan; de z.g. PAS-melders en andere veehouders die als het ware een mes in de rug krijgen als blijkt dat hier ruim baan wordt gegeven aan uitbreiding (precedentwerking);
Reactie: Wij nemen kennis van deze mening. Zie de beantwoording bij o.a. punten 1.1 en 2.8. Aanvullend wordt opgemerkt dat het college en de gemeenteraad bij haar overwegingen nadrukkelijk verder heeft gekeken dan het toepassen van wet- en regelgeving. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie de beantwoording bij o.a. punten 1.1, 2.8 en 4.1. Het inkrimpen van de veehouderijsector is slechts één van de mogelijke middelen om met de grote doelen/opgaven van deze tijd om te gaan. Met dit initiatief wordt bijgedragen aan het algemeen belang om emissies terug te dringen en tegelijkertijd voedselzekerheid te bieden. Met de voorschriften in deze vergunning wordt zeker gesteld dat de door appellant gevreesde bedreigingen, worden omgezet in kansen. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie de beantwoording bij o.a. punten 4.1 en 4.2. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen.
Reactie: Zie wederom de beantwoording bij uw eerdere punten. Aanvullend verwijzen wij naar de beantwoording bij punt 3.1, waaruit blijkt dat direct omwonenden ook baat hebben bij uitvoering van dit plan. Naast het beëindigen van veehouderijen zijn er ook 10
en bovenal de hele maatschappij, die een draagvlak moet vormen voor alle klimaat-maatregelen, een opgave voor iedereen!
4.5
Toegeven aan dit voornemen frustreert de burger om een bijdrage te leveren aan die hoogstnoodzakelijke gedragsverandering, zeker als dat ook nog indruist tegen de maatregelen die op andere bestuursniveaus worden genomen. Het lokale bestuur is mede verantwoordelijk voor de vorming van dat draagvlak teneinde onze bestaanszekerheid op de langere termijn te garanderen.
5. 5.1
Zienswijze 5 Landgoed Schoonheten ligt direct aangrenzend aan het varkensbedrijf. Het landgoed omsluit het bedrijf aan vrijwel de gehele noord- zuid- en oostzijde. De aan het bedrijf grenzende percelen bestaan uit natuurterreinen. Het zijn zeer waardevolle oude natuurterreinen en bossen, waaronder een voormalige eendenkooi en ecologisch zeer waardevolle bossen en landschapselementen. Gedeeltelijk betreft het voormalige cultuurgronden die met overheidssubsidies zijn omgevormd naar natuurterrein.
mogelijkheden om door technische/innovatieve maatregelen een bedrijf uit te breiden en tegelijkertijd emissies te reduceren. Deze combinatie van activiteiten borgen wij met controles en metingen, zodat de werking van de luchtwassers wordt zeker gesteld. Daarmee draagt dit bedrijf bij aan de landelijke opgaven, wat gerust een precedentwerking mag krijgen. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Het is nog maar de vraag welke maatregelen er op andere bestuursniveaus zullen worden genomen. Wij beslissen echter niet over de separaat bij GS ingediende aanvraag Wnb. Uit r.o. 5.3 en 5.4 van de uitspraak van de Rechtbank Overijssel d.d. 6 maart 2025 (ECLI:NL:RBOVE 2025: 1268) volgt dat de aanvraag Wnb niet aanhaakt, indien deze is aangevraagd bij GS alvorens op de aanvraag omgevingsvergunning is beslist. Bovendien volgt uit deze uitspraak dat een Wnb-procedure los staat van de procedure tot verkrijgen van de omgevingsvergunning. Nu de aanvraag een reductiepercentage van meer dan 30% van zowel de ammoniakemissie als de stikstofdepositie omvat en er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden optreden, voldoet deze Wabo-aanvraag aan een goede ruimtelijke ordening. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond leidt op zichzelf niet tot aanpassingen.
Reactie: De ligging van Landgoed Schoonheten is uitsluitend aan de oostzijde direct grenzend aan het bedrijf van initiatiefnemer gelegen. Aan de noord- en zuidzijde van het bedrijf/erf zijn agrarische gronden van initiatiefnemer gelegen. Tezamen met het erf heeft initiatiefnemer een oppervlakte van circa 24 ha in eigendom. Zowel ten 11
Door het Landgoed worden kosten noch moeite gespaard om de natuurterreinen op een goede manier te beheren zodat zij behouden blijven en zich verder kunnen ontwikkelen. Grote delen van de op het landgoed aanwezige bossen en natuurterreinen zijn aangewezen als “Zeer kwetsbare gebieden” op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Alle bos- en natuurgebieden die tot het landgoed behoren maken onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Aansluitend aan het landgoed ligt het Natura2000 gebied Boetelerveld. Het gehele landgoed is opengesteld voor recreatief medegebruik en vervuld mede daardoor een belangrijke maatschappelijke functie voor (onder andere) de inwoners van de gemeente Raalte.
5.2
In de huidige situatie (met de huidige omvang) zorgt het varkensbedrijf al voor veel overlast. Door haar ligging aan de westzijde van het landgoed voert de overheersende westenwind de uitstoot van het bedrijf over het landgoed. Dat zorgt enerzijds voor veel (stikstof)depositie en Het plan waaraan u voornemens bent medewerking te verlenen betreft een toename van ca. 12.000 dieren en de bouw van een Megastal, waardoor het bouwvlak van de varkenshouderij met 75% moet worden vergroot, anderzijds voor veel stankoverlast.
noorden als ten zuiden van deze agrarische gronden zijn tot circa 150 tot 200 m vanaf de provinciale weg gezien eigendommen van derden gelegen. De afstand van de gevel van een bedrijfsgebouw binnen de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde gebied binnen het Landgoed wat als “zeer kwetsbare gebieden” is aangewezen bedraagt 966 m. Ook is een enkel perceel in eigendom bij Landgoed Schoonheten aangrenzend aan de gronden van initiatiefnemer planologisch bestemd als “Agrarisch met waarden – Landschapswaarden” en niet als bos- of natuurgebied. Voor het overige nemen wij uw beschrijving van Landgoed Schoonheten voor kennisgeving aan. Het Landgoed draagt bij aan de doelstellingen voor het NNN-gebied en wij spreken onze waardering uit voor het gevoerde beheer en de openstelling voor recreatief medegebruik. Conclusie: Deze beschrijving omvat geen inhoudelijke zienswijze en nemen wij met de hierboven beschreven aanpassingen voor kennisgeving aan. Reactie: De door het Landgoed omschreven huidige overlast wordt lager, want de uitstoot van het bedrijf wordt door de te nemen maatregelen juist verminderd. Op de 9 extra meetpunten (geen formele toetsingspunten), die n.a.v. de eerdere zienswijze van appellanten zijn opgenomen in het MER, laten in alle gevallen een afname van de stikstofdepositie zien (zie pag. 126127 MER en bijlage 23a MER).
De toename in dieraantallen, die de rentmeester beschrijft, betreft niet het genoemde aantal van ca. 12.000. In de ontwerp stukken die ter inzage hebben gelegen nam het aantal dieren toe met 11.590. In de voorliggende definitieve vergunning zullen er 160 vleesvarkens minder gehouden worden, zodat de totale toename 11.430 dieren bedraagt. 12
5.3
Zoals in het collegevoorstel is aangegeven heeft de gemeenteraad een aantal uitdrukkelijke voorwaarden meegegeven voor de verdere besluitvorming. Aan drie voorwaarden is naar onze mening niet, althans onvoldoende, voldaan:
5.4
De plannen moeten volgens het MMA uit het concept milieurapport worden uitgevoerd. Dat impliceert (tenminste) dat de Commissie voor de Milieueffectrapportage zich heeft uitgesproken over het milieurapport en dat het voorgestelde MMA ook daadwerkelijk het meest milieuvriendelijk is. Wij hebben nog geen oordeel gezien. Naar onze mening is daarom niet aan de uitdrukkelijke voorwaarde van de raad voldaan en kan er geen vvgb worden afgegeven.
Ook met de presentatie van de toename van het bouwvlak wordt een negatiever beeld geschetst, dan de daadwerkelijke uitbreiding. Het huidige bouwvlak inclusief de verleende afwijkingen voor een mestsilo en een tweede bedrijfswoning buiten het bouwvlak bedraagt circa 2,1 ha. Met de uitbreiding tot 3,5 ha bedraagt de uitbreiding dan 67%. Ook de geurbelasting zal door de te nemen maatregelen juist afnemen. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Bij de door u genoemde punten wordt specifiek ingegaan op uw argumenten. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond. Reactie: Er is door de gemeenteraad een ontwerp vvgb afgegeven. Bij het al dan niet afgeven van een definitieve vvgb wordt het toetsingsadvies van Commissie mer betrokken. Bij het voorleggen van de ontwerp vvgb aan de gemeenteraad is zij op de hoogte gesteld van de gelijktijdige terinzagelegging en het aanvragen van het toetsingsadvies (zie argument 2.1 als onder het kopje ‘Vervolg’ van het raadsvoorstel met Z37147-2024 wat tijdens de RdTbijeenkomst op 4 juli 2024 en tijdens de raadvergadering op 18 juli 2024 is behandeld). Op het toetsingsadvies van de Commissie mer wordt verderop in deze reactienota ingegaan. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen.
13
5.5
Afspraken met de buren over (aanvullende) landschappelijke inpassing moeten worden nagekomen en geborgd. Vooropgesteld: wij vinden de aanvullende landschappelijke inpassing buitengewoon mager. Een paar singeltjes, een bomenrij en wat elzen kunnen niet worden beschouwd als een serieuze poging om de gevolgen voor het landschap door de bouw van een Megastal te compenseren. Met Landgoed Schoonheten zijn geen afspraken gemaakt. In de stukken is niet aangegeven hoe de uitvoering van de aanvullende landschappelijke inpassing is geborgd. In de vergunning is uitsluitend opgenomen dat de beplanting een jaar na gereed melden van de bouw moet zijn uitgevoerd. Er zijn geen sanctiebepalingen opgenomen voor het geval aan deze voorwaarde niet wordt voldaan. Dat betekent dat er geen sprake is van borging.
5.6
Borging technische maatregelen ten aanzien van het aspect geur. In het collegevoorstel is aangegeven dat aan het advies van de GGD niet kan worden voldaan. Alleen al daarom voldoet de vergunning niet aan de uitdrukkelijke voorwaarden die de raad heeft gesteld. In het B&W voorstel wordt gesteld dat de uitstoot en geurbelasting verminderen door toepassing van technische maatregelen. Die maatregelen zijn nog niet “bewezen”, reden waarom een aantal vergunningen door de Raad van State zijn vernietigd. Uw college verwacht dat deze systemen de toets der Raad van State kritiek wel kunnen doorstaan vanwege de metingen die de initiatiefnemer zelf heeft verricht (o.a. in Duitsland). Een belangrijke vraag daarbij is of de door Tijs toegepaste meetsystematiek die toets wel valide is. Zolang niet duidelijk is of de technische maatregelen en de metingen valide zijn is er geen sprake van acceptabele technische maatregelen, noch van een borging. Wij stellen daarom dat de gemeenteraad geen vvgb kan afgeven.
Reactie: Zie de beantwoording onder zienswijze 3.1. In het aangepaste Landschappelijke Inpassingsplan is mede n.a.v. de eerdere reactie van appellanten 3 evenals de ambtshalve opmerkingen vanuit de provincie ook rekening gehouden met enkele van uw wensen. Dat met u geen nadere afspraken door de initiatiefnemer zijn gemaakt, komt omdat uzelf de contacten heeft afgebroken. Voor de borging van de voorschriften in een omgevingsvergunning geldt het reguliere toezicht- en handhavingsbeleid. Daarnaast hebben wij in de anterieure overeenkomst een geldboete opgenomen, welke initiatiefnemer verschuldigd is aan gemeente indien het Landschappelijk Inpassingsplan niet tijdig en/of naar behoren wordt uitgevoerd. De boete staat daarbij los van het feit dat wij als gemeente in voorkomend geval evengoed uitvoering kunnen en zullen vereisen. Er is dus op meerdere vlakken sprake van een gedegen borging. Conclusie: Deze zienswijze is deels gegrond en heeft geleid tot een aangepast Landschappelijk Inpassingsplan.
Reactie: De voorwaarde die in de NRD is gesteld is: “Ook dient op inzichtelijke wijze in beeld te worden gebracht welke maatregelen mogelijk kunnen zijn om te voldoen aan de door de GGD genoemde advieswaarden voor wat betreft de voor- en achtergrond belasting ten aanzien van geur en de haalbaarheid hiervan.” In paragraaf 6.6 MER is uitgebreid ingegaan op de geuruitstoot van het MMA/de gewenste situatie. Met de beschrijving onder Ad 2. Geurhinder in par. 9.3 van het MER wordt antwoord gegeven op de (mogelijkheden van) door initiatiefnemer te nemen maatregelen om te voldoen aan de 14
5.7
Zoals in de ontwerp vergunning terecht gesteld kan de vergunning niet worden verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Hiervoor hebben wij aangegeven waarom wij van mening zijn dat geen vvgb kan worden afgegeven. De omgevingsvergunning kan overigens ook niet worden verleend vanwege de hiervoor onder de punten 1 tot en met 3 aangegeven redenen. Deze gronden van de zienswijze richten zich dus niet alleen tegen het afgeven van de vvgb, maar ook tegen de ontwerp vergunning als zodanig.
5.8
Daarnaast voeren wij nog aan dat naar onze mening de ontwerp vergunning lijnrecht in strijd is met de natuurwetgeving. Niet duidelijk is of een Wnb vergunning nodig is, en als dat het geval is, of die vergunning door de Provincie zal worden afgegeven. Zolang dit aspect niet volledig is opgehelderd is de uitvoerbaarheid van de vergunning zeer onzeker. Bij gebrek aan zicht op uitvoerbaarheid is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening, of anders gezegd, de vergunning doet dan afbreuk aan een evenwichtige toekenning van functies. Appellant concludeert dat de vergunning niet kan worden verleend.
6. 6.1
Zienswijze 6 Allereerst worden met een viertal punten de beide ontwerpbesluiten, de aanvraag en het verschil in dieraantallen tussen de beoogde bedrijfsopzet en de huidige dieraantallen aangehaald. Onder punt 5 staat: Het gaat aldus om een enorme uitbreiding van het aantal dieren met 1.364 gespeende biggen en 10.298 vleesvarkens en een vermindering van het aantal opfokzeugen (72). Eisers kunnen zich niet verenigen met het ontwerpbesluit d.d. 2 september 2024 en voeren daartoe het volgende aan.
door de GGD genoemde advieswaarden. Aan de gestelde voorwaarde in de NRD is derhalve voldaan. M.b.t. het bewijzen van de maatregelen verwijzen wij naar de beantwoording onder punt 2.1. Aanvullend wordt opgemerkt dat er een groot verschil is met de Wnbvergunningen die door de RvS zijn vernietigd en deze voorliggende Wabo-aanvraag. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt op zichzelf niet tot aanpassingen. Reactie: Het klopt dat het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor dit planinitiatief kan afgegeven, indien de gemeenteraad geen vvgb afgeeft. Met de beantwoording van zienswijzen 5. 4 tot en met 5.6 zijn de door u aangegeven 3 punten ongegrond verklaard. Indien de gemeenteraad instemt met de aanpassingen in/van de stukken en de definitieve vvgb afgeeft, is er geen bezwaar om de aangepaste omgevingsvergunning te verlenen. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie de beantwoording onder punt 4.5. Conclusie: De zienswijze is ongegrond en leidt op zichzelf niet tot aanpassingen.
Reactie: De verwijzingen en citaten zijn overeenkomstig de ontwerpbesluiten. Dat appellant zich niet met het ontwerpbesluit kan verenigen, nemen wij bij dit punt voor kennisgeving aan. Op de inhoudelijke argumenten wordt hierna ingegaan. Conclusie: Deze beschrijving omvat geen inhoudelijke zienswijze en het 15
6.2
De stukken zijn niet compleet er inzage gelegd. Zo ontbreken de bijlagen bij de MER. Daarnaast is het volledige natuurdossier ook niet er inzage gelegd terwijl dit wel een relevant onderdeel is van het dossier. Hierbij wordt verwezen naar artikel 3.11 Awb. De genoemde stukken zijn stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerpbesluit. De stukken dienen dan ook alsnog compleet ter inzage gelegd worden met een nieuwe termijn voor een (aanvullende) zienswijze.
6.3
Werking van de chemische luchtwassers is niet zeker. Appellant haalt onder punten 7 en 8 citaten van pag. 119 en 120 van het MER aan: Uit de genoemde jurisprudentie in het MER blijkt dan onder andere RAV-emissiefactoren voor emissiearme stalsystemen worden onderschat. Vervolgens wordt verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant d.d. 9 april 2021 (ECLI:NL:RBOBR”2021:1601), waar het specifiek ging over de toepassing van luchtwassers in de varkenshouderij, en de rechtbank overweegt dat de genoemde rapporten geen aanleiding zijn om te oordelen dat de emissiefactoren in de RAV voor luchtwassers in zijn algemeenheid onjuist zijn. Op basis daarvan is het volgens de rechtbank voldoende aannemelijk dat luchtwassers in staat zijn om de voor dat systeem vastgestelde emissiefactor te halen onder de omstandigheden waarbij de proefmetingen zijn uitgevoerd. Vervolgens worden er op pag. 121 en 122 een aantal voorschriften/voorwaarden genoemd zoals een rendementsmeting en een technisch informatiedocument luchtwassystemen voor de veehouderij en een checklist. Er wordt overwogen dat uit metingen en gegevens van de leveranciers en
standpunt van appellant nemen wij op deze plek voor kennisgeving aan. Reactie: Indien u één of meerdere stukken niet heeft kunnen vinden, had het in de lijn der verwachting gelegen dat u die stukken alsnog op zou vragen, zoals ook in onze publicaties vermeld/verzocht wordt. Overigens hebben ook de bijlagen online wel ter inzage gelegen. Indien appellant met ‘het natuurdossier’ doelt op de aanvraag Wnb-vergunning bij Gedeputeerde Staten van Overijssel, dan is dit geen onderdeel van de ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning m.b.t. bouwen, milieu, uitvoeren van werken/werkzaamheden en handelen in strijd met regels RO. Overigens was de op 13 oktober 2023 ingediende aanvraag Wnbvergunning bij GS wel als bijlage 6 van de Toelichting Wabo milieu 22 mei toegevoegd. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om kennis te nemen van de stukken. Er is geen reden om de inzagetermijn over te doen. Conclusie: De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen of een hernieuwde terinzagelegging. Reactie: Zie ook de beantwoording onder punten 2.1, 2.4 en 2.5. Appellant verwijst voor de werking van de thans aanwezige gecombineerde luchtwassers naar Devrie. De metingen bij de combiluchtwassers in de zeugenstal/stal 4 en de biggenstal/stal 5 zijn echter niet uitgevoerd door deze leverancier van luchtwassers, maar door Bureau Blauw (zie bijlage 34 MER).
Dit is een onafhankelijk bureau met accreditatie, die geen belang heeft bij de uitkomst van de metingen. De Commissie mer heeft opgemerkt dat deze twee meetmomenten van de gecombineerde luchtwassers laten zien dat de rendementen (volgens de RAV-emissiefactoren) kunnen 16
de werking van thans aanwezige gecombineerde luchtwassers (Devrie) blijkt dat het gewenste reductiepercentage bij de beoogde luchtwassers kan worden bewerkstelligd. Er wordt op gewezen dat er voor varkensstallen geen vastgesteld protocol/toereikend en betaalbare meetapparatuur bestaat om de concentratie ammoniak in de lucht real-time te meten.
6.4
Appellant merkt op dat na de genoemde uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2024:3356, r.o. 13.4 tot en met 13.10) een uitspraak heeft gedaan, waar het ook ging om de uitbreiding van een varkenshouderij. In de uitspraak stond centraal of met het treffen van maatregelen die worden opgenomen in de voorschriften van de natuurvergunning, vaststaat dat de beoogde ammoniakreductie van deze combiluchtwassers wordt gehaald. Met een citaat van r.o. 13.7 wordt gesteld dat de Afdeling in die casus van oordeel was dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt wat het expert judgement en de resultaten van de rendementsmetingen inhouden. Tevens wordt verwezen een rapport van WUR, waarbij gesteld wordt dat dat rapport te beperkt van opzet is om daaraan de zekerheid te ontlenen dat het beoogde rendement van zulke luchtwassers wordt gehaald. Dit betekent dat de verwachte voordelen van de maatregelen die in de natuurvergunning zijn voorgeschreven niet vaststaan, zodat het college deze niet in de passende beoordeling mocht betrekken, aldus de uitspraak in r.o. 13.7. Appellanten stellen dat in dit geval ook niet inzichtelijk is gemaakt waar de vereiste zekerheid van de werking aan ontleend kan worden. Dus hetgeen door de Raad van State wordt overwogen is ook in dit geval van toepassing.
Bij punt 11 benoemt appellant dat zij de genoemde rendementsmetingen onvoldoende achten om daar aan de zekerheid te ontlenen dat het beoogde rendement van de chemische luchtwassers wordt gehaald. Dit betekent dat de verwachte voordelen van de voorschriften niet vaststaan. Omdat die zekerheid er niet is, kan dus ook geen natuurvergunning worden verleend.
worden behaald. Volgens de uitspraken van de Voorzieningenrechters van ECLI:NL’RBNNE:2021:3647 en ECLI:NL:RBNNE:2023:352 mag in het kader van een goede ruimtelijke ordening uitgegaan worden van de RAV-emissiefactoren. In de door appellanten aangehaalde uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant wordt de vvgb met betrekking tot de Wet natuurbescherming bestreden. Nogmaals melden wij dat de aanvraag Wnb niet aanhaakt bij deze Wabo-aanvraag. Conclusie: De zienswijze is deels gegrond en heeft tezamen met het advies van de Commissie mer tot aanpassingen van het MER en het besluit omgevingsvergunning geleid. Reactie: Zie de beantwoording onder punt 2.1, 4.5 en 6.3. Conclusie: De zienswijze is deels gegrond en leidt tezamen met het toetsingsadvies tot aanpassingen van het MER en de omgevingsvergunning.
17
6.5
Onder punt 12 merkt appellanten op dat er op korte termijn een verzoek tot intrekking ingediend zal worden ten aanzien van de vergunning Natuurbeschermingswet 1998 d.d. 28 november 2014 verleend aan G.J.M. Tijs voor de locatie Heetenseweg 9A in Heeten.
6.6
Emissiereductie ammoniak is onvoldoende aannemelijk Volgens de aanvraag zou er ondanks de uitbreiding in dierenaantallen door de milieumaatregelen sprake van een aanzienlijk lagere ammoniakemissie vanuit de dierenverblijven. Appellanten kunnen zich hiermee niet verenigen gezien de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van State. Er wordt in het MER uitgegaan van verouderde jurisprudentie. Het besluit kan dan ook niet hierop worden gebaseerd. Ook met de genoemde voorschriften/voorwaarden die kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning is niet voldoende onderbouwd dat de verwachte voordelen van de maatregelen die aan de vergunning zijn verbonden aannemelijk zijn. Bovendien wordt in het MER gesteld dat er geen vastgesteld protocol / toereikende en betaalbare meetapparatuur is om de concentratie ammoniak in de lucht afkomstig ‘real-time’ te meten (zie pag. 122, laatste alinea). Dus er kan dan ook niet worden gesteld dat de beloofde ammoniakreductie aannemelijk is gemaakt.
6.7
Reactie: Zoals gezegd zijn wij niet het bevoegd gezag m.b.t. de vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming. Wel merken wij op dat de initiatiefnemer de genoemde vergunning uit 2014 met de huidige bedrijfsvoering overeenkomstig de voorschriften volledig in gebruik heeft. Voor zover wij kunnen beoordelen zijn er geen redenen voor Gedeputeerde Staten van Overijssel om aan een dergelijk verzoek gehoor te geven. Conclusie: Deze zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie de reacties onder punt punten 2.1, 4.5, 6.3 en 6.4. Conclusie: De zienswijze is deels gegrond en leidt tezamen met het toetsingsadvies tot aanpassingen van het MER en de omgevingsvergunning.
Reactie: Zie de reactie onder punt 2.4. Conclusie: De zienswijze is gegrond en leidt tot aanpassingen van het MER en de omgevingsvergunning.
18
6.8
Het MER voldoet niet aan artikel 7.23 Wet Milieubeheer, waarbij in lid 1b staat: Een milieueffectrapport bevat ten minste: een
beschrijving van de, zonder de onder c bedoelde maatregelen, waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben. In lid 1c staat vervolgens: Een milieueffectrapport bevat ten minste: een beschrijving van de geplande maatregelen om de waarschijnlijk belangrijke nadelige gevolgen te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk te compenseren. In het MER zijn er wel alternatieven berekend maar niet een alternatief waarbij niet uitgegaan wordt van een worst-case scenario. Met verwijzing naar productie 1 dient bij het beschrijven
van de te verwachten belangrijke milieugevolgen van de activiteiten dient in ieder geval het scenario in ogenschouw te worden genomen waarin er geen mitigerende en/of compenserende maatregelen worden getroffen. Hieruit dient te
6.9
worden geconcludeerd dat er ook een berekening gemaakt dienen te worden waarbij de voorschriften bij de emissiearme stalsystemen, die als mitigerende maatregelen dienen te worden gezien, buiten beschouwing worden gelaten en er dus uitgegaan wordt van emissie in een normaal stalsysteem. Worst-case scenario alternatief Appellanten hebben zelf een AERIUS-berekening (productie 2) gemaakt waarbij er uitgegaan wordt van een werkend stalsysteem in de mestkelder (BWL 2004.04V2), maar waarbij niet uitgegaan van een systeem van de chemische luchtwassers met een reductie van 95% met voorschriften maar een normaal huisvestingssysteem. In dit worst-case scenario blijkt dat er een enorme toename van ammoniakemissie is van 7.103,8 naar 20,0 ton gaan. Dat betekent dan een toename op bijvoorbeeld het Natura 2000 gebied Boetelerveld van 11,97 mol N/ha/jr. Het is in het kader van de onderhavige omgevingsvergunning niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van een afname van de ammoniakemissie. Het MER is niet volledig nu er niet is uitgerekend wat de emissie zou zijn in de worst-case en de recentste jurisprudentie van de Raad van State wordt en onrechte niet meegenomen.
Reactie: De aanvraag omgevingsvergunning is ingediend voor de uitbreiding van een varkenshouderij. De activiteit die wordt aangevraagd en die in het MER onderzocht dient te worden heeft uitsluitend betrekking op de uitbreiding en de wijzigingen ten opzichte van de bestaande, legaal aanwezige activiteiten. De 0-situatie is de huidige, vergunde situatie, ook wel aangemerkt als de referentiesituatie. Er is een berekening van de referentiesituatie uitgevoerd. Deze referentiesituatie is de situatie, zoals in artikel 7.23, lid 1b Wet milieubeheer wordt bedoeld. Conclusie: De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Het is uiteraard mogelijk om een worst-case scenario toe te voegen aan het MER waarbij de nieuwe stallen zonder emissiearme stalsystemen worden berekend. Het is echter geen realistisch alternatief en is daarom door ons niet als voorwaarde in de NRD opgenomen. In het NRD hebben wij verwoord dat de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven moeten worden beschreven. Volgens artikel 7.23, lid 1d dient een MER redelijke alternatieven te bevatten. Een berekening c.q. een alternatief met een (worst-case) scenario zonder mitigerende en/of compenserende maatregelen is geen redelijk dan wel realistisch alternatief.
Wij kunnen immers nooit een omgevingsvergunning verlenen voor een normaal stalsysteem, omdat hierbij niet voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving en de uitgangspunten in de NRD. Denk hierbij onder andere aan het Besluit emissiearme huisvesting (voor vleesvarkens geldt een maximale emissiewaarde van 1,1. Dit is lager dan 1,4 kg/dier/jr waarmee in het worst case scenario wordt gerekend) en de toenames op het gebied van stikstofdepositie en geurbelasting. De door appellant 19
6.10
6.11
Het MER voldoet niet aan de vereisten in de MER-richtlijn Aanvullend wordt nog verwezen naar Bijlage III bij deze richtlijn met een aantal citaten hieruit. Appellanten zijn van mening dat de waarschijnlijkheid van de effecten van de gebruikte maatregel in het MER dient te worden meegenomen, zoals in dit geval de voorschriften bij de emissiearme stallen. Ook dient in de beschrijving een prognose van de aard en hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies (water-, lucht- en bodemverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte straling enz.) ten gevolge van het project gegeven te worden. Tevens een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht. Volgens appellanten moet uitgegaan worden van de verschillende opties waaronder ook het worst-case scenario. Dat is onvoldoende gebeurd. Naar aanleiding van de plaats van de projecten dient bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen…. v) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd. Het gaat daarbij om Richtlijnen inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
Er dient dus te worden gekeken naar de kwetsbaarheid van bijvoorbeeld Natura 2000 gebied Boetelerveld hetgeen reeds een overbelast gebied is. Ook dient er te worden gekeken naar zeer gevoelige soorten. Er is sprake van een overschrijding van de KDW voor alle habitattypen op het Natura 2000 gebied Boeterveld. De Ecologische autoriteit concludeert dat verdere verslechtering niet is uitgesloten, waarna appellant diverse citaten uit de NDA heeft opgenomen. Quick scan is te beperkt Bij het MER wordt verwezen naar 43 bijlagen maar deze zijn niet bijgevoegd. Dit geldt ook voor de QuickScan Flora en Fauna. De genoemde conclusies in het MER-rapport bestaan uit een zeer beknopt verslag waaruit niet is op te maken of alle soortgroepen zijn beschouwd. Daarnaast is alleen gekeken naar het plangebied zelf, terwijl in de directe omgeving ook eventueel landschapselementen aanwezig zijn die mogelijk een functie vervullen voor beschermde soorten.
bijgevoegde berekening is geen redelijk alternatief, nog afgezien of deze berekening wel correct is uitgevoerd. Met een dergelijk alternatief c.q. worst-case scenario is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie: De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassingen. Reactie: Zie o.a. de beantwoording bij de punten 4.5 en 6.4. Conclusie: De zienswijze is deels gegrond en leidt tezamen met het toetsingsadvies tot aanpassingen van het MER en de omgevingsvergunning.
Reactie: Zoals in de beantwoording bij punt 6.2 al gemeld, waren de stukken digitaal ter beschikking gesteld via mijnpublicaties.nl en daarnaast kon het ontwerp worden opgevraagd via omgevingsloket@raalte.nl . Specifiek voor de Quick Scan Flora en Fauna geldt dat deze zowel als bijlage 16 MER als bijlage 9 ROB was en is opgenomen. In de Quick Scan is wel degelijk aandacht besteed aan alle soortgroepen, waardoor er geen wettelijke consequenties zijn. Ook 20
6.12
Alternatieven in het MER Er worden in het MER wel andere alternatieven berekend, waarbij uitgegaan wordt van een aanleg van een stalruimte met een gecombineerde luchtwasser zonder correctie voor de toepassing van het aanvullende brongerichte emissiearme stalsysteem in de mestkelder. Ter plaatse van het Natura 2000 gebied Boetelerveld is er sprake van een toename van 0,86 mol in dit alternatief. Nu uit dit alternatief blijkt dat deze bedrijfsopzet niet zonder extern salderen kan worden gerealiseerd kan dan ook niet een omgevingsvergunning worden verleend. Aanvullend merken appellanten onder punt 24 op dat alleen de effecten voor wat betreft de ammoniakemissie zijn onderzocht en niet voor wat betreft bijvoorbeeld geur. Voor een zorgvuldige besluitvorming is het noodzakelijk dat alle effecten van de alternatieven in beeld worden gebracht.
zijn overeenkomstig het advies Commissie mer de effecten van maatregelen bij de bestaande gebouwen op beschermde soorten in beeld gebracht met een aanvullende Faunascan d.d. 14 november 2024 (bijlage 15 ROB/bijlage 40 MER). Daaruit blijkt dat er geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd hoeft te worden. Uit bijlage 42 MER blijkt dat de verstoringseffecten van de uitbreiding van de varkenshouderij op het NNN-gebied dusdanig gering zijn dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Conclusie: De zienswijze is deels gegrond en heeft tezamen met het toetsingsadvies geleid tot aanpassingen in de ROB en het MER. Reactie: De extra berekening van een alternatieve bedrijfsopzet, waarbij het aanvullende brongerichte emissiearme stalsysteem in de mestkelder niet wordt meegerekend, is het de aangepaste MER niet meer opgenomen. De alternatieve bedrijfsopzet met in stallen 6 en 7 combi-luchtwassers i.p.v. chemische luchtwassers is in het MER wel in beeld gebracht en kan inderdaad niet zonder extern salderen worden gerealiseerd. Ondanks de lichte afname van ammoniakemissie ontstaat in dit alternatief wel een lichte depositietoename op andere Natura 2000-gebieden dan Boetelerveld, terwijl de geurbelasting door het gebruik van de combiluchtwassers juist iets meer daalt dan in het Meest Milieuvriendelijke Alternatief (MMA).