CConstaterende datRaalte
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Toelichting BP Raalte, Hoogspanningsstation 110kV_Ontwerp_2 juni 2023

Raadsvergadering 19 oktober 2023, gemeente RaalteBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Raalte Kern, uitbreiding hoogspanningsstation Westdorplaan Raalte (hamerstuk)11.172 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.

Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in standhouden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Er is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). Het verkennend natuuronderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied en de mogelijke vervolgstappen die moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures.

26/35

Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op 2,8 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Boetelerveld. Directe aantasting zoals oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000-gebied is niet aan de orde omdat de werkzaamheden buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied plaatsvinden. Verstoring van verstoringsgevoelige dieren (waaronder vogels) door beweging, geluid, trilling en licht gedurende de realisatiefase en gebruiksfase reikt tot maximaal enkele honderden meters ver. Met een afstand van 2,8 km en verder is zijn negatieve effecten ten gevolge van verstoring door de werkzaamheden uitgesloten. In het kader van de Wet natuurbescherming is onderzocht of de renovatie van het hoogspanningsstation van TenneT in Raalte tot stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden leidt. Op basis van de beschreven uitgangspunten zijn met AERIUS Calculator (versie 2022, rekenjaar 2023) berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositie te toetsen (bijlage 5). Uit deze berekeningen is voor alle getoetste jaren geen depositietoename op Natura 2000 gebieden met voor stikstof gevoelige habitats gevonden. Hierdoor kunnen voor het aspect stikstofdepositie significante gevolgen worden uitgesloten op de omliggende Natura 2000-gebieden en staat het aspect stikstofdepositie de verdere besluitvorming niet in de weg.

Soortenbescherming In en nabij het plangebied zijn waarnemingen bekend van de beschermde soorten vleermuizen, egels en vogels (de roek). Door de beoogde ingebruikname van het plangebied als uitbreiding van het hoogspanningsstation Raalte gaat voor vleermuis een mogelijke vliegroute en/ of foerageergebied verloren. Holtes zijn niet waargenomen. Om vast te stellen of de groenstrook met bomen die gekapt gaat worden werkelijk in gebruik is als vliegroute dient vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden. Ook de bomenstrook langs de Westdorplaan dient te worden meegenomen om het gebruik, en daarmee het belang, van beide bomenstroken als vliegroute te vergelijken. Afhankelijk van de resultaten kan ontheffing nodig zijn. Daarnaast gaat door de kap een nest van roek verloren. Voor de boom met het roekennest dat door kap verloren zal gaan, dient, er van uitgaande dat dit nest in gebruik is, ontheffing te worden aangevraagd. Deze ontheffing kan worden verleend uitgaande van het ongeschikt maken van het nest buiten de kwetsbare periode en de aanwezigheid van vervangend leefgebied in de zuidelijke bomenstrook waar het grootste deel van de roekenkolonie zich bevindt. Voor kleine zoogdieren als de in de omgeving aangetroffen egel, blijft langs de zuidkant een beschutte route in stand die in verbinding staat met de omgeving.

Om verstoring van broedende vogels te voorkomen zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg half maart t/m juli met uitloop tot halverwege augustus) uitgevoerd moeten worden. Indien uitvoering van de werkzaamheden in het broedseizoen niet is te voorkomen en in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord, dient het terrein en de directe omgeving voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd worden door een deskundig ecoloog op aanwezigheid van in gebruik zijnde vogelnesten. Deze dienen gespaard te blijven zolang ze in gebruik zijn en de jongen zijn uitgevlogen.

Zorgplicht Om verstoring van migrerende, overvliegende of foeragerende vleermuizen te voorkomen, dienen de werkzaamheden zo veel als mogelijk overdag uitgevoerd te worden en dient waar mogelijk tussen zonsondergang en zonsopgang geen directe werkverlichting of strooiverlichting (met uitzondering van voertuigen) toegepast te worden, die op bosjes, bomen en gebouwen kan schijnen. Voor eventueel aanwezige algemene (vrijgestelde) soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt wel de zorgplicht, wat betekent dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Aanwezige dieren dienen in de gelegenheid gesteld te worden het plangebied te verlaten.

27/35

Natuurbeleidskaders Natuurnetwerk Nederland De geplande werkzaamheden leiden niet tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN Overijssel omdat deze ruim buiten de begrenzing plaatsvinden.

Vleermuizenonderzoek Altenburg & Wymenga Ecologisch Onderzoek B.V. heeft een vleermuizenonderzoek uitgevoerd (Bijlage 6). Door de geplande bomenkap wordt de oostelijke bomenrij ongeschikt als vliegroute van Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger. Vanwege het ontbreken van geschikte alternatieven kan de bomenkap leiden tot een aantasting van de functionaliteit van in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen. De geplande bomenkap leidt om die reden tot een knelpunt met de Wet natuurbescherming. Er dient daarom een ontheffing te worden aangevraagd voor het aantasten van de vliegroute voor Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger.

Conclusie Het plangebied is geschikt als mogelijke vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen. Derhalve dient ontheffing nodig zijn. Daarnaast gaat door de kap een nest van roek verloren. Voor de boom met het roekennest dat door kap verloren zal gaan, dient, er van uitgaande dat dit nest in gebruik is, ontheffing te worden aangevraagd. Voor zowel de vleermuis als de roek wordt een ontheffing aangevraagd. Natura-2000 gebieden en het Natuurnetwerk Nederland vormen geen belemmering voor voorliggend plan.

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.

Planspecifiek Net als in de huidige situatie is het hoogspanningsstation enkel toegankelijk voor bestemmingsverkeer (onderhoud/werk). Met de verbouw en uitbreiding van het hoogspanningsstation zal er niet tot nauwelijks sprake zijn van verkeerstoename. De huidige inritten zullen behouden blijven. Het plangebied wordt aan de oost- en westzijde ontsloten via de Hoogspanning. De functie 'hoogspanningsstation' is niet opgenomen in de Parkeernormen Raalte 2015 en deze functie is ook niet opgenomen in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Omdat op het hoogspanningsstation slechts sporadisch personen verblijven en de parkeerbehoefte dus minimaal is, volstaat een beperkt aantal parkeerplaatsen op eigen terrein. Met de uitbreiding wordt op eigen terrein een beperkt aantal parkeerplaatsen gerealiseerd voor het incidentele bezoek van en toezichthouder met een personenauto. Op eigen terrein wordt daarmee voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde verbouwing en uitbreiding van het hoogspanningsstation.

4.12 Cultuurhistorie In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer.

28/35

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Planspecifiek In of in de nabijheid van het plangebied zijn geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig. Tevens zijn de gronden van het plangebied geen onderdeel van cultureel erfgoedgebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het bedrijventerrein.

4.13 Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Planspecifiek Bureauonderzoek In opdracht van TenneT TSO B.V is door Sweco Nederland B.V archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (bijlage 7). De aanleiding voor dit onderzoek is de voorgenomen sloop, vervanging en uitbreiding van het trafostation wat zich direct ten westen van het plangebied bevindt, waarbij ook het huidige plangebied betrokken zal worden. Hiervoor staan bodemingrepen gepland met een diepte van maximaal 1,5 m -mv. Het huidige plangebied heeft een oppervlakte van 4130 m2. Het onderzoek is een aanvulling op een eerder archeologische onderzoek n.a.v. de geplande werkzaamheden, waarbij de percelen direct ten westen van het huidige plangebied onderzocht zijn. Het plangebied bevindt zich in het Overijssels-Gelders zandgebied, binnen een dekzandgebied tussen het rivierenlandschap van de IJssel in het westen en de stuwwallen van de Sallandse Heuvelrug in het oosten. Dit landschap is gevormd tijdens de laatste ijstijd. Het plangebied ligt op een hoge en droge dekzandrug die gedurende alle archeologische perioden een aantrekkelijke bewoningslocatie zal zijn geweest. In de omgeving is weinig archeologisch onderzoek uitgevoerd maar zijn archeologische vondsten gedaan uit het Mesolithicum t/m de Nieuwe Tijd. Daarnaast is bij booronderzoek op het naastgelegen terrein van het trafostation en direct ten westen daarvan vastgesteld dat de bodem nog deels intact was.

In het plangebied geldt een hoge verwachting voor archeologische resten. Er kunnen bewoningssporen uit het Paleolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen en landbouw-/ontginningssporen uit het Neolithicum t/m de Nieuwe Tijd aanwezig zijn. Mogelijk kan een esdek uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aanwezig zijn. Waarden uit het Paleolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen worden verwacht in de top van het dekzand, wat zich waarschijnlijk op ca. 0,5 m -mv bevindt, of mogelijk onder een esdek. Waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd worden dicht onder het maaiveld verwacht; dit kan de top van het dekzand zijn, of mogelijk een esdek. Bij de voorziene grondroerende werkzaamheden tot maximaal 1,5 m -mv kunnen dus mogelijk archeologische waarden worden verstoord of vernietigd. Sweco Nederland adviseert daarom om in het plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek, met een boorgrid van 40 x 50 m. De boringen dienen te worden gezet tot 30 cm in de C-horizont of tot 30 cm onder de voorgenomen maximale verstoringsdiepte.

29/35

Het doel van een verkennend booronderzoek is om vast te stellen of in het plangebied een intacte bodem aanwezig is. Indien (delen van) het plangebied sterk verstoord blijken te zijn, kan/kunnen deze worden vrijgegeven. Indien de bodem (deels) intact is blijft de archeologische verwachting van kracht en zal nader veldonderzoek, mogelijk in de vorm van een karterend booronderzoek, waarschijnlijk nodig zijn. Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen Veldwerk is op verschillende momenten uitgevoerd. In het westelijke deel is het inventariserende onderzoek verricht op 9 januari 2019 Hierbij is het archeologisch booronderzoek gecombineerd met een milieukundig booronderzoek. Voor het milieukundig booronderzoek zijn negentien boringen gezet. Zes van die boringen zijn ook door de archeoloog ter plaatse onderzocht (boorpunten RA01, RA08, RA12, RA14, RA16, RA18). Het oostelijke deel is onderzocht op 16 januari 2023 door. Hierbij zijn 5 handmatige grondboringen gezet. Alle boringen zich verricht met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot 0,3 m in de C-horizont en/of tot een maximale diepte van 2,0 m beneden maaiveld. De bodemopbouw is in het grootste gedeelte van de boringen niet meer intact. In het (recente) verleden is de bodem verstoord tot op de C-horizont van het plangebied.

Enkel in boring RA18 is een intact podzolprofiel aangetroffen op een diepte van 50 cm beneden maaiveld (6,5 m NAP). Vanaf dit niveau is er een kans op het aantreffen van archeologische waarden. Het advies luidt om ter hoogte van boring RA18 geen bodemingrepen uit te voeren dieper dan 0,4 m -mv. Als deze diepte door de geplande ingrepen overschreden wordt, dient een karterend booronderzoek uitgevoerd te worden. De kans dat de bodem intact is buiten de begrenzing van het semiverharde pad dat waarschijnlijk de bodem in boring RA18 heeft afgedekt is echter klein. De rapportage van het Inventariserend veldonderzoek door middel van boringen is in blijage 8 opgenomen.

Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor voorliggend plan. Hierbij geldt wel de voorwaarde dat werkzaamheden ter plaatse van boorpunt RA18 niet dieper worden uitgevoerd dan 0,40 m beneden maaiveld.

30/35

5

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: • • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Onderhavig bestemmingsplan maakt de verbouwing en uitbreiding van een hoogspanningsstation mogelijk. TenneT en de gemeente Raalte sluiten een anterieure overeenkomst af, waarin de ambtelijke, legeskosten en planschade worden afgehandeld. Door wijzigingen van de planologische bestemming en de bijbehorende regels, kan er voor belanghebbenden schade als gevolg van waardedaling ontstaan. Deze schade wordt planschade genoemd. De grondslag voor de tegemoetkoming in planschade wordt gevormd door afdeling 6.1 van de Wro. Tegemoetkoming is aan de orde indien schade ontstaat in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak door een wijziging van het planologisch regime, die leidt tot een planologisch nadeel voor een belanghebbende. Overigens leidt niet ieder planologisch nadeel tot (voor vergoeding in aanmerking komende) schade. Een tegemoetkoming wordt toegekend voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins verzekerd is. Dit laatste is bijvoorbeeld aan de orde bij de vestiging van zakelijke rechten en de verwerving van objecten. In deze gevallen is sprake van een volledige schadeloosstelling, inclusief een tegemoetkoming in planschade. De planschade is op die manier anderszins verzekerd.

De gemeente Raalte sluit een planschadeovereenkomst met TenneT over de eventuele kosten als gevolg van verzoeken om tegemoetkoming in planschade. Deze overeenkomst wordt gesloten voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. TenneT verzorgt voor eigen rekening en risico de aanleg van het station. Het bestemmingsplan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.

31/35

6

Juridische planopzet

6.1

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels voor het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan. Verbeelding De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend. Regels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken.

• Hoofdstuk 1: Inleidende regels (definities en wijze van meten); • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels (zie paragraaf 6.2) • Hoofdstuk 3: Algemene regels (enkele algemene geldende bepalingen) • Hoofdstuk 5: Overgangs- en slotbepalingen.

6.2

Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemming:

Enkelbestemming Bedrijf - Nutsbedrijf Deze bestemming is van toepassing op het gehele plangebied en betreft een basisfunctielaag. De bestemming regelt de huidige functie en bebouwing van het hoogspanningsstation en maakt ook de uitbreiding mogelijk. Hiervoor is het bestemmingsvlak aan de zuidoostzijde van de locatie iets verruimd. Op de verbeelding is een ruim bouwvlak aangegeven waarbinnen de bebouwing ten behoeve van nutvoorzieningen gebouwd kan worden. Er is een bebouwingspercentage toegevoegd voor de maximale oppervlakte van de gezamenlijke gebouwen op het terrein. Ook de bouwhoogte is door middel van een bouwaanduiding op de verbeelding vastgelegd.

32/35

7

Procedure

7.1

Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt en ligt dan weer 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Als er geen beroep wordt ingesteld treedt het plan daags na afloop van de beroepstermijn in werking.

7.2

Verslag vooroverleg

Dit bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg toegezonden aan de vooroverleg partners. Het vooroverleg heeft middels de gemeente plaatsgevonden medio 2022. Hierop hebben de provincie, waterschap en omgevingsdienst positief gereageerd. De partners stellen vast dat dit bestemmingsplan in het ruimtelijk beleid past en zien dan ook geen belemmeringen wanneer dit plan in deze vorm in procedure gaat.

7.3

Verslag inspraak en participatie

TenneT heeft in het voorbereidingstraject van voorliggend plan verschillende informatieavonden gehouden. Deze hebben plaatsgevonden op: • 14-09-2021 • 15-12-2021 • 09-02-2022 • 08-11-2022 Tijdens de bijeenkomsten zijn onder andere de thema's landschappelijke inpassing, magneetvelden, veiligheid en uitvoeringsplanning aan bod gekomen.

33/35

Bijlagen bij de toelichting

34/35

35/35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Raalte&id=7029321e-cfa6-48b3-960c-9ccc31803b1f